Vlaanderen

Conceptnota

 

DE VICEMINISTER-PRESIDENT VAN DE VLAAMSE REGERING EN VLAAMS MINISTER VAN ONDERWIJS

DE VLAAMSE MINISTER VAN WELZIJN, VOLKSGEZONDHEID EN GEZIN

CONCEPTNOTA

Betreft: "Voor elk kind en elk gezin een groeipakket op maat"

1. Inleiding

Met de 6e staatshervorming wordt de bevoegdheid inzake de kinderbijslagen overgeheveld naar de gemeenschappen en gewesten. In Vlaanderen kiezen we ervoor om deze materie in te kantelen in het gezinsbeleid. De kostencompenserende functie van de kinderbijslag wordt niet uit het oog verloren. Dit is een grote uitdaging, die tegelijkertijd heel wat kansen biedt voor kinderen en hun gezinnen.

De Vlaamse regering kiest er expliciet voor om werk te maken van een geïntegreerd gezinsbeleid, waarbij we alle kinderen en gezinnen maximaal versterken en ondersteunen doorheen hun ontwikkeling. Het geeft ons ook de kans om een aantal zaken te vereenvoudigen, op elkaar af te stemmen en transparant te maken. Deze unieke kans grijpen we aan. Deze nota schetst waar en hoe we de kinderbijslagen willen inzetten en op welke wijze we de nieuwe bevoegdheid verbinden met bevoegdheden die zich reeds voor de staatshervorming op Vlaams niveau bevonden. Zo geven we alle kinderen maximale kansen op ontplooiing, ook kinderen die in kwetsbare gezinnen opgroeien.

2. Situering

We vertrekken vanuit de keuzes die gemaakt zijn in het Vlaams regeerakkoord 2014-2019 "Verbinden, Vertrouwen, Vooruitgaan":

"De bevoegdheid inzake gezinsbijslagen komt in het kader van de zesde staatshervorming over naar Vlaanderen. Dit geeft ons de kans om het huidige systeem te vereenvoudigen.

We kantelen deze nieuwe bevoegdheid in in het bestaande agentschap Kind en Gezin.

We behouden de geboorte- en adoptiepremie en zien kinderbijslag als een recht van het kind, ongeacht de socio-professionele status van de ouders. We maken werk van een vereenvoudiging van het huidige systeem waarbij we de rangorderegeling en leeftijdstoeslag afschaffen. Elk kind is gelijk, bijgevolg voorzien we in een gelijke basiskinderbijslag. We behouden een toeslag voor kinderen met bijzondere zorgnoden en de wezen. Om kinderarmoede te bestrijden voorzien we voor kinderen die opgroeien in een gezin met een laag inkomen een sociale toeslag. De inkomensgrens van deze toeslag is gezinsgemoduleerd en houdt dus rekening met de gezinsgrootte.

De Vlaamse overheid neemt zo snel als mogelijk de uitbetaling van de Vlaamse gezinsbijslag over van FAMIFED (ten vroegste vanaf 1 januari 2016, uiterlijk tegen 31 december 2019). We voorzien hierbij in voldoende overgangstijd zodanig dat er een naadloze overgang kan gebeuren en waarbij we de gezinnen zo maximaal mogelijk van negatieve effecten vrijwaren.

Op basis van bovenstaande criteria maken we werk van een Vlaams decreet kinderbijslag. Tot aan de implementatie van het nieuwe decreet kinderbijslag zal de Vlaamse Regering, omwille van het belang van de continuïteit, een beroep doen op de kinderbijslagfondsen om het systeem van uitbetaling van de kinderbijslag en de bijhorende dienstverlening te garanderen."

3. Het model van de nieuwe Vlaamse kinderbijslag in een geïntegreerd gezinsbeleid

Deel I. De basis voor het nieuwe verhaal van de Vlaamse Kinderbijslag : het groeipakket

Vlaanderen grijpt, met de overdracht van de bevoegdheid inzake de kinderbijslag, de opportuniteit aan om het systeem te vereenvoudigen, maar vooral ook om van de kinderbijslag een basispijler te maken van een geïntegreerd gezinsbeleid, met aandacht voor de bestrijding van kinderarmoede. Hierbij gaan we ervan uit dat alle kinderen gelijkwaardig zijn en dat ze allen evenveel kansen moeten krijgen om te participeren aan de samenleving teneinde maximale ontwikkelingskansen te genieten.

Geïntegreerd gezinsbeleid

Door de overheveling van de kinderbijslag krijgt Vlaanderen de opportuniteit om de ondersteuning van gezinnen en kinderen doelmatiger en efficiënter aan te pakken. Vlaanderen krijgt de kans om een robuust geïntegreerd gezinsbeleid te ontwikkelen, waarbij kinderbijslag, gezinsondersteuning en de participatie aan kinderopvang en onderwijs hand in hand gaan. Deze ambitie koesteren we. Een geïntegreerd gezinsbeleid, is een gezinsbeleid dat er op gericht is mogelijkheden te creëren om (het starten van) een gezin met actieve deelname aan de samenleving en dus ook (arbeids)participatie te kunnen combineren met een gezin. Het is ook een beleid dat gericht is op het welzijn en de maximale bevordering van ontwikkelings- en ontplooiingskansen van alle kinderen.

Rekening houdende met de veranderende samenleving en de veranderingen in onze gezinnen, met name de toenemende arbeidsparticipatie van vrouwen en dus ook moeders, de stijgende diversiteit aan gezinsvormen, de toename van eenoudergezinnen en nieuw

samengestelde gezinnen, zal Vlaanderen een gezinsbeleid voeren met eigen accenten. Een gezinsbeleid dat geïntegreerd is en dat aangepast is aan de Vlaamse context.

Deze context is de laatste jaren enorm veranderd. Het huidige kinderbijslagsysteem is ingevoerd in de jaren ’30, toen het kostwinnersgezin nog centraal stond. Dit is een duidelijk andere context dan vandaag, aangezien tweeverdienersgezinnen vandaag de norm zijn.

Deze evolutie van kostwinnersgezin naar tweeverdienersgezinnen wordt weerspiegeld in de evolutie van de gezinsgroottes.

Tussen 1965 en 2014 zien we immers een1:

- sterke afname van het aandeel grote gezinnen (4 of meer kinderen), nl. van 13% naar 3,6%;

- lichte daling van aantal gezinnen met 3 kinderen: van 13,4% naar 11,5%;

- status-quo voor 1kindgezinnen (nl. ongeveer 45,7%);

- stijging van het aantal 2 kindgezinnen: van 27,8% naar 39,2%.

Er is dus een duidelijke daling merkbaar van het aandeel gezinnen met 3 of meer kinderen (van 26,4% naar 15,1%), ten voordele van het aandeel kleine gezinnen met 1 of 2 kinderen (van 73,6% naar 84,9%). Het aantal gezinnen in België blijft stijgen, maar de gemiddelde gezinsgrootte neemt wel verder af. Het doorsnee gezin bestond in 2009 uit 2,31 personen, (ten opzichte van 2,37 personen in 2001) en blijft dalen tot 2,13 in 20602. Daarnaast is ook de kinderwens een belangrijke voorspeller voor de toekomstige gezinsgroottes. Vlamingen tussen 20 en 40 jaar oud wensen in 2014 nog steeds 2 kinderen3. Er kan dus voorspeld worden dat het aandeel kleine gezinnen het grootste zal blijven, zeker omdat de gerealiseerde vruchtbaarheid altijd iets lager ligt dan de kinderwens op zich.

Tijdens de voorbije decennia zien we ook dat kinderen steeds minder met hun beide ouders

samenwonen4. Immers, in 1990 schommelde het aandeel tussen 85% en 87%, in 2000 tussen 77% en 82% en in 2008 tussen 64% en 78%. Een deel hiervan woont in een nieuw-samengesteld gezin (naar schatting 5 à 10% in 2008), maar kinderen groeien ook vaker op in een eenoudergezin (van 8% in 1990 naar 14% in 2008), vooral vaker bij een alleenstaande moeder (een toename van 7% naar 12%). De toename van het aandeel kinderen samenlevend met een alleenstaande vader, was geringer (van 1,3% naar 1,9%). Naar de toekomst toe wordt bovendien een verdere stijging, zij het gering, voorspeld van het aandeel eenoudergezinnen5.

Creëren van kansen voor kinderen via tegemoetkoming in de opvoedingskosten

Naast de demografische evoluties van de gezinnen, die evolueren van de grotere kostwinnersgezinnen, naar de kleinere tweeverdienersgezinnen, willen we ook wijzen op het belang van het creëren van kansen voor kinderen.

De kinderbijslag is een financiële tegemoetkoming om de kosten in de opvoeding van kinderen te ondersteunen. Het is een instrument dat we inzetten met als doelstelling om kinderen ontplooiings- en ontwikkelingskansen te geven, waarmee we hen ondersteunen om aan de samenleving te participeren.

Daarbij is het uitermate belangrijk dat deze ondersteuning begint in de eerste levensjaren, wat duidelijk wetenschappelijk onderbouwd is. Hoe meer kansen kinderen krijgen vanaf de geboorte, hoe beter hun ontwikkeling en kansen in de toekomst. Het groeipakket wil dan ook maximaal inzetten, niet alleen op de kosten voor kinderen in latere levensjaren, maar zeker ook op de kosten voor de jongste kinderen . Gezinnen moeten ondersteund worden om hun kinderen van jongsaf aan te laten deelnemen aan de samenleving, beginnende met de kinderopvang en de kleuterschool. En op latere leeftijd via het lager, secundair en hoger onderwijs.

Kinderarmoede

Het Vlaams regeerakkoord bepaalt ook dat "de nieuwe Vlaamse bevoegdheden die na de 6e staatshervorming worden geïntegreerd in het Vlaamse beleid en die kunnen fungeren als hefboom in het kader van armoedebeleid worden geïdentificeerd en maximaal ingezet in dit kader". Voor Vlaanderen weten we dat het huidige kinderbijslagstelsel een significante impact heeft op het kinderarmoederisico alsook het armoederisico van gezinnen met kinderen. Zonder de kinderbijslag zou de kinderarmoede in Vlaanderen ongeveer 7 procent hoger liggen dan vandaag (Hufkens, et al. , 2013). Voor Vlaamse gezinnen met kinderen maakt de kinderbijslag gemiddeld 8% uit van het beschikbare gezinsinkomen, en voor lage inkomensgezinnen is dit meer dan 17%.

Daarom zullen we bij een hervorming van de kinderbijslag blijven vasthouden aan selectieve ondersteuning van gezinnen met een laag inkomen via de toekenning van een sociale toeslag. Het is een uitdaging om een Vlaams kinderbijslagsysteem uit te bouwen dat het kinderarmoederisico doet dalen, en dit binnen een budgetneutraal kader. Op het hele groeipakket, inclusief de overgangsmaatregelen en de derde pijler, zal een armoedetoets worden toegepast, conform de vigerende omzendbrief VR 2014/13 .

Vereenvoudiging

We vertrekken hiervoor vanuit het Vlaams regeerakkoord, waarbij we volgende basisprincipes formuleren:

• We verlaten het socio-professioneel karakter van de kinderbijslag en realiseren een vereenvoudigd systeem met gelijke basisbedragen en een sociale toeslag voor kinderen die opgroeien in een gezin met een laag inkomen. De inkomensgrens van deze toeslag is gezinsgemoduleerd en houdt dus rekening met de gezinsgrootte. Het recht van het kind vormt het uitgangspunt. Dit doet het aantal mogelijke bedragen aanzienlijk dalen t.o.v. het huidige systeem, wat zorgt voor een grote vereenvoudiging en de transparantie ten goede komt;

• We hervormen het bestaande systeem onder de premisse van budgetneutraliteit, waardoor we in het nieuwe systeem naar nieuwe evenwichten moeten zoeken tussen horizontale (kostencompenserende) en verticale (i.f.v. draagkracht) solidariteit tussen gezinnen met kinderen.

Door het afschaffen van de rangorde en leeftijdstoeslagen en het toekennen van een voldoende hoog gelijk bedrag voor elk kind wordt er gekozen om meer te investeren bij de geboorte van het eerste kind (en het 2e kind).

Door het loskoppelen van de kinderbijslag van het socio-professioneel statuut van de ouders, vervalt het systeem van de gewaarborgde kinderbijslag, dat in het leven geroepen was voor die kinderen van wie de ouder geen werknemers- of zelfstandigenstatuut hanteerde.

Begrippenkaders: recht van het kind, gezin en inkomen

We gaan in op drie cruciale begrippen en definities, die van belang zijn om het verdere systeem juist te begrijpen. Concreet gaat het om de definiëring en omschrijving van wat het recht van het kind is, wat een gezin is en welk inkomensbegrip gehanteerd wordt.

Recht van het kind

De koppeling met het socio-professioneel statuut als voorwaarde voor het toekennen van kinderbijslag wordt verlaten. Het uitgangspunt is dat we kinderbijslag toekennen aan (gezinnen van) kinderen die in Vlaanderen wonen. Het domicilie van het betrokken kind vormt daarbij het uitgangspunt, waarbij we in uitzonderingen voorzien in het kader van het louter feitelijk verblijf. Hierover zullen afspraken moeten worden gemaakt met de andere bevoegde gemeenschappen.

Recht van kinderen in het buitenland

Uiteraard ontvangen ook kinderen die in het buitenland verblijven, maar van wie de ouders onderworpen zijn aan de Belgische sociale zekerheid, kinderbijslag wanneer de voorrangsregels uit de Europese verordeningen en richtlijnen of bilaterale overeenkomsten hiertoe aanleiding geven.

Recht van kinderen met een legaal verblijf

Voor kinderen van vluchtelingen geldt, net zoals binnen de gewaarborgde gezinsbijslag nu het geval is, dat ze een legaal verblijf hebben in Vlaanderen met als criterium de toelating of machtiging op het grondgebied te verblijven of er zich te vestigen.

Concreet komt dit erop neer dat een vreemdeling een verblijfskaart moet kunnen voorleggen. Deze kaarten worden uitgereikt door de Dienst voor Vreemdelingenzaken (DVZ), hebben een nummer en lopen van A tot H. Als men een dergelijke kaart kan voorleggen, is dit een formele bevestiging dat een persoon legaal op het Belgische grondgebied mag verblijven of er zich mag vestigen. Politieke vluchtelingen en personen die een subsidiaire bescherming genieten, zijn eveneens toegelaten of gemachtigd op het grondgebied te verblijven. Op basis van elektronische berichtgeving van DVZ kan kinderbijslag toegekend worden aan gezinnen met kinderen die recht hebben op verblijf in België. Dit is positief in het kader van efficiëntiewinst en automatische rechtentoekenning.

Gezin

Bij het toetsen aan een inkomensgrens moet bepaald worden wiens inkomsten er meegeteld worden. In het gezinsbegrip vertrekken we van het principe van draagkracht en houden we enkel rekening met (de inkomens van) de personen die bijdragen aan de draagkracht van het gezin, van zij die consumptiemogelijkheden creëren voor zichzelf en voor de kinderen, en dus de kosten voor de kinderen delen.

We nemen hierbij het gezinsbegrip van het huidige kinderbijslagstelsel over: om een feitelijk gezin te vormen moet men samenwonen op hetzelfde adres, geen bloed- of aanverwant zijn t.e.m. de derde graad, en samen een huishouden regelen en daartoe elk financieel of op een andere manier bijdragen.

Dit heeft als gevolg dat we de inkomsten van volgende personen samentellen:

  • wettelijk samenwonenden;
  • gehuwden;
  • feitelijk samenwonende partners die een bloedverwantschap hebben met het kind (of het kind erkend hebben). Dit geldt ook voor feitelijk samenwonenden die niet aan elkaar verwant zijn en waarbij één van de volwassenen geen erkende band heeft met het kind6, maar die wel samen een huishouden regelen7.

Het is geen eenvoudige taak om na te gaan ‘wie samen een huishouden regelt’. Het is van belang om een aantal criteria voor feitelijk samenwonenden vast te leggen die eenvoudig te controleren zijn. Daarbij gaan we uit van de volgende criteria:

  1. mensen die samen een koopwoning bezitten of samen een huurcontract ondertekend hebben;
  2. de andere volwassene heeft een inwonend kind dat recht heeft op kinderbijslag.

Het volstaat dat 1 van deze criteria van toepassing is, maar beide kunnen even goed cumulatief aanwezig zijn in het betrokken gezin.

Ongeacht de keuzes die we hier maken, zullen er altijd leefsituaties zijn die niet door de criteria worden gevat. Bovendien zijn de gegevens van het rijksregister niet altijd even accuraat. Verandering van domicilie wordt bijvoorbeeld niet in elke gemeente even snel verwerkt, en in geval van een echtscheidingsprocedure kunnen mensen feitelijk maar nog niet wettelijk gescheiden zijn, of nog geen aparte domicilie hebben.

We voorzien daarom de mogelijkheid om de gezinssituatie op individuele basis te beoordelen en om een afwijkende situatie te bewijzen8. De bewijslast voor gezinnen moet zoveel mogelijk beperkt worden door maximaal gebruik te maken van elektronische gegevensstromen. Dit neemt niet weg dat een individuele behandeling van dossiers altijd mogelijk zal moeten blijven, bijvoorbeeld in geval van echtscheiding.

Inkomen

Wat het begrip ‘inkomen’ betreft, is het (opnieuw) belangrijk om de draagkracht van gezinnen te identificeren en een inkomensconcept te gebruiken dat:

  1. zoveel mogelijk inkomstenbronnen omvat (i.e. een breed inkomensbegrip)9;
  2. zo onafhankelijk mogelijk is van de (vaak wijzigende) fiscale regels; en
  3. meetbaar is door middel van administratieve datastromen.

We kiezen voor een bepaald bruto belastbaar inkomen, zoals vastgesteld o.b.v. het aanslagbiljet. Naast de beroepsinkomsten, worden ook inkomsten uit onroerende goederen (KI vreemd gebruik en voor eigen beroepsdoeleinden) en het belastbare deel van de ontvangen onderhoudsgelden meegenomen in het inkomensbegrip. Qua beroepsinkomsten kiezen we ervoor om het bruto belastbare inkomen voor aftrek van de beroepskosten te kiezen.

Voor zelfstandigen zijn de beroepskosten eigen aan de zelfstandige praktijk en worden ze idealiter verrekend in het inkomensbegrip. We stellen daarom voor om voor zelfstandigen het netto belastbaar inkomensbegrip te gebruiken, waarop een ‘bruteringscoëfficiënt’ wordt toegepast (zoals in het huidig systeem ook gebeurt) om tot een bruto belastbaar beroepsinkomen te komen. Alle technische modaliteiten en aspecten m.b.t. de inkomensafbakening zullen bij latere concretisering verfijnd en vastgelegd worden.

Een consequentie van het werken met het aanslagbiljet, is dat het geen weerspiegeling geeft van de actuele inkomenssituatie (meestal inkomens van 2 jaar geleden). We willen echter kort op de bal spelen en een toeslag kunnen toekennen op momenten dat gezinnen er nood aan hebben10, en waarbij de toekenning maximaal geautomatiseerd wordt. We willen hiertoe een alarmbelprocedure in het leven roepen, die enerzijds kan getriggerd worden door de gezinnen zelf, en anderzijds in de mate van het mogelijke via elektronische gegevensstromen11. Maatwerk en een goed werkende frontoffice zullen dus altijd noodzakelijk zijn. Daarnaast zullen we voldoende stabiliserende factoren inbouwen (per kwartaal, per half jaar?), zodat niet bij iedere wijziging een aanpassing moet gebeuren. We zullen dan ook verder onderzoeken hoe we dit vormgeven.

Deel II. De drie pijlers van de nieuwe Vlaamse Kinderbijslag "het groeipakket", binnen een geïntegreerd gezinsbeleid

De nieuwe Vlaamse kinderbijslag zal deel uitmaken van een geïntegreerd gezinsbeleid waarin we 3 pijlers onderscheiden en waarmee we kinderen maximaal willen ondersteunen in hun ontwikkeling en ontplooiing en zo ook in hun kansen tot menswaardige participatie aan het maatschappelijk leven. De eerste gesimuleerde armoederisico’s op de eerste en tweede pijler van het groeipakket op kruissnelheid tonen een daling van het armoederisico. In de verdere verfijning zal ook het armoederisico berekend worden voor de derde pijler en de overgangsmaatregelen. Indien er tijdens en na de transitie budget vrijkomt zal dat ingezet worden voor de versterking van verschillende facetten van het systeem.

Gesimuleerde armoederisico's12

  Op kindniveau Op gezinsniveau 1-kindgezinnen 2-kindgezinnen 3-kindgezinnen +4-kindgezinnen Eenoudergezinnen

Baseline

NIEUW    

11,2%

10,3%

10,3%

9,2%

12,3%

10,5%

7,6%

7,3%

8,8%

7,1%

23,2%

23,2%

22,3%

20,8%

PIJLER 1 – Onvoorwaardelijk basisbedrag en een startbedrag

Het nieuwe groeipakket kiest duidelijk voor het recht van het kind en de gelijkwaardigheid van alle kinderen. De eerste pijler bestaat uit een gelijk basisbedrag per kind van 160 euro. Dit bedrag ligt dus hoger dan het huidige basisbedrag voor 1- en 2-kindgezinnen, wat impliceert dat alle jonge gezinnen meer kinderbijslag ontvangen bij de start van hun gezin.

We koppelen de toekenning van de kinderbijslag los van het socio-professioneel statuut van de ouders. Elk kind krijgt een gelijk basisbedrag, een tegemoetkoming om kosten in de opvoeding te dekken. Het toekennen van een universeel basisbedrag, betekent een enorme vereenvoudiging van het systeem. Hiermee wordt bovendien ook tegemoetgekomen aan de kritiek op de nadelen (i.c. ongelijke behandeling) van de rang.

Naast dit basisbedrag is er ook een startbedrag, de huidige éénmalige geboortepremie of adoptiepremie, die toegekend wordt n.a.v. de geboorte of adoptie van een kind. We schakelen de bedragen van de geboorte- en adoptiepremie gelijk en kennen dus voor ieder kind een gelijk bedrag toe. De geboortepremie bedraagt nu 1223,11 euro voor een eerste kind en 920,25 euro voor een volgend kind. De adoptiepremie bedraagt 1223,11 euro, gelijk voor elk adoptiekind. In het kader van de vereenvoudiging stellen we voor om voor alle kinderen, ook adoptiekinderen, een zelfde bedrag toe te kennen, namelijk 1.100 euro.

Belangrijk voor kinderen die opgroeien in situaties waarbij hun ouders gescheiden zijn, is dat de basiskinderbijslag terechtkomt op de rekening gekozen door de ouders, in de meeste gevallen een kindrekening.

PIJLER 2 – Selectieve en gezinsgemoduleerde toeslagen

De tweede pijler is een selectief deel en bestaat uit twee componenten. Enerzijds is er een bouwsteen voor toeslagen die te maken hebben met kindkenmerken en een zorgtoeslag vormen. Anderzijds is er een bouwsteen voor een bijkomende toeslag voor gezinnen die, afhankelijk van hun gezinsgrootte, onder een bepaalde inkomensgrens vallen en de sociale toeslag vormen.

2.1. Zorgtoeslag

De zorgtoeslag omvat de toeslag voor kinderen met bijzondere zorgnoden en voor wezen, en ook de forfaitaire toeslag i.h.k.v. pleegzorg.

Wezentoeslag

De wezentoeslag passen we aan aan de huidige maatschappelijke realiteit, namelijk de evolutie van kostwinnersgezinnen naar tweeverdienersgezinnen. Ook willen we hier domiciliefraude en alleenstaandenvallen vermijden. Belangrijk om weten is dat binnen de huidige wezentoeslag slechts 4% volle wezen zijn, en dus 96% half-wezen13, van wie de overlevende ouder instaat voor de opvoeding.

Aangezien ieder kind een gelijk basisbedrag ontvangt, passen we dit principe ook toe op de wezen/half-wezen. Dit betekent een administratieve vereenvoudiging. Daarbovenop wordt een wezentoeslag toegekend. Concreet krijgt een volledig wees een wezentoeslag ten bedrage van 100% van de maandelijkse basiskinderbijslag. Een half-wees ontvangt een wezentoeslag ten bedrage van 50% van de maandelijkse basiskinderbijslag (te vergelijken met alimentatie die een alleenstaande gescheiden ouder ontvangt). Hiermee spelen we in op het wegvallen van het inkomen van de overleden ouder.

Beide toeslagen worden betaald zolang het kind rechthebbende blijft, dus ook voor de halfwezen, van wie de overlevende ouder eventueel een nieuw gezin vormt. Dit voorkomt administratieve lasten en eventuele domiciliefraude.

Kinderen met zorgnoden

Voor de toeslag voor kinderen met bijzondere zorgnoden blijft het bestaande systeem ongewijzigd . Heel wat kinderen die vandaag een verhoogde toeslag ontvangen zijn niet gekend/erkend door het VAPH, noch door de toegangspoort in het kader van de Integrale Jeugdhulp. Dit is te wijten aan een andere finaliteit: bij het VAPH en de Toegangspoort wordt er tegemoetgekomen als er een minimale, handicapspecifieke ondersteuningsbehoefte is (en er dus de facto een grotere beperktheid is qua functioneren).

De verhoogde kinderbijslag gaat ruimer en is een soort van graduele tegemoetkoming voor de inspanningen die ouders leveren op het vlak van participatie en integratie van hun kind. Een toeslag is dus legitiem, want er is sprake van een hogere zorgnood en aldus hogere opvoedingskosten eigen aan de noden en zorgbehoefte van het kind.

In eerste instantie wordt de bestaande attestering verdergezet, want vanaf september 2017 wordt het BOB (basisondersteuningsbudget) automatisch aan de attesten verhoogde kinderbijslag vanaf 12 punten gekoppeld14. De uitbetaling van de verhoogde toeslag voor kinderen met een handicap of aandoening wordt in de kinderbijslag gehouden. Op termijn zal de attestering van de verhoogde tegemoetkoming afgestemd worden met het inschalingssysteem binnen de Vlaamse sociale bescherming.

Ook hier geldt voor kinderen die opgroeien in situaties waarbij de ouders gescheiden zijn, dat de zorgtoeslag voor kinderen met zorgnoden, terecht komt op de rekening gekozen door de ouders, meestal de kindrekening.

Pleegzorg

Een forfaitaire toeslag van 61 euro wordt toegekend in situaties waarin een kind geplaatst is in een pleeggezin. Dit wordt volledig aan de pleegouder toegekend als het gaat om perspectiefbiedende pleegzorg (= pleegzorg met een continu en langdurig karakter).

2.2 Sociale toeslag

Het Vlaams regeerakkoord bepaalt dat er voor kinderen die opgroeien in een gezin met een laag inkomen, een sociale toeslag wordt voorzien. De inkomensgrens van deze toeslag is gezinsgemoduleerd en houdt rekening met de gezinsgrootte. Dit impliceert dat de sociale toeslagen worden uitgebreid naar alle gezinnen die onder een bepaalde inkomensdrempel vallen (naargelang gezinsgrootte)15, wat niet alleen belangrijk is in de strijd tegen kinderarmoede, maar ook de discriminatie in het huidige systeem ten aanzien van de werkenden met een laag inkomen wegwerkt.

Het systeem van gezinsgemoduleerde inkomensselectiviteit heeft dus een dubbele finaliteit:

 Enerzijds dient het systeem om gezinnen met een beperkt inkomen via toeslagbedragen extra te compenseren voor de kosten eigen aan de opvoeding van hun kind;

 Anderzijds willen we via de gezinsmodulering ook de grote gezinnen, mede afhankelijk van hun inkomen, voldoende compenseren, om ook bij de keuze voor meerdere kinderen nog voldoende kostendekkend te zijn. Daarbij houden we rekening met mogelijke werkloosheids- en verdienvallen, door te werken met meerdere inkomensgrenzen.

Vanaf 1 januari 2019 krijgen alle gezinnen met een inkomen onder 29.000 euro een sociale toeslag, waarbij het toeslagbedrag varieert naargelang de gezinsgrootte: Eén en twee kind gezinnen met een inkomen lager dan 29.000 euro krijgen een sociale toeslag van 50 euro per kind.

Gezinnen met 3 kinderen en meer met een inkomen lager dan 29.000 euro krijgen een sociale toeslag van 80 euro per kind.

Gezinnen met 3 kinderen en meer met een inkomen tussen 29.000 en 60.000 euro krijgen een sociale toeslag van 60 euro per kind.

Bedragen sociale toeslag per kind

  ≤ 29.000 29.000 tot 60.000
1 kind € 50

/

2 kinderen € 50

/

≥ 3 kinderen € 80

€ 60

We gaan hierbij ook maximaal uit van een automatische rechtentoekenning. Aangezien we met de sociale toeslag de draagkracht van een gezin gericht willen ondersteunen en bevorderen, is het belangrijk dat de toeslag terecht komt in het gezin waar het kind opgroeit. In geval van gelijk verdeelde huisvesting (50/50) wordt naar het inkomen van beide ouders apart, binnen hun nieuw samengesteld gezin, gekeken en bepaald of ze allebei, geen enkel of één van beiden recht heeft op een toeslag. In gevallen van niet gelijk verdeelde huisvesting, wordt gekeken naar het inkomen van de ouder, binnen zijn of haar nieuw samengestelde gezin, waar het zwaartepunt van verblijf is. Kinderen met gelijk verdeelde huisvesting tellen slechts voor de helft mee in het nieuw-samengestelde gezin.

Belangrijk in deze context is dat tot op heden de familierechter, die bevoegd is voor echtscheidingen, zich enkel kon uitspreken over de bestemming van de gelden. Deze rechter had niet de bevoegdheid om zelf een bijslagtrekkende aan te duiden. We stellen voor om via het ontwerp van decreet de familierechtbank wel de bevoegdheid te geven een begunstigde aan te duiden. Het concrete model voor de toekomst beschrijven we onder het hoofdstuk inzake de overgangsmaatregelen.

PIJLER 3 – Participatietoeslag in kader van een geïntegreerd gezinsbeleid

Naast het onvoorwaardelijke luik van het groeipakket, integreren we een derde pijler. Deze derde pijler bevat een universeel gedeelte en een selectief gedeelte. Via deze derde pijler geven we verder vorm aan een geïntegreerd gezinsbeleid waarbij we ook inzetten op gerichte acties in het kader van het bevorderen van de participatie van kinderen aan het maatschappelijk leven in functie van het vergroten van hun ontwikkelingskansen. Primordiaal hierbij is de participatie aan kinderopvang en onderwijs. Deze pijler relateren we ook aan de stijgende kosten die er zijn naarmate de leeftijd van kinderen/jongeren toeneemt, zodat we extra tegemoet komen aan een deel van de kosten in de opvoeding.

Kinderopvang en kleuteronderwijs bieden een breed gamma aan zorg en leerkansen in de omgeving van jonge kinderen en de daaraan verbonden voordelen, zoals een hoger welbevinden bij kinderen en de vermindering van de effecten van kansarmoede op de ontwikkeling van het kind. Voorwaarde is dat deze diensten van hoge kwaliteit zijn en er een toereikend aanbod is (OECD, 2012). Voorzieningen voor jonge kinderen moeten immers de individuele vaardigheden van ieder kind bevorderen.

Het selectieve gedeelte is belangrijk in het kader van de kinderarmoede. In onderstaande tabel schetsen we de impact op het armoederisico van kinderbijslagen en school- en studietoelagen. De kinderbijslagen hebben in alle leeftijdscategorieën een significante (verlagende) impact op het armoederisico. Enkel bij de 18-25 jarigen is het effect van de kinderbijslag beperkt. Dit zou te wijten kunnen zijn aan het zeer beperkt aantal kinderbijslagen voor 18 tot 25 jarigen dat bij de laagste inkomensgroep terecht komt (Flemosi Discussion Paper DP31, 2014).

Impact op armoederisico van kinderbijslagen (=KB) en school- en studietoelagen (=SST), Vlaanderen, 2012

  Baseline (%) zonder SST zonder KB zonder KB en SST
Bevolking 12,4 12,7* 15,3** 16,0**
kinderen < 18 jaar 11 11,6 18,3** 19,4**
student >18 jaar 5,9 7,2* 8,8* 12,3**
0-6 jarigen 14,1 14,5 18,3** 18,4**
6-12 jarigen 10,9 11,7 20,0* 20,4**
12-18 jarigen 7,6 8,3 16,6** 19,5**
18-25 jarigen 6,3 7,9 9,9** 14,4**
18-25 jarigen met studietoelage 10,9 17,0* 22,6* 39,8**

Bron: berekeningen o.b.v. MEFISTO (Bogaerts e.a., 201416) Noot: * = significant verschil met baseline (p < 0.05); ** = significant verschil met baseline (p<0.001)

De integratie van de schooltoelagen en afstemming met de studietoelagen wordt volledig uitgewerkt in samenwerking met de Vlaamse minister voor onderwijs en de onderwijsadministratie. Er zal gezorgd worden voor een zorgzame transitie waarbij expertise van huidige medewerkers van de afdeling studietoelagen blijvend zal ingezet worden.

3.1. Kinderopvangtoeslag

Er is heel wat wetenschappelijke evidentie die het belang aantoont van de deelname van kinderen aan kinderopvang in functie van het vergroten van ontwikkelingskansen, ook doorheen het verdere leven. Hierbij is het belangrijk om de drie functies van de kinderopvang in de verf te zetten. Kinderopvang heeft vooreerst een economische functie in het kader van activering en de combinatie gezin en arbeid. Daarnaast heeft de kinderopvang ook een heel belangrijke pedagogische en sociale functie die de ontwikkelingskansen van kinderen en de maatschappelijke integratie van gezinnen bevorderen, zeker bij kwetsbare gezinnen.

Binnen het groeipakket, voorzien we een beperkte toeslag voor gebruikers van kinderopvang in trap 0 en 1. Kinderopvanginitiatieven trap 0 en 1 zijn initiatieven waar ouders niet volgens hun inkomen betalen, maar waar er een vrije prijs wordt gevraagd. Deze initiatieven ontvangen van de Vlaamse Overheid binnen een vastgelegde programmatie enkel een basissubsidie van 725,28 euro per plaats per jaar, indien ze voldoen aan de vergunningsvoorwaarden. Veel van deze initiatieven ervaren concurrentie van voorzieningen waar gezinnen wel volgens inkomen betalen en die door de Vlaamse Overheid sterker worden gesubsidieerd. Door deze concurrentie kunnen ze vaak niet meer vragen dan de maximumouderbijdrage in deze trap 2 voorzieningen, namelijk 27,83 euro per dag, wat hun leefbaarheid onder druk zet. Om het gebruik van de kinderopvang bij deze trap 0 en 1-voorzieningen te stimuleren en tevens de leefbaarheid te versterken, stellen we voor om de gezinnen die gebruik maken van trap 0 en 1, een kinderopvangtoelage toe te kennen van 3, 17 euro per aanwezigheidsdag in de kinderopvang trap 0 en 1. De 3,17 euro wordt aldus toegevoegd aan het groeipakket voor alle kinderen die gebruik maken van kinderopvang trap 0 en 1. De verrekening gebeurt via het maandelijks doorsturen van de factuur van de kinderopvang door de voorzieningen of door de ouders naar hun uitbetalingsinstelling. Deze uitbetalingsinstellingen zullen de kinderopvangtoelage toevoegen aan het totale groeipakket en uitbetalen. Er dient verder onderzocht te worden hoe eenvoudig mogelijk dit kan, want niet alle kleine opvangvoorzieningen zijn al voldoende geautomatiseerd.

Met betrekking tot de gezinsbijslagen in Brussel is de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie bevoegd om deze uit te keren. We wensen echter de gebruikers van door Vlaanderen erkende kinderopvang trap 0 en 1 in Brussel eveneens te ondersteunen. Hiertoe zullen we in het kader van de kinderopvang voor deze gebruikers eveneens in een ondersteuning voorzien ten bedrage van 3,17 euro. Dit vraagt een budget van 13,9 miljoen euro. Hiertoe zullen de nodige decretale en praktische maatregelen worden getroffen.

3.2. Universele participatietoeslag 0 tot 2 jaar

We voorzien een universele participatietoeslag voor alle kinderen tussen 0 en 2 jaar van 20 euro op jaarbasis. Dit vraagt een budget van 2,7 miljoen euro.

3.3. Universele participatietoeslag onderwijs

Concreet voorzien we een extra toeslag voor alle kinderen als incentive voor de effectieve participatie van kinderen aan het kleuteronderwijs, de lagere school, het secundair en het hoger onderwijs.

3.3.1. Universele participatietoeslag kleuteronderwijs

Wat deelname aan kleuteronderwijs betreft, scoren we in Vlaanderen zeer hoog. Van alle 3-jarigen is 98,5% ingeschreven in de kleuterklas (99% bij de vijfjarigen). Zo’n 3,6% van de ingeschreven 3-jarigen is echter onvoldoende aanwezig17 in de klas. Leerlingen die aantikken op leerlingenkenmerken (opleidingsniveau moeder, taal, schooltoelage en buurt) en kinderen met een andere nationaliteit scoren minder goed qua inschrijvingen en aanwezigheden op school.

Uit de recente analyse (2015) van de minister van Onderwijs, merken we dat wie in voldoende mate kleuteronderwijs volgt, minder kans op schoolse achterstand oploopt. Dit blijkt eveneens uit wetenschappelijk onderwijs. De kans op achterstand bij niet-ingeschreven of onvoldoende aanwezigheid stijgt met de leeftijd van de kleuter. Hoe vroeger een kleuter naar school gaat, hoe kleiner de kans op schoolse vertraging. Een 5-jarige die voldoende aanwezig is in de klas loopt 11% kans op schoolse achterstand. Voor een 5-jarige die onvoldoende aanwezig is, stijgt die kans tot 54%. Voldoende aanwezig zijn geeft dus belangrijke impulsen voor een goede start in het lager onderwijs en de verdere vordering van de schoolloopbaan.

De discussie spitst zich vooral toe op de vraag hoe we de beperkte groep kleuters die niet aanwezig zijn kunnen verhogen (schommelend rond de 3% (of zo’n 2 000 kleuters) per leeftijd (3, 4 en 5 jaar)).

In dit kader willen we voor alle kinderen vanaf 3 tot en met 4 jaar de deelname aan het kleuteronderwijs stimuleren. Dit doen we door een kleutertoeslag toe te kennen van 300 euro. Dit vraagt een budget van 21 miljoen euro. Het betreft een eenmalige toeslag van 150 euro die toegekend wordt wanneer binnen de twee maanden nadat het kind de leeftijd van 3 jaar heeft bereikt een digitaal attest aangeleverd wordt aan de uitbetalingsactor dat de inschrijving van het kind in het kleuteronderwijs aantoont (zoveel mogelijk automatisch en met zo weinig mogelijk administratie).

Een jaar na de toekenning van dit bedrag wordt nogmaals 150 euro toegekend enkel en alleen als de inschrijving opnieuw is gebeurd voor het volgende jaar en als het kind voldoende aanwezig is geweest in het afgelopen jaar.

Enkel kinderen die ingeschreven zijn in een erkende (kleuter)onderwijsinstelling ontvangen de premie van 300 euro (tweemaal 150 euro). Kinderen die omwille van een langdurige ziekte of omwille van overmacht niet kunnen voldoen aan de minimale aanwezigheid op school behouden de participatietoeslag.

In het vijfde levensjaar is er een universele participatietoeslag van 35 euro op jaarbasis. Dit komt neer op een budget van 2,5 miljoen euro.

3.3.2 Universele participatietoeslag lager- en secundair onderwijs (leerplichtonderwijs 6-18 jaar)

Na de kinderopvang en de kleuterschool, is er het enorme belang van de deelname aan het lager- en secundair onderwijs, het huidige leerplichtig onderwijs. Om deze participatie voor alle gezinnen te ondersteunen, voorzien we voor elk kind vanaf 6 tot en met 11 jaar een universele participatietoeslag van 35 euro per jaar. Dit vraagt een budget van 15,5 miljoen euro. Voor kinderen vanaf 12 jaar tot en met 17 jaar voorzien we een universele participatietoeslag van 50 euro per jaar. Dit vraagt een budget van 20,7 miljoen euro. Hiertoe moeten deze kinderen zijn ingeschreven in het leerplichtonderwijs.

3.3.3 Universele participatietoeslag na de leerplicht

Jongeren die na het beëindigen van de leerplicht nog verder onderwijs volgen hebben ook nog recht op kinderbijslag. Dit is wel een voorwaardelijk recht, want dit recht wordt gekoppeld aan onderwijs volgen in het hoger onderwijs (nl. ingeschreven zijn voor voldoende aantal studiepunten) of in het secundair onderwijs (voldoende aantal uren les volgen).

Ook jongeren die na het beëindigen van de leerplicht ingeschreven zijn als werkzoekend schoolverlater bij de VDAB kunnen nog recht hebben op kinderbijslag. Indien jongeren in geval van ziekte niet in de mogelijkheid zijn om zich tijdig in te schrijven als student, scholier of werkzoekend schoolverlater, of door ziekte zich niet voor voldoende studiepunten kunnen inschrijven of voldoende lesuren kunnen volgen, wordt er een uitzondering voorzien op de respectievelijke voorwaarden voor wat de totaliteit van de kinderbijslag betreft.

Aan dit voorwaardelijk recht koppelen we een universele participatietoeslag van 60 euro vanaf 18 jaar tot en met 24 jaar voor een budget van 16,2 miljoen euro.
 
Overzicht universele participatietoeslag op jaarbasis 

Kinderen van 0 - 2                                        € 20,00 Kinderen van 3 - 4                                        € 150,00 Kinderen van 5 - 11                                        € 35,00 Kinderen van 12 - 17                                      € 50,00 Kinderen van 18 - 24                                     € 60,00

3.4. Selectieve participatietoeslag onderwijs

Voor kansarme ouders kan het financiële aspect in het bijzonder een drempel vormen om hun kind naar school te laten gaan. Dit blijkt ook uit recent onderzoek van de OESO (Reviews of School Resources, december 2015). De onderwijskosten die een school doorrekent aan de ouders, onder andere voor boeken, worden als criterium belangrijker naarmate de sociaal-economische status van de ouders lager is. Hetzelfde geldt voor betalingsfaciliteiten die de school voorziet, zoals gespreide betaling van schoolfacturen. Het Netwerk tegen Armoede pleit ervoor dat elke leerling les moet kunnen volgen in een school met een pedagogische project dat best aansluit bij zijn/haar talenten, kostenverschillen mogen dat niet in de weg staan.

De vroegere schooltoelagen worden omgevormd tot een selectieve participatietoeslag en worden budgettair nog versterkt. Ze komen bovenop de universele participatietoeslagen. De inkomensgrenzen zullen zo vastgelegd worden dat het aandeel van de populatie die in aanmerking komt voor een schooltoelage zeker niet daalt. De doelgroep van de schooltoelage blijft behouden, evenals de huidige inschrijvings- en aanwezigheidsvoorwaarden van toepassing in de schooltoelagen.
 
Het systeem van studietoelagen wordt behouden, aangezien dit zeer selectief is, en een significante impact op het armoederisico heeft (cf. supra). Ook voor HBO5-studenten zal in een toelage worden voorzien, wat op vandaag niet het geval is.
 
De Vlaamse Gemeenschap blijft de school- en studietoelagen uitbetalen voor kinderen die onder haar bevoegdheid vallen, zelfs als deze kinderen wat betreft de gezinsbijslagen onder de bevoegdheid van een andere deelentiteit zouden vallen. De huidige regelgeving inzake school- en studietoelagen wordt hierbij gerespecteerd, waardoor bijvoorbeeld gebruikers van het Vlaams Onderwijs in Brussel, die in Brussel of Wallonië wonen, blijvend gebruik zullen kunnen maken van de school- en studietoelagen uitgekeerd door de Vlaamse Gemeenschap. Hiertoe zullen de nodige decretale en praktische maatregelen worden getroffen.
 
3.4.1. Selectieve participatietoeslag kleuteronderwijs
 
Zeker voor kinderen uit kwetsbare gezinnen, voorzien we een selectieve participatietoeslag voor het kleuteronderwijs. Een belangrijke voorwaarde tot verkrijgen van deze participatietoeslag is de inschrijving in het kleuteronderwijs, maar we willen ook een regelmatige deelname aan het kleuteronderwijs stimuleren, in het bijzonder bij kinderen uit gezinnen met een laag inkomen. Dit doen we door het aanbieden van een toeslag als hun kind regelmatig aanwezig is in het kleuteronderwijs18.
 
Concreet wordt voorgesteld om ook deze selectieve participatietoeslag op 2 momenten tijdens het schooljaar toe te kennen, nl. bij inschrijving aan de start van het nieuw schooljaar (in september) en in februari, o.b.v. voldoende aanwezigheidsdagen.
De instap in het nieuwe systeem zal, voor wat betreft de integratie van de schooltoelage een eerste keer gebeuren op 1 september 2019. Kleuters die in de loop van een schooljaar starten aan het kleuteronderwijs, ontvangen hun toelage op het eerstvolgende moment (dus september of februari). Deze kleuters zullen vlot kunnen gedetecteerd worden, aangezien ze al in aanmerking zullen komen voor sociale toeslag binnen de kinderbijslag. Het is dus waarschijnlijk dat het bereik zal stijgen.
 
We baseren ons op het huidig budget en bereik van de schooltoelage (€5,3 miljoen euro en 20% bereik) voor kleuters en versterken dit budget tot 5,6 miljoen euro wat neerkomt op ongeveer €98 per kleuter per jaar (momenteel 93 euro per kleuter per jaar).
 
3.4.2. Selectieve participatietoeslag lager- en secundair onderwijs
 
Aan kwetsbare gezinnen met kinderen uit lager- en secundair onderwijs, geven we in september en februari ook een extra selectieve participatietoeslag (financiële stimulans om de extra kosten te kunnen dragen) als hun kinderen ingeschreven zijn in een onderwijsinstelling (via DISCIMUS is gegevensuitwisseling over bv. inschrijvingen mogelijk – beleidsbrief Onderwijs 2015-2016). De inkomensgegevens van de gezinnen zullen al aanwezig zijn in het kader van de inkomensgerelateerde toeslag binnen de kinderbijslag, waardoor de toelage in grote mate automatisch zal kunnen toegekend worden (en er dus minder kans is op non-take-up).
 
Deze toeslag kan variëren inzake bedrag onder andere naargelang het kind ouder wordt, aangezien de studiekosten in het secundair onderwijs merkelijk hoger zijn dan in het lager onderwijs (respectievelijk gemiddeld €1.250 versus €400 per jaar). Momenteel is de gemiddelde schooltoelage in het lager onderwijs €130 en bedraagt de schoolpremie €58, en in het voltijds secundair onderwijs bedraagt de gemiddelde schooltoelage €442 en de schoolpremie €82.
 
Voor leerlingen in het lager onderwijs stellen we voor gemiddeld €194 per jaar19 toe te kennen, of een jaarlijks budget van 23,3 miljoen euro en 25% bereik. Voor jongeren in het secundair onderwijs wordt voorgesteld per jongere gemiddeld een bedrag van €630 toe te kennen ,wat neerkomt op een jaarlijks budget van €86,8 miljoen en 28% bereik. De bestaande differentiatie in de toegekende bedragen in functie van studiejaar, al of niet intern en inkomenskenmerken zal behouden blijven.
 

Overzicht selectieve participatietoeslagen op jaarbasis

3 – 5 j                 gemiddeld 98 euro 6 – 11 j                 gemiddeld 194 euro 12 – 17 j               gemiddeld 630 euro

 
3.5. Afstemming met kinderopvang en studietoelagen
 
3.5.1. Afstemming van de ouderbijdragen in de kinderopvang met het groeipakket
 
Sinds de invoering van het decreet kinderopvang van baby’s en peuters hebben we al een enorme automatisering van de berekening van de ouderbijdragen in de kinderopvang doorgevoerd. De berekening van de ouderbijdragen gebeurt via het elektronisch aanvragen van een attest, waarbij op basis van elektronische fluxen het bedrag wordt berekend. Ook de ouderbijdragen werden door de huidige Vlaamse Regering al aangepast, waarbij o.a. de minimumouderbijdrage werd aangepast en de gezinskortingen werden beperkt. De ganse operatie heeft er nog toe geleid dat op 1 januari 2016, 140.000 attesten kinderopvang werden geïndexeerd of aangepast. Een groot deel van deze attesten werd afgeleverd op basis van een elektronische aanvraag, maar ook een groot deel nog mits ondersteuning van de sector en van Kind en Gezin.
 
In het kader van een geïntegreerd Vlaams gezinsbeleid, kunnen we nog een stap verder gaan en onderzoeken we in een tweede fase, na de opstart van het groeipakket, een verdere afstemming van de berekening van de ouderbijdragen in de kinderopvang in het groeipakket. Dit betekent een grote vereenvoudiging, ook in functie van de automatische toekenning van rechten en zal, in een later stadium, verder conceptueel uitgewerkt worden in de schoot van de Vlaamse regering.
 
Vooreerst is het evident dat inhoudelijke begrippen en inkomensgrenzen uit de kinderopvang kunnen worden gestroomlijnd met de begrippen uit het groeipakket. Deze stroomlijning maakt bovendien ook een geïntegreerde organisatie van de nodige berekeningen voor de beide systemen mogelijk waardoor heel wat administratieve werklast kan vermeden worden. Het onderzoek naar deze integratie zien we in een tweede fase nade invoering van het groeipakket. Concreet kijken we hier naar de integratie van begrippen ( gezin, inkomen, …) en de automatische berekening van het inkomenstarief via het groeipakket.
 
3.5.2. Studietoelagen
 
Aangezien we voor de 18-jarigen een zicht zullen hebben op wie in aanmerking komt voor sociale toeslag binnen kinderbijslag, kunnen deze data doorgegeven worden aan Onderwijs, zodat de studietoelage voor het hoger onderwijs ook (meer) automatisch kan toegekend worden. Hierbij voorzien we ook studietoelagen voor de HBO5 studenten, zodat dit een volwaardig deel van het hoger onderwijs wordt.
 
Studenten die een studietoelage ontvangen, zullen ook bovenop de universele participatietoeslag een selectieve participatietoeslag van 50 euro blijven ontvangen, desgevallend te integreren in de studietoelagen. Dit komt neer op een jaarlijks budget van 2,7 miljoen euro.
Op termijn kan er dan ook afstemming gevonden worden over de inkomenstoets.
 
Deel III. Overgangsmaatregelen: geen enkel kind krijgt minder
 
Bij de overgangsmaatregelen, is het een belangrijk uitgangspunt, dat geen enkel kind minder krijgt op moment van de transitie. We maken hiervoor een onderscheid tussen kinderen geboren voor het moment van de transitie en kinderen geboren na het moment van de transitie.
 
Basisbedrag
 
Alle kinderen die geboren worden voor 01/01/2019 (het moment van de invoering van het groeipakket), behouden het recht op hun basiskinderbijslag via het oude systeem. Dit betekent hun rangbedrag en hun leeftijdstoeslag en dit tot ze uitstromen uit de kinderbijslag (maximum 25 jaar).
 
Alle kinderen geboren vanaf 1 januari 2019 (in bestaand gezin en nieuwe gezinnen zonder kinderen) stromen in in het nieuwe systeem en krijgen het groeipakket, met een basisbedrag van 160 euro, ongeacht hun rang of leeftijd.
 
Omwille van de complexiteit die de rangorde nu teweeg brengt en verder zou meebrengen, wordt de rangorde van kinderen in het oude systeem bevroren. Ze blijven hun rang meedragen, ook als er bv. door de samenstelling van een hersamengesteld gezin een nieuwe rangorde zou moeten ontstaan (bv. Kind van 12 jaar heeft rang1, kind van 9 jaar heeft rang 2 en door vorming van een nieuw samengesteld gezin, komt er een kind van 11 jaar bij, dan zal het kind van 9 jaar toch rang 2 behouden en het kind van 11 jaar rang 1).
 
Kinderen die al geboren waren voor 1 januari 2019, maar pas na 1 januari 2019 hun recht op kinderbijslag openen in Vlaanderen, vallen onder het nieuwe systeem.
 
Startbedrag
 
Voor de geboortepremie geldt dat al wie vanaf 1 januari 2019 geboren wordt, een geboortepremie krijgt van 1.100 euro. Voor de adoptiepremie, geldt dit vanaf 1 januari 2019 als datum van erkenning van de adoptie.
 
Zorgtoeslag
 
Gezien we voor kinderen met een handicap het huidige systeem behouden, zullen alle kinderen een zelfde systeem van zorgtoeslag kennen.
 
Bij de wezentoeslag wordt gekeken naar het tijdstip van overlijden. Kinderen die al wees waren in het oude systeem, behouden hun wezentoeslag. Kinderen die wees worden na 1 januari 2019, vallen onder het nieuwe systeem.
 
De premie voor pleegzorg toegekend voor 1 januari 2019 blijft behouden bij de biologische ouders. Indien er een pleegkind gemeld wordt door een dienst pleegzorg na 1 januari 2019, wordt dit toegekend aan het pleeggezin, in het geval van perspectief biedende pleegzorg.
 
Sociale toeslag
 
De sociale toeslag is afhankelijk van het inkomen en situeert zich op gezinsniveau. Het is onmogelijk om het oude systeem van inkomensselectiviteit te behouden ( 1 inkomensgrens en koppeling aan het socio-professionele statuut) en tegelijk voor andere kinderen van eenzelfde gezin, geboren na 1 januari 2019, een ander systeem toe te passen (met twee inkomensgrenzen en los van socio-professionele statuut). De sociale toeslag wordt dus voor iedereen losgekoppeld van het socio-professionele statuut en wordt voor iedereen gekoppeld aan het inkomen.
 
Inkomen beneden 29.000 euro
 
Belangrijk is dat we in kader van de overgangsmaatregelen, de groep gezinnen die een toeslag krijgen, uitbreiden. Het gaat hierbij om gezinnen die voor 1 januari 2019 een inkomen hadden lager dan 29.000 euro, maar toen geen recht hadden of zouden gehad hebben op een sociale toeslag, omdat ze niet binnen een socio-professioneel statuut vielen dat recht gaf op dergelijke toeslag. Dit betekent dat alle kinderen uit gezinnen met een inkomen onder 29.000 euro vanaf 1 januari 2019 onder het nieuwe inkomensgerelateerde systeem vallen en recht zullen hebben op een sociale toeslag, los van socio-professioneel statuut.
 
Omdat we als uitgangspunt voor de transitie nemen dat gezinnen met kinderen die recht hadden op kinderbijslag voor 1 januari 2019 niets verliezen, maar het ook niet bedoeling is dat deze gezinnen in de transitie meer kinderbijslag zouden krijgen dan waar ze vroeger recht op zouden hebben gehad, zullen we voor de kinderen die recht hadden op kinderbijslag voor 1 januari 2019 de bedragen van de sociale toeslag bevriezen op de bedragen van de sociale toeslag voor langdurig werklozen uit het oude systeem.
 
Om te vermijden dat geen enkel kind minder krijgt tijdens de transitie worden er op dit principe twee uitzonderingen voorzien:
  • Alle kinderen die de toeslag kregen of konden krijgen voor langdurig zieken/invaliden in de eerste rang, behouden het bedrag van 98,88 euro.
  • Alle kinderen die de toeslag kregen of konden krijgen voor eenoudergezinnen in de derde rang behouden het bedrag van 22,97 euro.
De nieuwe kinderen die in deze gezinnen met een inkomen beneden 29.000 euro, recht op kinderbijslag krijgen na 1 januari 2019, krijgen de sociale toeslag uit het nieuwe systeem.
 
Inkomen boven 29.000 euro
 
Gezinnen met minstens 2 kinderen die recht gaven op kinderbijslag uit het oude systeem, waarin een kind bijkomt dat geboren is na 1/1/2019 (dat het nieuwe basisbedrag van 160 euro krijgt), en een inkomen hebben of verkrijgen van meer dan 29.000 euro, maken de overstap naar het nieuwe inkomensgerelateerde systeem. Vallen deze gezinnen binnen de Pagina 22 van 42 inkomensgrenzen (zoals beschreven in 2.2 sociale toeslag) die recht geven op een sociale toeslag voor gezinnen vanaf drie kinderen, dan zullen we voor de kinderen uit het nieuwe systeem, de nieuwe bedragen van sociale correctie toepassen en voor de kinderen uit het oude systeem de bedragen van de sociale toeslag voor langdurig werklozen uit het oude systeem.
 
De participatietoeslag
 
Het volledige pakket van de participatietoeslag, wordt toegepast op alle kinderen, los van het tijdstip van geboorte. Dit totale pakket van overgangsmaatregelen heeft als belangrijk positief gevolg dat de rechten op het basisbedrag in het oude systeem kunnen bewaard worden en dat er toch niet volledig met twee bestaande systemen moet worden gewerkt. Door harmonisering van inkomensselectiviteit en bevriezen van rangorde, kan er eenvoudiger gewerkt worden aan de integratie van één systeem.
 
Deel IV. Organisatie van de uitbetaling van de Vlaamse gezinsbijslag
 
De overheveling van de kinderbijslag is een opportuniteit om een herschikking van het uitbetalingslandschap gepaard te laten gaan met een verdere rationalisering. Hierbij moeten we efficiëntiewinsten boeken, die de burger, de uitbetalingsinstantie(s) en de overheid ten goede komen. Middelen die hierbij vrijkomen zullen we inzetten voor het nieuwe systeem en overgangsmaatregelen.
 
Hierbij houden we rekening met volgende randvoorwaarden:
  • de kosten- batenanalyse: de efficiënte inzet van mensen en middelen en het zoeken naar besparingen met behoud van de kwaliteit van de dienstverlening;
  • keuzevrijheid van de ouders;
  • Europese en Belgische regelgeving inzake uitbesteding van dienstverlening door de overheid;
  • bereikbaarheid van de dienstverlening;
  • vermijden of beperken van sociaal passief in functie van het behouden van kennis en expertise.
Het garanderen van de continuïteit van uitbetaling en een kwaliteitsvolle dienstverlening naar de mensen is in de transitie het belangrijkste uitgangspunt.
 
De Vlaamse regering streeft naar een vereenvoudiging van het kinderbijslagsysteem, rekening houdend met de maatschappelijke context waarin deze gezinnen gevormd worden. Eén van de belangrijke aspecten is de automatisering en de keuze voor een zo efficiënt mogelijk ICT-systeem. We kiezen hierbij voor 1 ICT-platform voor het primair netwerk. Hiernaast willen we ook werk maken van een front-office, een vorm van rechtstreeks toegankelijke dienstverlening waarbij de burger terecht kan met al zijn vragen over de kinderbijslag. Bovendien zal er blijvend nood zijn aan een backoffice met de nodige kennis en expertise ter zake. De bestaande kinderbijslagfondsen, zowel de publieke als de private, beschikken over dergelijke expertise. In functie van continuïteit is het dan ook belangrijk om hen een plaats te geven in het nieuwe Vlaamse uitbetalingssysteem. Om een naadloze overgang naar de Vlaamse kinderbijslag te garanderen, is de medewerking van de kinderbijslagfondsen noodzakelijk.
 
Het stelsel inzake de uitbetaling van de Vlaamse kinderbijslag krijgt in een eerste fase vorm op basis van de hieronder beschreven principes.
 
a) De oprichting van een publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap dat de uitbetaling moet garanderen
 
Er wordt een publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap (verder EVA) opgericht, overeenkomstig het kaderdecreet Bestuurlijk Beleid van 18 juli 2003. Deze EVA heeft als doelstelling om de automatische uitbetaling van de kinderbijslag te garanderen en het beheer voor de financiering van de werking van de uitbetalingsactoren te regelen. Alle uitbetalingsactoren, zijnde de kinderbijslagfondsen en de publieke actor, worden overkoepeld door de EVA.
 
Deze EVA heeft minstens de volgende opdrachten:
  • instaan voor de automatische uitbetaling van de kinderbijslag in haar functie als publieke uitbetalingsactor;
  • het beheer van de middelen noodzakelijk voor de effectieve werking van de uitbetalingsactoren;
  • één gemeenschappelijke betaalmotor ontwikkelen en uitbouwen die het de uitbetalingsactoren mogelijk zal maken om de kinderbijslag op een efficiënte, automatische en correcte wijze uit te betalen. Deze betaalmotor wordt volledig afgestemd op het primair netwerk dat de datafluxen bevat op basis waarvan de betaalmotor de correcte bijdragen moet berekenen (primair netwerk dat wordt beheerd door Kind en Gezin cf. infra);
  • ondersteunen van de uitbetalingsactoren bij de rationalisering, het realiseren van efficiëntiewinsten ;
  • de klachtenbehandeling op de eerste lijn inzake de dienstverlening van de uitbetalingsinstanties;
  • het stroomlijnen van de dienstverlening en de implementatie hiervan in het kader van een geïntegreerd gezinsbeleid.
 
De werking van de EVA wordt geregeld via een beheersovereenkomst, die ingaat op 1 januari 2019 bij de overname van de bevoegdheden inzake kinderbijslag, met de Vlaamse Regering. In de beheersovereenkomst worden ook de werkingsmiddelen voor de EVA bepaald, zowel de werkingsmiddelen voor het overkoepelend orgaan EVA als de werkingsmiddelen voor de verschillende uitbetalingsactoren. De beheersovereenkomst legt de wederzijdse engagementen van de EVA en de Vlaamse Regering vast. Er wordt een eerste beheersovereenkomst afgesloten voor een periode van 4 jaar. Op basis van deze overeenkomst moet de EVA in staat zijn om de automatische uitbetaling in een Vlaams systeem te realiseren.
 
In de overeenkomst wordt ook bedongen dat de EVA met de vergunde uitbetalingsactoren afspraken maakt over een goed uitgewerkte loketfunctie. Deze functie is fysiek (via Huizen van het Kind), waarnaast ook contact op afstand (via telefoon, chat, mails, website, enz.) mogelijk zal zijn.
 
De EVA maakt met de uitbetalingsactoren afspraken over voldoende geografische bereikbaarheid en spreiding. Hierbij is er ook aandacht voor aanwezigheid, en ondersteuning van de ouders, in de Huizen van het Kind.
 
Na de afloop van de eerste beheersovereenkomst beslist de Vlaamse Regering, op basis van het afgelegde traject en een evaluatie, over de inhoud en modaliteiten van de volgende beheersovereenkomst. Hierbij zal overwogen worden om het geheel van de uitbetaling uit te laten voeren door de EVA.
 
De raad van bestuur van deze EVA zal bestaan uit gemandateerden namens de Vlaamse regering (conform het kaderdecreet bestuurlijk beleid), de gedelegeerde bestuurder die in opdracht van de Vlaamse regering belast is met het dagelijks bestuur, een vertegenwoordiger van Kind en Gezin en vertegenwoordigers van de vergunde private uitbetalingsactoren aangevuld met experten. Dit alles volgens de principes van deugdelijk bestuur.
 
Private uitbetalingsactoren
De private uitbetalingsactoren verzorgen, evenals de publieke uitbetalingsactor die een afdeling is binnen de EVA, de effectieve uitbetaling van de Vlaamse kinderbijslag. Deze private uitbetalingsactoren zullen op basis van een in de regelgeving vast te leggen procedure vergund worden door Kind en Gezin. Om een vergunning te bekomen zullen ze moeten voldoen aan de vergunningsvoorwaarden en de procedure om deze vergunning te bekomen, die nader worden uitgewerkt in het decreet Vlaamse kinderbijslag. De private uitbetalingsactoren nemen de vorm aan van een privaatrechtelijke vereniging met rechtspersoonlijkheid, die enkel taken in het kader van gezinsbeleid tot haar opdrachten heeft, waarvoor het bij wet verboden is haar leden een vermogensvoordeel te bezorgen, die opereert op het grondgebied van de Vlaamse Gemeenschap binnen een keuzemechanisme dat de bijslagtrekkende toelaat om vrij zijn uitbetalingsactor te kiezen. Hierbij zullen evenwel efficiëntiewinsten geboekt moeten worden.
 
De uitbetalingsactoren krijgen hun plaats in de EVA volgens de doelstellingen opgelegd door de Vlaamse Regering in de beheersovereenkomst. Inzake Europese regelgeving, zijn er voldoende argumenten om de rol van de uitbetalingsactoren te beschouwen als DAEB, waardoor het mogelijk is om hun werking te regelen door middel van de instrumenten vergunning en subsidiëring, met respect voor de EU-staatssteunregels.
 
Publieke uitbetalingsactor
De publieke uitbetalingsactor wordt ondergebracht in de EVA. Het personeelsbestand van de publieke uitbetalingsactor zal opgebouwd worden uit ambtenaren die overkomen van FAMIFED.
 
b) Kind en Gezin als regisseur
Kind en Gezin neemt de rol op van regisseur en neemt voldoende personeel over van FAMIFED om deze rol te kunnen vervullen. Dit wil zeggen dat Kind en Gezin geen operationele taken met betrekking tot de uitbetaling van de kinderbijslag opneemt. Hierdoor wordt de door de kosten-batenanalyse gevraagde functiescheiding tussen regisseur en actor bereikt.
 
Kind en Gezin staat in voor de beleidsontwikkeling inzake het nieuwe kinderbijslagsysteem en de handhaving ervan. We denken hierbij concreet aan de voorbereiding van de regelgeving, het uitreiken van de vergunningen aan de uitbetalingsactoren, het opzetten van een kwaliteitssysteem, de doorstorting van de middelen voor de uitbetaling van de gezinsbijslagen en de integratie van de kinderbijslag in het gezinsbeleid.
 
Kind en Gezin zal het platform ontwikkelen, uitbouwen en beheren dat het mogelijk maakt om het primair netwerk van de kinderbijslag te realiseren. Dit primair netwerk zorgt dat de noodzakelijke gegevensuitwisseling van zowel Vlaamse als federale authentieke gegevensbronnen ontvangen kan worden. De ontwikkeling van dit platform voor het primair netwerk zal in overleg met het Agentschap Informatie Vlaanderen gebeuren. Het toezicht op de uitbetalingsinstellingen op zich zal gebeuren door de Zorginspectie die ingebed is in het departement Welzijn, Volksgezondheid en Gezin.
 
De Vlaamse regering sluit een beheersovereenkomst met de EVA die de uitbetalingsinstellingen groepeert, in eerste instantie voor 4 jaar. Dit geeft ons de kans om het systeem in de beginfase systematisch te evalueren. De voorbereiding van deze beheersovereenkomst gebeurt door Kind en Gezin. De operationalisering van de evaluatie neemt Kind en Gezin op, in opdracht van de Vlaamse regering.
 
c) Rationalisering
 
We laten de markt spelen bij de toekenning van maximum 4 vergunningen van de private uitbetalingsactoren. De 4 vergunde private uitbetalingsactoren die opgenomen worden in de EVA (wat op zich een vergunningsvoorwaarde zal uitmaken) zullen efficiëntiewinst moeten boeken. We onderzoeken hierbij hoe en onder de vorm van welke incentive we de bestaande uitbetalingsactoren kunnen aanspreken in een oefening naar deze schaalvergroting en consolidatie. Vanzelfsprekend moet dit de toets van de Europese regelgeving ter zake kunnen doorstaan. Naast (financiële) responsabilisering zijn klantvriendelijkheid en kwalitatieve dienstverlening basisprincipes, die van toepassing zullen zijn op alle uitbetalingsactoren.
 
Daarnaast zullen alle uitbetalingsactoren gebruik maken van een gemeenschappelijk ICT-systeem (elektronische gegevensdeling, fluxen,…) van de EVA, hiervoor bouwen we 1 ICT-platform uit in samenwerking met de EVA. De bouw en aldus de regie van dit ICT-systeem zal opgenomen worden door Kind en Gezin. Verder wordt ook de nieuwe betaalmotor uitgebouwd in overleg met de uitbetalingsactoren, waarbij aandacht wordt besteed aan het mogelijk hergebruiken van (onderdelen van) huidige ICT-applicaties. Dergelijk hergebruik zal bekeken worden in het licht van de finaliteit van de nieuwe Vlaamse kinderbijslag.
 
De EVA zal de risico’s in kaart brengen die gepaard gaan met deze rationalisering. Zo zal de EVA onder andere het sociaal risico securiseren en nagaan of en hoe hun engagementen en aansprakelijkheid op een betaalbare wijze overgenomen kunnen worden.
 
De private uitbetalingsactoren kunnen als afzonderlijke, onafhankelijke rechtspersoon, zoals zij dat nu doen, aankopen, ICT-ondersteuning, huurcontracten, … organiseren in een samenwerkingsverband met andere rechtspersonen. Hierbij zullen er bepaalde onverenigbaarheden geformuleerd worden, zoals het opnemen door een private uitbetalingsinstelling van taken in het kader van het gezondheidsbeleid als mutualiteit, als vakbond in het kader van werkloosheid of als zorgkas binnen de Vlaamse Sociale Bescherming.
 
Hierna vindt u de schematische weergave van de EVA:
 
 

d) Keuzemechanisme

De bijslagtrekkende moet voor de opstart van het nieuwe systeem een keuze maken uit de publieke en vergunde uitbetalingsactoren. Dit keuzemechanisme zal geregeld worden bij decreet. Indien de bijslagtrekkende dergelijke keuze niet binnen een te bepalen termijn maakt, wordt de betaling opgenomen door de publieke uitbetalingsactor. Na een overgangsfase en periode van stabilisering zal elke bijslagtrekkende opnieuw vrij zijn uitbetalingsinstelling kunnen kiezen. Op deze manier garanderen we, in eerste instantie, de continuïteit in de uitbetaling.

In het kader van een gecoördineerde rationalisering van de kinderbijslagfondsen zullen in het Comité ad hoc afspraken moeten worden gemaakt om deze dossiermarkt te stabiliseren:

  • Het invoegen van een mechanisme dat een fusie mogelijk maakt, waarbij alle dossiers van de fuserende fondsen worden aangehouden;
  • Vanaf een bepaalde datum wijzigingen van werkgevers naar een ander kinderbijslagfonds bevriezen;
  • Vanaf dezelfde bepaalde datum enkel nieuwe werkgevers nog laten aansluiten bij een kinderbijslagfonds naar keuze.

Op deze manier kan de overstap uit het huidige systeem vanuit een gestabiliseerde dossiermarkt gebeuren die niet meer onderhevig is aan grote wijzigingen.

e) Oprichting van de EVA

De oprichting van de EVA vanuit de bestaande realiteiten van de huidige kinderbijslagfondsen en de publieke actor bij FAMIFED, vraagt de nodige transitie. Hiertoe zal een transitiemanager worden aangesteld die in nauwe samenwerking met de huidige kinderbijslagfondsen tot de oprichting van de EVA zal komen. Een eerste stap hierbij is de voorbereiding van een decreet tot oprichting van de EVA. Na deze transitieperiode en bij de definitieve oprichting van de EVA vervalt de functie van de transitiebegeleider en duidt de Vlaamse Regering volgens de geijkte procedure de leidend ambtenaar van de EVA aan, die deze rol overneemt .

7. Timing

Naast de keuze voor het een uitbetalingssysteem van een nieuwe Vlaamse kinderbijslag, moet ook de timing vastgelegd worden voor de concrete overname van FAMIFED. De bijzondere wet tot hervorming der instellingen die aangepast werd om de zesde staatshervorming te realiseren voegt een nieuw artikel 94, § 1bis, in dat gaat als volgt:

§ 1. Onverminderd het bepaalde in artikel 83, § 2 en 3, blijven de overheden die door de wetten en verordeningen met bevoegdheden belast zijn die onder de Gemeenschappen en de Gewesten ressorteren, die bevoegdheden uitoefenen volgens de procedures door de bestaande regels bepaald, zolang hun Parlementen en hun Regeringen die regels niet hebben gewijzigd of opgeheven.

§ 1bis. In afwijking van paragraaf 1 en uiterlijk tot 31 december 2019, blijven de instellingen die belast zijn met het administratief beheer en de uitbetaling van de gezinsbijslagen, tegen volledige vergoeding, belast met hun taken.

Zolang deze instellingen belast blijven met hun taken, kan noch een gemeenschap noch de Gemeenschappelijke gemeenschapscommissie wijzigingen aan de essentiële elementen van dit administratief beheer en van deze uitbetaling of aan de regels ten gronde die eensignificante impact hebben op het administratief beheer of de uitbetaling, in werking laten treden.

Tussen de inwerkingtreding van onderhavige wet en het ogenblik dat alle gemeenschappen en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie overeenkomstig het derde lid instaan voor het administratief beheer en de uitbetalingen van de gezinsbijslagen, kunnen wijzigingen aangebracht worden aan de essentiële elementen van de modaliteiten van het administratief beheer en van deze uitbetaling of aan de regels ten gronde die een significante impact hebben op het administratief beheer of de betaling van de gezinsbijslagen, door de gemeenschappen en de gemeenschappelijke gemeenschapscommissie via een Samenwerkingsakkoord. Deze wijzigingen zijn toepasselijk ten aanzien van de gemeenschappen en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie die nog niet zelf instaan voor het administratief beheer en de uitbetaling.

Elke gemeenschap en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie staat vanaf 1 januari 2020, zelf of via instellingen die zij opricht of erkent, volledig in voor het administratief beheer en de uitbetaling van de gezinsbijslagen. Een Gemeenschap of de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie kan evenwel, elk wat hem betreft, beslissen om het administratief beheer en de uitbetaling van de gezinsbijslagen eerder te verzekeren door haarzelf of door instellingen die zij opricht of erkent. In dit geval notificeert zij deze beslissing aan de Federale Staat ten minste negen maanden voor de overname. De overname gebeurt per 1 januari en ten vroegste op 1 januari 2016.

De gemeenschappen en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie sluiten een Samenwerkingsakkoord over de uitwisseling van gegevens of de centralisering ervan. In zoverre het Samenwerkingsakkoord betrekking heeft op de periode vóór 1 januari 2020 is de federale overheid eveneens partij. Zolang dit Samenwerkingsakkoord, niet afgesloten is, blijven de openbare instellingen bedoeld in het eerst lid instaan voor het administratief beheer van de uitwisseling en de centralisering van de gegevens.

In geval van toepassing van de laatste zin van het vorige lid, kan een besluit, vastgesteld na overleg in de Ministerraad, bepalen welke overheidsinstelling het administratief beheer van de uitwisseling en de centralisering van de gegevens verderzet.”

We verankeren de invoering van het groeipakket decretaal met ingang van 1 januari 2019. We zijn ons bewust van de nood aan absolute garanties voor continuïteit enerzijds, maar de afhankelijkheid van verschillende externe factoren anderzijds, waaronder de opmaak van samenwerkingsakkoorden en de realisatie van een goed werkend ICT-systeem.

Deel V. Het budgettair kader

We schetsen het budgettair kader. Indien tijdens de transitie budget vrijkomt zal dit opnieuw ingezet worden om het systeem in zijn facetten verder uit te bouwen.

Om het budget en de budgettaire consequenties in de transitie en bij de uitrol van het nieuwe systeem op te volgen zal een monitoringcomité opgestart worden. Dit monitoringcomité gaat van start in 2017 de schoot van Kind en Gezin. In het monitoringcomité wordt een vertegenwoordiging voorzien van de bevoegde minister, de minister-president en de vice-minister-presidenten, alsook van externe experten en minstens een vertegenwoordiging vanuit financiën en begroting en onderwijs opgenomen.

1e en 2e pijler – Basisbedrag + zorgtoeslag + sociale toeslag

Het beschikbaar budget voor de gezinsbijslag bedraagt in 2019 3.436.355.902 euro en wordt als volgt berekend op basis van de meerjarenbegroting constant beleid (op basis van MJR FAMIFED):

Budget 2019 in MJR                                            3.526.342.522
Budget dat apart wordt gehouden: -299.092.612
Budget toeslag voor kinderen met een handicap (art 47) 125.896.306
Budget toeslag pleeggezinnen (art 70 ter) 2.055.156
Budget schoolpremie (art 44 ter) 81.758.241
Budget geboorte- en adoptiepremie 73.616.692
Regularisaties sociaal verzekeringsfondsen 2.440.000
Kinderbijslagfondsen- toelage 1,5 % van teruggevorderde gezinsbijslag 227.000
Uitzonderlijke ontvangsten -2.000
Indexering inkomensplafond met 1,25% -zat nog niet in MJR2018 1.150.574
Budget plus 25-jarigen 11.950.644
Totaal beschikbaar budget 2019 beschikbaar voor simulatie zonder indexsprongen 3.227.249.910
Twee indexsprongen 139.105.992
Spilindexoverschrijding mei 2016 70.000.000
Totaal beschikbaar budget 2019 beschikbaar voor simulatie 3.436.355.902

Dit budget is als volgt samengesteld (ook het budget 2019 en 2020 wordt hierbij weergegeven):

Samenstelling beschikbaar budget 2019-2020    
Omschrijving budget 2019  budget 2020
basiskinderbijslag MJR (art 40) 2.555.595.557 2.575.075.472
Toeslag langdurig werklozen/gepensioneerden (artikel 42 bis) 36.957.691 37.264.114
Toeslag voor invalide werknemers (artikel 50ter) 45.170.032 45.565.587
Toeslag eenoudergezinnen (artikel 41) 33.923.577 34.129.008
budget wezen MJR (artikel 50 bis) 88.833.421 88.969.196
leeftijdstoeslagen MJR 483.565.043 494.902.038
budget Vlaanderen van plus 25-jarigen -11.950.644 -11.592.766
twee indexsprongen 139.105.992 139.105.992
bijstelling bij begrotingsaanpassing 2016 (die werd doorgerekend in MJR) -4.844.767 -4.844.767
Beschikbaar budget gezinsbijslag 3.366.355.902 3.398.573.873
spilindexoverschrijding mei 2016 verhoogt beschikbaar budget met 2% 70.000.000 70.000.000
Geïndexeerd budget gezinsbijslag 3.436.355.902 3.468.573.873

De indexsprong 2015 wordt opnieuw in het systeem ingebracht. Nu reeds wordt aangekondigd dat een eerstvolgende indexoverschrijding niet wordt toegekend en dat het budget ook in het systeem komt. Dit zal decretaal worden vastgelegd.

Het aantal kinderen uit de simulatie werd afgestemd met aantal kinderen waarmee FAMIFED rekende in zijn meerjarenraming. Dit is nodig opdat uitgavenbudget FAMIFED uit meerjarenraming vergelijkbaar zou zijn met de simulaties.

Voor 2019 wordt er uitgegaan van een budget van 3.436.355.902 euro. Hiervan gaat 3.091.150.132 euro naar het universele luik en 345.205.769 euro naar het selectieve luik voor de sociale toeslagen. Uit de gevoerde simulaties blijkt dat na de toepassing van de nieuwe sociale toeslagen en de nodige correctiemechanismes, er 122,5 miljoen euro marge blijft (2019). Ook voor de volgende twintig jaren vindt u de evolutie van het benodigd budget zonder sociale toeslagen hieronder terug:

             
  Aantal kinderen Kost nieuw systeem (enkel 160, maar voor nieuwgeborenen voor helft jaar meegeteld) Kost oud systeem Totaal kost (nieuw helft vh jaar) Beschikbaar budget Marge voor sociale toeslagen

2019

35.714,00 68.570.880,00 3.022.579.252,12 3.091.150.132,12 3.436.355.901,52 345.205.769,40

2020

107.887,00 207.143.040,00 2.895.843.322,49 3.102.986.362,49 3.468.573.873,18 365.587.510,69

2021

180.744,50 347.029.440,00 2.772.784.440,17 3.119.813.880,17 3.495.857.629,22 376.043.749,06

2022

253.440,50 486.605.760,00 2.650.951.044,68 3.137.556.804,68 3.517.282.226,44 379.725.421,75

2023

325.906,00 625.739.520,00 2.531.442.181,98 3.157.181.701,98 3.534.688.880,43 377.507.178,46

2024

398.112,50 764.376.000,00 2.413.038.270,67 3.177.414.270,67 3.546.053.995,04 368.639.724,36

2025

470.064,50 902.523.840,00 2.295.214.273,04 3.197.738.113,04 3.554.185.609,96 356.447.496,92

2026

541.777,50 1.040.212.800,00 2.157.869.896,56 3.198.082.696,56 3.555.919.361,29 357.836.664,73

2027

613.286,50 1.177.510.080,00 2.018.066.231,27 3.195.576.311,27 3.558.573.171,27 362.996.860,00

2028

684.651,50 1.314.530.880,00 1.876.702.096,26 3.191.232.976,26 3.558.690.172,76 367.457.196,51

2029

755.950,00 1.451.424.000,00 1.734.081.281,01 3.185.505.281,01 3.561.442.370,61 375.937.089,60

2030

827.275,50 1.588.368.960,00 1.589.961.633,44 3.178.330.593,44 3.566.957.402,80 388.626.809,37

2031

898.744,50 1.725.589.440,00 1.445.895.685,46 3.171.485.125,46 3.576.009.075,40 404.523.949,93

2032

970.470,50 1.863.303.360,00 1.290.531.559,74 3.153.834.919,74 3.586.547.201,45 432.712.281,71

2033

1.042.540,00 2.001.676.800,00 1.135.965.283,93 3.137.642.083,93 3.599.999.731,23 462.357.647,30

2034

1.115.020,00 2.140.838.400,00 983.959.137,10 3.124.797.537,10 3.613.058.710,53 488.261.173,43

2035

1.187.949,50 2.280.863.040,00 837.020.855,10 3.117.883.895,10 3.624.484.984,76 506.601.089,66

2036

1.261.325,00 2.421.744.000,00 694.527.310,81 3.116.271.310,81 3.633.698.864,21 517.427.553,39

2037

1.335.108,50 2.563.408.320,00 558.038.964,63 3.121.447.284,63 3.640.498.255,40 519.050.970,77

Algemene opmerking : De simulaties en budgettaire berekeningen die gedaan zijn, gebeuren binnen een budgetneutraal kader. De simulatiebestanden zijn echter gebaseerd op een geconstrueerd bruto-belastbaar inkomen uit arbeid én vervangingsinkomens, en dus niet op het breed inkomensbegrip. Dit betekent dat de simulaties wellicht een budgettair veilige raming impliceren. Het is wel nog onduidelijk wat het overschatten van begunstigden op een (hoge) inkomenstoeslag aan budgetmarge genereert.

3e pijler – Participatietoeslag

Beschikbare budget

Het beschikbare budget voor de derde pijler bedraagt 219 miljoen euro. Dit budget is samengesteld uit de huidige schoolpremie van 80 miljoen euro, de huidige schooltoelagen van 82 miljoen euro en 57 miljoen euro marge uit het totale budget van de kinderbijslag.
  Universeel Selectief
Schoolpremie 72,4 miljoen euro 7,6 miljoen euro
Schooltoelagen   82 miljoen euro
Extra investering 20,1 miljoen euro 36,9 miljoen euro
TOTAAL                     219 miljoen euro   

Onderstaande tabel geeft het overzicht van hoe het budget voor de derde pijler wordt ingezet.

Besteding

Universeel

Universele participatietoeslag (0-2 jaar)             2,7 miljoen euro Kinderopvangtoeslag                                         13,9 miljoen euro (25.000 pl x 176 dagen x 3,17euro) Kleutertoeslag (3-4 jaar)                                     21 miljoen euro Universele participatietoeslag Kleuteronderwijs (5 jaar)                                    2,5 miljoen euro lager onderwijs                                                  15,5 miljoen euro secundair onderwijs                                          20,7 miljoen euro hoger onderwijs                                                 16,2 miljoen euro

Selectief

Selectieve participatietoeslag20 Kleuteronderwijs                                               5,6 miljoen euro Lager onderwijs                                                 23,3 miljoen euro Secundair onderwijs                                          86,8 miljoen euro Hoger onderwijs                                                2,7 miljoen euro Studietoelage HBO5                                           8 miljoen euro

TOTAAL                                                             219 miljoen euro

Operationeel

Naast de (verhoging/compensatie van de) bedragen van de gezinsbijslagen, zullen er nog middelen moeten vrijgemaakt worden om een nieuw IT-systeem te kunnen uitbouwen. Uitgaande van de ontwikkelingskost van ITINERA (17 miljoen euro), wordt ingeschat dat de kostprijs van een nieuw systeem tot 10 miljoen euro zou kunnen belopen. We stellen voor om dit budget te imputeren op het reservefonds van FAMIFED.

In afwachting van een operationalisering van de wijze waarop de gezinsbijslagen in Vlaanderen gestalte zullen krijgen in de toekomst, kunnen we in 2016 al een aantal generieke bouwblokken realiseren die we in elk geval zullen nodig hebben, hoe de processen ook uitvoering zullen krijgen.

Deze generieke bouwblokken zijn:

  • De mogelijkheid voor de burger om toegang te krijgen tot het systeem via een aanvraag/portaalfunctie;
  • Identificatie en dossiervorming op basis van een klantenbeheersysteem, die ook toegankelijk is voor de burger;
  • Databankbeheer, bij voorkeur op basis van niet licentiegebonden software;
  • Aankoppeling aan e-services (gezinskenmerken, inkomen, etc.) en andere (beschikbare) dossiergegevens, noodzakelijk voor de dossieropbouw, in de vorm van een servicebus;
  • Aankoppeling aan een generiek kadaster, noodzakelijk om de verdelingsregels over de Gemeenschappen te bepalen en uit te voeren;
  • Uitbetalingsmodule.

De bouw van de generieke bouwblokken wordt uitgevoerd met het oog op het maximaal mogelijk maken van elektronische dienstverlening en in overleg met het Agentschap Informatie Vlaanderen.

Als investeringskost in 2016 ramen we 4 à 5 miljoen euro. Dit dient om de architectuur vast te leggen en de noodzakelijke generieke bouwblokken te bouwen of te voorzien. Afhankelijk van de stand van zaken na een zestal maanden werking, kan een inschatting gemaakt van de kostprijs voor het vervolg van de ontwikkeling. In 2017 staan dan het voorzien van proces- en controleflows binnen het systeem gepland.

Het is onze overtuiging dat deze middelen moeten vrijgemaakt worden uit de reserves waar Vlaanderen recht op heeft (door overschot op werkingsbudget), maar die momenteel nog bij FAMIFED worden bijgehouden.

Deel VII. De samenwerkingsakkoorden

De entiteiten bevoegd voor kinderbijslag zullen in het kader van interregionale samenwerking, zowel tijdens de transitiefase als na de overdracht van de bevoegdheden inzake kinderbijslag, afspraken dienen te maken via samenwerkingsakkoorden- of protocol. Hierbij geven we een kort overzicht van de verschillende onderwerpen die deel zullen uitmaken van dergelijke akkoorden of protocollen. Dit is een noodzakelijke (maar geen exhaustieve) lijst waarvan de uitwerking de nodige tijd in beslag zal nemen in de onderhandelingen tussen de gemeenschappen. Samenwerkingsakkoord over:

  • Personeel toepassingsgebied van de regelgevingen van de entiteiten na de overgangsperiode (incl. voorrangsregels, gezamenlijk gezinsbegrip, gezamenlijk begrip omtrent domicilie en feitelijke woonplaats;
  • Het beheer van het kadaster en het centraliseren van de gegevens (incl. oprichting interregionaal orgaan en kadaster – zie ook verder bij ‘gegevensdeling – kadaster’);
  • Gegevensuitwisseling tussen de entiteiten (incl. provisionele betalingen en terugvordering).

Samenwerkingsprotocol (indien mogelijk) over:

  • Verrijking huidig kadaster tijdens transitiefase (zie ook verder bij ‘gegevensdeling – kadaster);
  • Afspraken m.b.t. cumulbetalingen tussen deelentiteiten;
  • Europees en internationaal (rol van de deelentiteiten in de internationale context);
  • De overname van de kinderbijslagfondsen (incl. afspraken ivm verdeling reserves);
  • De overdracht van FAMIFED (incl. verdeelsleutel personeel);
  • Modaliteiten van overgang (bv. i.v.m. bevriezing en gelijkschakeling van betalingsperiodes).

​Beslissing

De Vlaamse Regering neemt akte van deze conceptnota en beslist:

1° om de uitrol van een Vlaams uitbetalingsstelsel kinderbijslag verder legistiek uit te werken op basis van deze conceptnota;

2° om de Vlaamse minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin het mandaat te geven om te communiceren over de inhoud van deze conceptnota en de minister van Onderwijs voor wat betreft het luik inkanteling van de schooltoelage;

3° om de Vlaamse minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin het mandaat te geven om de noodzakelijke onderhandelingen te voeren met de federale overheid en de andere gemeenschappen op basis van de standpunten die binnen de Vlaamse Regering worden ingenomen;

4° advies te vragen aan de SERV, de SAR WGG en de VLOR voor wat de integratie van de schooltoelagen betreft;

5° een uitgebreide armoedetoets uit te voeren op de globaliteit van het nieuwe systeem en de overgangsperiode.

 

                                             De Viceminister-president van de Vlaamse Regering, De Vlaamse minister van Onderwijs

 

                                                                                                      Hilde CREVITS

 

                                                            De Vlaamse minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin

 

                                                                                                   Jo VANDEURZEN

 

Bijlage

Bijlage samenwerkingsakkoorden

Situering

De entiteiten bevoegd voor kinderbijslag zullen in het kader van interregionale samenwerking, zowel tijdens de transitiefase als na de overdracht van de bevoegdheden inzake kinderbijslag, afspraken dienen te maken via samenwerkingsakkoorden- of protocol21.

Deze bijlage biedt een overzicht van de verschillende onderwerpen die deel zullen uitmaken van dergelijke akkoorden of protocollen. Dit is een noodzakelijke, maar niet noodzakelijk exhaustieve, lijst waarvan de uitwerking de nodige tijd in beslag zal nemen in de onderhandelingen tussen de gemeenschappen.

1. Overdracht van bevoegdheden

De deelentiteiten zullen onderling afspraken moeten maken om de coördinatie van de verschillende regelgevingen te verzekeren na de overdracht van de bevoegdheden inzake kinderbijslag. Hiertoe dienen enkele fundamentele rechtsregels te worden opgenomen in een samenwerkingsakkoord, alsook enkele praktische afspraken te worden gemaakt, waar mogelijk via samenwerkingsprotocol.

Fundamentele rechtsregels

Personeel toepassingsgebied

De deelentiteiten dienen voorrangsregels te bepalen zodat wordt verzekerd dat een kind niet meermaals kinderbijslag ontvangt wanneer het op grond van de respectievelijke regelgevingen inzake kinderbijslag in verschillende deelentiteiten een recht op gezinsbijslagen zou hebben.

Deze voorrangsregeling dient een cascade in zich te hebben zodat een voorgaande regel de toepassing van een volgende regel uitsluit. Verder dient deze voorrangsregeling regels te omvatten die de toepassing van de Europese Verordening inzake samenloop mogelijk maken op kinderen die niet in Vlaanderen wonen.

Een mogelijke voorrangsregeling in cascade hiertoe lijkt: 1° domicilie van het kind; 2° feitelijke woonplaats van het kind; 3° de lokalisatie in de entiteit van de vestigingseenheid of, wanneer dat gegeven niet beschikbaar is, van de exploitatiezetel van de huidige werkgever of van de laatste werkgever van de rechthebbende in het kader van samenloop tussen lidstaten van de EU; 4° de wettelijke woonplaats of de laatste wettelijke woonplaats in de entiteit van de rechthebbende in het kader van samenloop tussen lidstaten van de EU. De deelentiteiten zullen een aan derden tegenstelbaar samenwerkingsakkoord hieromtrent moeten opstellen. Zij zullen hierin ook een gezamenlijk gezinsbegrip, alsook een gezamenlijk begrip omtrent domicilie en feitelijke woonplaats, dienen te voorzien zodat gecoördineerd kan opgetreden worden in het kader van de internationale verplichtingen.

 Het beheer van het kadaster en het centraliseren van de gegevens

Art. 94 §1bis van de Bijzondere Wet van 8 augustus 1980 tot hervorming van de instellingen bepaalt dat de deelentiteiten dienen samen te werken op het vlak van gegevensdeling, via een samenwerkingsakkoord.

Dit samenwerkingsakkoord leidt tot de oprichting van een interregionaal orgaan met beperkte rechtspersoonlijkheid met de volgende bevoegdheden: 1. beheer centraal kadaster; 2. verbindingsorgaan (internationaal), aanspreekpunt en doorverwijsorgaan (bv. verschilbetalingen); 3. cel bevoegdheidsconflicten (minimaal: over voorrangstoepassing).

Volgende onderwerpen zullen in dit samenwerkingsakkoord moeten worden behandeld:

  • oprichting van een interregionaal kadaster in het kader van de internationale verplichtingen die de deelentiteiten hebben (Europa en bilateraal, geschoeid op socioprofessionele leest);
  • oprichting van een verwijzingsrepertorium dat cumulbetalingen tussen de deelentiteiten kan vermijden;
  • wijze van financiering en invullen personeelskader interregionaal orgaan;
  • omschrijven bevoegdheden interregionaal orgaan;
  • beheer interregionaal orgaan in samenwerking tussen de deelentiteiten.

De praktische modaliteiten hieromtrent zullen moeten uitgewerkt worden, indien mogelijk via samenwerkingsprotocol.

Praktische afspraken

De gegevensuitwisseling tussen de entiteiten

De deelentiteiten zullen moeten onderling vastleggen op welke manier (al dan niet elektronisch) en op welke termijn (al dan niet onmiddellijk) een dossier van de ene naar de andere entiteit kan worden overgedragen in een samenwerkingsakkoord. Hiertoe zullen praktische afspraken moeten worden vastgelegd in verband met provisionele betalingen en terugvorderingen22.

De deelentiteiten zullen in een samenwerkingsprotocol moeten vastleggen hoe de cumulbetalingen zullen vermeden worden door procedures op te stellen die vast leggen wanneer een deelentiteit al dan niet mag betalen (voorafgaande controle kadaster deelentiteiten).

De deelentiteiten zullen ook onderling afspraken moeten maken in een samenwerkingsprotocol met betrekking tot de vertegenwoordiging voor het Grondwettelijk Hof in zaken waarbij meerdere entiteiten betrokken zijn, of het een zaak met een Europeesrechtelijke of internationale context betreft.

Europees en internationaal: de rol van de deelentiteiten in de internationale context

De deelentiteiten zullen onderling afspraken moeten maken in een samenwerkingsprotocol met betrekking tot de vertegenwoordiging voor het Hof van Justitie en internationale rechtbanken. Zij zullen ook afspraken moeten maken over het aanspreekpunt voor Europese lidstaten en landen waarmee een bilateraal akkoord werd afgesloten.

De deelentiteiten kunnen ook onderling regels vastleggen met betrekking tot het afsluiten van verdragen inzake gezinsbijslagen. Zij zullen ook onderling afspraken dienen te maken hoe zij de bevoegdheden inzake het afsluiten van administratieve uitvoeringsbesluiten in het kader van bilaterale verdragen en Europese verordeningen/richtlijnen zullen opnemen.

2. Transitiefase (voor inkanteling bevoegdheid

Verrijking huidig kadaster

De deelentiteiten dienen via samenwerkingsprotocol afspraken te maken met betrekking tot de verrijking van het huidige kadaster. Om de overname van dossiers te faciliteren en eenvlotte uitbetaling te garanderen, zullen de deelentiteiten in een samenwerkingsprotocol de toevoeging van volgende gegevens aan het huidige kadaster moeten opnemen:

  • Regiocode om het kind te kunnen toewijzen aan een entiteit (informatie enkel in informaticatoepassingen kinderbijslagfondsen beschikbaar);
  • Link van het kind met de bijslagtrekkende (huidig kadaster zegt niet voor welk kind, welke bijslagtrekkende in een dossier kinderbijslag ontvangt);
  • Basisbedrag dat wordt betaald in hoofde van het kind;
  • Sociale toeslag die wordt betaald in hoofde van het kind;
  • Aanduiding link Europa, met toevoeging van voorrangs- of verschilbetaling;
  • Aanduiding link bilaterale verdragen.

Deze elementen kunnen vanuit dit verrijkte kadaster toegevoegd worden aan het interregionaal kadaster (dossiers met link Europa of bilaterale verdragen) of aan de kadasters van de respectievelijke entiteiten (dossiers op basis domicilie van het kind).

De overname van de kinderbijslagfondsen

De deelentiteiten dienen, bij voorkeur via samenwerkingsprotocol indien mogelijk, afspraken te maken over (niet-exhaustieve opsomming):

  • de wijze waarop de nationaal georganiseerde vzw’s al dan niet zullen functioneren binnen de geregionaliseerde gezinsbijslagen;
  • mogelijkheden voor de kinderbijslagfondsen om te fusioneren tijdens de transitiefase (stabilisering dossiermarkt met mogelijkheid tot collectieve overname van dossiers door een fonds);
  • verdeling van de reserves van de kinderbijslagfondsen (verdeelsleutel te bepalen: aandeel kinderen 0-18 jaar, aantal kinderen per entiteit per kinderbijslagfonds,…);
  • bestemming van de reserves (vzw met gelijkaardige doelstelling, cfr. vzw – wetgeving, of andere bestemming);
  • de wijze waarop een eventueel sociaal passief wordt opgevangen;
  • de wijze waarop de personeelsleden, goederen, gebouwen, reserves, rechten en verplichtingen van de vrije kinderbijslagfondsen al dan niet worden overgedragen naar de deelentiteiten.

De overdracht van FAMIFED

De deelentiteiten dienen, bij voorkeur via samenwerkingsprotocol indien mogelijk, afspraken te maken over (niet-exhaustieve opsomming):

  • de opheffing van FAMIFED;
  • verdeelsleutel personeel over deelentiteiten;
  • de overdracht van de nodige taken aan het interregionaal coördinatiecentrum;
  • de overdracht van de taken van beheer en uitbetaling van de gezinsbijslag aan de Vlaamse Gemeenschap, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie (GGC), het Waals Gewest en de Duitstalige Gemeenschap, ieder wat hem/haar betreft.
  • de machtiging aan de Koning voor de overdracht van gebouwen (de gebouwen in Vlaanderen en de opbrengst van de verkoop van de gebouwen in Brussel (verdeelsleutel te kiezen) dienen naar Vlaanderen te gaan), overige goederen en rechten en verplichtingen aan de Vlaamse Gemeenschap, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, het Waals Gewest en de Duitstalige Gemeenschap, ieder wat hem/haar betreft;
  • de machtiging aan de Koning voor de bepaling van de nadere regels inzake overdracht van personeelsleden en de nodige maatregelen ter vrijwaring van de rechten van het personeel, na overleg met de representatieve vakbondsorganisaties, aan de Vlaamse Gemeenschap, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, het Waals Gewest en de Duitstalige Gemeenschap, ieder wat hem/haar betreft;
  • de machtiging aan de Koning voor de vereffening;
  • het vervullen van de federale archiefverplichtingen die gelden voor documenten tot aan de overname van de bevoegdheden inzake kinderbijslag.

Modaliteiten van overgang

De deelentiteiten dienen, bij voorkeur via samenwerkingsprotocol indien mogelijk, afspraken te maken over (niet-exhaustieve opsomming):

  • Eventuele bevriezing en gelijkschakeling van betalingsperiodes om een overgang te faciliteren;
  • Bevriezing van een periode vanaf wanneer een werkgever niet meer van kinderbijslagfonds kan veranderen. De bijslagtrekkende blijft aangesloten bij dit fonds tot aan de overdracht van de bevoegdheden inzake kinderbijslag.
  • 1. bronnen: http://flandre.famifed.be/sites/default/files/publications/VijfGenerati… en cijfers FAMIFED (2014)
  • 2. http://www.plan.be/admin/uploaded/201404150736290.FORPOP1360_10697_N.pdf
  • 3. http://www4.vlaanderen.be/sites/svr/publicaties/Publicaties/webpublicat…
  • 4. http://www4.vlaanderen.be/dar/svr/afbeeldingennieuwtjes/demografie/bijl…
  • 5. bron: http://www.plan.be/admin/uploaded/201404150736290.FORPOP1360_10697_N.pdf
  • 6. het gaat om een relatief grote groep van de Vlaamse gezinnen: tussen de 10 en 12% van de kinderen woont bij ouders die niet-geregistreerd samenwonen (zie Corijn (2012), Ghysels, J. en Van Lancker, W. (2011).
  • 7. bv. 2 vrienden die samenwonen: worden niet beschouwd als ‘samen een huishouden regelen’.
  • 8. In de huidige kinderbijslagwetgeving is het bijvoorbeeld mogelijk om een vermoeden van een feitelijk gezin te weerleggen op basis van het rijksregister of officiële documenten en, als dat niet volstaat, alle rechtsmiddelen die objectief bewijs kunnen leveren (zoals geregistreerde huurovereenkomsten, registratieformulier van een mantelzorger, beschikkingen van het vredegerecht, controles ter plaatse, et cetera).
  • 9. huidig inkomensbegrip is niet zo breed ingevuld, wat impliceert dat er hoger bereik is (gezinnen vallen sneller onder drempel).
  • 10. Een studie van Defever e.a. (2013) toont aan dat een scheiding in jaar T een inkomensverlies voor zowel mannen als vrouwen tot gevolg heeft in de daaropvolgende 2 jaren. Vanaf het 3e jaar stijgt het inkomen bij mannen opnieuw zodat ze uiteindelijk meer verdienen dan voor de scheiding het geval was; bij vrouwen is dat over het algemeen niet het geval. Bovendien zijn alleenstaande ouders over het algemeen alleenstaande moeders. Het is dus van belang om adequaat op dergelijke wijzigingen in de gezinssamenstelling in te spelen (Van Lancker, Vinck & Verbist, CSB)
  • 11. Van Lancker W., Vinck J. & Verbist G. (2016), ‘Een empirisch onderzoek naar de betaalbaarheid en wenselijkheid van hervormingen in de toekomstige Vlaamse kinderbijslag’, CSB, in opdracht van Steunpunt WVG.
  • 12. Berekeningen uitgevoerd door het Centrum voor Sociaal Beleid.
  • 13. Cijfers FAMIFED
  • 14. De toekenning van het BOB is afhankelijk van de jaarlijkse hiertoe beschikbaar gestelde kredieten.
  • 15. Als we kijken naar de inkomensdrempel in huidige systeem (€28.627,8 per jaar), zonder rekening te houden met statuten, stijgt het bereik van de Vlaamse gezinnen met kinderen van 12% naar 20,7% (o.b.v. cijfers KSZ)
  • 16. Bogaerts K, e.a. (2014) “De sociale doelmatigheid van financiële tegemoetkomingen voor studenten: kostendekking & verdelingsanalyse van studietoelagen, kinderbijslag en fiscale voordelen”, Flemosi Discussion Paper DP31.
  • 17. Onder onvoldoende aanwezig zijn, zijn volgende grenzen momenteel bepaald: nog geen 3 jaar: minstens 100 halve dagen aanwezig, 3 jaar: minstens 150 halve dagen aanwezig, 4 jaar: minstens 185 halve dagen aanwezig, 5 jaar: minstens 220 halve dagen aanwezig. In kader van de hervorming Secundair onderwijs werd afgesproken om het aan halve dagen aanwezigheid voor 5-jarigen op te trekken van 220 naar 250 halve dagen.
  • 18. De kinderbijslag gedeeltelijk koppelen aan inschrijving in kleuterschool (bv. door middel van specifiek supplement) kan een goede maatregel zijn om de participatie aan het kleuteronderwijs te stimuleren op voorwaarde dat een kwalitatief aanbod gewaarborgd is (Eeman & Nicaise, 2011, ‘Studio Armoede’) http://www4.vlaanderen.be/wvg/armoede/nieuws/Documents/Conclusies_studi…
  • 19. gebaseerd op helft van de gemiddelde studiekost, https://www.gezinsbond.be/Publicaties/Andere/Documents/studiekosten.pdf
  • 20. De bestaande differentiatie in de toegekende bedragen schooltoelage in functie van studiejaar, al of niet intern en inkomenskenmerken zal behouden blijven. Het beschikbare budget is gebaseerd op het budget Schooltoelagen begroting 2016.
  • 21. Een samenwerkingsakkoord is opportuun wanneer aan derden tegenstelbare regels dienen te worden opgenomen of regels die een werkelijke wettelijke grondslag behoeven. Indien dergelijke behoefte zich niet voordoet, is het makkelijker hanteerbare samenwerkingsprotocol een meer gewenste optie.
  • 22. Een provisionele betaling treedt op wanneer een entiteit reeds kinderbijslag heeft betaald terwijl een andere entiteit bevoegd was. Een terugvordering in dit kader kan ontstaan wanneer de overnemende entiteit minder kinderbijslag betaald dan de initiële entiteit. Ook voor alle andere gevallen van terugvorderingen zullen onderlinge afspraken moeten gemaakt worden (cfr. art. 1410 Gerechtelijk Wetboek).
Datum van afkondiging
Top