Vlaanderen

Decreet van 19 juni 2020 tot invoering van een uitzonderlijke gezinsbijslag in het kader van de COVID-19-maatregelen (B.S. 25.06.2020)

Toelichting

(...) tekst toelichting

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1. Dit decreet regelt een gemeenschapsaangelegenheid.

Art. 2. In dit decreet wordt verstaan onder:

begunstigde: de begunstigde, vermeld in boek 2, deel 4, titel 1, hoofdstuk 1,van het decreet van 27 april 2018 tot regeling van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid, alsook de bijslagtrekkende, vermeld in artikel 225, §1,eerste lid, van hetzelfde decreet;

feitelijk gezin: de leefeenheid, bepaald overeenkomstig het besluit van de Vlaamse Regering van 21 september 2018 tot vaststelling van de nadere regels voor het toekennen van een sociale toeslag; 

3° gezin: leefeenheid waarin verschillende personen op een permanente en affectieve wijze samenwonen, waaronder een gelijkmatig verdeelde huisvesting wordt begrepen;

4° gezinsbijslag: alle verstrekkingen en uitkeringen die de Vlaamse overheid uitbetaalt als tegemoetkoming in de gezinslasten, die bestaan uit de kosten voor het onderhoud en de opvoeding van de kinderen;

5° uitbetalingsactor: de uitbetalingsactor, vermeld in artikel 3, §1, 45°, van het decreet van 27 april 2018.

Art. 3. De Vlaamse overheid voorziet door middel van een COVID-19-toeslag in een extra en tijdelijke gezinsbijslag voor de gezinnen die financieel getroffen zijn door de coronacrisis onder de voorwaarden die in dit decreet worden vastgesteld.

Hoofdstuk 2. Rechtgevend kind

Art. 4. Een kind geeft recht op de COVID-19-toeslag als cumulatief aan de volgende voorwaarden is voldaan:

1° het kind geeft recht op gezinsbijslagen overeenkomstig artikel 8 of artikel 210, §1, van het decreet van 27 april 2018;

2° er is voldaan aan de financiële voorwaarden, vermeld in hoofdstuk 5. 

Bij een gelijkmatig verdeelde huisvesting van het rechtgevend kind bij beide ouders wordt de helft van de COVID-19-toeslag toegekend aan elke ouder die een gezin vormt met het rechtgevend kind.

Bij een ongelijkmatig verdeelde huisvesting van het rechtgevend kind bij beide ouders wordt de COVID-19-toeslag volledig toegewezen aan de ouder bij wie het rechtgevend kind voor meer dan de helft van de tijd verblijft.

Hoofdstuk 3. Aanvraag van de COVID-19-toeslag

Art. 5. De COVID-19-toeslag kan vanaf 15 juni 2020 tot en met 31 oktober 2020 worden aangevraagd.

Art. 6. De aanvraag wordt ingediend bij de uitbetalingsactor door minstens een van de begunstigden.

De aanvraag bevat de bewijsstukken die aantonen dat de financiële voorwaarden, vermeld in hoofdstuk 5, zijn vervuld.

Hoofdstuk 4. Bedrag van de COVID-19-toeslag

Art. 7. Het basisbedrag, vermeld in artikel 13 van het decreet van 27 april 2018, en het basisbedrag, vermeld in artikel 210, §2, van hetzelfde decreet, worden voor het echtgevend kind, vermeld in artikel 4, verhoogd met een COVID-19-toeslag van 120 euro. Die toeslag wordt definitief toegekend en in drie schijven uitbetaald voor de maand van de aanvraag en de twee daaropvolgende maanden.

De COVID-19-toeslag wordt toegekend op basis van de financiële voorwaarden, vermeld in hoofdstuk 5.

Hoofdstuk 5. Financiële voorwaarden

Art. 8. Het basisbedrag, vermeld in artikel 13 van het decreet van 27 april 2018, en het basisbedrag, vermeld in artikel 210, §2, van hetzelfde decreet, worden voor het rechtgevend kind, vermeld in artikel 4, verhoogd met de COVID-19-toeslag als de inkomsten van het gezin voor de maanden maart, april, mei of juni 2020 minstens 10% lager liggen dan de inkomsten van de maand januari of februari 2020. 

De gedaalde inkomsten van het gezin, vermeld in het eerste lid, mogen de maandelijkse inkomensgrens van 2213,30 euro niet overschrijden.

Art. 9. §1. Voor de berekening van de inkomsten van het gezin, vermeld in artikel 8, worden de inkomsten in aanmerking genomen van beide begunstigden voor hetzelfde rechtgevend kind die op hetzelfde adres wonen.

De inkomsten van de begunstigde en de persoon met wie de begunstigde een feitelijk gezin vormt, worden in aanmerking genomen als er maar één begunstigde is of als beide begunstigden voor hetzelfde rechtgevend kind niet op hetzelfde adres wonen.

§2. Een begunstigde die samenwoont met verschillende niet-verwante personen, wordt geacht een feitelijk gezin te vormen met, in dalende volgorde van voorrang:

1° de persoon met wie de begunstigde gehuwd is, vermeld in artikel 3, §1, 16°, van het decreet van 27 april 2018;

2° de andere ouder van het kind;

3° de persoon met wie de begunstigde samen de gezinswoning heeft gekocht of gebouwd;

4° de persoon met wie de begunstigde verklaart samen de kinderen op te voeden;

5° de persoon met wie de begunstigde het langst samenwoont.

In het eerste lid wordt verstaan onder niet-verwante persoon: een persoon die geen bloed- of aanverwant is tot en met de derde graad.

Art. 10. §1. Het samenwonen, vermeld in artikel 9, §2, blijkt uit een gemeenschappelijk domicilie op basis van de gegevens in het Rijksregister en kan alleen weerlegd worden door een officieel document van een overheid of een overheidsinstelling dat gebaseerd is op de reële gezinssituatie.

§2. De volgende bewijsstukken worden aanvaard als een officieel document als vermeld in paragraaf 1:

1° een ontvangstbewijs van de aangifte, vermeld in artikel 7, §1, eerste lid, van het koninklijk besluit van 16 juli 1992 betreffende de bevolkingsregisters en het vreemdelingenregister;

2° een attest van de politie dat vaststelt dat de toestand, vermeld in het Rijksregister, niet overeenstemt met de reële situatie;

3° een beschikking, vonnis of arrest van een rechtbank of hof; 

4° een attest van een OCMW dat vaststelt dat de toestand, vermeld in het Rijksregister, niet overeenstemt met de reële situatie.

§3. Als het samenwonen niet blijkt uit de gegevens van het Rijksregister, kan de vorming van een feitelijk gezin bewezen worden door: 

1° een controle door de gezinsinspecteur;

2° een vaststelling door een andere overheidsdienst waaruit de feitelijke gezinssamenstelling blijkt;

3° een beschikking, vonnis of arrest van een rechtbank of hof;

4° een verklaring van feitelijke gezinsvorming van de begunstigde of de bijslagtrekkende en van de persoon met wie de begunstigde samenwoont.

§4. De vorming van een feitelijk gezin kan weerlegd worden door:

1° een huurovereenkomst tussen de begunstigde en de persoon met wie de begunstigde samenwoont;

2° een arbeidsovereenkomst met recht van inwoon;

3° een attest van detentie;

4° een registratieformulier van de mantelzorger die niet een persoon is als vermeld in artikel 9, §2, 1°;

5° een aanwezigheidsattest van een vluchthuis of sociaal huis;

6° een verklaring van feitelijke gezinsvorming van de niet-verwante persoon met een kind dat een recht op gezinsbijslagen doet ontstaan in het gezin;

7° een verklaring van feitelijke gezinsvorming van de niet-verwante persoon met een andere persoon dan de begunstigde met dezelfde woonplaats;

8° een verklaring van de begunstigde en de niet-verwante persoon in zijn gezin dat ze geen feitelijk gezin vormen;

9° het feit dat de niet-verwante persoon zelf nog rechtgevend is op gezinsbijslagen op het ogenblik dat hij deel uitmaakt van het gezin van de begunstigde;

10° een bewijs dat het om een inschrijving op een referentieadres gaat;

11° een attest van de FOD Binnenlandse Zaken en een attest van immatriculatie dat is afgeleverd aan de asielzoeker tijdens de asielaanvraagprocedure;

12° een vaststelling door een andere overheidsdienst waaruit de feitelijke gezinssamenstelling blijkt.

In het eerste lid wordt verstaan onder niet-verwante persoon: een persoon die geen bloed- of aanverwant is tot en met de derde graad.

Een gezinsinspecteur staaft de verklaringen, vermeld in het eerste lid, 6° tot en met 8°, altijd door een controle ter plaatse.

§5. De vorming van een feitelijk gezin kan niet weerlegd worden als de begunstigde en de persoon met wie de begunstigde samenwoont:

1° een gemeenschappelijk kind hebben;

2° samen de gezinswoning gekocht of gebouwd hebben.

Art. 11. De inkomsten van het gezin, vermeld in artikel 8, bestaan uit:

1° de volgende belastbare inkomsten, voor aftrek van de aftrekbare bestedingen:

a) beroepsinkomsten:

  1. wat beroepsinkomsten in loonverband betreft: vóór de aftrek van beroepskosten;
  2. wat beroepsinkomsten als zelfstandige betreft: na de aftrek van beroepskosten,vermenigvuldigd met een factor 100/80;

b) uitkeringen in het kader van de ziekteverzekering;

c) werkloosheidsuitkeringen;

d) pensioenen;

2° 80% van de onderhoudsgelden die uitbetaald zijn aan de persoon of personen van wie de inkomsten voor de berekening van de toeslag in aanmerking worden genomen;

3° driemaal het geïndexeerde kadastraal inkomen vreemd gebruik en eenmaal het geïndexeerde kadastraal inkomen dat voor eigen beroepsdoeleinden wordt aangewend;

4° de inkomensvervangende tegemoetkoming, toegekend overeenkomstig de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkoming aan personen met een handicap;

5° het leefloon, toegekend overeenkomstig de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie;

6° het equivalent van leefloon, toegekend overeenkomstig de wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van de steun verleend door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn;

7° het totaalbedrag van de inkomsten die voortvloeien uit de beroepsactiviteit, toegekend aan de personeelsleden van een Europese of andere internationale instelling, verminderd met  de persoonlijke bijdragen voor de door de instelling georganiseerde verzekering voor de dekking van socialezekerheidsrisico’s.

In afwijking van het eerste lid, 1°, wordt 80% van de onderhoudsgelden die betaald zijn door de persoon of personen van wie het inkomen van het gezin voor de berekening van de toeslag in aanmerking wordt genomen, wel afgetrokken van de belastbare inkomsten.

Voor de omrekening naar het inkomen van het gezin conform dit artikel worden de in het Wetboek van de Inkomstenbelastingen geldende regels gevolgd.

Art. 12. Het kadastraal inkomen van het gezin, vermeld in artikel 9, wordt gewogen conform het tweede lid van dit artikel om te bepalen of de begunstigde in aanmerking komt voor de COVID-19-toeslag.

Als het geïndexeerde kadastraal inkomen vreemd gebruik van de personen van wie de inkomsten van het gezin overeenkomstig artikel 8 als uitgangspunt voor de berekening van de gezinsinkomsten worden genomen, hoger is dan 1250 euro, heeft de begunstigde geen recht op de COVID-19-toeslag als het verdrievoudigde geïndexeerde kadastraal inkomen vreemd gebruik van de personen van wie inkomsten van het gezin overeenkomstig artikel 8 als uitgangspunt worden genomen voor de berekening van de gezinsinkomsten, hoger is dan 20% van de inkomsten van het gezin, vermeld in artikel 11, verminderd met driemaal het geïndexeerde kadastraal inkomen vreemd gebruik en eenmaal het geïndexeerde kadastraal inkomen dat wordt aangewend voor eigen beroepsdoeleinden als vermeld in artikel 11, eerste lid, 3°.

Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing als de inkomsten van het feitelijk gezin volledig of gedeeltelijk zijn samengesteld uit een leefloon of het equivalent van een leefloon, of als ze voor minstens 70% bestaan uit alimentatiegelden, vervangingsinkomsten, een overlevingspensioen of een inkomensvervangende tegemoetkoming, toegekend met toepassing van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkoming aan personen met een handicap.

Hoofdstuk 6. Uitbetaling van de COVID-19-toeslag

Art. 13. De uitbetalingsactor betaalt de COVID-19-toeslag uit op een bankrekening als vermeld in boek 2, deel 4, titel 2, hoofdstuk 1 en 3, van het decreet van 27 april 2018 of als vermeld in artikel 225 en artikel 227 van hetzelfde decreet.

Art. 14. De COVID-19-toeslag wordt uiterlijk uitbetaald op de achtste van iedere maand die volgt op de maand waarop het recht op de COVID-19-toeslag betrekking heeft.  

Hoofdstuk 7. Rechtsbescherming en handhaving

Art. 15. Onder voorbehoud van afwijkende bepalingen in dit decreet zijn de bepalingen van boek 3 van het decreet van 27 april 2018 van toepassing op de toekenning van het recht op de COVID-19-toeslag.

Hoofdstuk 8. Inwerkingtreding

Art. 16. Dit decreet heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2020 en houdt op uitwerking te hebben op 31 december 2020.  

Documentenfiche Vlaams Parlement (procedureverloop, documenten) Documentenfiche amendement (procedureverloop, documenten)

Datum van publicatie
Datum van afkondiging
Datum einde geldigheid
Top