Vlaanderen

CO 1386 van 26 februari 2014 - Jaarlijkse evaluatie van de behoeften aan informatie met elektronische en papieren dragers: actualisering van de richtlijnen in verband met controle door formulieren.

1. Informatiegaring met formulieren en elektronische dragers

2. Algemene uitgangspunten voor de gegevensinwinning

3. De gegevensinwinning met formulieren per thema

4. Varia

1. Informatiegaring met formulieren en elektronische dragers

Sedert enkele jaren houdt de Rijkdienst op een permanente wijze een inventaris bij van alle onontbeerlijke gegevens om de kinderbijslag te betalen. Elk jaar worden overeenkomstig de bepalingen van de bestuursovereenkomst, de voorschriften in verband met de methoden en de werkwijzen om die gegevens te verkrijgen opnieuw geëvalueerd en geactualiseerd.

Daarom vinden de kinderbijslagfondsen en de andere betaalinstellingen voor kinderbijslag hierna de nieuwe regels die van toepassing zijn vanaf 1 maart 2014.

2. Algemene uitgangspunten voor de gegevensinwinning

De contacten met de sociaal verzekerde staan in het teken van gegevensinwinning en het geven van juiste en volledige informatie. De algemene doelstelling van de gegevensinwinning bestaat erin in overeenstemming met het Handvest de kinderbijslag snel en correct te betalen:

(a) door elektronische fluxgegevens te verwerken en zo weinig mogelijk vragen te stellen aan de sociaal verzekerde via een aanpassing en een vervanging van formulieren door elektronische gegevens; (b) door de consultatie van de databanken1.

De kinderbijslagfondsen moeten alles in het werk stellen om de betalingen " in real-time" af te stemmen op de ontvangen elektronische gegevensstromen in verband met de wettelijke en professionele persoonsgegevens.

2.1. De unieke gegevensvergaring: de onontbeerlijke gegevens maar één keer opvragen

2.1.1. Algemene principes

  1. Enkel de persoonsgegevens die onontbeerlijk zijn voor de correcte en tijdige behandeling van het dossier mogen opgevraagd worden. De gegevensinwinning via elektronische weg of door consultatie van databanken moet verantwoord zijn en stroken met de verwachtingen van de burger. Enkel de persoonsgegevens dienstig voor de vaststelling van het recht en de betaling van de kinderbijslag (bijv. de gezinssamenstelling) mogen worden geconsulteerd. Het misbruiken van gegevens voor andere doelstellingen kan worden vervolgd.
  2. De gegevensinzameling mag niet overmatig zijn: er mogen niet te veel en te vaak gegevens worden opgevraagd.
  3. De opvraging van de gegevens (de unieke inzameling), bij voorkeur via elektronische kanalen, gebeurt zo veel mogelijk direct bij de "authentieke bron"; de opvraging bij de sociaal verzekerde via een formulier is enkel toegelaten voor zover deze gegevens niet elektronisch verkregen kunnen worden. Een authentieke bron is een database die door een wet of reglementering ertoe verplicht is om betrouwbare gegevens in te zamelen, te beheren en ter beschikking te stellen van derden die deze gegevens verplicht moeten gebruiken.
Voorbeeld
Gegevenstype Authentieke bron
Identificatiegegevens van de ondernemingen Kruispuntbank v/d Ondernemingen (cf. Werkgeversrepertorium)
Identificatiegegevens van de burgers Rijksregister v/d Natuurlijke Personen Register van de Kruispuntbank v/d Sociale Zekerheid
Sociale persoonsgegevens Databases beheerd door de instellingen van de sociale zekerheid (waaronder RSZ)
Uitzonderingen

Bepaalde informaties waarop de betaling van de kinderbijslag is gesteund en waarvan nog geen elektronische "authentieke" gegevensbron beschikbaar is, zijn nog te bewijzen aan de hand van een formulier, een attest of een verklaring.

Een overzicht
 
Aard van de informatie Bewijsmiddel
1 De pensionering van de rechthebbende / het overlevingspensioen Attest (o.a. pensioenbrevet) van de pensioendienst
2 De detinering Attest van de FOD Justitie (adres in de tabellen in bijlage)
3 De plaatsing in een instelling / gezin Attest / formulier / P3a2 / P3b3 / beschikking van de rechter (zie: Topic 8)

Navragen of het kind na de meerderjarigheid verder in het gezin verblijft. Als er geen mailbox van afschrijving op het adres van het pleeggezin wordt ontvangen, mag dat worden verondersteld.

4 Een "feitelijk gezin" vormen Positieve gevolgen (zie Topic 11) o.a. rangbepaling4

Negatieve gevolgen (zie Topic 11) Een "feitelijk gezin - geen feitelijk gezin" vormen (weerlegging van het vermoeden5)

 

Rijksregister of officieel document6 + Verklaring op het formulier J van de partners

Rijksregister of officieel document/andere bewijsmiddelen7 + Verklaring op het formulier J van de partners/sociaal onderzoek (controle aan huis)

5 De verlating van het weeskind door de overlevende ouder Formulier P16com (zie: de tabellen in bijlage)
6 De verdwijning of de ontvoering van het kind; de rechthebbende heeft zijn gezin "verlaten" Verklaring van gerechtelijke of administratieve of politionele diensten
7 De regeling in verband met het ouderlijke gezag (beurtouderschap en co-ouderschapsregeling) Het vonnis / arrest / een beschikking (zie: Topic 9)
8 De gelijk verdeelde huisvesting voor meerderjarigen (vervolg van de co-ouderschapsregeling) Verklaring van de beide ouders (formulier Mod. L)
9 OCMW-steun (leefloon + andere steun) Attest / verklaring, indien geen flux
10 Vraag om op een rekening te storten Formulier Mod.W
11 In de Vlaamse of Duitstalige Gemeenschap: Het volwassenenonderwijs, het avondonderwijs, het onderwijs voor sociale promotie, het privaat onderwijs, de leerovereenkomst, de stages (opleiding tot ondernemingshoofd of om in een ambt te worden benoemd), datum indiening van de eindverhandeling, de stage om in een ambt benoemd te worden (notaris, gerechtsdeurwaarder,...)

In de Franse Gemeenschap: Het gevolgde onderwijs, de leerovereenkomst, de stages (opleiding tot ondernemingshoofd of om in een ambt te worden benoemd), datum indiening van de eindverhandeling, stage om in een ambt benoemd te worden (notaris, gerechtsdeurwaarder,...)

Atest D062 / formulier P7 / verklaring op Thesismodule_1 / _2

Formulier P7

12 Bewijs van een handicap of van een aandoening Attest / Handichild8
13 Rechtsfeiten in het buitenland (geboorte, overlijden, adoptie,...) Attesten / verklaringen / buitenlandse akten + vonnissen
14 De wettelijke samenwoning Verklaring
15 Het inkomen van de student-stagiair, alternerend leren, het werkplekleren, de leerjongen, de ondernemingsopleiding Verklaring op het formulier (o.a. als zelfstandige, zie: Topic 4)
16

De gesanctioneerde werkloze9

Beslissing van sanctie (RVA)/Verklaring10
17 Het kraamgeld Kraamgeldattest / inschrijving in de bevolkingsregisters
18 De illegale bijslagtrekkende Verklaring11
19 IBO-contracten12 (activering van de werklozen) Gewestelijke arbeidsdiensten
20 De rang van het kind Formulier Y-ter

2.1.2. Debiteuren

Aan de kinderbijslagfondsen die het debet hebben opgemaakt wordt gevraagd om de integratie in het Kadaster nooit stop te zetten voor de debiteuren van onverschuldigd betaalde kinderbijslag, zolang de schuld niet volledig is aangezuiverd (cf. CO 1363 van 9 november 2006). De bijslagtrekkende, maar ook de rechthebbende moeten geïntegreerd blijven (996/52bis van 13 mei 2011) in functie van de heropening van het recht, de intersectoriële inhoudingen en de stuiting van de verjaring.

2.1.3. Bewaring van gegevens die niet langer actueel zijn

De (sociale persoons-)gegevens worden slechts eenmaal13 opgevraagd.  Eens ze in het bezit zijn van een kinderbijslaginstelling worden ze opgeslagen, beheerd en geactualiseerd en binnen de sector worden ze via het Kadaster of met het brevet van rechthebbende ter beschikking gesteld van de andere gebruikers binnen het netwerk.

Ze hoeven ook niet langer actief beschikbaar te zijn dan noodzakelijk voor de toepassing van de kinderbijslagwetgeving, rekening houdende met de wettelijke verjaringstermijnen. 

2.1.4. Bewaring van gegevens die niet langer actueel zijn

Gegevens die niet meer worden gebruikt voor de toekenning van de kinderbijslag, moeten worden gearchiveerd.  Ze dienen niet beschikbaar te blijven voor directe consultatie, maar worden opgeslagen in het archief of gestockeerd op elektronische dragers bij de Rijkdienst (cf. omzendbrief van de Rijkdienst, CO 1380 van 23 december 2009). In de dienstbrieven 997/52bis van 13 mei 2011 en 997/75 van 14 april 2011 werden verdere preciseringen gegeven.

2.2. Gevolgen van de unieke gegevensinwinning

2.2.1. Ambtshalve het recht onderzoeken of op een aanvraag wachten?

Als algemeen principe stelt de Rijkdienst dat rechten op kinderbijslag maximaal op eigen initiatief van het kinderbijslagfonds worden onderzocht en vastgesteld in het kader van het automatisch onderzoek van het recht. Bij de vaststelling van rechten waarvoor nog een beroep wordt gedaan op de sociaal verzekerde is het van belang dat de beschikbare elektronische informatie niettemin maximaal wordt benut (bijv. de DMFA-gegevens over het arbeidsvolume kunnen indicatief zijn voor het inkomen in het kader van het onderzoek naar een toeslag).

Het kinderbijslagfonds moet het nodige doen om automatisch informatie te bekomen over potentiële rechten die nog niet automatisch kunnen worden uitgeoefend. Om dit te bereiken moeten de juiste actoren in het kinderbijslagkadaster worden geïntegreerd met de passende rolcode en moeten de daaruit voortkomende informatiestromen effectief en efficiënt worden verwerkt.

Wat betreft de integratie van de (huwelijks)partners met het oog op de toekenning van de sociale toeslagen wordt verwezen naar de omzendbrief van de Rijkdienst, CO 1377 van 8 december 200814.

 
Statuut "vierde actor": overzicht van de integraties in het Kadaster
Altijd met code 106 integreren (bijslagtrekkende = code 103) Alle potentiële voorrangsgerechtigde rechthebbenden ("vierde" actoren cf. de schema's in bijlage).
Situatie Actoren met 103/106
Afstand van recht aan een rechthebbende die tot de hoofdgroep van de rechthebbenden behoort De voorrangsgerechtigde in de zin van art. 64 KBW die het recht heeft afgestaan
Toepassing van de algemene afwijking op grond van de MO 599 De voorrangsgerechtigde in de zin van art. 64 KBW
Afstand van recht aan een rechthebbende die niet tot de hoofdgroep van de rechthebbenden behoort De voorrangsgerechtigde in de zin van art. 64 KBW die het recht heeft afgestaan en de potentiële voorrangsgerechtigden in het gezin van het kind
Doel Actoren met code 105
Automatisch onderzoek naar het recht op wezenbijslag De andere ouder (adoptant) van het kind, die nog niet met een andere code is geïntegreerd. Dit geldt eveneens voor het weeskind dat niet door de overlevende ouder wordt opgevoed, ook als het is verlaten15 (belangrijk voor de verzending van het formulier P16com16).
Opvolgen van alle wijzigingen in de gezinssamenstelling Gezinshoofden (referentiepersonen) in het gezin van de bijslagtrekkende rond wie de kinderen worden gegroepeerd en die nog niet met een andere code zijn geïntegreerd. Uitzondering: de referentiepersoon (gezinshoofd) van het gezin waar de rechthebbende inwoont, maar niet de bijslagtrekkende (bv. het gezinshoofd van de rechthebbende vader in co-ouderschap) en het kind evenmin op dat adres gedomicilieerd is.
Opvolgen betaling op basis van een individuele afwijking Voorrangsgerechtigde ouder die de voorrang verloor ingevolge een individuele afwijking door FOD.

 

Conform de bepalingen van het Handvest van de Sociaal Verzekerde kunnen de kinderbijslagfondsen - wanneer de sociaal verzekerde binnen de maand geen gevolg geeft aan de vraag om inlichtingen (bijv. door het niet-terugzenden van het formulier) - ambtshalve inlichtingen inwinnen en op basis daarvan beslissingen treffen, die rechtsgeldig zijn tot bewijs van het tegendeel (zieTopic 9: De ontbrekende of onvolledige formulieren - de ambtshalve beslissing).

2.2.2. Algemene bewijskracht van de elektronische informatie en de voorrang op de formulieren

De gegevens waarop de betaling van de kinderbijslag is gesteund, worden bij voorrang bewezen met elektronische bewijsmiddelen (gegevensfluxen of de consultatie van databanken via TRIVIA).

Uit een bewijs dat op die manier verkregen werd, vloeien alle gekende rechtsgevolgen voort: de betaling van de basisbijslag of de validatie van de betaling van een toeslag (zie Topic 9 : De onvolledige of ontbrekende formulieren - de ambtshalve beslissing), de provisionele betaling of de weigering van het recht of de gebeurlijke terugvordering. Dit geldt zowel in het kader van de aanvraag als bij de voortzetting van de betaling.

2.2.3. Unieke gegevensinzameling op basis van het uniek nummer (bijv. ondernemingsnummer of INSZ-nummer)

Als blijkt dat alle gegevens uit de authentieke bron kunnen worden verkregen, dan mogen dezelfde gegevens geen tweede keer meer met formulieren worden opgevraagd.

Elke instelling moet maximaal gebruik maken van de gegevens die al bij andere diensten beschikbaar zijn (art. 12 van het Charter van de klantvriendelijke overheid)17

2.3. De bewijskracht van elektronische informatiegegevens

De elektronische informatiegegevens (bijv. van het Rijksregister) gelden tot bewijs van het tegendeel en kunnen geldig gebruikt worden ter vervanging van de gegevens uit de bevolkings- en vreemdelingenregisters.

Verschillen tussen de gegevens in het Rijksregister en andere officiële documenten

Bij koninklijk besluit18 is bepaald dat wie verschillen vaststelt tussen de gegevens in het Rijksregister en andere officiële gegevens, verplicht is dit onmiddellijk te melden aan het Rijksregister. Aan de kinderbijslagfondsen wordt daarom gevraagd afwijkingen aan de dienst Monitoring te signaleren die desgevallend contact zal opnemen met de Helpdesk van het Rijksregister. De bepaling om die verschillen rechtstreeks aan het Rijksregister te melden die was voorzien in de circulaires CO 1272 van 12 oktober 1993 en CO 1381 van 8 februari 2010, vervalt.

2.4. Afschaffing van de eensluidende verklaring19

Een goed leesbare kopie van het document / formulier volstaat

Er wordt aan herinnerd dat de federale overheidsdiensten sinds 31 maart 2004 (art. 508 van de Programmawet van 22 december 2003) geen eensluidend verklaarde documenten meer mogen opvragen.

Aan alle wettelijke of reglementaire verplichtingen is voldaan door het overhandigen van een kopie van het originele document.

Wat te doen bij twijfel over de authenticiteit?

Indien er twijfel bestaat over de authenticiteit20 van een document, moet contact worden genomen met de overheid die de informatie kan bezorgen. Wanneer dat niet volstaat, kan de dienst zich tot de authentieke bron richten. Er moet een ter post aangetekende brief met bericht van ontvangst gestuurd worden naar de persoon die de duidelijke kopie heeft bezorgd. In die brief vraagt u om het originele document voor te leggen en vermeldt u ook de reden hiervoor.

De afschaffing van het eensluidend verklaard afschrift geldt enkel voor kopieën die burgers of ondernemingen moeten voorleggen. Deze maatregel is niet van toepassing op documenten die instellingen in geval van noodzaak onder elkaar uitwisselen (cf. de dienstbrieven inzake het brevet van rechthebbende en Y-ter).

Wanneer is nog een origineel document nodig?

Algemeen geldt dat gezien de evolutie rond digitalisering van het dossier voortaan een kopie, fax of Pdf-afschrift als bewijsmiddel kunnen worden aangenomen.

De Rijksdienst heeft het standpunt bijgestuurd vanaf 2013. Na onderzoek is gebleken dat de instructie in de praktijk onmogelijk uitvoerbaar was, zeker gezien de evolutie rond digitalisering van dossiers.  Voor deze twee attesten kunnen dus voortaan een kopie, fax of Pdf-afschrift worden aangenomen.

Dit neemt niet weg dat verklaringen waarop klaarblijkelijk aan jaartallen, namen, cijfers, stempels,... is "veranderd", zeker aanleiding moeten geven tot een onderzoek van de authenticiteit. De correctheid van de ontvangen gegevens wordt voor validatie voorgelegd aan de authentieke bron.

Het bijgestuurde voorschrift geldt zowel voor het basisdocument als de bijlagen (voorbeeld: bijlagen nagezonden in PDF).

Voor de authentieke bewijzen van geboorte en leven wordt verwezen naar Topic 2 infra (situatie van gezinnen in België). Voor de gezinnen in het buitenland, wordt verwezen naar Bijlage II.

2.5. De (elektronische) communicatie met de burger

Overeenkomstig het Charter van een klantvriendelijke overheid, goedgekeurd door de Ministerraad van 23 juni 2006, laat elke overheidsdienst communicatie toe met de burgers of de ondernemingen via verschillende kanalen waaronder e-mail, brief, telefoon en fax (art. 6).

De gegevens verkregen via andere kanalen dan brieven of formulieren (e-mail, telefoon of fax) moeten worden aanvaard voor de vaststelling van het recht indien voldoende identificatie van de afzender of de nodige technische maatregelen inzake de authenticiteit van de handtekening (elektronische handtekening op de e-ID) van toepassing zijn.

Elke dienst beantwoordt brieven met brieven en e-mail met e-mail, tenzij de gegevens van die aard zijn dat een elektronische communicatie niet wenselijk is (bijv. motivering van beslissing in het kader van het Handvest of de betekening van een debet). Aangetekende zendingen worden enkel gebruikt indien dit echt noodzakelijk is of wanneer dit wettelijk zo is bepaald (art. 9 van het Charter).

Voor de kinderbijslagsector betekent dit in concreto dat aangetekende zendingen enkel gebruikt worden:

  • voor het stuiten van de verjaringstermijn21 van 3 of 5 jaar voor onverschuldigde betalingen. De verjaring is enkel gestuit als de aangetekende zending gebeurt op het officieel adres volgens het Rijksregister.
  • voor de vraag om intersectoriële inhoudingen.
Motiveringsbrieven per e-mail

De motiveringsbrieven kunnen per e-mail worden verzonden, indien er voldaan is aan de volgende randvoorwaarden:

  • de bijslagtrekkende (de geadresseerde) heeft zich in die hoedanigheid geregistreerd bij het kinderbijslagfonds. Er is dus geen twijfel over de identificatie (e-mail staat op naam van de bijslagtrekkende).
  • het kinderbijslagfonds heeft een leesbevestiging van de bijslagtrekkende ontvangen, wat aantoont dat de mail geopend is. Blijft die leesbevestiging uit, dan wordt de motiveringsbrief alsnog per post verzonden. De leesbevestiging is niet meer noodzakelijk vanaf 2014.
Opmerking

De brief waarmee een debet aan de bijslagtrekkende wordt betekend, is verplicht in het dossierbeheer, o.a. m.b.t. de stuiting van de verjaring, dat die brief hoe dan ook per post dient te worden verzonden. Met het oog op de controle moet altijd een dubbel van de motiveringsbrief in het (elektronisch) dossier worden bewaard.

2.6. De digitale stempel

Bepaalde gemeenten en ook andere overheden maken gebruik van een authentieke digitale stempel om e-documenten op een veilige manier digitaal door te sturen naar de sociaal verzekerde in het kader van de afhandeling van hun kinderbijslagdossier22.

Voorbeeld van de stad Mechelen:

In de barcode op de digitale stempel zijn de gegevens van het document opgeslagen, samen met de digitale handtekening van de stad Mechelen. De barcode kan op verschillende manieren gescand worden en geverifieerd op de site www.Mechelen.be/digitale stempel. De stad gebruikt het gekwalificeerde stadscertificaat om te ondertekenen. Dit certificaat staat gelijk aan de stempel en handtekening van een ambtenaar. Aangezien de e-documenten een authentieke digitale stempel bevatten en kunnen geverifieerd worden, voldoen ze aan het wettelijk kader en zijn ze rechtsgeldig.

3. De gegevensinwinning met formulieren per thema

Topic 1 - De overschrijving op een zichtrekening in het binnen- en buitenland

3.1.1. De wettelijke bescherming van de tegoeden op de rekening

Overeenkomstig art. 1410, §2, 1°, van het Gerechtelijk wetboek worden de gezinsbijslagen beschermd tegen overdracht en beslag. De uitkeringen verliezen evenwel deze bescherming na creditering op een zichtrekening, doordat ze niet langer als zodanig identificeerbaar zijn.

De wet van 27 december 2005 houdende diverse bepalingen heeft het Gerechte lijk wetboek op dit punt aangevuld en voorziet in de toekenning van een bijzondere code aan bepaalde uitkeringen bij storting op een rekening. Het KB van 4 juli 2006 geeft met ingang van 1 januari 2007 uitvoering aan de voormelde bepalingen (cf. de omzendbrief van de Rijkdienst, CO 1361 van 6 november 2006).

Het infogedeelte van het formulier Mod. W werd overeenkomstig deze gewijzigde regelgeving aangepast, om op die manier de sociaal verzekerde voldoende te informeren.

3.1.2. De SEPA-overschrijving

Het formulier W werd tevens aangepast aan de Europese richtlijn met betrekking tot de uitvoering van Europese overschrijvingen. Bijgevolg zal het huidige rekeningnummer van de begunstigde vervangen worden door de IBAN-code met 16 alfanumerieke karakters. Bovendien werd de BIC-code voor de identificatie van de bank van de begunstigde op het formulier gevraagd.

Voor de overschrijvingen naar het buitenland werd een formulier W-int ontwikkeld.

3.1.3. De basisbankdienst

Overeenkomstig art. 3 van de Wet op de Basisbankdienst (BS 24 maart 2003) moet iedere consument die zijn hoofdverblijf heeft in België voor maximaal 12,62 euro (geïndexeerd)23 per jaar een zichtrekening kunnen openen bij een kredietinstelling en bepaalde verrichtingen kunnen uitvoeren (= basisbankdienst). Het infoblad bij het formulier W bevat een korte verwijzing naar deze wet.

Het nieuwe formulier, aangepast aan deze drie wijzigingen, werd u meegedeeld met de omzendbrief van FAMIFED: dienstbrief 999/c.150 van 18 december 2008.

Topic 2 - Het bewijs van geboorte en leven

3.2.1. Procedure vóór de geboorte (de aanvraag om voorafbetaling)

De bepalingen van de CO 1386 over de voorafbetaling van het kraamgeld vervangen de overeenkomstige instructies (bijlage 2, Hoofdstuk 1 - punt 2 en bijlage 3, geval 4) bij de CO 1348 van 11 februari 2004.

Het indienen van een aanvraag en de bewijsstukken om een voorafbetaling van een kraamgeld te bekomen

Het model E

Het formulier model E (aanvraag om kraamgeld) ) zal worden aangepast. Daarbij zal worden verduidelijkt vanaf welk moment de geneesheer (vroedkundige) een geldige verklaring kan afleggen m.b.t. de vermoedelijke datum van de geboorte.Het aangepaste formulier zal later met een dienstbrief worden meegedeeld.

Wat is een aanvraag om kindergeld(o.a. kraamgeld)?24
  • elk document, feit, gegeven, formulier,... waaruit het recht op kinderbijslag, kraamgeld,... blijkt;
  • als het kinderbijslagfonds over voldoende elementen beschikt om uw recht vast te stellen, moet geen aanvraagformulier ingevuld worden;
  • alle wijzigingen in beroep, identiteit, woonplaats, studies,... moeten dadelijk aan het kinderbijslagfonds gemeld worden. Neem contact op per telefoon, brief, fax, e-mail of persoonlijk tijdens de kantooruren.

De Rijkdienst heeft de aanvraagformulieren AA (aanvraag om kinderbijslag), B en Eter (aanvraag om kraamgeld / adoptiepremie) in de hiervoor vermelde zin aangepast en aan de kinderbijslagfondsen bezorgd25.

Naar aanleiding van de voorafbetaling van het kraamgeld wordt het "speciaal geboorteattest" nog steeds gevraagd aan de bijslagtrekkende.

Let wel ! De voorafbetaling geldt altijd als een provisionele betaling:

  • een verklaring van feitelijk gezin (mod. J) vragen vóór de geboorte is onnodig als de persoon met wie de moeder ongehuwd samenwoont een " aanvraag om voorafbetaling" van het kraamgeld indient;
  • het bewijs vragen van verklaring van het voornemen om te erkennen is eveneens NOOIT noodzakelijk om het kraamgeld te kunnen voorafbetalen.

Na de geboorte van het kind dient het recht op kraamgeld en kinderbijslag definitief bepaald te worden rekening houdende met de voorrangsregels, de bevoegdheidsbepalingen en desgevallend de procedure van het automatisch onderzoek van het recht (cf. CO 1326 van 19 januari 2001). De verklaring van feitelijk gezin (mod. J) is wel nodig om na de geboorte van het kind het recht hoofdens de persoon die ongehuwd samenwoont met de moeder (partner van de moeder erkent het kind niet) te kunnen vaststellen en de betaling van het kraamgeld te valideren.

Samenloop met de Gewaarborgde Gezinsbijslag

Woont de "vermoedelijke vader" buiten het gezin van de moeder dan wordt het kraamgeld provisioneel betaald op basis van zijn aanvraag (model E) op voorwaarde dat:

  • de moeder een OCMW-uitkering ontvangt;
  • hij niet getrouwd is met een andere vrouw dan de toekomstige moeder.

Na de geboorte wordt de bevoegdheid (gewaarborgde gezinsbijslag- werknemersregeling) definitief geregeld gelet op de juridisch vastgestelde afstamming.

Het onderzoek: zie punt 3.2.3.1. Hypothese II (aanvraag hoofdens persoon die GEEN gezinslid is van de moeder)

3.2.2. Procedure na de geboorte

De geboorte van het kind wordt bewezen door ofwel het "speciaal geboortebewijs"26, ofwel door een mailbox afkomstig van het Rijksregister. Zodra geboorte en leven van het kind op één van deze twee manieren vaststaat, is er een voldoende basis om:

  • het kraamgeld uit te betalen of de voorafbetaling van het kraamgeld te staven;
  • kinderbijslag uit te betalen.

Altijd de mailbox opvolgen om fraude te voorkomen!

Het speciaal geboorteattest om het kraamgeld te bekomen is enkel functioneel om de betalingen van de kinderbijslag toch al te starten, wanneer de mailbox in verband met de geboorte nog niet is ontvangen (wijziging van het Rijksregister).

Om fraude via het nagemaakt "speciaal geboortebewijs" of via verklaringen van zwangerschap in functie van de voorafbetaling van het kraamgeld op het spoor te komen, wordt aan de kinderbijslagfondsen gevraagd in geval van betaling van het kraamgeld ALTIJD de mail-box van het Rijksregister op te volgen. Indien de mailbox niet beschikbaar is aan het einde van de maand die volgt op de geboortemaand: KSZ-nummer (bisnummer) aanvragen om betaling van de kinderbijslag in het Kadaster te kunnen integreren. De D-berichten moeten onmiddellijk verwerkt worden (bijlage 1 bij de 997/52bis).

Wanneer geen mailbox is ontvangen wordt vanaf drie maanden na de (vermoedelijke) geboortedatum en uiterlijk voor het einde van de vijfde maand na de voorafbetaling van het kraamgeld, het gegeven getoetst aan de authentieke bron:

  • het Rijksregister consulteren en van deze consultatie een (print)screen bijhouden in het (elektronisch) dossier;
  • en/of de gemeente die het speciaal geboortebewijs heeft opgemaakt, vragen de geboorte (of desgevallend het overlijden, doodgeboorte) van het kind te bevestigen.
Noot:

De akte van aangifte van een levenloos kind wordt door de ambtenaar van de burgerlijke stand opgemaakt, wanneer de doodgeboorte plaats heeft meer dan zes maanden na de conceptie. In dat geval geeft het doodgeboren kind ook recht op kraamgeld of moet het voorafbetaalde kraamgeld niet worden betwist. De ambtenaar van de burgerlijke stand maakt een geboortebewijs op met de vermelding " levenloos vertoond kind", wanneer een akte van aangifte van een levenloos kind werd opgesteld. Aan het kinderbijslagfonds wordt gevraagd om telkens wanneer geen mailbox is ontvangen, inlichtingen in te winnen bij het betreffende gemeentebestuur over het bestaan van de akte van aangifte van een levenloos kind.

De overlegging van een medisch getuigschrift aan het bevoegde kinderbijslagfonds inzake een miskraam na ten minste 180 dagen zwangerschap volstaat niet om het recht op kraamgeld te vestigen. Indien daarentegen het kind doodgeboren is in het buitenland wordt het bewijs van doodgeboorte (na 180 dagen zwangerschap) geleverd aan de hand van een document uitgaande van de bevoegde buitenlandse overheidsinstantie en bij gebreke hiervan aan de hand van een medisch getuigschrift.

Voorbeeld:

Een aanvraag om kraamgeld wordt ingediend in de achtste maand van de zwangerschap. Het kraamgeld wordt voorafbetaald en het betreft een eerste kind van de ouders. Bij de kennisgeving van de voorafbetaling van het kraamgeld wordt om "het speciaal geboorteattest" gevraagd. Na de geboorte wordt geen mailbox van het Rijksregister ontvangen. Het feit van de geboorte is niet voldoende bewezen om de voorafbetaling van het kraamgeld te staven en om de kinderbijslag te betalen. Vanaf de derde maand na de vermoedelijke geboortedatum en uiterlijk voor het einde van de vijfde maand na de voorafbetaling van het kraamgeld, wordt contact opgenomen met de bevolkingsdiensten van de woonplaats van de moeder (cf. Noot supra).

Opmerking:

De kinderbijslagfondsen moeten geen bijzondere maatregelen meer nemen om het speciaal geboortebewijs te "ontwaarden" wanneer het wordt ontvangen. Is het speciaal geboorteattest het eerste document dat u ontvangt in de procedure tot aanvraag van het kraamgeld, dan wordt dit door de Rijkdienst beschouwd als een " aanvraag" om gezinsbijslag.

3.2.3. Maatregelen om te voorkomen dat het kraamgeld meer dan eenmaal wordt aangevraagd en uitbetaald

De hiernavolgende procedure geldt in principe zowel voor de betaling van het kraamgeld vóór (de voorafbetaling of de provisionele betaling) als na de geboorte.

3.2.3.1. De consultatie van TRIVIA
Principe:

Gelet op de toegenomen mogelijkheden van de gegevensinwinning via TRIVIA voert het kinderbijslagfonds ambtshalve een onderzoek uit naar een mogelijke cumulbetaling door de consultatie van de gegevensbestanden.

Hypothese I:

De aanvraag om (vooraf)betaling van het kraamgeld wordt gedaan door een aanvrager behorend tot de hoofdgroep27: (stief)ouder of partner
  • Voor de (toekomstige) moeder, het Kadaster raadplegen + bijhouden van een print(screen) van de consultaties in het (elektronisch) dossier of elk ander bewijs dat de raadpleging aantoont (bijv. checklist van uitgevoerde handelingen);
  • Voor de rechthebbende (de aanvrager van het kraamgeld): consultatie van TRIVIA en onderzoek in functie van de rechtsvaststelling + bijhouden van een print(screen) van de consultaties in het (elektronisch) dossier. Het Rijksregister wordt geconsulteerd (+ bijhouden van (print)screen) of elk ander bewijs dat de raadpleging aantoont (bijv. checklist van uitgevoerde handelingen),wanneer er geen enkel dossier wordt aangetroffen naar aanleiding van de consultatie van het Kadaster (derde mogelijkheid hierna).

Opmerking: Vooraf aan elke betaling van het kraamgeld, om het even voor of na de geboorte, moet het kinderbijslagfonds altijd het Kadaster raadplegen minstens op naam van de toekomstige moeder, zelfs wanneer het om een tweede en volgende geboorte gaat. De consultatie a posteriori is niet meer nodig.

Vaststellingen en de gevolgen van deze consultatie van TRIVIA:

  • 1ste mogelijkheid: Er bestaat enkel een dossier bij het kinderbijslagfonds dat de aanvraag om kraamgeld heeft ontvangen. Dat kinderbijslagfonds betaalt reeds voor kinderen van de rechthebbende - de aanvrager van het kraamgeld. Het betreft een tweede, derde of volgende geboorte van de rechthebbende. Actie: kraamgeld betalen en integreren (cf. 3.2.3.2. De integratie in Kadaster)
  • 2de mogelijkheid: Er bestaat in het Kadaster een kinderbijslagdossier bij een andere kinderbijslaginstelling = de mogelijkheid van cumul van het kraamgeld. Het kinderbijslagfonds dat de aanvraag heeft ontvangen, neemt telefonisch contact op met de betrokken kinderbijslaginstelling en verwittigt haar van zijn tussenkomst. Actie: Het kinderbijslagfonds dat de aanvraag heeft o ntvangen, bevestigt zijn betaling per e-mail of fax. Daarna wordt het kraamgeld onmiddellijk betaald en de betaling in het Kadaster geïntegreerd. (cf. 3.2.3.2. De integratie in het Kadaster).
  • 3de mogelijkheid: Er bestaat in het Kadaster geen kinderbijslagdossier bij een andere kinderbijslaginstelling. Actie: In dat geval wordt het kraamgeld onmiddellijk betaald en de betaling in het Kadaster geïntegreerd. (cf. 3.2.3.2. De integratie in Kadaster).

Hypothese II:

  • De aanvraag om (vooraf)betaling van het kraamgeld wordt gedaan door een aanvrager NIET behorend tot de hoofdgroep, die deel uitmaakt van het gezin, bijvoorbeeld een grootouder of oom van het kind.
  • De aanvraag om (vooraf)betaling van het kraamgeld wordt gedaan door een aanvrager die GEEN deel uitmaakt van het gezin.
  • Voor de (toekomstige) moeder: het Kadaster raadplegen + bijhouden van een print(screen) van de consultaties in het (elektronisch) dossier of elk ander bewijs dat de raadpleging aantoont (bijv. checklist van uitgevoerde handelingen);
  • Voor de rechthebbende: (de aanvrager van het kraamgeld): consultatie van TRIVIA en onderzoek in functie van de rechtsvaststelling + bijhouden van een print(screen) van de consultaties in het (elektronisch) dossier of elk ander bewijs dat de raadpleging aantoont (bijv. checklist van uitgevoerde handelingen);
  • Voor de potentiële rechthebbenden: (volgens de gezinssamenstelling): consultatie van Trivia louter om cumul betalingen te vermijden + bijhouden van een print(screen) van de consultaties in het (elektronisch) dossier van de gezinsleden of elk ander bewijs dat de raadpleging aantoont (bijv. checklist van uitgevoerde handelingen).

Vaststellingen en de gevolgen van de consultatie van TRIVIA:

  • Indien uit het onderzoek blijkt dat het kraamgeld niet in de KBW (werknemers28/zelfstandigen) dient te worden b etaald, dan wordt de aanvraag doorgezonden naar de gewaarborgde gezinsbijslag. De sociaal verzekerde wordt hiervan verwittigd.
  • Indien uit het onderzoek blijkt dat het kraamgeld in de KBW (werknemers/zelfstandigen) dient te worden vastgesteld, wordt als volgt tewerk gegaan:
    • 1ste mogelijkheid: Er bestaat enkel een dossier bij het kinderbijslagfonds dat de aanvraag om kraamgeld heeft ontvangen. Actie: Het kraamgeld wordt onmiddellijk betaald en de betaling in het Kadaster geïntegreerd. (cf. 3.2.3.2. De integratie in Kadaster).
    • 2de mogelijkheid: Er bestaat in het Kadaster een kinderbijslagdossier bij een andere kinderbijslaginstelling = de mogelijkheid van cumul van het kraamgeld. Het kinderbijslagfonds dat de aanvraag heeft ontvangen, neemt telefonisch contact op met de kinderbijslaginstelling en verwittigt van zijn tussenkomst. Actie: Het kinderbijslagfonds dat de aanvraag heeft ontvangen, bevestigt zijn betaling per e-mail of fax. Daarna wordt het kraamgeld onmiddellijk betaald en de betaling in het Kadaster geïntegreerd. (cf. 3.2.3.2. De integratie in Kadaster).
    • 3de mogelijkheid: Er bestaat in het Kadaster geen kinderbijslagdossier bij een andere kinderbijslaginstelling. Actie: In dat geval wordt het kraamgeld onmiddellijk betaald en de betaling in het Kadaster geïntegreerd. (cf. 3.2.3.2. De integratie in Kadaster).

Er wordt nogmaals aan herinnerd dat de voorafbetaling altijd geldt als een provisionele betaling. Na de geboorte van het kind dient het recht op kraamgeld en kinderbijslag definitief bepaald te worden rekening houdende met de voorrangsregels, de bevoegdheidsbepalingen en desgevallend de procedure van het automatisch onderzoek van het recht (cf. CO 1326 van 19 januari 2001).

3.2.3.2. De integratie in het Kadaster

Om de cumulatie van betalingen van het kraamgeld te voorkomen wordt aan de kinderbijslagfondsen gevraagd, uiterlijk op de dag waarop de uitbetaling van het kraamgeld geprogrammeerd is29, de betaling en de gegevens over de bijslagtrekkende, de rechthebbend e en alle potentiële rechthebbenden ("vierde" actoren, cf. de schema's in bijlage) in het Kadaster te integreren.

3.2.3.3. Het "speciaal geboorteattest"

Het kinderbijslagfonds dat het speciaal geboorteattest ontvangt, bewaart het of stuurt het door naar het kinderbijslagfonds dat bevoegd is of het kraamgeld heeft uitbetaald volgens het Kadaster.

Indien de geboorte wordt bewezen door een mailbox van het Rijksregister is het niet meer nodig het speciaal geboorteattest op te vragen. Over de geboorterang wordt beslist op basis van indicaties in het dossier of bij gebreke daaraan op basis van een individuele vraag aan de bijslagtrekkende. Indien er twijfel zou zijn over de geboorterang wordt dit in een apart schrijven aan de ouders gevraagd. Het volstaat dat het kind van een van beide ouders het eerste kind is om de eerste rang toe te kennen. De CO 1318 van 15 januari 1999 is sinds 2009 opgeheven.

3.2.4. Maatregelen om cumulbetalingen tussen de adoptiepremie en het kraamgeld te voorkomen

Voor een kind kan slechts eenmaal een adoptiepremie betaald worden aan de adoptant of aan zijn (huwelijks)partner. Bovendien mag geen van beiden (adoptanten als ze beide adopteren) al kraamgeld of een adoptiepremie hebben ontvangen hebben voor het kind.

Zelfde cumulonderzoek als voor het kraamgeld

De opzoekingen op naam van de ouder(s)(-adoptant)(en) in het Kadaster volstaan in de procedure ter voorkoming van cumul van kraamgeld en adoptiepremie.

Blijkt uit het cumulonderzoek dat geen cumul met een adoptiepremie mogelijk is, dan wordt de adoptiepremie of het kraamgeld (vooraf) betaald. Blijkt de mogelijkheid van een cumul dan volstaat het telefonisch contact op te nemen (met het kinderbijslagfonds) en het resultaat van het gesprek per brief, fax of e-mail te bevestigen.

Zijn er na onderzoek niet voldoende gegevens beschikbaar, dan wordt het cumulonderzoek desgevallend afgerond met een controlebezoek bij de persoon die het kraamgeld of de adoptiepremie heeft ontvangen. Dit verbod op cumulatie van kraamgeld met een adoptiepremie voor eenzelfde kind, sluit een verschilbetaling tussen beide in voorkomend geval niet uit (niet meer voor meemoederschap cf. infra). Desnoods heeft een controlebezoek plaats bij de persoon die het kraamgeld heeft ontvangen, wanneer de juiste geboorterang niet kan worden bepaald.

Topic 3 - De toekenning van een toeslag aan werklozen, zieken, gepensioneerden - Verhoging van de kinderbijslag voor eenoudergezinnen

3.3.1. De toekenning op basis van een aanvraagformulier

Principe: De controleformulieren worden verzonden op vaste voorafgaandelijk bepaalde tijdstippen.

In talrijke gevallen stelt de Rijksdienst vertragingen vast in het onderzoek naar het recht op de sociale toeslagen. De kinderbijslagfondsen worden van die bevindingen via de jaarlijkse rapportering ingelicht. Aan de kinderbijslagfondsen wordt daarom gevraagd inspanningen te leveren om de formulieren op de vooraf bepaalde tijdstippen te verzenden.

3.3.2. De verzendingen van de formulieren P19/P19ter in 2014

In de omzendbrief CO 1384 van 8 juni 2010 van de Rijksdienst werden de instructies van de CO 1377 van december 2008 aangepast. Deze instructies zijn verder van toepassing wat betreft de seriële verzending in 2014.

De aandacht wordt gevestigd op:

  1. De nieuwe gevallen Indien geen ambtshalve provisionele toekenning mogelijk is, wordt voor de mogelijk nieuwe rechten op een toeslag gevestigd vanaf 1 januari 2015 binnen de 30 dagen een formulier "Aanvraag om een sociale toeslag" (Mod. S) gestuurd of een Mod.P19fisc (kinderen in het buitenland).Wanneer het formulier Mod S/ Mod. P19fisc niet wordt teruggestuurd e in het kader van het eerste onderzoek naar het recht op de toeslag, moet het niet worden herinnerd. De onmogelijkheid om het recht op een toeslag toe te kennen wegens het ontbreken van het controleformulier Mod. S moet NIET schriftelijk worden gemotiveerd.  Wel werd voor gezinnen met één vervangingsinkomen in bepaalde gevallen een controle ter plaatse voorzien (Cf. punt Varia 4.1.)30.  
  2. De seriële zending van het formulier P19 - herinnering van het formulier na 45 dagen

    Volgens de huidige richtlijnen wordt het formulier P19/P19ter verzonden medio januari 2014.

    De herinnering van de formulieren P19 volgt na een maand (30 dagen). Gelet op het feit dat onmiddellijk na de herinnering nog grote aantallen formulieren worden ontvangen, heeft het kinderbijslagfonds de mogelijkheid om de termijn van herinnering te verruimen tot maximaal 45 dagen, op voorwaarde dat het kinderbijslagfonds het engagement op zich neemt de ingevolge herinnering ontvangen formulieren binnen de 14 dagen af te werken.  Op die manier kunnen de gezinnen die dadelijk gevolg geven aan de herinnering toch nog op het normale tijdstip, zonder onderbreking, de toeslag op de kinderbijslag ontvangen. 

  3. Voor de gevallen ( P19 nieuwe gevallen + seriële zending) waarin al een formulier om de toeslag of verhoging aan te vragen is gezonden, met een refertemaand van het laatste kwartaal van het kalenderjaar, is het absoluut aangewezen maatregelen te nemen om te vermijden dat een tweede maal hetzelfde formulier met identieke vraag wordt verstuurd n.a.v. de seriële zending in januari.  Dit ontvangen formulier P19 met inkomensgegevens van het laatste kwartaal, geldt als de basis voor de provisionele betalingen van het komende jaar.  Wanneer toch een formulier in januari is gezonden, heeft dat enkel effect op de betalingen voor zover het ontvangen is en als blijkt dat daardoor nieuwe gegevens aan het licht komen die op het vroegere formulier niet zijn gemeld. 

    Voorbeeld: De zevende maand ziekte wordt bereikt op 19 oktober 2013.  Het kinderbijslagfonds ontvangt het gegeven van “maand 6” op 15 oktober en stuurt eind oktober een formulier P19 (referentiemaand oktober).  Het formulier wordt ontvangen op 10 november 2013.  De gezins- en inkomensvoorwaarden om de toeslag te ontvangen zijn vervuld.  De toeslag art. 50ter wordt betaald vanaf november en zolang er geen wijziging is gemeld in gezin en beroep (cf. de tussentijdse zendingen in de CO 1377 en 1384).  De eerstvolgende seriële verzending heeft plaats in januari 2015.  Wordt er toch nog een serieel toeslagformulier in januari 2014 verstuurd, dan mag in geen geval de betaling van de toeslag stopgezet worden, wanneer dit formulier door de betrokkene niet teruggestuurd wordt.

    Opmerking: deze regeling geldt enkel voor het formulier P19.  Het formulier P19ter moet altijd opnieuw worden gestuurd, zelfs al werd er in het vierde kwartaal een formulier P19 gezonden.

  4. In geval van gelijkstelling moet hoe dan ook een nieuw formulier P19 gezonden worden met het oog op de doorbetaling van de toeslag.  Om eventuele fluctuaties in het inkomen maximaal in de beoordeling te betrekken en de gebeurlijke doorbetaling van een sociale toeslag niet in gevaar te brengen, wordt het formulier P19 verzonden aan het einde van het kwartaal (vanaf de laatste week van de maand) waarin de onderbreking (tewerkstelling > 27 kalenderdagen) haar effect sorteert op de schaal.  De aangegeven periode op het formulier (in te vullen maandvakjes) om de gelijkstelling te onderzoeken sluit aan bij de periode voorkomend op het laatste ontvangen formulier.

    Bij het begin van de assimilatie: verzending P19 telkens de rechthebbende overgaat naar de assimilatie, ongeacht 27 dagen gewerkt of niet31.

    Voorbeeld 1: De rechthebbende is langdurig werkloze en de toeslag art. 42bis wordt ontvangen.  Op 15 april 2013 wordt het werk hervat.  Het formulier P19 wordt gezonden de laatste week van de maand juni 2013 (referteperiode formulier januari 2013 – juni 2013).  Het laatste ontvangen formulier P19 van de seriële zending 2013 werd immers ingevuld tot en met december 2012.

    Voorbeeld 2: De rechthebbende is langdurig werkloze en de toeslag art. 42bis wordt ontvangen. Op 15 juni 2013 wordt het werk hervat.  Het formulier P19 wordt gezonden de laatste week van de maand september 2013 (referteperiode formulier januari 2013 – september 2013).  Het laatste ontvangen formulier P19 van de seriële zending 2013 werd ingevuld tot en met december 2012.

    Voorbeeld 3: De rechthebbende is langdurig werkloze tot 30 april 2013.  Er volgt een tewerkstelling van 1 mei tot 5 mei 2013 en dan geen statuut.  Op 4 juni wordt de tewerkstelling hervat.  Het formulier P19 wordt gezonden de laatste week van de maand juni 2013 (referteperiode formulier januari 2013 – juni 2013).  Het laatste ontvangen formulier P19 van de seriële zending 2013 werd ingevuld tot en met december 2012.  Bijgevolg eindigt de gelijkstelling al begin juni 2013.  Het formulier P19 fungeert in het voorbeeld (achteraf gezien) eveneens als afsluitend formulier P19.  Hoewel de rechthebbende in de referentiemaand mei slechts enkele dagen werkte, dient er toch een formulier P19 gestuurd te worden.

Opmerkingen

  1. Wordt het formulier P19 “onderzoek gelijkstelling” niet ontvangen, dan wordt na een herinnering ambtshalve beslist of de betalingen van de toeslag gevalideerd worden of wordt er  een controle ter plaatse uitgevoerd (de betalingen kunnen met de beschikbare gegevens niet worden gevalideerd).  Bij een voltijdse tewerkstelling wordt vermoed dat het inkomen het toegelaten grensbedrag overschrijdt.  Enkel de uitgevoerde betalingen kunnen op basis van een consultatie worden gevalideerd.  In geen geval kan de consultatie van TRIVIA aanleiding geven tot de toekenning van supplementaire toeslagen. 
  2. Overeenkomstig het KB van 26 oktober 2004 tot uitvoering van de artikelen 42bis en 56, § 2, van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders heeft de rechthebbende die uit de echt gescheiden is, gescheiden van tafel en bed of feitelijk gescheiden is, recht op een toeslag onder de volgende voorwaarden:

    1. de bijslagtrekkende is zijn echtgenoot of ex-echtgenoot (gezinstype III) of de andere ouder (gezinstype IV), en 2. deze echtgenoot of ex-echtgenoot of de andere ouder vormt geen feitelijk gezin in de zin van artikel 56bis, § 2, van dezelfde wetten en ging geen nieuw huwelijk aan, behalve indien het huwelijk gevolgd is door een feitelijke scheiding. 

    De feitelijke scheiding moet blijken uit de afzonderlijke hoofdverblijfplaats van de personen in kwestie in het Rijksregister, of uit andere daartoe overgelegde officiële documenten die aantonen dat de feitelijke scheiding effectief is, ook al stemt dit niet of niet meer overeen met de informatie in het Rijksregister. Voor deze gevallen blijft de verzending van het formulier P19 evenwel noodzakelijk. Bij het begin van het recht en daarna jaarlijks wordt het formulier P19ter verstuurd met het oog op de vaststelling van het sociaal supplement in het kader van het automatisch onderzoek van de voordeligste schaal zoals bepaald bij de ministeriële omzendbrief, MO 599 van 16 juli 2007.

  3. Het onderzoeksformulier P19 moet bij het bereiken van de 7e maand ziekte of werkloosheid van de rechthebbende buiten het gezin van de bijslagtrekkende (in een eenoudersituatie) niet worden gestuurd wanneer deze alleenstaande ouder in functie van die eenoudersituatie al een P19 en P19ter heeft ontvangen (verwisselbaarheid van de formulieren). Er is immers geen indicatie van gewijzigde inkomenssituatie van de bijslagtrekkende.
  4. De Rijkdienst wijst erop dat er een risico op overbodige formulieren en onderbreking van de toeslagbetalingen bestaat als de onderbreking wegens tewerkstelling binnen de 28 dagen ophoudt of wanneer de beslissing over de betaling van de inkomensgarantie-uitkering (code 57 van de flux D042) op zich laat wachten en het statuut van “gelijkgestelde” bijgevolg nog niet met zekerheid kan worden vastgesteld. Wanneer de rechthebbende een (korte) werkhervatting heeft of wanneer tijdens de (deeltijdse) tewerkstelling nog een inkomensgarantie-uitkering verschuldigd was, bestond er geen onderbreking in het statuut van langdurige werkloze en was tussentijdse verzending van een formulier P19 overbodig.  Er wordt op aangedrongen dat de geautomatiseerde processen32 op dergelijke wijze worden afgesteld dat er geen overbodige formulieren worden gezonden of dat op het ogenblik van de mededeling van het einde van de tewerkstelling (Rip-out) binnen de 28 dagen of de toekenning van de inkomensgarantie-uitkering, de blokkering van de sociale toeslag dadelijk wordt opgeheven, zonder het inmiddels verzonden formulier P19 af te wachten.  Indien het kinderbijslagfonds evenwel terecht een onderbreking in de werkloosheid heeft vastgesteld en naar aanleiding daarvan de betalingen van de toeslag heeft geschorst en een formulier P19 heeft verzonden, wordt aanvaard dat de ontvangst van dat formulier wordt afgewacht om de betaling van de toeslag te hernemen, zelfs in geval van een gering arbeidsvolume (cf. supra).
  5. Volgens de CO 1384 moeten de tussentijdse formulieren P19 verzonden worden uiterlijk aan het einde van het kwartaal waarin het getrimestrialiseerd recht op een toeslag vervalt.  Begint evenwel de tewerkstelling, die de werkloosheid onderbreekt, in de loop van een referentiemaand (februari, mei, augustus, november), dan ontstaat er een vermoeden van overschrijding van de inkomensgrens voor die maand.  Het is onmogelijk in elk individueel geval zonder gegevens van het gezin te bepalen of de inkomensgrens is overschreden. Bijgevolg wordt het formulier P19 verzonden aan het einde van de periode van het op basis van de vorige referentiemaand getrimestrialiseerd recht. Wordt de onderbreking in het 4e kwartaal vastgesteld, dan wordt het formulier P19 eind december gestuurd en dient het formulier niet opnieuw in de seriële zending in januari te worden hernomen (cf. supra). Een schorsing van de betaling van de toeslag zonder verzending van een P19 kan niet worden aanvaard. Voorbeeld 1: Het werk wordt hervat op 4 augustus.  De betaling van de toeslag wordt geschorst vanaf 1 oktober.  Bij schorsing van de betaling van de toeslag dient op 30 september een P19 te worden verzonden. Voorbeeld 2: Het werk wordt hervat op 25 augustus.  Idem als voorbeeld 1. Voorbeeld 3: Het werk wordt hervat op 5 augustus.  Het formulier P19 dat werd verzonden eind september, wordt door het kinderbijslagfonds ontvangen eind december.  De betaling van de toeslag wordt stopgezet vanaf oktober.  De tewerkstelling loopt tot 30 september.  De flux D042 wordt in november ontvangen.  De rechthebbende is terug werkloos voor de volledige maand oktober.  Het inkomen ligt onder het grensbedrag.  De toeslag vanaf oktober wordt in januari van het volgend jaar betaald.  De onderbreking stond vast bij het ontbreken van een flux D042 voor september in oktober.  Gezien de gelijkstelling effectief startte moet het kinderbijslagfonds het formulier afwachten om de betaling van de toeslag te hernemen. Voorbeeld 4: Het werk wordt vanaf 1 augustus hervat.  Er wordt geen flux D042 voor augustus in september ontvangen.  Het formulier P19 wordt eind september verzonden en de betalingen van de toeslag worden vanaf 1 oktober geschorst.  Het formulier P19 wordt niet teruggezonden.  De RIP-out begin oktober bevestigt de uitdiensttreding op 30 september.  Vanaf oktober is er opnieuw werkloosheid.  Het kinderbijslagfondsfonds stuurt een formulier P19ter in januari dat eveneens onbeantwoord blijft.  Aangezien het formulier niet wordt teruggezonden, mag de betaling van de toeslag niet hernomen worden.  Voor de betaalde toeslag tot 30 september, gelden de regels inzake de ambtshalve beslissing (cf. infra)
  6. De “problematiek” van de gebeurtenissen in het 1e en 4e kwartaal die aanleiding geven tot de verzending van de tussentijdse vragenlijst P19 op 31 maart in combinatie met de seriële zending van de modellen P19 op 15 januari. Voorbeeld 1: Wijziging in de gezinssituatie. De alleenstaande moeder met recht op een eenoudertoeslag woont samen vanaf 15/12/2013 (of 15/01/2014).  Het getrimestrialiseerd recht op de eenoudertoeslag loopt mogelijk tot 31/3/2014.  Het serieel formulier P19 wordt op 15/1/2014 (periode 1/1/2013 – 31/12/2013) verstuurd. Voorbeeld 2: Onderbreking werkloosheid of ziekte Een rechthebbende met recht op de toeslag voor werklozen of invaliden (art. 42bis of art. 50ter) werkt vanaf 15/12/2013 (= onderbreking werkloosheid/ziekte).  Het getrimestrialiseerde recht Art. 42bis/50ter loopt mogelijk tot 31/3/2014. Het serieel formulier P19 wordt gestuurd op 15/1/2014 (periode 1/1/2013 – 31/12/2013). Een nieuwe P19 wordt desgevallend verzonden op 31/3/2014 (periode 1/1/2014 – 31/3/2014) met het oog op bijkomende inlichtingen.

    De seriële verzending primeert op de tussentijdse vragenlijst.  Wordt het formulier P19 niet teruggestuurd dan blijft de provisionele betaling van de toeslag beperkt tot 28 februari.

    De referteperiode op het formulier is in principe van 1 januari tot 31 december.  Dit betekent voor het eerste voorbeeld (samenwoonst op 15 december) met de P19 die werd verstuurd op 15 januari, dat wanneer die niet correct ingevuld wordt ontvangen, de betalingen van de toeslag worden geblokkeerd eind februari.  Het verzenden van een formulier eind maart is overbodig en moet worden voorkomen.  De opvolging van het einde van de eenoudersituatie kan perfect worden geïntegreerd in het proces van verzending van de P19 aangezien de afwikkeling hiervan toch een individuele beslissing op het dossierniveau van de dossierbeheerder vereist.

    In het tweede voorbeeld (begin tewerkstelling op 15 december = gelijkstelling) kan evenmin worden afgeweken van de bestaande procedure van verzending van de P19 op 15 januari , inclusief de daaraan gekoppelde provisionele betaling.  Ook hier zal eerst het proces van de seriële zending lopen en de P19 van januari worden afgewikkeld alvorens over gelijkstelling kan worden beslist.  Aangezien de eerste vragenlijst een referteperiode tot eind december heeft zal het nog noodzakelijk zijn een bijkomend formulier te verzenden eind maart met referteperiode januari –maart.  Dit neemt niet weg dat eerst het proces van 15 januari dient afgewikkeld te zijn voordat het proces van de gelijkstelling effect kan sorteren.  Beide processen kunnen temporeel gezien parallel naast elkaar lopen, maar er kan geen beslissing over de gelijkstelling worden genomen zonder de beoordeling van de jaarlijkse seriële zending van de P19.

  7. Overeenkomstig de CO 1384 moet de afsluitende P19 in geval van wijziging van de gezinssituatie ten laatste op het einde van het eerste kwartaal worden verzonden, nl. het kwartaal van de nieuwe gebeurtenis.

    Een partner komt in het gezin

    Voorbeeld: Het kinderbijslagfonds kent de eenoudertoeslag toe aan een alleenstaande bijslagtrekkende moeder wier inkomen beneden het grensbedrag ligt.  Vanaf 14 februari vormt de moeder een feitelijk gezin.  Aangezien de bijslagtrekkende moeder in de referentiemaand februari minstens één dag een eenoudergezin vormde waarbij haar inkomen het grensbedrag niet overschreed, heeft zij een trimestrieel recht op de toeslag art. 41 kinderbijslagwet tot 30 juni.

    Opmerking: doet de wijziging van de gezinssituatie zich voor op de eerste dag van een referentiemaand (1 februari), dan is er toepassing van de MO 593 van 3 november 2005 en stopt het recht op de eenoudertoeslag op het einde van het betrokken kwartaal (in het voorbeeld op 31 maart).

    In een dergelijke situatie wordt voortaan de P19 verstuurd op het einde van het getrimestrialiseerde recht, dus eigenlijk een kwartaal later dan voorzien in de CO 1384.  De betaling van de toeslag wordt eveneens voortgezet tot het einde van het getrimestrialiseerd recht.  Indien betrokkene één maand na de herinnering het formulier nog niet heeft teruggezonden, dan dient men een ambtshalve beslissing te nemen (cf. deze circulaire CO 1386/2014, 3.9.3.3).

    Een partner verlaat het gezin

    Als er al een toeslag hoofdens de rechthebbende moeder (werkloze of invalide) wordt betaald, dan hoeft er geen nieuw formulier P19 te worden gezonden. Er wordt dadelijk een formulier P19 verzonden (CO 1377 van 8 december 2008) ingeval het recht op een toeslag kan ontstaan ingevolge het feit dat een partner het gezin verlaat.

  8. Op het formulier P19ter wordt in alle gevallen als referteperiode het gehele voorbije jaar (bv. 2013) vermeld. Het formulier wordt toegezonden aan alle gezinnen die zich op 31 december in een situatie van mogelijk recht op een toeslag (eenoudertoeslag of sociale toeslag) bevinden. Is het evenwel technisch mogelijk de referteperiode af te stemmen op de laatst ontvangen inlichtingen (formulier P19) dan geniet deze oplossing de voorkeur.

3.3.3. Verzending / opvolging van het controleformulier?

Principe: (cf. CO 1330 van 21 mei 2001)

Het formulier wordt in alle gevallen verstuurd, opgevolgd, behandeld en verwerkt door de kinderbijslaginstelling die bevoegd is de kinderbijslag te betalen voor de maand van de verplichte verzending, ook in geval dit kinderbijslagfonds voor die maand provisioneel de kinderbijslag uitbetaalt.

Stelt deze kinderbijslaginstelling vast dat het behandelde controleformulier informatie bevat die van belang is voor het kinderbijslagfonds waaraan ze haar bevoegdheid heeft overgedragen of waarvan ze de bevoegdheid heeft overgenomen, dan contacteert ze die kinderbijslaginstelling (cf. de voorschriften in verband met het brevet van rechthebbende).

Geeft de sociaal verzekerde geen gevolg aan een rappel, dan wordt de andere kinderbijslaginstelling daarvan verwittigd. Elke kinderbijslaginstelling neemt dan een ambtshalve beslissing (desgevallend na een controle aan huis) voor de periode waarover ze provisioneel betaald heeft.

Voorbeelden

Formulier P19

De procedure van de omzendbrief 996/67 van 7 november 2006 wordt aangepast.33

Principe: het kinderbijslagfonds dat het brevet aflevert vermeldt steeds de situatie van het laatst ontvangen P19.Vb: formaat “P19 2013ontvangen” of “P19 2013 in onderzoek”

Motivering: Sedert de omzendbrief 996/67 is de context  gewijzigd en zijn de toeslagen uitgebreid met de gelijkstelling en de eenoudertoeslag.  In 2006 kon er bij bevoegdheidsverandering in hoofde van dezelfde rechthebbende alleen een impact van de toeslag bestaan op de betalingen van het volgend fonds in het kader van de trimestrialisering.  Sindsdien zijn de toeslagen aanzienlijk verruimd en loopt het recht op een toeslag door ondanks de bevoegdheidswijziging in hoofde van dezelfde rechthebbende.  Gelet hierop is het logisch dat het fonds dat de bevoegdheid afstaat volgens de afspraken het onderzoek naar de toeslag voert (P19 verzendt, opvolgt en valideert), terwijl het het volgend fonds inlicht over het resultaat ervan.  Er anders over beslissen zou ertoe leiden dat beide fondsen apart een onderzoek verrichten, wat dubbel gebruik en overlast zou meebrengen.  Als gevolg van die gewijzigde context primeren de richtlijnen in de CO 1386/2014 op die gegeven in de dienstbrief 996/67 van 2006. De aanvullende vermeldingen dienen vanaf 1 maart 2014, datum van inwerkingtreding van deze circulaire op het brevet te worden voorzien.

Voorbeeld 1: KBF A betaalt tot 31 december 2013 en KBF B vanaf 1 januari 2014.  Er is recht op de eenoudertoeslag.  KBF A meldt op het brevet de situatie van de laatst ontvangen P19 “ P19 2012 ontvangen”.  KBF B verzendt het formulier P19 in januari 2014 en verstuurt zo nodig ook de herinnering in februari.  Komt het formulier binnen en bevat het informatie die ook van belang is voor KBF A, dan verzendt KBF B een bijkomend brevet aan KBF A.  Geeft de sociaal verzekerde geen gevolg aan de rappel, dan deelt KBF B dit mee aan KBF A.  KBF A neemt dan een (ambtshalve) beslissing over de periode tot december en KBF B voor de periode vanaf 1 januari. Een herinnering van KBF B aan KBF A is niet nodig.

Voorbeeld 2: KBF A betaalt tot 31 januari en KBF B vanaf 1 februari.  Er is recht op de eenoudertoeslag.  KBF A verzendt het formulier P19 in januari en verstuurt zo nodig ook de herinnering in februari. Komt het formulier binnen, dan verzendt KBF A een bijkomend brevet aan KBF B.  Geeft de sociaal verzekerde geen gevolg aan de rappel, dan deelt KBF A dit mee aan KBF B.  KBF A neemt een (ambtshalve) beslissing over de periode tot januari en KBF B wacht op die beslissing voor wat betreft de betaling van de toeslag voor maart en verder (na einddatum provisionele betalingen).  KBF A stuurt KBF B een aanvullend brevet bij ontvangst P19 of bij ambtshalve beslissing (ten laatste op 30 september).  Een herinnering van KBF B aan KBF A is niet nodig.

Formulier P7

Voorbeeld 1: KBF A betaalt tot 31 augustus en KBF B betaalt vanaf 1 september.  Er is één rechtgevend kind: een student van 20 jaar.  KBF B verzendt het formulier P7 in september en verstuurt zo nodig ook de herinnering in november.  Komt het formulier binnen en bevat het informatie die ook van belang is voor KBF A, dan verzendt KBF B een bijkomend brevet aan KBF A.  Geeft de sociaal verzekerde geen gevolg aan de rappel, dan deelt KBF B dit mee aan KBF A.  KBF A neemt een (ambtshalve) beslissing over de periode tot 31 augustus en KBF B voor de periode vanaf 1 september.

Voorbeeld 2: KBF A betaalt tot 30 september en KBF B betaalt vanaf 1 oktober.  Er is één rechtgevend kind: een student van 20 jaar.  KBF A verzendt het formulier P7 in september, en verstuurt zo nodig ook de herinnering in november.  Wordt het formulier ontvangen, dan stuurt KBF A een bijkomend brevet aan KBF B.  Geeft de sociaal verzekerde geen gevolg aan de rappel, dan deelt KBF A dit mee aan KBF B.  KBF A neemt een (ambtshalve) beslissing over de periode tot 30 september en KBF B voor de periode vanaf 1 oktober

De nieuwe procedure in de dienstbrief van de Rijksdienst 999/c.169 van 5 juli 2013 voorziet dat er voor dossiers met taalcode N/D geen formulier P7 meer wordt verstuurd.  In de maand september wordt (eenmalig) informatie aan de student gegeven.  De fluxen worden afgewacht. Blijft de flux D062 achterwege, dan wordt op 15 december na verwerking van alle fluxen een herinnering gestuurd.

Voorbeeld: KBF A betaalt tot 30 oktober 2013 en KBF B betaalt vanaf november 2013.  Er is één rechtgevend kind van 20 jaar.  KBF A duidt op het brevet code N aan (“D062 procedure”34).  KBF A vermeldt het aantal studiepunten voor 2013-2014 :D062 OK/DO6201/D062/0235. Het KBF B wacht gebeurlijk de flux af.  KBF B stuurt de herinnering (module 15 december) na verwerking van alle fluxen.  Wordt geen flux of formulier ontvangen dan deelt KBF B het resultaat van het onderzoek mee.  Op basis daarvan neemt KBF A een (ambtshalve) beslissing over de periode tot 30 oktober en KBF B voor de periode vanaf 1 november.

Opmerking: alleen relevante studiegegevens voor het lopende academiejaar worden doorgegeven via het Brevet36.

Formulier P20

Voorbeeld: KBF A betaalt tot 30 juni en KBF B vanaf 1 juli.  Het rechtgevend kind is werkzoekende schoolverlater.  De toekenningsperiode loopt tot eind juli (einde van de beroepsinschakelingstijd).  KBF B verzendt het afsluitend formulier P20C en zo nodig de herinnering.  Komt het formulier binnen en bevat het ook informatie die van belang is voor KBF A, dan stuurt KBF B een bijkomend brevet aan KBF A.  Geeft de sociaal verzekerde geen gevolg aan de rappel, dan deelt KBF B dit mee aan KBF A.  KBF A neemt een (ambtshalve) beslissing over de periode tot 31 maart en KBF B voor de periode van april tot juli.

Topic 4 - De toekenning van kinderbijslag of van een toeslag - Bewijs van het inkomen

3.4.1. Het bewijs van de eenoudersituatie

3.4.1.1. Het bewijs van de eenoudersituatie

Is de vraag over de eenoudersituatie niet of onduidelijk ingevuld op het formulier P19/P19ter en staan er ook geen inkomsten van een partner ingevuld, dan wordt verondersteld dat het om een vergetelheid van de invuller (ondertekenaar) gaat, die door een actie van het kinderbijslagfonds zelf kan worden verbeterd.  De gezinssamenstelling in het Rijksregister wordt (historisch) onderzocht, voor de gehele periode.  Het formulier moet bijgevolg alleen worden teruggestuurd voor aanvulling, wanneer naar aanleiding van de consultatie van de gezinssamenstelling in het Rijksregister blijkt dat de invuller (ondertekenaar) samenleeft met een (huwelijks)partner (vermoeden van feitelijk gezin). In dat geval wordt eveneens een formulier J verzonden.  Het feitelijk gezin kan met een (elektronische of papieren) kopie van het contract van (onder)verhuring worden weerlegd, maar om tegenstelbaar te zijn aan het kinderbijslagfonds moet het in dat geval in fiscale zin geregistreerd worden.  Ten laatste na drie maanden moet de domiciliëring in het Rijksregister in de zin van een aparte gezinssamenstelling zijn aangepast (cf. 3.11.2.).  Is de gezinssamenstelling niet gewijzigd na drie maanden, dan geldt verder het vermoeden van een feitelijk gezin, totdat het Rijksregister wordt aangepast.

3.4.1.2. Het bewijs van huwelijk in het buitenland

Overeenkomstig het KB van 26 oktober 2004 tot uitvoering van de art. 42bis en art. 56, §2, van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders heeft de rechthebbende die uit de echt gescheiden is, gescheiden van tafel en bed of feitelijk gescheiden is, recht op een toeslag onder de volgende voorwaarden:

  1. de bijslagtrekkende is zijn echtgenoot of ex-echtgenoot (gezinstype III) of de andere ouder (gezinstype IV),

    en

  2. deze echtgenoot of ex-echtgenoot of de andere ouder vormt geen feitelijk gezin in de zin van art. 56bis, §2, van dezelfde wetten en ging geen nieuw huwelijk aan, behalve indien het huwelijk gevolgd is door een feitelijke scheiding.

Deze regeling geldt eveneens voor de eenoudertoeslag omdat artikel 41 KBW verwijst naar artikel 56bis, § 2 KB (regeling wezenbijslag).

In toenemende mate worden huwelijken afgesloten in het buitenland waarvan de akte na onderzoek door de Belgische autoriteiten in het Rijksregister wordt geregistreerd.

Het komt regelmatig voor dat hieruit onterechte betalingen van een toeslag voortvloeien.

Aanpassing van het formulier P19

Daarom wordt gevraagd onmiddellijk op de P19 aan het kinderbijslagfonds mee te delen wanneer een huwelijk in het buitenland is voltrokken (cf. dienstbrief 999/c.170 van 14 november 2013). 

3.4.2. De verklaring op eer om het inkomen aan te tonen

Er zijn op dit ogenblik nog geen authentieke bronnen beschikbaar voor het bewijs van de inkomsten uit arbeid als werknemer, zelfstandige of een sociale uitkering.  Zodoende moeten “verklaringen op eer” van de inkomens op de formulieren P19 worden aangenomen en gelden ze  als basis van de vaststelling van het recht op een toeslag tot bewijs van het tegendeel.  Verklaringen op eer zijn ook aan het formulier toegevoegde geschriften, nota’s, loonafrekeningen… waarmee de sociaal verzekerde de bedoeling aantoont om een bepaald inkomen op te geven.  Wat telt als verklaring is de intentie of de wilsuiting en niet de uitwendige vormfnBijv. de betrokkene verwijst op het (ondertekende) formulier P19 naar een bijgevoegde nota, een aanslagbiljet,… wat impliciet gelijkstaat met een voldoende verklaring, waarmee het inkomen wordt aangetoond en de toeslag betaalbaar is..

Bijzonder geval: aangifte van de inkomsten uit jaarlijks verlof

Er werd vastgesteld dat deze regularisaties vaak op een onvoldoende bewijsvoering en onvolledige of onjuiste verklaringen berusten.

Hoe het formulier P19/P19ter afhandelen wanneer voor alle maanden het inkomen boven het grensbedrag ligt behalve in één maand (bv. de vakantiemaanden juli of augustus) of in twee opeenvolgende maanden (bv. de vakantiemaanden juli en augustus)?

In principe wordt de verklaring op eer aanvaard (behoudens contra-indicaties), behalve wanneer in alle maanden op het formulier P19 het inkomen te hoog is met uitsluiting van één maand of van twee opeenvolgende maanden waarin een inkomen wordt verklaard dat onder het grensbedrag ligt. Deze verklaring zal onvoldoende zijn om de betaling van een (getrimestrialiseerd) supplement op de kinderbijslag te bekomen.

Opmerking: deze regeling geldt alleen voor de formulieren P19/P19ter waarop een inkomen voor ten minste zes maanden wordt ingevuld.

Werkwijze:

- In de beschikbare socio-professionele gegevensbanken, of intern gebufferde fluxen37 wordt nagegaan of er aanwijzingen bestaan die de vermindering van het inkomen aannemelijk maken.

- Wanneer uit de consultatie van die gegevens geen aanwijzingen naar voor komen die de daling van het inkomen aanvaardbaar maken, wordt vermoed tot bewijs van het tegendeel, dat de verklaring onvolledig of onjuist is.  De afwijzing wordt gemotiveerd.  De sociaal verzekerde kan met bewijsstukken in verband met de bruto-inkomsten van die maand aantonen (bijv. loonstroken, stortingsbewijzen,…) dat het grensbedrag niet is overschreden (omkering van de bewijslast).

Voor de studenten bedoeld in artikel 3 van het koninklijk besluit van 10 augustus 2005, onderworpen aan de inkomensnorm (deeltijds leren – deeltijds werken/”werkplekleren”/alternerend leren) en de werkzoekende schoolverlaters tijdens de beroepsinschakelingstijd, gelden dezelfde principes.De verklaringen op eer (o.a. op de formulieren P7 en P20) moeten worden aangenomen tot bewijs van het tegendeel38.  

Topic 5 - De toekenning van het recht op wezenbijslag

3.5.1. Controle met het formulier P16

Voor de gevolgen van het meemoederschap voor de wezenbijslag wordt verwezen naar de komende circulaire.

Met de omzendbrieven van de Rijkdienst, CO 1340 van 24 juli 2002 en CO 1355 van 16 januari 2006, werd aan de kinderbijslagfondsen de gewijzigde procedure meegedeeld voor de vaststelling van het recht op wezenbijslag. De verzending van het formulier P16 werd afgeschaft en vervangen door een opvolging via het Rijksregister van de samenwoonst (het feitelijk gezin) of de hertrouw van de overlevende echtgenoot voor gezinnen in België.

Voor de bijslagtrekkenden in het buitenland heeft het formulier P16 geen meerwaarde voor het dossier, bijgevolg wordt het ook afgeschaft voor gezinnen met wezen in het buitenland. Wordt er op het formulier P12 een feitelijk gezin gemeld, dan wordt er zoals voor de gezinnen in België een Model J (verklaring over het niet vormen van een feitelijk gezin) gezonden. Het moet ook niet meer worden herinnerd.

Het formulier P16 kan nog wel gebruikt worden voor de aangifte van een feitelijke samenwoning waarbij de begindatum verschilt van de officiële datum in het Rijksregister.

In uitvoering van de programmawet van 27 december 2004 wordt het recht op de verhoogde wezenbijslag hersteld (art. 50bis) op het ogenblik van de scheiding na een huwelijk of op het ogenblik dat de vorming van een feitelijk gezin ophoudt. Het herstel van de verhoogde wezenbijslag geldt alleen voor de weduwe of weduwnaar die gescheiden gaat leven na samenwoonst (feitelijk gezin) met een (huwelijks)partner39. Dit geldt dus niet wanneer de overlevende ouder hertrouwd is en niet samenwoont met de nieuwe stiefouder, die bijv. in het buitenland verblijft.

Deze feiten worden bewezen aan de hand van een officieel document40(zie: de geactualiseerde formulierentabel in bijlage). Het Model J (ve rklaring over het niet-vormen van een feitelijk gezin) of een getuigenverklaring zijn voor deze situatie niet dienstig.

Voor de vaststelling van de verlating van het weeskind (formulier P16com), die aanleiding geeft tot de toekenning van de verhoogde wez enbijslag, blijven de instructies ongewijzigd (cf. bijlagen).

Vermoeden van verlating van de wees

Voor de in een instelling geplaatste kinderen voor wie 1/3 op een spaarboekje wordt gestort, geldt het vermoeden van verlating. De procedure van verlating van het weeskind moet worden opgestart (cf. bijlage II, pag. 8) ondanks de verklaring op het formulier P3, die onvoldoende is om het vermoeden te weerleggen (P16com aan de instelling sturen).

Dit geldt eveneens voor de vaststelling van het recht op wezenbijslag voor kinderen in het buitenland (aanvraag met mod. B en periodieke controle met het formulier P12).

Er wordt aan herinnerd dat alle ouders (adoptanten) van de rechtgevende kinderen in het Kadaster minimaal met code 105 moeten geïntegreerd zijn in functie van het automatisch onderzoek van het recht op wezenbijslag in België. De in het buitenland verblijvende (gekende) ouder zonder INSZ-nummer moet niet worden geïntegreerd met een bisnummer.

Om de afstamming vast te stellen tussen de overledene en het weeskind werd in het verleden altijd de akte van geboorte opgevraagd bij de gemeente waar het k ind is geboren. Er wordt op gewezen dat die procedure overbodig is en dat de verwantschapsgegevens opgenomen in de "samenstelling van het gezin" verkregen via het Rijksregister of het bewijs dat het kind is geboren tijdens het huwelijk van zijn (overleden) ouder(s) en de afstamming niet het voorwerp is van ontkenning van vaderschap door de overleden ouder, volstaan inzake het bewijs van afstamming van de overledene.

Met de omzendbrief van de minister, MO 602 van 12 maart 2008, werden de p raktische richtlijnen meegedeeld voor de toepassing van de nieuwe bepalingen i n zake de vaststelling van het recht op (verhoogde) wezenbijslag, wanneer de overleden ouder(s) geen recht kunnen doen ontstaan wegens het ontbreken van enige hoedanigheid als rechthebbende in het laatste jaar voor het overlijden. Deze nieuwe bepalingen traden in werking op 1 oktober 2007.

3.5.2. De aanvraag met het formulier Mod. B (de aanvraag om wezenbijslag)

De Rijkdienst heeft het formulier Mod. B afgestemd op de situatie dat het kinderbijslagfonds niet alle actoren kent, die potentieel in aanmerking komen als rechthebbende voor het recht op wezenbijslag in het kader van de nieuwe reglementering. Wanneer alle actoren gekend zijn en het recht kan worden vastgesteld op grond van de gegevens waarover het kinderbijslagfonds via de gegevensbanken (Trivia, CIMIRe41, databank van de kinderbijslagfondsen,....) beschikt, dan is het aanvraagformulier overbodig.

Topic 6 - De controle met formulieren op de rechtgevende kinderen

3.6.1. Aanpassing van het formulier P7 (studenten) aan de nieuwe onderwijsstructuur

Aan de universiteiten en hogescholen is ingevolge de Bolognaverklaring een nieuwe onderwijsstructuur, de zogeheten Bama-hervorming, van toepassing. Nu wordt de titel van bachelor, na drie jaren, en deze van master, na minstens een jaar verleend in de plaats van de graad van kandidaat en van licentiaat. Studiepunten nemen de plaats in van lesuren. In het kader van de flexibilisering is het voor alle jaren mogelijk met een individueel studietraject in een semestersysteem te studeren aan de universiteiten en hogescholen.

Voor het hoger onderwijs volstaat het te zijn ingeschreven voor een voldoende aantal uren (13 uren per week voor niet in studiepunten uitgedrukte opleidingen, bijv. hoger onderwijs sociale promotie, onderwijs in het buitenland,...) of 27 studiepunten - ten laatste op 30 november - om recht te hebben op kinderbijslag voor een volledig academiejaar.

Voor het hoger onderwijs is wat betreft de toekenning van de kinderbijslag de verplichting regelmatig de lessen te volgen weggevallen (KB van 10 augustus 2005), ook inzake de (nog) niet in studiepunten uitgedrukte opleidingen (buiten BAMA).

De reglementering inzake de kinderbijslag werd aan de nieuwe ontwikkelingen op onderwijsvlak aangepast door het koninklijk besluit van 10 augustus 2005. De Rijkdienst heeft in samenwerking met de kinderbijslagfondsen het formulier P7 (recht op kinderbijslag voor studenten) voor de hogescholen en universiteiten volledig afgestemd op de elektronische gegevensuitwisseling met de flux D062. De kinderbijslagfondsen worden ten laatste in de maand juni van elk jaar op de hoogte gesteld van de wijzigingen aan de procedure van gegevensinwinning voor de studenten (cf. dienstbrief II/999/c.172 van 4 juli 2014).

Wanneer het formulier P7 wordt herinnerd is het niet meer nodig het infogedeelte nogmaals mee te zenden (P7-info).

De Rijkdienst heeft voor het school- en academiejaar 2013-2014 in overleg met de kinderbijslagfondsen een grondige wijziging doorgevoerd van de formuli erenprocedure P7 voor de studenten in de Vlaamse Gemeenschap, waarvoor de gegevens via de flux D062 worden bekomen.

De richtlijnen werden meegedeeld met de dienstbrief 999/c.169 van 5 juli 2013 en 999/c.172 van 4 juli 2014. De betrokken richtlijnen gelden eveneens voor de op 1 juli overgenomen dossiers van zelfstandigen waarvoor als nieuw geval een informatiebrief wordt gezonden voor alle studenten vanaf de leeftijd van 18 jaar. Als in de brief is aangeduid op welke kinderen de informatie van toepassing is, dan volstaat het om één brief te sturen.

Gelet op de positieve ervaringen door de Rijkdienst met de Bpost-layout werd aan de kinderbijslagfondsen de mogelijkheid geboden ook de bestaande formulieren aan te passen aan deze vormgeving (cf. de P7 op de website van de Rijkdienst).

3.6.1.1. Student die de studies stopzet in de loop van het school- of ac ademiejaar - Bewijzen van stopzetting van de studies - Vermoeden van stopzetting van de studies - Stopzetting tijdens de examens
Stopzetting van de studies voor een BAMA-student

Overeenkomstig art. 10 van het KB van 10 augustus 2005 is de kinderbijslag voor de student niet langer verschuldigd wanneer de studies in de loop van een academiejaar worden stopgezet of teruggebracht tot minder dan 27 studiepunten. Dit geldt eveneens voor de uitschrijvingen in de loop van de "examenmaand" juni. In de Vlaamse/Duitstalige Gemeenschap wordt een uitschrijving systematisch gesignaleerd via de flux D062. In de Franse Gemeenschap gebeurt dat door middel van een verklaring op eer of een verklaring van de onderwijsinstelling die het gezin spontaan moet doorsturen naar het betrokken kinderbijslagfonds. Voor de bewijzen van stopzetting van de studies worden evenwel alle rechtsmiddelen aanvaard (attesten, formulieren, verklaringen, fluxen,...). Indien het gezin meldt dat de jongere de studies heeft stopgezet op welke manier de informatie ook verkregen wordt, moeten de betalingen worden geschorst en de betrokkene worden ingelicht zich als werkzoekende te laten registreren. Er bestaat een vermoeden van de stopzetting42 van de studies als de student zich laat inschrijven als werkzoekende en voor die inschrijving een flux D043 (of het papieren attest A200 of een geldige verklaring) wordt ontvangen. Dit principe geldt zowel voor inschrijvingen in de vakantiemaanden als voor inschrijvingen in de loop van het academiejaar. Voor de uitschrijvingen als student die ontvangen worden met een D062-bericht is het niet meer nodig ter bevestiging nog een P7-A te sturen.

Bijzondere situatie:

Voor inschrijvingen als werkzoekende in de maand juni (vóór de schoolvakantie) neemt de Rijkdienst  aan dat de studies niet werden stopgezet op de datum van de inschrijving in de examenmaand juni, tenzij de stopzetting wordt aangetoond door een verklaring of fluxbericht van de onderwijsinstelling of een verklaring op eer van de betrokkene (bv. verklaring vroegtijdige stopzetting studie op 13 juni).

Daarentegen staat de uitschrijving in de maand juli (fluxbericht D062) gelijk met een uitschrijving op het einde van het academiejaar, die geeft dus recht gedurende de vakantiemaanden. Indien de jongere niet opnieuw ingeschreven is voor een volgend school- of academiejaar gelden de regels inzake de laatste zomervakantie.

3.6.1.2. De student in het buitenland

Voor alle studenten, ook die naar het buitenland gaan studeren, wordt het formulier 'de informatiebrief 18+' of P7-A (verzonden op 15 september van elk jaar).  De betalingen worden pas opgestart, wanneer het E-formulier of de P7-int volledig en correct ingevuld en ondertekend werden ontvangen. Het formulier P7-A (Franse gemeenschap) dat dan nog zou ontbreken en niet meer voor de situatie toepasselijk is, moet dan niet meer worden opgevolgd. De provisionele betaling is besprekt tot de maand na de verzending van het formulier43.

In geval van studies buiten de Europese Unie gelden de MO 599 van 16 juli 2007 en de dienstbrief 999/154 van 15 juli 2009.

Afsluitende formulieren voor kinderen in het buitenland

Voor de afsluitende formulieren in het buitenland wordt zoveel mogelijk dezelfde werkwijze gehanteerd als in België (mutatis mutandis).

Dit betekent concreet:

  • Voor de opleiding tot ondernemingshoofd: P9bis of E-formulier (zoals in België) bij het begin van het recht, daarna jaarlijks en afsluitend;
  • Voor de studenten in het voltijds onderwijs: geen afsluitend formulier P7-A; P7(int) of E-formulier bij het begin van het recht en daarna jaarlijks;
  • Voor de studenten in het deeltijds onderwijs: idem als voltijds. In de CO 1386/2012 is voorzien om het tewerkstellingscontract op te vragen om het inkomen te kennen (inkomensvoorwaarde nagaan);
  • Voor de leerovereenkomsten: P9 of E-formulier (zoals in België) bij het begin van het recht, daarna jaarlijks en afsluitend.
3.6.1.3. Procedure voor de thesisstudent

De aandacht wordt erop gevestigd dat met de dienstbrief 999/c.169 van 5 juli 2013 de procedure voor de thesisstudenten van de Vlaamse/Duitstalige Gemeenschap ingrijpend werd gewijzigd. Voor de studenten van de Franstalige onderwijsinstellingen (procedure van CO 1374 van 25 september 2008) zijn er geen wijzigingen. De regeling van het diplomajaar op basis van de flux D062 kan slechts eenmaal per opleiding en per graad (bachelor/master) worden toegepast en wel enkel vanaf het academiejaar 2011-2012. Er is geen ambtshalve herziening voor de vorige academiejaren verplicht. Wanneer er geen informatie over werd ontvangen, geldt er een vermoeden van indiening tijdens de eerste zittijd.

Voorbeeld

Een student was de eerste maal ingeschreven in een diplomajaar voor 17 studiepunten. De module thesissudent-1 wordt gezonden, maar niet teruggezonden (vermoeden thesisstudent blijft gehandhaafd). De kinderbijslag wordt betaald tot juni van het volgend jaar. Het kinderbijslagfonds stuurt de module thesisstudent-2, om de indieningsdatum te kennen. Op de module thesisstudent-2 of P7-A wordt meegedeeld dat de thesis werd ingediend in juni. In juli laat de student zich inschrijven als werkzoekende. Als gevolg van de indiening van de thesis verliest het kind de hoedanigheid van student voor het derde kwartaal. Als het formulier niet wordt teruggestuurd, geldt het vermoeden dat het kind thesisstudent is geweest tot de datum van inschrijving als werkzoekende (met max. een jaar) en bestaat evenmin het dubbel statuut voor het derde kwartaal (ambtshalve beslissing)

De gefractioneerde betaling van het studiegeld

Er kunnen zich problemen voordoen met de regelmatige betaling van de kinderbijslag wanneer de onderwijsinstellingen weigeren het formulier in te vullen of een studieattest uit te reiken, zolang het totale inschrijvingsgeld niet is betaald. In de omzendbrief van de Rijkdienst,CO 1340 van 24 juli 2002, werd reeds gewezen op dit probleem (pagina 13).

De Rijkdienst heeft in de loop van 2009 het initiatief genomen om aan de onderwijsinstellingen opnieuw te vragen om dadelijk na de inschrijving het studieattest voor de kinderbijslag af te leveren.

Aan de kinderbijslagfondsen wordt gevraagd problemen te signaleren aan de dienst Monitoring van het Departement Controle van de Rijkdienst. De Rijkdienst zal dan contact opnemen met de hogeschool of universiteit.

3.6.2. Andere aanpassingen van het formulier P7 (studenten)

3.6.2.1. De tewerkstelling van de (deeltijdse) student

Bij de redactie van het formulier P7a werden specifieke vragen aangepast en vervangen door de briefmodule "deeltijds werken-studeren" (cf. Bijlage dienstbrief 996/c.169). Deze module is bedoeld voor bepaalde categorieën van studenten die een beroepsactiviteit uitoefenen en voor wie niet de uurnorm maar de inkomensnorm geldt (stagiairs en deeltijds studerenden44 bedoeld bij de artikelen 3, 14 en 15 van het KB van 10 augustus 2005). Voor hen kan geen opvolging met DMFA gebeuren, idem voor de tewerkstelling in het buitenland. Aangezien de fiscale flux op hen nietvan toepassing is, moeten verklaringen op eer verder als bewijsmiddel worden aangenomen.

De ambtshalve beslissing - toepassing van de vijfdagenregel (= 38 uren)

Bij gebrek aan een schriftelijke verklaring omtrent het inkomen, beschikt het kinderbijslagfonds over de mogelijkheid om toepassing te maken van de vijfda genregel. Deze modaliteit maakt een controle ter plaatse overbodig.

De toepassing van deze regel veronderstelt de omkering van de bewijslast. Er kan automatisch een onverschuldigde betaling worden opgemaakt vanaf een tewerkstelling van 5 arbeidsdagen of 38 uren of met arbeid gelijkgestelde dagen (bijv. jaarlijks verlof, wettelijke feestdagen, gewaarborgd loon bij ziekte of ongeval,...). Zijn er minder dan 5 arbeidsdagen of 38 uren, dan mag de geldigheid van de provisioneel uitgevoerde betaling worden aanvaard.

Voor het buitengewoon onderwijs45 is de 240-urennorm van toepassing

In de flux D062 worden de gevallen van deeltijds onderwijs aangeduid met de code 312. De gevallen die meegedeeld worden met de code 321 (buitengewoon onde rwijs) zijn daarentegen niet onderworpen aan de inkomensnorm maar wel aan de uurnorm (cf. CO 1374 van 25 september 2008, pag. 5). Aan de kinderbijslagfondsen wordt gevraagd bij de codificatie van de gevallen rekening te houden met die speciale categorieën.

De student met een zelfstandige activiteit

Voor de student, zelfstandige in hoofdberoep, geldt de verklaring op eer als bewijs inzake de 240-urennorm. De bepaling hieromtrent van de CO 1354, pag. 16 van 8 juli 2007 vervalt.

  • Code A op het Arza-bericht is hoofdberoep: in dat geval is een verklaring op eer over het aantal gewerkte uren nodig om na te gaan of al dan niet is voldaan aan de 240-urennorm.
  • Bij code H op het Arza-bericht is de student onderworpen aan art. 37 van het KB van 8 april 1976 (vrijstelling van sociale bijdrag en). In dit geval mag de kinderbijslag verder betaald worden zonder een verklaring op eer te vragen.
  • Code K op het Arza-bericht is de faillissementsverzekering voor de zelfstandigen: in dit geval moet geen verklaring op eer over het aantal gewerkte uren gevraagd worden. De uitkering wat betreft de student die onder de 240-urennorm valt vormt geen beletsel, want het betreft een regeling die niet is opgenomen in het KB van 10 augustus 2005. Wat betreft de deeltijdse studenten die onder de inkomensnorm vallen, wordt deze sociale uitkering wel geteld bij de som van de andere inkomsten.
3.6.2.2. De heroriëntatie in de loop van het academisch jaar en het hoger beroepsonderwijs

Het formulier P7 werd aangepast aan de innovaties in het onderwijs met betrekking tot de flux D062 en het hoger beroepsonderwijs (zie: dienstbrieven van de Rijkdienst II/C/997/69ter van 24 september 2009).

3.6.3. De debetpreventie

Bewijzen van de inkomensnorm in geval van deeltijds werken/deeltijds studeren (codes 312/313)

Maatregelen vanaf het academiejaar 2013-2014

Voor het deeltijds onderwijs in de Vlaamse/Duitstalige Gemeenschap: code 312/313 + RIP. Voor het deeltijds onderwijs in de Franse Gemeenschap: vraag 22 van P7 + RIP.

Bij het ontvangen van deze codes wordt de module "Deeltijds studeren_werken" gestuurd (zie: dienstbrief 999/c.169 van 5 juli 2013).

Vanaf het school- en academiejaar 2012-2013 wordt bij het ontvangen van een RIP-bericht onmiddellijk een verklaring over het inkomen (het contract) opgevraagd. In afwachting wordt de betaling van de kinderbijslag geschorst.

Indien de Rip-berichten in dit academiejaar niet werden verwerkt voor andere tewerkstellingen naast het deeltijds werk in het kader van de opl eiding deeltijds werken-deeltijds leren, wordt in september 2014 een verklaring op eer gevraagd voor alle maanden waarvoor de kinderbijslag betaald werd.

Maatregelen vanaf het academiejaar 2014-2015

In overleg met de kinderbijslagfondsen zullen vanaf september 2014 ook voor de deeltijds werkenden en de leerovereenkomsten de RIP-gegevens worden opgevolgd. Op die wijze zullen alle jongeren die aan de inkomensnorm zijn onderworpen op gelijke basis worden behandeld op het vlak van de tewerkstelling. Een technische dienstbrief zal later worden voorbereid en begin juli 2014 worden gepubliceerd.

Bewijzen van de 240-uurnorm in geval van werken en studeren (andere dan code 312/313)

De norm van de 240 uren wordt bewezen voor tewerkstellingen in België aan de hand van de DMFA-berichten. Vanaf het school- of academiejaar 2012-2013 wordt de bewijslast omgedraaid. De student wiens tewerkstelling in één kwartaal (eerste, tweede of vierde kwartaal) de uurnorm heeft overschreden (> 240 uren) en waarvoor de kinderbijslag diende te worden gedebiteerd, zal voor de overige kwartalen van het betrokken academiejaar (inclusief de daaropvolgende vakantieperiode) geen aanspraak meer kunnen maken op provisionele betalingen. Dit betekent dat in dergelijk geval de DMFA-berichten worden afgewacht voor de betaling van de volgende kwartalen, tenzij voldoende wordt aangetoond dat de betrokken tewerkstelling in het vorige kwartaal die aanleiding gaf tot overschrijding van de norm, heeft opgehouden of dat het arbeidsvolume werd verminderd (< 240 uren). Verklaringen op eer kunnen daarvoor in aanmerking genomen worden. Hoe dan ook blijft een eindbeoordeling kwartaal per kwartaal noodzakelijk. De gebruikersgids Rip en DMFA voor de studenten zal met het oog hierop in overleg met de kinde rbij slagfondsen worden aangepast.

Voorbeeld

In het academiejaar 2013-2014 is de student ingeschreven voor 30 studiepunten. Op 20 januari 2014 wordt het DMFA-bericht van het vierde kwartaal 2013  ontvangen en daaruit blijkt dat de "urennorm" is overschreden. De kinderbijslag voor het vierde kwartaal 2013 wordt teruggevorderd, maar tevens wordt de betaling van de kinderbijslag geschorst tot de ontvangst van het volgend DMFA-bericht. Op 20 mei 2014 wordt de geschorste kinderbijslag van het eerste kwartaal bijgepast naar aanleiding van de ontvangst van het DMFA-bericht van het eerste kwartaal 2014, tenzij de student verklaarde dat voor het eerste kwartaal het tewerkstellingsvolume is verminderd beneden de urennorm.

Recht op kinderbijslag tijdens de laatste zomervakantie

Een jongere die zich na de zomervakantie inschrijft voor het volgend academiejaar, ook al is het voor minder dan 27 studiepunten, bevindt zich binnen het toepassingsgebied van art. 11 van het KB van 10 augustus 2005. Hierin wordt niet als voorwaarde gesteld dat het om een inschrijving moet gaan van minstens 27 studiepunten of 17 lestijden. Er wordt met andere woorden ook niet vereist dat de betrokkene over een inschrijving moet beschikken die recht geeft op kinderbijslag, zelfs niet in geval van een doctoraatsstudent, voor wie de studiepunten conform art. 9 van het KB van 10 augustus 2005 niet in aanmerking worden genomen.46 Binnen die contouren moet het derde kwartaal als een 'gewone zomervakantie' gekwalificeerd worden en mag deze student in die maanden bijgevolg onbeperkt werken zonder zijn recht op kinderbijslag te verliezen. Dit geldt zelfs wanneer de student zich in de loop van het volgende academiejaar na 30 november laat inschrijven (bijv. voor het tweede semester).

3.6.4. De afschaffing van de controle met formulieren P2 en P5 voor de gehandicapte kinderen in België

Of de kinderen met een handicap verder voldoen aan de voorwaarden om recht te hebben op de bijzondere bijslag tot 21 jaar of voor de oudere gehandicapten (+ 25 jaar), werd in het verleden opgevolgd met formulieren. Omdat de winstgevende activiteit kan worden nagegaan met de fluxen (RIP/DMFA/uitkeringsfluxen /Cimire47) via de Kruispuntbank, werd voor de kinderen met een aandoening het formulier P2 afgeschaft vanaf het jaar 2008 door de omzendbrief van de Rijkdienst, CO 1371 van 15 januari 2008. Voor de oudere gehandicapten werd het formulier P5 al afgeschaft vanaf het jaar 2007 (zie CO 1366 van 16 februari 2007). De afschaffing van het formulier P2 impliceert het gebruik van elektronische codes, waarover informatie werd gegeven in het kader van de actualisering van de gebruikersgids voor de DMFA (zie omzendbrief van de Rijkdienst, CO 1373 van 5 augustus 2008 en de dienstbrief 996/98 van 24 mei 2011).

3.6.5. De herziening van de ongeschiktheid - Nieuw feit?

Met de dienstbrief II/C/996/c.92/wam van 6 mei 2009 werden de in de omzendbrief van de Rijkdienst, CO 1373 van 5 augustus 2008, meegedeelde voorwaarden voor de aanvraag van een medische herziening gewijzigd.

De inschrijving als werkzoekende en de ontvangst van een werkloosheidsuitkering worden niet meer gedefinieerd als een nieuw feit en leiden dus voortaan niet meer tot een aanvraag om herziening van de medische ongeschiktheid en evenmin tot een schorsing van de kinderbijslag (gewone en bijzondere bijslag van art. 47 KBW). Over de tewerkstelling moet de FOD worden geïnformeerd die beslist of een herziening noodzakelijk is. Bij meerdere tewerkstellingen wordt slechts bij de eerste activiteit een T1 bericht verstuurd.

De schorsing van de bijkomende bijslag is enkel noodzakelijk wanneer de tewerkstelling op zichzelf een beletsel betekent voor de toekenning van de bijkomende bijslag zoals bepaald in art. 12 van het KB van 3 mei 1991 tot uitvoering van de artikelen 47, 56septies en 63 KBW. De gewone kinderbijslag blijft verschuldigd cf. dienstbrief 996/98 van 24 mei 2011.

Overigens wordt eraan herinnerd dat geen T1-bericht moet worden verstuurd bij tewerkstelling als jobstudent of inschrijving als werkzoekende van de jongere met een aandoening. De toepassing van art. 48 KBW werd verduidelijkt in een e-mail van 17 november 2011. Deze regeling geldt voor de 50 dagen tewerkstelling als student met verminderde sociale bijdragen. Ze vormen geen beletsel voor de betalingen van de bijkomende bijslag.

3.6.6. Het gehandicapt kind wordt 21 jaar

Er wordt aan de kinderbijslagfondsen gevraagd om drie maanden voor de éénentwintigste verjaardag van het gehandicapte kind het statuut te onderzoeken door een consultatie van Trivia (student, leerovereenkomst, ondernemersopleiding, ingeschreven werkzoekende, tewerkstelling,...).

Het formulier dat met de inlichtingenbrief wordt verstuurd, moet daaraan worden aangepast. Het is enkel nog aangewezen het formulier P7 mee te sturen, wanneer het statuut van het gehandicapt kind niet is gekend.

Gelet op MO 610 dient het formulier P2 voor de kinderen buiten België slechts verzonden te worden vanaf de zending in september van het jaar waarin het kind de leeftijd van 18 jaar bereikt en niet langer vanaf de leeftijd van 16 jaar. Ook de tabellen in bijlage dienen in die zin te worden aangepast (bijlage 1 - rubriek 2.1 en bijlage 2, blz. 26).

3.6.7. Het kind met een aandoening werkt of geniet een uitkering

De ministeriële omzendbrief, MO 610 van 23 maart 2010, wijzigt de voorwaard en waaraan de activiteiten van een jongere met een handicap of de eruit voortvloeiende sociale uitkering moeten voldoen, opdat deze jongere de bijkomende bijslag zou kunnen behouden. Vanaf 1 januari 2010 hebben de kinderen met een aandoening verder recht op de gehandicaptentoeslag, wanneer hun activiteit of sociale uitkering geen beletsel (een tweede opvangnet) vormen voor de toekenning van de kinderbijslag op basis van art. 62 KBW, d.w.z. geen beletsel als (thesis)student, schoolverlater, leerling verbonden met een leerverbintenis of leerovereenkomst of als (deeltijdse)student met een werkstage-overeenkomst (alternerend leren). De dienstbrief II/c.996/98 van 24 mei 2011 heeft de procedure hieromtrent verduidelijkt.

Het formulier P5 - kinderbijslag voor oudere gehandicapten

Oudere gehandicapten (art. 47bis KBW) mogen alleen tewerkgesteld worden in een beschutte werkplaats of een beperkte uitkering ontvangen (cf. art. 63 KBW).

Opgelet! Het ontvangen van een overlevingspensioen is geen beletsel voor de toekenning van de kinderbijslag voor oudere gehandicapten.

Aan de kinderbijslagfondsen wordt vanaf 2007 gevraagd de formulieren P5 niet meer te gebruiken en de noodzakelijke informatie te halen uit de verwerking van de socio-professionele fluxen over de tewerkstelling, de ziekte, de werkloosheid, de beroepsziekte en het arbeidsongeval.

De gegevens over het inkomen uit een pensioen kunnen nog niet elektronisch worden meegedeeld en worden per brief opgevraagd bij de Rijksdienst voor Pensioenen (RVP) of het Rijksinstituut voor de Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen (RSVZ), vanaf de leeftijd van 60 jaar, behalve wanneer zij gepensioneerd worden naar aanleiding van een tewerkstelling in een beschutte werkplaats of na ziek of werkloos te zijn geweest volgend op een periode van tewerkstelling in een beschutte werkplaats (de laatste tewerkstelling). Het pensioen mag niet hoger z ijn dan het gewaarborgd inkomen voor bejaarden, behalve wanneer het voortvloeit uit een tewerkstelling voor gehandicapten in een beschutte werkplaats. Een eenmalig bewijs volstaat.

Voor de oudere gehandicapten met hun domicilie buiten België blijft de verplichting van opvolging met de formulieren P2 (na het onvoorwaardelijk recht) en P5 verder bestaan.

3.6.8. De bijzondere regeling voor vrijwilligerswerk (wet van 27 december 2005 houdende diverse bepalingen)

De formulieren vermelden een algemene formule: "Voor vrijwilligerswerk geldt een speciale regeling. Uw kinderbijslagfonds kan u daarover meer informatie geven."

De wet van 3 juli 2005 stelt het vermoeden in dat als de forfaitaire vergoedingen niet hoger zijn dan een bepaald maand- of jaarbedrag (cumulatieve voorwaarden), het om een activiteit als vrijwilliger gaat. Deze bedragen worden jaarlijks geïndexeerd48.

Er wordt aan herinnerd dat met de omzendbrief van de Rijkdienst, CO 1357 van 7 juni 2006 (pagina 7), de specifieke regeling voor de opvolging van het inkomen uit vrijwilligerswerk werd meegedeeld.

Actueel standpunt

De FOD Sociale Zekerheid heeft de Rijkdienst op volgend punt gewezen (brief van 23 april 2008). Wanneer de betrokkene verzekeringsplichtig is voor de sociale zekerheid dan toont het DMFA-bericht in principe aan of deze persoon al dan niet als vrijwilliger wordt beschouwd.

Bestaat daarover twijfel omdat de vrijwilliger verklaart dat het inkomen een terugbetaling is van de kosten, dan richt het kinderbijslagfonds zich tot de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid of tot de diensten van de Sociale Inspectie die zullen beslissen of de betrokken vrijwilliger al dan niet voldoet aan de voorwaarden.

3.6.9. Uitwerking van de ambtshalve herzieningen betreffende kinderen met een handicap (art. 47 en 63, KBW) - Procedure voor de arbeidsrechtsmachten - Toepassing van art. 48, vierde lid KBW - aard van de gerechtelijke beslissing49

In geval het gezin de ambtshalve beslissing aanvecht voor de rechtbank en het vonnis/arrest bevestigt de ambtshalve beslissing, dan geldt art. 48 niet (cf. art. 23 van het KB van 28 maart 2003). Respecteert het vonnis of het arrest de d atum van uitwerking van de ambtshalve beslissing niet, dan speelt het vertragingseffect.

Bij een herziening op aanvraag of een nieuwe aanvraag geldt artikel 48 Kinderbijslagwet in alle gevallen.

Topic 7 - De schoolverlater tijdens de wachttijd

De gegevens betreffende het inkomen van de werkzoekende schoolverlater tijdens de beroepsinschakelingstijd worden verder ingewonnen met het formulier P20. Ook voor de niet-leerplichtige jongeren met een onvoorwaardelijk recht wordt de P20 gezonden aansluitend op de ontvangst van het bericht van inschrijving als werkzoekende (D043), en niet na het einde van het onvoorwaardelijke recht. Op die manier ontvangt het gezin onmiddellijk de info rmatie over het recht als werkzoekende op het ogenblik dat de inschrijving actueel is.

Nieuwe procedure

Op 10 april 2013 heeft de Rijkdienst de kinderbijslaginstellingen geïnformeerd over de nieuwe procedure voor de inschrijving van jonge werkzoekenden in beroepsinschakelingstijd. Voortaan worden alle documenten aanvaard, die afgeleverd werden door een Gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling met vermelding van de inschrijving en de datum van inschrijving, om het recht als werkzoekende in de zin van art. 62 §5 KBW te onderzoeken. Dus ook wanneer het om een inschrijving in één van de overige categorieën gaat waarvoor geen A200-attest (D043 in terminologie van het Kadaster) wordt verzonden. Er worden immers maar A200-attesten verzonden voor de volgende 3 categorieën: de werkzoekende schoolverlater, de vrije werkzoekende, en de werkzoekende die halftijds werkt. Een kopie van het inschrijvingsdocument diende, in uitvoering van deze nieuwe procedure, naar de dienst Monitoring van de Rijkdienst gestuurd te worden, zodat deze dienst de werking van de flux D043 kon evalueren.

Ondertussen is uit deze evaluatie gebleken dat de flux D043 functioneert zoals voorzien, namelijk alle inschrijvingen voor de 3 vermelde categorieën werkzoekenden worden ons per elektronisch bericht overgemaakt. De kinderbijslaginstellingen moeten voortaan dan ook geen kopieën van de inschrijvingsdocumenten meer bezorgen aan de dienst Monitoring. Dit neemt niet weg dat alle documenten, die afgeleverd worden door een Gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling met vermelding van de inschrijving en de datum van inschrijving, verder moeten worden aanvaard om het recht als werkzoekende in de zin van art. 62 §5 KBW te onderzoeken.

Daarnaast worden de DIMONA/RIP-aangiften ingeschakeld in het onderzoek naar het recht op de kinderbijslag voor de schoolverlaters in wachttijd. Dit betekent dat in geval het kinderbijslagfonds RIP-gegevens ontvangt, een nieuw onderzoek naar het recht op kinderbijslag wordt uitgevoerd. Voor het bedrag van het inkomen blijft het formulier op het huidige ogenblik de enige informatiebron. Het is niet mogelijk op een systematische wijze de gegevens vermeld op het formulier P20 te valideren door een consultatie van TRIVIA.

Nieuwe voorbeelden van toepassingen werden verstrekt bij middel van de dienstbrief 996/82bis van 5 augustus 2011.

Wanneer het formulier P20 niet wordt teruggestuurd wordt de vijf-dagenregel50bij ambtshalve beslissing voor de werkzoekende schoolverlaters toegepast (cf. Topic 9). De Rijkdienst heeft een dienstbrief uitgevaardigd met geactualiseerde instructies, voorbeelden en een aanpassing van het formulier P20 en de modules (dienstbrief II/C/999/c.153/SN van 1 juli 2009).

Debetpreventie

Er wordt in het bijzonder de nadruk gelegd dat om debetten te voorkomen al de Rip-berichten in verband met een tewerkstelling zonder verwijl (binnen de 7 kalenderdagen) en bij voorrang worden verwerkt en aanleiding geven tot de in de hiervoor voornoemde dienst brief beschreven reacties (schorsing van de betalingen, verzending van het formulier en de module 18bis), zelfs degene met vermelding STU in het derde kwartaal.

Begindatum van de toekenningsperiode
Algemene regel:

Overeenkomstig art. 1, §2, 1° van het KB van 12 augustus 1985 vangt de periode van 360 kalenderdagen (beroepsinschakelingstijd) aan op 1 augustus na het laatste school- of academiejaar (CO 1389 d.d. 16/05/2012).

Uitzonderingen:
Aanvang van de toekenningsperiode Voorrang der bewijsmiddelen - Rangorde bewijskracht51
De dag na de beëindiging van alle activiteiten opgelegd door het studieprogramma indien deze beëindiging plaats heeft na 1 a ugustus of de dag na de beëindiging van de leertijd of vorming. Authentieke bron (uitschrijvingsbericht D062); of bij gebrek daaraan de verklaring op eer op het formulier P7a (vraag 3) of P20 (vraag 2 of 3 van het formulier) of P9.
De dag na de inlevering van een eindverhandeling bij hogere studies of de dag na de onderbreking van de voorbereiding ervan. Authentieke bron (uitschrijvingsbericht D062); of bij gebrek daaraan de verklaring op eer op het formulier P7a (vraag 3), P20 (vraag 2 of 3 van het formulier) of P9.
De dag na het einde van de stageperiode, vereist om in een openbaar ambt te worden benoemd, of de dag na de onderbreking van deze stage. Authentieke bron (verklaring van de stagemeester).
De dag na de datum waarop voortijdig aan nieuwe studies, een leertijd of een vorming een einde werd gesteld, op voorwaarde dat:

a) geen termijn van meer dan vijftien maanden is verlopen tussen het einde van studies, een leertijd of een vorming en het hernemen van studies, een leertijd of een vorming

b) de nieuwe studies, leertijd of vorming minstens zes maanden hebben geduurd indien de in a) vermelde termijn overschreden is.

Authentieke bron (uitschrijvingsbericht D062); of bij gebrek daaraan de verklaring op eer op het formulier P7A (vraag 3), P20 (vraag 2 of 3 van het formulier) of P9.
Voorbeelden
  • De student schrijft zich in voor 60 studiepunten. Tot bewijs van het tegendeel doet de D062 een recht op kinderbijslag ontstaan voor het gehele academiejaar. Op 10 maart ontvangt het kinderbijslagfonds een flux D043 met begin inschrijving werkzoekende op 7 maart 2012 (vermoeden van stopzetting van de studies). Er wordt geen D062 uitschrijving ontvangen. De student verklaart op het formulier P20 de studies te hebben stopgezet op 2 maart 2012. De wachttijd vangt, gelet op de verklaring aan op 3 maart 2012, volgens bovenstaand schema als gevolg van gebrek aan gegevens uit de authentieke bron.
  • In een vergelijkbaar geval ontvangt het fonds een flux D043 en een uitschrijving D062 met als uitwerkingsdatum 20 maart 2012. De toekenningsperiode vangt aan op 21 maart 2012, aangezien het gegeven uit de authentieke bron D062 over de stopzetting van studies primeert.
  • In een analoog geval ontvangt het kinderbijslagfonds enkel een inschrijving als werkzoekende (flux D043), maar geen uitschrijving als student (flux D062). De meerderjarige student verklaart echter de studies te hebben voortgezet tot 30 juni op het formulier P7 van 18 september 2012. De toekenningsperiode vangt aan op 1 augustus volgens bovenstaand schema als gevolg van gebrek aan gegevens uit de authentieke bron.
De individuele beroepsopleiding en de instapstage

De inschakelingsuitkering, de opleidingsuitkering en de stage-uitkering dienen te worden meegeteld voor het bereiken van het grensinkomen (cf. dienstbrief 997/28nonies). Voor de individuele beroepsopleiding (IBO) en de instapstage geldt de productiviteitspremie eveneens als inkomen. Het formulier P20 werd aangepast. (cf. dienstbrief 999/c.169 van 5 juli 2013).

Nieuwe waarde TRI - Instapstage

a) Algemeen

In het kader van het Relanceplan werd op 1 januari 2013 een contingent van 10.000 plaatsen voor werkplekleren gecreëerd voor laaggeschoolde schoolverlaters. Door middel van een instapstage van maximum 6 maanden kan de laaggeschoolde schoolverlater tijdens zijn beroepsinschakelingstijd (de vroegere wachttijd) kennismaken met de arbeidsmarkt. De schoolverlaters ontvangen tijdens deze instapstage een vergoeding, die wordt beschouwd als een looncomponent. De stagiairs zullen een stage-uitkering ontvangen van 26,82 euro per dag van RVA, en een maandelijkse vergoeding van maximum 200 euro van de werkgever.

De werkgevers melden de indiensttreding van deze stagiairs via Dimona-attesten (D051-attesten in de terminologie van het Kadaster). Deze stagiairs worden aangeduid met de nieuwe waarde TRI in de zone KindofWorker. Deze waarde is beschikbaar via consultatie- en distributiestroom. Vanaf 01/04/2014 zullen de mutatieberichten D051 alle instapstages vermelden en kunnen via de consultatiestroom P051 ook alle instapstages sinds 01/01/2013 worden op gezocht. Ook wordt er voor deze stagiairs een D042-attest verstuurd naar aanleiding van de stage-uitkeringen die RVA hen uitkeert. Uit de zone NrOfControlledDays in deze attesten kan worden afgeleid hoeveel dagen deze stagiairs vergoed werden. Deze gegevens zijn tevens beschikbaar via de con sultatiestroom P042.

b) Toepassing in de praktijk

1. Rechtsvaststelling voor de periode voorafgaand aan de verzending van de Dimona-berichten met vermelding van TRI (1 december 2012-31 maart 2014)

De dossiers van schoolverlaters in instapstage waarin het onderzoek naar recht voor de toekenningsperiode inmiddels werd afgesloten op basis van de verklaringen op het formulier P20 of op grond van een controle aan huis, dienen niet systematisch te worden herzien.

Voor de dossiers waarin bij gebrek aan een reactie op een herinnerd formulier P20 nog een ambtshalve beslissing over de geldigheid van de betalingen voor de toekenningsperiode dient te worden genomen, liggen de zaken echter anders.  Op basis van de consultatie van het Dimona-bericht (P051) kan de instapstage worden vastgesteld door middel van de waarde TRI in de zone 'KindofWorker'.  Er is een vermoeden van overschrijding van het toegelaten maximumbedrag van zodra er uit de gegevens in het P042-bericht blijkt dat de werkzoekende in de betrokken maand gedurende minstens vijf dagen een instapstage heeft gevolgd.  De betalingen worden in dit geval onmiddellijk geschorst, en er wordt een formulier P20 met de begeleidende motiveringsmodule 18bis verzonden naar de betrokken sociaal verzekerde.  Het is dan aan betrokkene om het tegendeel te bewijzen.

2. Rechtsvaststelling vanaf de datum van de ontvangst van de Dimona-berichten met vermelding TRI (1 april 2014)

Vanaf 1 februari 2014 wordt bij ontvangst van het Dimona-bericht met de vermelding van de waarde TRI in de zone 'KindofWorker' de gebruikelijke procedure beschreven in de dienstbrief 999/c.153 van 1 juli 2009 toegepast. De betalingen worden onmiddellijk geschorst, en er wordt een formulier P20 met de begeleidende motiveringsmodule 18bis verzonden naar de betrokken sociaal verzekerde. De schorsing van de betalingen wordt opgeheven indien de betrokken sociaal verzekerde aan de hand van attesten van de verklaring op het formulier P20 kan bewijzen dat hij het toegelaten maximumbedrag niet overschreden heeft.

Vrijwillige militaire inzet

De wet van 10 januari 2010 tot instelling van de vrijwillige militaire inzet heeft art. 62 KBW gewijzigd. Als gevolg daarvan werd de informatie op het formulier P20 aangepast, in de zin dat de soldij als vrijwillige militair tijdens de eerste zes maanden geen beletsel vormt voor de toekenning van de kinderbijslag gedurende de beroepsinschakeltijd (zie circulaire van de Rijkdienst, CO 1385 van 18 november 2010).

Topic 8 - De geplaatste kinderen

Bewijs van plaatsing in een instelling
De geplaatste kinderen in de Vlaamse gemeenschap

Vanaf 2014 wijzigen de instructies ingevolge de decreten Integrale Jeugdhulp en Pleegzorg. De wijzingen in de procedure werden per e-mail aan alle kinder bijslaginstellingen meegedeeld voor de kinderen die in een instelling of in een pleeggezin (of beide) zijn geplaatst (cf. de e-mail van 24 december 2013 aan alle kinderbijslaginstellingen).

De geplaatste kinderen in de Franse en Duitstalige Gemeenschap

Er wordt op gewezen dat voor de plaatsing bij een particulier en de betaling aan een particulier een attest / verklaring / beschikking van de rechter of het formulier P3 geldt als begin van bewijs en volstaat voor het aanvatten van de provisionele betaling. De ontvangst van het formulier D227 moet worden opgevolgd.

Voor wat betreft het bewijs van de betaling van de bijzondere toeslag bedoeld in art. 70ter KBW wordt verwezen naar de omzendbrief van de Rijkdienst, CO 1344 van 10 juli 2003, en de dienstbrief II/A/996/45 van 24 december 2003 die onveranderd blijven.

Voor de kinderen geplaatst in een instelling heeft het formulier D22752 als bijzondere finaliteit de kinderen te signaleren voor wie ten aanzien van de plaatsende overheid een bijzondere (collectieve) betalingsmodaliteit53 geldt. Het formulier is daarom onontbeerlijk.

Kennisgeving van het bedrag voor een geplaatst kind

Voor de plaatsingen in een pleeggezin ten laste van het fonds " Jongerenwelzijn" moet het formulier D228P vanaf 1 januari 2014 (afrekeningen vanaf december) niet meer worden gestuurd (cf. de e-mail van 24 december 2013 aan alle kinderbijslaginstellingen). De dienstbrief II/C/999/c.152/SN van 29 juni 2009 wordt vanaf die datum opgeheven.

Voor de Franse Gemeenschap geldt eveneens een nieuwe betalingsmodaliteit, meegedeeld met de dienstbrief II/C/996/c.94/Wam van 18 november 2011.

Kennisgeving van een betaling aan de laatste bijslagtrekkende vóór een pleegplaatsing (art. 70ter KBW)

De meldingsprocedure wordt geregeld door de omzendbrief CO 1344 van 10 juli 2003. Als bijlage bij de circulaire gaat het model van een brief om de Gemeenschappen bevoegd voor de pleegplaatsing in te lichten over de aanvang van de betaling van het bedrag voorzien bij art. 70ter KBW.

De preventieve sociale actie

In het kader van de vrijwillige dienstverlening voorzien de gemeenschappen in specifieke hulpmaatregelen aan het gezin om de plaatsing van een jongere te vermijden54.  Dit zijn geen reguliere plaatsingen in de zin van artikel 70 Kinderbijslagwet.  Bijgevolg is de bijzondere verdeelsleutel (2/3 voor de instelling of overheid, 1/3 aan een natuurlijke persoon of op een spaarboekje) niet van toepassing.  De Rijksdienst zal het formulier P3-a aanpassen (zie dienstbrief van de Rijksdienst, 999/c.158/sn van 20 december 2010).

Betaling van intresten in geval van een rechterlijke toekenningsbeslissing na een administratieve weigering (advies van de juridische afdeling (II/13/60226/contr./Art.70KBW/SVB van 14 mei 2013)

Wanneer de rechter de kinderbijslag toekent op basis van art. 70 KBW stelt zich de vraag of intresten verschuldigd krachtens art. 20 van het Handvest moeten betaald worden zowel aan de instelling (ontvanger 2/3) als aan de bijslagtrekkende van het 1/3. Tevens moet het bedrag bepaald worden waarop de intresten moeten worden berekend.

Aangezien het Handvest (art. 2, eerste lid, 7°) alleen betrekking heeft op sociaal verzekerden die natuurlijke personen zijn, evenals hun wettelijke vertegenwoordigers en hun gemachtigden, zijn de kinderbijslaginstellingen geen intresten verschuldigd aan de instelling waar het kind geplaatst werd, aangezien deze ontvanger geen natuurlijke persoon betreft. Instellingen waar de kinderen g eplaatst worden zijn geen begunstigden in de zin van het Handvest. Het verschuldigde bedrag aan intresten wordt berekend op het saldo uit art. 70 KBW (1/3) en niet op het gehele bedrag.

Topic 9 - De ontbrekende of onvolledige formulieren - De ambtshalve beslissing

3.9.1. Algemene principes

Het formulier is slechts een hulpmiddel om de onontbeerlijke gegevens in te winnen. Er wordt vooral een beroep gedaan op de sociaal verzekerde om gegevens in te winnen in verband met de inkomenssituatie.

Het Handvest van de Sociaal Verzekerde bepaalt dat wanneer de sociaal verzekerde niet antwoordt op een eerste herinnering om inlichtingen, de instelling zelf na één maand een onderzoek uitvoert en ambtshalve een beslissing neemt op basis van de gekende gegevens. De gevallen in het buitenland worden herinnerd na verloop van 45 dagen. In functie daarvan wordt maximaal gebruik gemaakt van de gegevens inzake de socio-professionele situatie en de leefsituatie waartoe de kinderbijslagsector toegang heeft.

Ondanks het gebrek aan medewerking vanuit het gezin, neemt het kinderbijslagfonds ambtshalve een beslissing op basis van voldoende indicaties:

  • via een consultatie van alle (interne) databanken of fluxen (TRIVIA) kunnen voldoende elementen worden bekomen om in individuele gevallen te beslissen;
  • als de vraag naar het gegeven als niet-relevant te beschouwen is, gelet op de socio-professionele of familiale toestand, zoals die blijkt uit de (niet) ontvangen elektronische gegevensstromen of de consultatie van de databanken.

De ambtshalve beslissing wordt aan de bijslagtrekkende gemotiveerd.

Het recht mag niet worden afgewezen, omdat het formulier niet werd ontv ang en, als alle onontbeerlijke gegevens via elektronische bewijsmiddelen kunnen worden verkregen (cf. de algemene bewijskracht van het elektronisch bewijsmiddel, punt 2.2.).

Kan het gegeven niet via een elektronisch kanaal worden verkregen, dan blijft verder een formulier noodzakelijk. Deze regel geldt vooral in situaties waarin het inkomen een rol speelt en waaromtrent de gegevensfluxen nog geen uitsluitsel bieden.

3.9.2. Herinnering van niet-teruggezonden formulieren

Werkwijze voor het jaar 2014: situaties waar nog gegevens worden ingewonnen bij de sociaal verzekerde

De hiernavolgende richtlijnen gelden voor het jaar 2014.

In afwachting van een algehele gegevensinzameling met elektronische datafluxen, wordt elk ontbrekend document éénmaal na een maand herinnerd.  De gevallen in het buitenland worden herinnerd na verloop van 45-60 kalenderdagen. De praktijk om in geval van niet-terugzenden, het controleformulier te herinneren en tegelijk reeds te waarschuwen voor een eventuele terugvordering moet worden voortgezet.

Een tweede en eventueel volgende herinnering moet worden voorkomen door een interactieve consultatie van TRIVIA en de exploitatie van de ontvangen RIP- en DMFA-berichten en de andere fluxen.

Indien de ontbrekende informatie ingevolge deze consultaties / integraties kan worden bekomen, moet er overeenkomstig het Handvest55 van de Sociaal Verzekerde geen verdere automatische herinnering meer worden verzonden. Deze procedure vervangt het ontbrekende formulier en valideert de betalingen over de periode die het formulier dekt (inclusief de provisionele betalingen56). Wanneer geen voldoende gegevens kunnen worden bekomen, moet een controle ter plaatse worden verricht.

3.9.3. Bijzondere toepassingsgevallen

3.9.3.1. Het formulier voor d e studenten (P7a) wordt niet teruggestuurd
Aanpassingen met de dienstbrief 999/c.169 van 5 juli 2013

Voor studenten in de Vlaamse of Duitstalige Gemeenschap (code N) werd geen formulier meer gezonden, maar wordt de flux D062 afgewacht. In de toekomst wordt eenmaal informatie (infomodule-18+) gestuurd voor de studenten in de maand september van het jaar waarin ze 18 worden. Wordt in december 2013 na verwerking van de fluxen voor november geen enkel (elektronisch) bericht ontvangen, dan nemen de kinderbijslagfondsen contact op met de gezinnen aan de hand van een speciaal daarvoor ontworpen briefmodule. Voor thesisstudenten geldt een specifieke regeling.

In de omzendbrief van de Rijkdienst, CO 1374 van 25 september 2008, punt 5.3, werd meegedeeld wat de gevolgen zijn van het niet-terugzenden van het formulier P7-A. In de omzendbrief van de Rijkdienst, II/C/999/C.154/SN van 15 juli 2009, werden deze instructies bevestigd.

Voor jongeren in het buitenland moet het formulier P7-A niet meer worden opgevolgd, zodra het E-formulier of het formulier P7-int werd ontvangen, waardoor de betalingen kunnen worden verdergezet.

3.9.3.2. Het formulier voor de ingeschreven werkzoekende (P20) wordt niet teruggestuurd

In de omzendbrief van FAMIFED, II/C/999/C.153/SN van 1 juli 2009, werden de instructies verschaft voor het geval het formulier P20 ontbreekt.

De ambtshalve beslissing - toepassing van de vijfdagenregel (= 38 uren)

Wanneer het formulier P20 na een eerste herinnering niet wordt teruggezonden, beschikt het kinderbijslagfonds over de mogelijkheid om toepassing te maken van de vijfdagenregel. Deze modaliteit maakt een controle ter plaatse overbodig.

De toepassing van deze regel veronderstelt de omkering van de bewijslast. Er kan automatisch een onverschuldigde betaling worden opgemaakt vanaf een tewerkstelling van 5 arbeidsdagen of 38 uren of met arbeid gelijkgestelde dagen (bijv. jaarlijks verlof, wettelijke feestdagen, gewaarborgd loon bij ziekte of ongeval,...). Zijn er minder dan 5 arbeidsdagen of 38 uren dan mag de geldigheid van de provisioneel uitgevoerde betaling worden aanvaard.

Tijdens de duur en op het einde van de toekenningsperiode (beroepsi nschakelingstijd) kunnen er geen betalingen op basis van deze regel worden verricht. De voorschriften van de dienstbrief 999/c.153 moeten strikt worden nageleefd. Deze regel staat los van de ambtshalve toekenning van de geschorste kinderbijslag op basis van het DMFA-bericht van het derde kwartaal (hoogstens 240 uren) of de hervatting van studies na de zomervakantie (kind met dubbele hoedanigheid van student en werkzoekende tijdens de zomervakantie). Op basis van een RIP-bericht ontvangen na 15 augustus kan evenwel worden afgzien van een preventieve schorsing voor de maand augustus (zomervakantie student in het niet-hoger onderwijs) of augustus en september (zomervakantie van het kind in het hoger onderwijs).

Deze regeling wordt eveneens toegepast tijdens de verlengde beroepsinschakelingstijd (CO 1395 van 14 november 2014).

3.9.3.3. Het formulier de sociale toeslagen (P19) wordt niet teruggestuurd - De verdere betaling van de toeslag

Voor de validering van de toeslag gecontroleerd met het formulier P19 geldt het hiervoor uiteengezette principe. Voor de toekomstige betalingen van de toeslag zijn wel opnieuw de formulieren P19 en P19ter noodzakelijk. Worden deze formulieren niet ontvangen, dan worden de betalingen aan de gewone schaal voortgezet. De bijzondere maatregel in verband met het aanvraagformulier P19 (eerste zending) vinden de kinderbijslagfondsen infra punt 4.

Opgelet!

Op basis van de consultatie van TRIVIA nadat het formulier niet werd teruggezonden kunnen de uitgevoerde betalingen 41, 42bis en 50ter KBW wel worden gevalideerd, als er geen indicatoren zijn dat het inkomen boven het toegelaten maximum lag, maar er kunnen in dat kader geen supplementaire betalingen worden uitgevoerd zonder dat de betrokkene reageert op het formulier P19. Het principe van de verklaring op eer blijft gehandhaafd.

3.9.3.4. De gegevens in verband met het co-ouderschap57 en de gelijk verdeelde huisvesting

Overeenkomstig de ministeriële omzendbrief, MO 555 van 26 februari 1998, moeten de kinderbijslagfondsen nagaan welke ouderschapsregeling van toepassing is, wanneer de ouders gescheiden zijn en wanneer de fondsen weet hebben van een echtscheidingsvonnis. Bij afwezigheid van een overgeschreven echtscheidingsvonnis en bij gebrek aan tegenbewijs door de belanghebbenden, mog en de kinderbijslagfondsen veronderstellen dat de gescheiden ouders de kinderen in co-ouderschap opvoeden.

Concreet betekent dit dat naar aanleiding van een ontvangst van een mailbox met een bericht van echtscheiding dat de kinderbijslagfondsen zich tot de bijsla gtrekkende richten om de ouderschapsregeling te kennen. Een maand na de eerste verzending wordt in een tweede brief nogmaals aangedrongen op het vonnis of de akte (passages in verband met de opvoedingsregeling).

Wanneer de betrokkene hierop niet reageert wordt in afwijking van de bepalingen van de omzendbrief van de Rijkdienst, CO 1345, punt 6 van 10 juli 2003, de betaling niet meer geschorst, maar neemt het kinderbijslagfonds een ambtshalve beslissing op basis van de al vroeger meegedeelde gegevens inzake de ouderschapsregeling in het dossier of het veronderstelde co-ouderschap over eenkomstig de ministeriële omzendbrief, MO 555.

Formulier L

Wat betreft de regeling van de gelijk verdeelde huisvesting (bilocatie) en het in dit verband ontworpen formulier L wordt verwezen naar de circulaire van de Rijkdienst, CO 1356 van 9 juni 2006.

Topic 10 - De procedure alvorens de terugvordering van onverschuldigd betaalde kinderbijslag in te zetten

3.10.1. Algemene principes

Met de CO 1360 werd uiteengezet in welke gevallen een schuld ontstaat door een fout van het kinderbijslagfonds (debet A) of door toedoen van de bijslagtrekkende (debet B). In het verlengde hiervan stellen de kinderbijslagfondsen onverschuldigde betalingen op ook al treft de sociaal verzekerde geen enkele schuld. Er is een constante rechtsspraak ontstaan dat deze vorderingen worden afgewezen. Het is dus voortaan overbodig nutteloze procedures op te starten bij de arbeidsrechtbank, behalve wanneer aan de sociaal verzekerde een gebrek, een fout, een tekortkoming kan worden verweten.

Een omzendbrief met meer gedetailleerde richtlijnen over de toepassing van het begrip "goede trouw" is in voorbereiding.

Debetpreventie

Om het aantal onverschuldigde betalingen te verminderen wordt op elk formulier vermeld: "elke wijziging in de gezinssituatie of in de situatie (werken, stoppen studeren, buitenland,...) van de kinderen moet u ons zo snel mogelijk melden. U kan dat doen per brief, telefoon, fax, email,...". Voor de handtekening wordt de tekst opgenomen: "Ik heb de informatie bij dit formulier gelezen". FAMIFED past de formulieren aan en zal de gewijzigde versie aan de kinderbijslagfondsen meedelen (cf. dienstbrief 999/c.168 van 2 mei 2013).

Het louter ontbreken van een formulier is nooit een voldoende rechtsgrond voor een procedure tot terugvordering van de betaalde kinderbijslag. Dergelijke vorderingen riskeren vrijwel zeker door de rechtbanken ongegrond te worden verklaard. De kinderbijslagfondsen moeten bijgevolg alle mogelijke hen ter beschikking zijnde middelen aanwenden om te voorkomen dat procedures voor terugvordering van de kinderbijslag gesteund op ontbrekende formulieren voor de arbeidsgerechten worden gebracht (door sociaalverzekerden of door de fondsen zelf).

3.10.2. Praktische richtlijnen voor het opmaken van debetten

Het is uit den boze dat een debet wordt betekend zonder een consultatie van de beschikbare databanken (TRIVIA) of zonder de ontvangen fluxberichten in het onderzoek van het onverschuldigd bedrag te betrekken. De kinderbijslagfondsen kunnen bij de evaluatie van de inkomensnorm het arbeidsvolume als voldoende indicatie of parameter in aanmerking nemen.

Aan de debiteur wordt kennis gegeven van de onverschuldigde betaling met een gewone brief of met een controle aan huis. Overeenkomstig het Handvest van de Sociaal Verzekerde wordt het debet aangetekend verzonden of herinnerd, telkens wanneer de verjaring dreigt (CO 1360 van 1 augustus 2006). Met de dienstbrief II/C/996/83/BH van 19 maart 2008 werden er bijkomende instructies gegeven voor het opmaken van debetten.

Een voltijdse of voldoende tewerkstelling toont, tot bewijs van het tegendeel, aan dat de inkomensnorm is overschreden (enkel voor kinderen onderworpen aan de inkomensgrens). Voor de ingeschreven werkzoekende wordt overeenkomstig punt 3.9.3.2. toepassing gemaakt van de vijfdagenregel (=38 uren).

Voorbeeld 1:

Op 5 september werd de inschrijving als werkzoekende ontvangen. Het formulier P20 wordt niet teruggestuurd, ook niet na één herinnering. Uit TRIVIA blijkt dat het kind een winstgevende activiteit heeft verricht. De gegevens uit TRIVIA ton en voldoende aan dat de inkomensgrens is overschreden, bijgevolg neemt het fonds aldus een beslissing over de uitgevoerde betalingen van de kinderbijslag. Men houdt er rekening mee dat voor het derde kwartaal de DMFA moet worden verwerkt (max. 240 uren). De gegevens inzake de reactivering van de werklozen (bijv. IBO-contracten / instapstage) kunnen aangevraagd worden bij de gewestelijke diensten voor arbeidsbemiddeling.

Voorbeeld 2:

In januari werd het formulier P19 verstuurd (periode 1 januari  tot 31 december).  Een eerste herinnering leverde geen enkel resultaat op.  De partner van de werkloze rechthebbende werkt sedert 1 juli  voltijds.  Er zijn voldoende bewijzen dat de inkomensgrens is overschreden, bijgevolg neemt het kinderbijslagfonds aldus een beslissing over de uitgevoerde betalingen van de toeslag. 

Wanneer de gegevens die via de verschillende gegevensbanken58 ter beschikking staan, toch geen uitsluitsel bieden en er bovendien informatie ontbreekt (bijv. over het inkomen naar aanleiding van een tewerkstelling in de loop van een kalendermaand) of twijfel bestaat, wordt aan de kinderbijslagfondsen gevraagd om, als ondanks de dreiging met terugvordering het formulier niet wordt teruggezonden, de ontbrekende gegevens op te vragen via een controle met een bezoek aan huis. De geschetste werkwijze geldt vanzelfsprekend ook voor het aanvatten van een procedure tot terugvordering voor het arbeidsgerecht.

3.10.3. Schematische voorstelling van de procedure bij ontbrekende formulieren - Werkwijze alvorens een debet op te maken - Valideren / Betalen / Terugvorderen

Schematische voorstelling van de procedure bij ontbrekende for mulieren
Stap Actie Tijdstip/termijn Inhoud van de beslissing
1 Verzending van het formulier, P20,...... Zie tabellen in bijlage  
2 Formulier wordt niet ontvangen Herinnering na 30 dagen (buitenland 45-60 dagen); Stopzetting van de provisionele betalingen de maand volgend op de verzending van het formulier.  
3 Zo mogelijk, de (eind)beslissing op basis van consultatie van de databanken. Voor de ingeschreven werkzoekende ambtshalve toepassing van de vijfdagenregel (= 38 uren), zonder P20 (validatie of terugvordering59). Binnen de maand na de herinnering
  • regularisatie
  • recuperatie
  • geen actie
  • andere actie
  • motivering
4

Controle ter plaatse + eindbeslissing

Binnen de 4 maand
  • regularisatie
  • recuperatie
  • geen actie
  • motivering

BELANGRIJK: Geen toekenning van de supplementen zonder formulier, enkel validatie van de (provisioneel) betaalde toeslagen.

Topic 11 - Het Rijksregister

3.11.1. De periodieke actualisering van de identiteitsgegevens via het Rijksregister

Met het oog op een zo groot mogelijke overeenstemming van de persoonsgegevens in de database van de kinderbijslagfondsen met de identificatiegegevens in het Rijksregister, wordt aan de kinderbijslagfondsen gevraagd bij de overgang van de bevoegdheid, het Rijksregister te consulteren (+ bijhouden van een print(screen) in het elektronisch dossier of elk ander bewijs dat de raadpleging aantoont (bij. checklist van uitgevoerde handelingen)).

Aanbeveling

De Rijkdienst adviseert aan alle kinderbijslagfondsen om daarna elke drie jaar een actualisering "in batch" van bestanden afkomstig van het Rijksregister uit te voeren.

3.11.2. Het Rijksregister en de lokalisatie van de verschillende rechtsactoren60

De lokalisatie van de rechtsactoren (de reële verblijfplaats van de rechthebbende, de bijslagtrekkende of de kinderen) wordt in de Kinderbijslagwet niet op een uniforme wijze bepaald. Het is van belang voor elke toepassing telkens het bewuste wetsartikel te raadplegen om na te gaan op welke wijze de lokalisatie is geregeld. Soms wordt enkel de officiële woonplaats volgens het Rijksregister aanvaard, in andere gevallen geldt hetzij het Rijksregister of een officieel document, hetzij elk bewijsmiddel.

In grote lijnen kan de bewijsregeling op de volgende wijze worden samengevat:

Wanneer voor het verkrijgen van de hoedanigheid van rechthebbende of bijslagtrekkende de wettelijke voorwaarde erin bestaat dat de kinderen “deel uitmaken van het gezin,opgevoed worden door ofsamenwonen met ….” dan wordt rekening gehouden met allefeitelijke omstandigheden. Alle rechtsmiddelen zijn van toepassing om de gezinssamenstelling aan te tonen: de gegevens van het Rijksregister, een politieattest of vonnis, de verklaring van twee getuigen. De feitelijke situatie kan zowel het verlies als het verkrijgen van de hoedanigheid van rechthebbende of bijslagtrekkende in de zin van de gecoördineerde wetten tot gevolg hebben (werkt in de twee richtingen).

Wanneer voor de toekenning van een toeslag de rechthebbende “alleen woont met de kinderen” of “samenwoont met een partner en de kinderen” is qua bewijs van die voorwaarden eveneens de feitelijke situatie doorslaggevend61. Alle bewijsmiddelen zijn dan van toepassing inzake het aantonen van de gezinssamenstelling.

In de veronderstelling dat de gehuwden beslist hebben niet langer te willen samenwonen, wat ze wel deden voor de aankomst van een van beiden in België of het vertrek van een van beiden uit het land, heeft het huwelijk geen negatieve weerslag op de schaal aangezien het om een feitelijke scheiding gaat en de verklaringen op het formulier P19 bevestigd worden door de gegevens van het RNP. Hoe de feitelijke scheiding in het buitenland wordt aangetoond, zal het voorwerp uitmaken van een aparte dienstbrief 999 in 2014.

Door het hebben van dezelfde woonplaats en de inschrijving op hetzelfde adres ontstaat een (weerlegbaar) vermoeden van feitelijk gezin.62  Dit heeft automatisch het verlies van de toeslag tot gevolg63 (negatieve gevolgen voor de toeslagen: artikelen 41, 50bis, 42bis en 50ter KBW).  Het feitelijk gezin kan overigens met alle bewijsmiddelen worden aangetoond (verklaring van de betrokkenen, getuigen, controle ter plaatse, politieattest,…), met gevolgen voor de toeslagen, nl. het  automatisch verlies van de toeslag of de samenvoeging van de inkomsten (negatieve effecten).:

Indien het vermoeden van een feitelijk gezin weerlegd wordt door een huurcontract, moet dit huurcontract geregistreerd zijn64 (eerste voorwaarde). De officiële gezinssamenstelling moet binnen de drie maanden aangepast worden (tweede voorwaarde) (mailbox opvolgen). Is de gezinssituatie in het Rijksregister na drie maanden niet aangepast, dan geldt verder het vermoeden van feitelijk gezin.  Als het huurcontract65 niet of niet binnen de vooropgestelde termijn van drie maand wordt geregistreerd, maar de gezinssamenstelling wordt aangepast, dan is het vermoeden van feitelijk gezin afdoend weerlegd vanaf de datum van de gewijzigde gezinssamenstelling, maar niet vanaf de begindatum van de huurovereenkomst.

Voorbeeld 1: Persoon A en B zijn geen verwanten, maar zijn op hetzelfde adres ingeschreven. De huurovereenkomst (3/6/9) voor een aparte kamer voor B is geregistreerd op 27/03/2013 en de huurovereenkomst is gesloten voor een periode die start op 01/01/2013. De periode van 3 maanden begint te lopen van 1 januari (beide voorwaarden). Hypothese 1: adreswijziging in het bevolkingsregister op 31/03/2013: recht op éénoudertoeslag mogelijk vanaf 01/01/2013 (ingangsdatum overeenkomst), met uitwerking op 01/02/2013 (art 48 als verandering bedrag). Hypothese 2: adreswijziging in het bevolkingsregister op 10/07/2013: recht mogelijk op éénoudertoeslag vanaf 10/07/2013 met uitwerking op 01/08/2013.

Voorbeeld 2: Persoon A en B zijn geen verwanten, maar zijn op hetzelfde adres ingeschreven. De huurovereenkomst voor een aparte kamer voor B is geregistreerd op 27/04/2013 en de huurovereenkomst is gesloten voor een periode die start op 01/01/2013. De periode van 3 maanden begint te lopen van 1 januari (beide voorwaarden). Hypothese 1: adreswijziging in het bevolkingsregister op 31/03/2013: recht mogelijk op éénoudertoeslag vanaf 31/03/2013, met uitwerking op 01/04/2013 (art 48 als verandering bedrag). Hypothese 2: adreswijziging in het bevolkingsregister op 10/07/2013: recht mogelijk op éénoudertoeslag vanaf 10/07/2013 met uitwerking op 01/08/2013.

Voorbeeld 3: Persoon A, een weduwe en persoon B zijn niet verwant, maar zijn op hetzelfde adres ingeschreven (mailbox van 15 januari), wat het vermoeden van feitelijk gezin doet ontstaan (bijgevolg verval van de schaal art. 50bis). De huurovereenkomst voor een aparte kamer voor B is geregistreerd op 27/02/2013 en de huurovereenkomst is gesloten voor een periode die start op 01/01/2013. De periode van 3 maanden begint te lopen van 1 januari (beide voorwaarden). Hypothese 1: adreswijziging in het bevolkingsregister op 31/03/2013: recht op schaal art. 50bis hersteld vanaf 01/01/2013 (ingangsdatum overeenkomst), met uitwerking op 01/01/2013 (geen art 48). Hypothese 2: adreswijziging in het bevolkingsregister op 10/07/2013: recht mogelijk op schaal art. 50bis vanaf 10/07/2013 met uitwerking op 01/08/2013.

Voorbeeld 4: Persoon A, een weduwe en persoon B zijn niet verwant en zijn niet op hetzelfde adres ingeschreven (tweede voorwaarde ab initio voldaan), maar verblijven op hetzelfde adres (cf. een controleverslag van sociale controle dd.13 januari). De huurovereenkomst (3/6/9) voor een aparte kamer voor B is gesloten voor een periode die start op 01/01/2013. De periode van 3 maanden begint te lopen van 1 januari. Hypothese 1: de huurovereenkomst voor een aparte kamer voor B is geregistreerd op 27/02/2013, adreswijziging in het bevolkingsregister op 10/03/2013: recht op schaal art. 50bis hersteld vanaf 01/01/2013 (ingangsdatum overeenkomst), met uitwerking op 01/01/2013 (geen art 48). Hypothese 2: adreswijziging in het bevolkingsregister op 10/07/2013: recht mogelijk op schaal art. 50bis vanaf 10/07/2013 met uitwerking op 01/08/2013.

  • Het einde van het feitelijk gezin en het herverkrijgen van de toeslag (positieve gevolgen voor de toeslagen: de artikelen 41, 50bis, 42bis en 50ter KBW) wordt bewezen aan de hand van een gezinssamenstelling conform het Rijksregister of een ander officieel document. Dit is heel restrictief: enkel een model 2 (aangifte van verblijfsverandering) of een politionele66 of gerechtelijke vaststelling (vonnis of arrest) van een afzonderlijke woonplaats kunnen worden aanvaard. De datum van inschrijving in het Rijksregister is in principe de datum waarop de aangifte van de verblijfsverandering werd verricht, tenzij blijkt dat de betrokkene zijn verblijfsverandering nog niet kon hebben op het nieuwe adres.67.  In beginsel is een tegenspraak tussen de datum van aangifte op het Model 2 en de aanpassing van het Rijksregister nu meestal niet meer mogelijk.  
  • Voor het samenvoegen van kinderen van verschillende bijslagtrekkendenmet dezelfde woonplaats(betaling in rang), geldt de gezinssamenstelling volgens het Rijksregister of een ander officieel document. Zie ook de commentaar bij vorig punt. De samenvoeging geldt alleen voor de inschrijving van bijslagtrekkenden in de woonplaats van particulieren en niet voor de inschrijving van bijslagtrekkenden op het adres van publiek- of privaatrechtelijke inrichtingen (rusthuizen, hospitalen, gevangenissen,…), in welk geval de notie “Maakt deel uit van een gemeenschap” in het Rijksregister wordt vermeld.  
  • Bij co-ouderschap wordt “de juridische fictie” van een gezamenlijke woonplaats gebruikt. Voor het bewijs waar de minderjarige kinderen of de onbekwaam verklaarde meerderjarige verblijven geldt het Rijksregister of een officieel document (mod. 2). Voor het exclusief bestuur geldt de feitelijke situatie met alle bewijsmiddelen (zie: MO 386 en MO 555).  
  • Voor de geplaatste kinderen wordt het minderjarige kind met een onvoorwaardelijk recht verondersteld te wonen bij de ontvanger van het 1/3de van de kinderbijslag (van belang voor groepering, rang en toeslagen alsook de beschermde leeftijdstoeslag). Wordt het 1/3de op een spaarboekje gestort dan wordt het minderjarige kind met een onvoorwaardelijk recht verondersteld te verblijven in het gezin van de rechthebbende voor alle voornoemde gevolgen. De verlengd minderjarigen die in een instelling verblijven zijn bijslagtrekkende van het 1/3de voor zichzelf in de zin van art. 69, §2 Kinderbijslagwet en worden niet gegroepeerd met de andere niet-geplaatste kinderen van de rechthebbende of de voogd of devoorlopig bewindvoerder aan wie de kinderbijslag wordt betaald (zie: dienstbrief 996/c.29 van 25 juni 2003 en CO 1365 van 14 mei 2007).  
  • Inzake de betaling aan de vader voor een kind woonachtig bij hem en opgevoed in de co-ouderschapsregeling geldt als enig bewijs het Rijksregister.  
  • Inzake de betaling aan het kind dat alleen woont, geldt het Rijksregister of een officieel document.  
  • De MO 599 voorziet in de betaling voor het kind dat in het buitenland studeert en in België woont. Als bewijs geldt de woonplaats in België volgens het Rijksregister. Voor niet-verwante kinderen in het gezin van de rechthebbende geldt een algemene afwijking tot de leeftijd van 12 jaar of wanneer ze van de vierde graad zijn zolang er recht bestaat. Het feit dat ze deel uitmaken van het gezin wordt bewezen met het Rijksregister of een officieel document.   

Bijzonder geval: de gedetineerden68

De gevangenisdirectie kan op vraag van de refertepersoon verklaren dat de inschrijving op zijn adres van de gedetineerde niet langer wenselijk is.  Dit kan het bewijs zijn dat het huwelijk gevolgd is door een feitelijke scheiding, zonder dat de inschrijving in de gevangenis al geregistreerd is in het Rijksregister.

De voornoemde principes m.b.t. de lokalisatie van de verschillende rechtsactoren worden later nog geëxpliciteerd in een dienstbrief. De studie van de inspecteur van de Rijksdienst over dit onderwerp in de beide landstalen zal u op aanvraag worden bezorgd en geldt als voldoende informatie.

4. Varia

4.1. Het formulier om een toeslag aan te vragen (aanvraagformulier P19) wordt niet teruggestuurd

In de circulaire van de Rijkdienst, CO 1393 van 13 september 2013 worden de richtlijnen m.b.t. de heroriëntatie van het sociaal toezicht toegelicht.

Om te vermijden dat bepaalde gezinnen noch de eenoudertoeslag, noch de sociale toeslag aanvragen, worden daarin de vroegere regels inzake de controle ter plaatse gehandhaafd, wanneer het gezin dat leeft van vervangingsinkomsten het eerste toeslagformulier P19 niet terugstuurt.

4.2. Standpunt van de arbeidsrechtbanken in verband met de informatieplicht

Gelet op art. 3 (informatieplicht) en art. 6 (het hanteren van een begrijpelijke taal) van het Handvest van de Sociaal Verzekerde69, worden de laatste tijd meer en meer vonnissen en arresten gewezen waarin de informatie onvoldoende werd bevonden voor het behoud van de rechten. Als gevolg van die standpunten zal de Rijksdienst in de loop van 2012 de formulieren aanpassen.

4.3. Bewijswaarde van de gescande documenten

De bewijskracht van de op die manier opgeslagen informatie wordt geregeld door art. 8 van het KB van 22 maart 1993. Het kinderbijslagfonds dat alle juridische procedures heeft doorlopen voor de erkenning van de elektronische archivering der binnengekomen stukken voldoet aan alle wettelijke voorwaarden terzake. De op basis van die erkende procedures opgeslagen, bewaarde en weergegeven informatie evenals de kopieën hebben bewijskracht inzake sociale zekerheid, tot bewijs van het tegendeel.

Op basis hiervan moet worden besloten dat bv. een kopie van het geboort eattest dat door het kinderbijslagfonds wordt gearchiveerd, wettelijke bewijswaarde heeft en dus kan dienen als basis voor de regularisatie van de betalingen.

4.4. Verklaring voor de verzekeringsinstellingen ten behoeve van de volle wezen

De kinderbijslagfondsen worden eraan herinnerd dat de verklaring die bestemd is voor de mutualiteiten, op tijd moet worden gestuurd (zie omzendbrief van de Minister, MO 605 van 9 oktober 2008). De kinderbijslagfondsen wordt gevraagd een duplicaat van de verzending van het document in het dossier te bewaren of elektronisch op te s laa n.

4.5. De termijn voor de verzending van de ontvangstmelding van het brevet (nieuwe procedure)

Na overleg met de kinderbijslagfondsen wordt de termijn voor de verzending van het bericht van ontvangst van het brevet veranderd. Vanaf de inwerkingtreding van onderhavige omzendbrief wordt de mail (ontvangstmelding van het brevet) verstuurd ten laatste uiterlijk op de twintigste dag van de maand na die waarin het oorspronklijke fonds (Fonds A) het brevet van rechthebbende (Mod.Y) heeft verzonden aan het fonds B. De termijn voor het verzenden van een herinnering door fonds A aan fonds B bij het uitblijven van het e-mailbericht wordt in dezelfde zin aangepast. De herinnering is niet meer noodzakelijk wanneer het kinderbijslagfonds A vaststelt dat het kinder bijslagfonds B de rechthebbende, de bijslagtrekkende en de rechtgevende(n) heeft geïntegreerd. Deze termijn- en procedurewijziging hoeft niet onmiddellijk een wijziging van de geïnformatiseerde programma's tot gevolg te hebben aangezien die in een vroegere, striktere termijn voorzien (20 d agen na ontvangst van het brevet).

Voorbeeld

Fonds A verstuurt het brevet van rechthebbende op 31 mei aan fonds B met bevoegdheidstransfer vanaf 1 juni. Fonds B bevestigt de ontvangst van het brevet ten laatste op dag 20 van de maand juni. Stel dat dit niet zo is en dat kinderbijslagfonds B de rechthebbende, de bijslagtrekkende, de kinderen en de betaaltermijnen in het Kadaster heeft geïntegreerd dan hoeft kinderbijslagfonds A in principe geen herinnering meer te sturen.

Overdracht van bevoegdheid met brevet van rechthebbende in het geval van een potentieel recht (nieuwe procedure)

In het kader van een automatisch onderzoek van het recht wordt een bevoegdheidswijziging vastgesteld op een moment dat enkel een potentieel recht o p kinderbijslag bestaat.

Voorbeeld

Het kind gaat bij de grootouders wonen. Dit kind is beginnen werken in de beroepsinschakelingstijd. Aangezien de kinderbijslaginstellling van de groot v ader (Fonds B) voor geen enkel kind kan betalen (Kadaster consulteren) behoudt Fonds A het dossier, totdat er opnieuw een effectieve betaling is. Pas dan stuurt het fonds A het dossier met een brevet door naar de bevoegde kinderbijslaginstelling volgens de procedure van het automatisch onderzoek van het recht.

4.6. De inning van de hoofdelijke bijdragen

Om de verklaringen op het model F te kunnen vergelijken met de DMFA-aangiften is het noodzakelijk voortaan het INSZ-nummer op het model F te vermelden.  De betrokken kinderbijslagfondsen werden daarvan per e-mail op de hoogte gebracht.

4.7. De vermelding van de begindatum van de gelijkstelling op het brevet van rechthebbende (Mod. Y)

Bij de administratieve controle is gebleken dat de kinderbijslagfondsen de begindatum van de “assimilatie” op verschillende manieren invullen op het brevet van rechthebbende Mod. Y, wat een risico op verkeerde betalingen doet ontstaan.  Daarom dient voortaan als algemene standaard de begindatum van de eerste activiteit in de ontbrekende periodes op het brevet in het vak “begin assimilatie” te worden vermeld.

4.8. De opvang van kinderen uit Tsjernobyl in Belgische gezinnen

In bepaalde gevallen en voor een beperkte duur is het mogelijk om kinderbijslag toe te kennen aan gezinnen die kinderen opvangen ongeacht het kinderbijslagfonds van de werknemers- of de overheidsregeling dat voor dit gezin bevoegd is.

De betrokken vereniging "Accueil Santé asbl Enfant de Tchernobyl" en de kinderbijslaginstellingen werden van de voorwaarden en de procedure op de hoogte gebracht.

Het kind moet jonger zijn dan 12 jaar (MO 599 van 16 juli 2007)

  • Het gezin moet een aanvraag indienen bij het fonds dat al kinderbijslag betaalt als het gezin andere kinderen telt. Als dit gezin geen andere rechtgevende kinderen heeft, moet het een aanvraag indienen bij het fonds waarbij de werkgever van het oudste gezinslid is aangesloten. In beide gevallen gebeurt dit aan de hand van het formulier AA, beschikbaar op de website van het betrokken fonds.
  • Bij het aanvraagformulier moet de kopie van het "Visum kort verblijf" gevoegd worden waarop het adres van de voorlopige woonplaats van het rechtgevend kind vermeld staat, evenals de precieze verblijfsdata.
  • Om met terugwerkende kracht kinderbijslag te kunnen genieten (maximaal vijf jaar) moet men een historiek aanvragen van de "Visa kort verblijf" bij de gemeente of de Dienst Vreemdelingenzaken (World Trade Center II, Antwerpse steenweg 59B, 1000 Brussel, ter attentie van de dienst Publicité, mevrouw Deval), met vermelding van de naam en de voornaam van het rechtgevend kind.

Opgelet: Art. 48 van de Algemene Kinderbijslagwet bepaalt da t kinderbijslag maar verschuldigd is vanaf de maand na het openen van het recht. Dit betekent dat als het verblijf van het kind geen twee maanden bestrijkt, er geen recht op kinderbijslag mogelijk is.

Voorbeeld

Een kind is ingeschreven bij de Dienst Vreemdelingenzaken in het onthaalgezin op 30 juni. De kinderbijslag is verschuldigd vanaf de maand juli en betaalbaar vanaf 10 augustus. Als het kind echter aankomt op 3 juli en vóór 1 augustus weer vertrekt, is er geen recht op kinderbijslag.

4.9. Het brevet aan de gewaarborgde gezinsbijslag - Herinnering aan de regel

In functie van het automatische onderzoek van het recht dienen de kinderbijslagfondsen ambtshalve een brevet af te leveren aan de dienst " gewaarborgde kinderbijslag" wanneer het kinderbijslagfonds geen recht meer kan vaststellen ingevolge een sanctie in de werkloosheid die een beletsel voor de kinderbijslag betekent, stopzetting van activiteit, OCMW-uitkering,.... Het gezin enkel informeren over het mogelijk recht op gewaarborgde gezinsbijslag zo nder een brevet aan die dienst af te leveren, volstaat niet.

4.10. De einddatum arbeidsongeschiktheid in de flux D046 (A020)

De datum die als einddatum van arbeidsongeschiktheid bij genezing in de flux D046 (A020) wordt ingevoerd is de laatste dag van de erkenning als arbeidsongeschikte en niet de eerste dag van de genezing (de dienstbrief 997/35sexies van 6 november 2012).

4.11. Regularisatie met de dienst Jongerenwelzijn van de Vlaamse Gemeenschap

De dienst Jongerenwelzijn dringt erop aan dat onverschuldigd betaalde kinderbijslagen voor geplaatste kinderen die "voor rekening en in de plaats van " een andere kinderbijslaginstelling werden betaald, bij voorrang onderling word en vereffend tussen de kinderbijslaginstellingen zelf, zonder een beroep te doen op een terugstorting bij de Vlaamse Gemeenschap.

4.12. De gezinssamenstelling voor gezinnen in Polen

De Rijkdienst wijst erop dat volgens de interne Poolse wetgeving het formulier E401 direct door de Poolse kinderbijslagfondsen kan worden ingevuld.

Bijlagen

De geactualiseerde formulierentabellen

Als bijlage vinden de kinderbijslaginstellingen de tabellen met de aangepaste formulieren- en controleprocedures voor 2015.

Bijlage I : De aangepaste formulierentabel

Bijlage II : Overzicht van de onderzoeks- en formulierenprocedures voor 2014

Bijlage III : Fiche "De student " en "de schema student"

 

 

  • 1. Van elke consultatie wordt een print(screen) in het (elektronisch) dossier bewaard als bewijsmiddel.
  • 2. Geen bewijswaarde inzake begin en einde van de plaatsing ingevolge decreet Integrale Jeugdhulp (enkel Vlaamse Gemeenschap).
  • 3. Afgeschaft ingevolge decreet Integrale Pleegzorg vanaf 1 januari 2014 (enkel Vlaamse Gemeenschap).
  • 4. Overeenkomstig artikel 42, §1, al. 2 wordt, wanneer er verschillende bijslagtrekkenden zijn, voor de rangbepaling rekening gehouden met het geheel van de rechtgevende kinderen, wanneer de bijslagtrekkenden verklaren een feitelijk gezin te vormen. Die verklaring geldt tot bewijs van het tegendeel. Voor de dossiers overgenomen van de sociale verzekeringsfondsen voor zelfstandigen wordt toepassing gemaakt van de continüiteitsregel. Op basis van de gegevens op het brevet worden de kinderen verder gegroepeerd zonder verklaring van feitelijk gezin totdat er een wijziging zich voordoet die een weerslag heeft op de feitelijke gezinsvorming. Alsdan moet een mod. J worden opgezonden.
  • 5. Hetzij het geregistreerd huurcontract, hetzij de arbeidsovereenkomst (een inwonend persoonslid huispersoneel).
  • 6. Cfr de ministriële omzendbrief, MO 588 van 17 maart 2005. Het Model J (verklaring van de betrokkene) is als bewijs van de scheiding niet dienstig.
  • 7. Dienstbrief in voorbeding
  • 8. Vanaf 1 oktober 2008.
  • 9. Flux met de RVA is verder in ontwikkeling.
  • 10. Voor de bestaande gevallen op 1 januari 2006 (zie dienstbrief 997/65 van 24 maart 2006).
  • 11. Omzendbrief van de Rijkdienst, CO 1376 van 8 september 2008.
  • 12. Niet beschikbaar via DMFA, wel via RIP (Zie: Dienstbrief 996/64 van 07 augustus 2006).
  • 13. Inzake gegevens overgemaakt met het brevet van rechthebbende: zie tabellen pagina 16 e.v.
  • 14. Aangepast door de CO 1384 van 8 juni 2010 - Herziening van de timing voor de verzending van de formulieren voor de eenoudertoeslag en de sociale toeslagen (formulier P19 en P19ter).
  • 15. Zie: ministeriële omzendbrief, MO 393 van 9 november 1981 en addendum van 20 mei 2011.
  • 16. Het formulier P16com moet alleen worden verzonden als de overlevende ouder een feitelijk gezin vormt of hertrouwd is.
  • 17. Goedgekeurd in de Ministerraad van 23 juni 2006. Dit Charter is een aanvulling op het Handvest van 4 december 1992 van de gebruiker van de openbare diensten. De bedoeling is om in dit Handvest een aantal nieuwe principes van een goede openbare dienstverlening toe te voegen.
  • 18. KB van 19 maart 2008; BS van 15 april 2008.
  • 19. Dit onderwerp was al het voorwerp van een onderrichting: Cf. punt 3, van de omzendbrief van de Rijksdienst, CO 1352 van 20 december 2004 - Een "goed leesbare kopie" in de plaats van een authentiek document volstaat.
  • 20. Cf. bijv. het speciaal geboorteattest: zie rubriek 3.2.2. van deze omzendbrief (na de geboorte).
  • 21. Omzendbrief van de Rijkdienst, CO 1360 van 1 augustus 2006 en de CO 1393 van 19 september 2013.
  • 22. De authenticiteit kan in geval van twijfel altijd worden geverifieerd op de website van de overheid.
  • 23. De bank mag een vergoeding aanrekenen, waarvan de som wettelijk beperkt is tot hoogstens 14,96 euro per jaar (bedrag geldig vanaf de 1 januari 2013). De maximale prijs voor de basisbankdienst wordt jaarlijks aangepast rekening houdend met de evolutie van de consumptieprijzen op basis van het indexcijfer van november. De informatie over de aanpassing van het bedrag vindt u op de website van de FOD Economie, KMO, Middenstand en Energie. + adres van de website.
  • 24. De Dienst voor Administratieve Vereenvoudiging (DAV) bevestigde de bestaande principes en verzocht de Rijksdienst ze te herinneren in de inleidende teksten op de formulieren A en E (aanvragen om kraamgeld en kinderbijslag).
  • 25. Zie: dienstbrief 999/c. 168 van 2 mei 2013.
  • 26. De kinderbijslag en het kraamgeld worden provisioneel betaald. Het ontvangen van de mailbox inzake de geboorte moet opgevolgd worden.
  • 27. In de zin van de MO 599 van 16 juli 2007.
  • 28. Met inbegrip van de regeling die geldt voor de openbare sector.
  • 29. Zie tabel in bijlage bij de dienstbrief 997/52bis van 13 mei 2011.
  • 30. Zie ook de circulaire van de Rijkdienst, CO 1383 van 19 september 2013
  • 31. En een onderbreking van de werkloosheid én het werk hervat (Rip-in).
  • 32. De “trigger” voor de verzending van het tussentijdse formulier P19 is de werkhervatting (RIP-gegevens flux D051). De verzending van het formulier P19 wordt geprogrammeerd aan het einde van het getrimestrialiseerde recht. Bij ontvangst van een Rip-out of een flux D042 die aantoont dat er geen onderbreking is in de werkloosheid, wordt de verzending van het formulier P19 geannuleerd en de betaling van de toeslag voortgezet.
  • 33. De dienstbrief voorzag alleen in een mededeling op het brevet van rechthebbende n.a.v. verandering van het voorrangsrecht (hoofdens andere rechthebbende).
  • 34. Op het brevet van rechthebbende wordt gemeld “D062procedure”, wat impliceert dat de procedure van omzendbrief 999/c.169 is gevolgd. Ook te vermelden als KBF B een brevet aflevert aan KBF C.
  • 35. Geen vermelding betekent dat D062 niet werd ontvangen voor 2013-2014
  • 36. Bijv. thesisstudent in rubriek “ Diversen” indien relevant voor het lopende academiejaar
  • 37. Wanneer alle attesten van alle (potentiële) actoren worden gebufferd door het intern informatiesysteem, volstaat een consultatie van die gegevens.
  • 38. Cf. de dienstbrief 999/c.169 van 5 juli 2013.
  • 39. Gelijkaardige regeling is van toepassing voor de eenoudertoeslag (artikel 41 KWB) en de gezinstypes bedoeld in de art. 1, 3°en 4°(de rechthebbenden zijn de ex-partner gezinstype III en gezinstype IV de andere ouder buiten het gezin) van het KB van 26 oktober 2004 tot uitvoering van de artikelen 42bis en 56, § 2, van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders.
  • 40. Zie omzendbrief van de Minister van Sociale Zaken, MO 588 van 17 maart 2005: verklaring van een officiële instantie, bijv. van de bevolkingsdiensten.
  • 41. De vzw CIMIRe is ontbonden. Voor loopbaangegevens gelieve voortaan de dienst loopbaanbeheer van de Rijksdienst voor Pensioenen te contacteren (loopbaanbeheer@rvp.fgov.be).
  • 42. Het principe wordt onmiddellijk toegepast zonder verdere explicitering in een dienstbrief af te wachten.
  • 43. Cf. de dienstbrief 999/c. 169 van 5 juli 2013
  • 44. Bij het "werkplek-leren" volgen de studenten halftijds onderwijs en halftijds een stage. De loonnorm is van toepassing.
  • 45. Het betreft studies bedoeld in artikel 1 van het KB van 10 augustus 2005.
  • 46. Cf. onze mail aan alle kinderbijslagfondsen van 10 april 2013. De doctoraatsopleiding geeft evenwel recht op kinderbijslag onder de gewone voorwaarden (27 studiepunten).
  • 47. Loopbaangegevens aanvragen bij RVP.
  • 48. Voor 2013 geldt een dagmaximum van 32,71 euro en een jaarmaximum van 1.308,38 euro.
  • 49. Cf. mail van het departement Controle aan alle kinderbijslagfondsen van 10 april 2013.
  • 50. Staat gelijk met een tewerkstelling van 38 uren.
  • 51. Hoewel elk gegeven op zichzelf aanvaard wordt als bewijs, wordt indien meerdere gegevensbronnen elkaar tegenspreken deze rangorde in de bewijskracht vooropgesteld.
  • 52. Zie de bijlagen bij de CO 1025 van 23 juni 1976.
  • 53. Zie dienstbrief van FAMIFED II/C/996/c.94/wam van 18 november 2009.
  • 54. Zie besluit van de Vlaamse Regering van 24 oktober 2008, BS 2 maart 2009.
  • 55. Het Handvest voorziet in een termijn van 4 maanden om te beslissen.
  • 56. Het artikel 9 van het KB van 12 juni 1989 tot uitvoering van art. 71, §2 van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders bepaalt in algemene zin dat de instelling verder provisioneel de kinderbijslag uitbetaalt voor de kalendermaand na die waarin zij om periodieke formulieren heeft verzocht die de hoedanigheid van rechtgevend kind, bijslagtrekkende of rechthebbende moeten bevestigen.
  • 57. Ook voor de verlengd minderjarig verklaarde kinderen.
  • 58. Er wordt evenwel op gewezen dat voor bepaalde uitkeringen een voorafgaandelijke integratie in het Kadaster nodig is.
  • 59. Ook op basis van een gesigneerde nota aangaande een telefonisch gesprek met de betrokkene kan een terugvordering plaats vinden (999/c.153).
  • 60. Een technische dienstbrief is in voorbereiding.
  • 61. Het betreft de gezinstypes I en II van het KB van 24 oktober 2004.
  • 62. Er wordt verwezen naar de dienstbrief 996/15 van 19 februari 2001 voor wat betreft de praktische gevolgen.
  • 63. De toeslagen hoofdens de andere ouder die niet samenwoont met de bijslagtrekkende ouder, die niet gehuwd mag zijn of een feitelijk gezin mag vormen. Het betreft de gezinstypes III en IV van het KB van 24 oktober 2004.
  • 64. Wie zijn huurcontract online registreert kan een ontvangstbewijs met hoofding van de FOD Financiën afprinten. Dat bewijs mag aanvaard worden.
  • 65. Twee of meerdere personen huren één kamer (contracten van mede-huur) of arbeidsprestaties in ruil voor kost en inwoning vallen hier niet onder.
  • 66. Bedoeld is het proces-verbaal van het onderzoek van de reële verblijfplaats door de wijkagent, en niet de attestering van de verklaringen van de betrokkenen afgelegd op het politiekantoor.
  • 67. Onderrichtingen van de FOD Binnenlandse Zaken van 1 juli 2010 aan de gemeenten.
  • 68. Mail aan alle kinderbijslagfondsen van 1 december 2010.
  • 69. De instellingen van sociale zekerheid zijn verplicht aan de sociale verzekerde die daar schriftelijk om verzoekt, alle dienstige inlichtingen betreffende zijn rechten en verplichtingen te verstrekken en uit eigen beweging de sociaal verzekerde alle bijkomende informatie te verschaffen die nodig is voor de behandeling van zijn verzoek of het behoud van zijn rechten. Conform artikel 6 moeten de instellingen van sociale zekerheid zich in hun betrekkingen met de sociale verzekerde, in welke vorm deze ook plaatsvinden, in een voor het publiek begrijpelijke taal uitdrukken.
Top