Vlaanderen

Memorie van toelichting

A. Algemene toelichting

1. Samenvatting

Op 31 mei 2016 werd de conceptnota “Voor elk kind en elk gezin een groeipakket op maat” goedgekeurd door de Vlaamse Regering. Het Groeipakket omvat enerzijds de gezinsbijslagen en anderzijds een aantal toelagen in het kader van het gezinsbeleid. Deze laatste toelagen worden onderverdeeld in de selectieve participatietoeslagen, nl. een overheveling van de schooltoelagen vanuit Onderwijs, en andere, nieuwe toelagen (m.b.t. kinderopvang en kleuteronderwijs) in het kader van het gezinsbeleid, zoals uit volgend schema blijkt:

 

   Gezinsbijslagen

->   

Startbedrag geboorte & adoptie

->

Basisbedrag

->

Zorgtoeslag: (half)wezentoeslag, toeslag voor kinderen met een specifieke ondersteuningsbehoefte & pleegzorgtoeslag

->

Sociale toeslag

->

Universele participatietoeslag

     

   Selectieve participatietoeslag

->

Selectieve participatietoeslag leerling

Selectieve participatietoeslag student

     

   Andere toelagen

->

Kinderopvangtoeslag

 

Kleutertoeslag

De gezinsbijslagen, met uitzondering van het startbedrag geboorte en adoptie, en de universele participatietoeslagen vallen onder Verordening (EG) nr. 883/2004.

1.1 Gezinsbijslagen (incl. universele participatietoeslag)

Startbedrag

Elk rechtgevend kind krijgt n.a.v. de geboorte een eenmalig bedrag van 1.100 euro als startbedrag geboorte. Een kind dat geadopteerd wordt, geeft ook recht op een eenmalig startbedrag adoptie van 1.100 euro.

Basisbedrag

Voor elk rechtgevend kind is er een maandelijks bedrag van 160 euro, ongeacht de gezinssamenstelling en het socio-professioneel statuut van de ouders.

Zorgtoeslagen

De (half)wezentoeslag: een rechtgevend kind dat (half)wees is, krijgt maandelijks een zorgtoeslag bovenop het basisbedrag. Voor een wees is het bedrag 160 euro bovenop het basisbedrag, voor een halve wees is het bedrag 80 euro bovenop het basisbedrag, ongeacht of de overlevende ouder samenwoont of niet.

Het rechtgevend kind met een specifieke ondersteuningsbehoefte ten gevolge van een handicap of aandoening geeft recht op een maandelijkse zorgtoeslag waarvan het bedrag gerelateerd is aan de specifieke noden van het kind.

Een rechtgevend kind dat in een pleeggezin wordt opgevangen geeft recht op een maandelijkse pleegzorgtoeslag van 61,79 euro.

Sociale toeslag

De sociale toeslag is er voor gezinnen die met hun inkomen de opvoedingskost moeilijker kunnen dragen en is dus bedoeld om de draagkracht van het minder kapitaalkrachtige gezin te vergroten. Zij krijgen een toeslag bovenop het basisbedrag, afhankelijk van hun inkomen en hun gezinsgrootte. 

Het bedrag varieert naargelang het inkomen (bedragen per maand per kind):

   INKOMEN

   ≤ 30.386,52 euro/jaar

   30.386,52 tot 60.000 euro/jaar

   1 of 2 rechtgevende kinderen

 

   50 euro/kind/maand

   -

   >2 rechtgevende kinderen

   80 euro/kind/maand

   60 euro/kind/maand

De universele participatietoeslag

Dit is een jaarlijkse financiële tegemoetkoming voor ouders in het kader van de gezinsbijslagen, met het oog om bij te dragen in de onderhouds- en opvoedingskosten voor kinderen die nog geen onderwijs volgen of schoolverlaters, en in de kosten die gepaard gaan met de deelname aan onderwijs voor kinderen en jongeren.

   Leeftijd

   Bedrag

   Geboorte tot 4 jaar

   20 euro/jaar

   Vanaf 5 jaar

   35 euro/jaar

   Vanaf 12 jaar

   50 euro/jaar

   Vanaf 18 jaar

   60 euro/jaar

1.2 Selectieve participatietoeslag

Dit is een jaarlijkse financiële tegemoetkoming om een bijdrage te leveren aan de democratisering van het onderwijs, en die onder bepaalde voorwaarden wordt toegekend aan de leerling ter ondersteuning van zijn deelname aan het onderwijs, of aan de student, bovenop de studietoelage ter ondersteuning van zijn deelname aan het hoger onderwijs.

 

 

Selectieve participatietoeslag

   Kinderen uit

 

Minimum toeslag

Volledige toeslag

Uitzonderlijke toeslag

   Kleuteronderwijs

 

 € 97,9

   Lager onderwijs

 

 € 114,3

 € 177,7

 € 230,7

   Secundair onderwijs

 

 

 

   Gehuwde / 

   zelfstandige /      

   alleenstaande leerlingen

   Extern

 € 673,2 

 € 3.086,3

 € 3.086,3

   Intern 

 € 673,2

 € 3.086,3

 € 3.086,3

   Leerling in het

   3de leerjaar van de 3de

   graad voltijds technisch

   of beroepssecundair

   Extern

 € 264,9

 € 1.068,8

 € 1.255,0

   Intern

 € 684,7

 € 1.757,2

 € 1.757,2

   Alle anderen secundair

   onderwijs

   Extern  

 € 220,7

 € 890,7

 € 1.045,8

   Intern

 € 570,6

 € 1.464,3

 € 1.464,3

   Stelsel leren en werken

 

 € 185,5

 € 507,5

 € 654,6

   Hoger onderwijs met studietoelage

 

 € 50

 

1.3 Andere toelagen

Kinderopvangtoeslag

Kinderen die naar een voorschoolse kinderopvang gaan op een niet inkomensgerelateerde plaats krijgen een toeslag van 3,17 euro per kinderopvangdag.

Kleutertoeslag

Driejarige en vierjarige kleuters die respectievelijk ingeschreven zijn bij én voldoende aanwezig zijn in een door de Vlaamse Gemeenschap erkende, gefinancierde of gesubsidieerde onderwijsinstelling voor kleuteronderwijs krijgen een kleutertoeslag van 130 euro per jaar.

2. Situering

Met de Zesde staatshervorming wordt de bevoegdheid inzake de gezinsbijslagen overgeheveld naar de gemeenschappen en gewesten. In Vlaanderen wordt ervoor gekozen om deze materie in te kantelen in het gezinsbeleid.

De Vlaamse Regering kiest er expliciet voor om werk te maken van een geïntegreerd gezinsbeleid, waarbij alle kinderen en gezinnen maximaal versterkt en ondersteund worden doorheen hun ontwikkeling. De overheveling van de bevoegdheid biedt ook een opportuniteit om de ondersteuning van gezinnen en kinderen doelmatiger en efficiënter aan te pakken. Gezinsbijslagen worden een basispijler van een geïntegreerd gezinsbeleid, met aandacht voor de bestrijding van kinderarmoede. Een geïntegreerd gezinsbeleid, waarbij gezinsbijslagen, gezinsondersteuning en de participatie aan kinderopvang en onderwijs hand in hand gaan, is een gezinsbeleid dat erop gericht is mogelijkheden te creëren om (het starten van) een gezin met actieve deelname aan de samenleving en dus ook (arbeids)participatie te kunnen combineren met een gezin.

We vertrekken hiervoor vanuit het Vlaams regeerakkoord, waarbij we volgende basisprincipes formuleren:

  • We verlaten het socio-professioneel karakter van de gezinsbijslagen en realiseren een vereenvoudigd systeem, waarbij het recht van het kind het uitgangspunt vormt;

  • We hervormen het bestaande systeem onder de premisse van budgetneutraliteit, waardoor we in het nieuwe systeem naar nieuwe evenwichten zoeken tussen horizontale (kostencompenserende) en verticale (in functie van draagkracht) solidariteit tussen gezinnen met kinderen;

  • Door het afschaffen van de rangorde en leeftijdsbijslagen en het toekennen van een voldoende hoog gelijk bedrag voor elk kind wordt er gekozen om meer te investeren bij de geboorte van het eerste kind (en het 2e kind).

  • Door het loskoppelen van de gezinsbijslagen van het socio-professioneel statuut van de ouders, vervalt het systeem van de gewaarborgde gezinsbijslag, dat in het leven geroepen was voor die kinderen die niet onder de toenmalig bestaande verschillende stelsels inzake gezinsbijslagen een recht op gezinsbijslagen konden openen.

Elk kind is gelijkwaardig, bijgevolg wordt een gelijk basisbedrag voorzien voor kinderen die vanaf 1 januari 2019 geboren worden. Een zorgtoeslag voor kinderen met een specifieke ondersteuningsbehoefte en wezen wordt behouden. Om kinderarmoede te bestrijden wordt een sociale toeslag voorzien voor kinderen die opgroeien in een gezin met een laag inkomen. De inkomensgrens van deze toeslag is gezinsgemoduleerd en houdt dus rekening met de gezinsgrootte. Het geheel wordt ingebed in een nieuw systeem van gezinsbijslagen dat, samen met de participatietoeslagen, een groeipakket op maat samenstelt voor elk kind en elk gezin.

De Vlaamse overheid neemt de regie en de uitbetaling inzake gezinsbijlagen met het Vlaamse groeipakket over van het huidige Federale agentschap voor de Kinderbijslag, FAMIFED, vanaf 1 januari 2019. Hierbij wordt de regiefunctie van het groeipakket gescheiden van de operationele uitbetalingsfunctie. Het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Kind en Gezin neemt de rol op van regisseur. Dat wil zeggen dat Kind en Gezin geen operationele taken met betrekking tot de uitbetaling van de gezinsbijslagen opneemt. Kind en Gezin staat in voor de beleidsvoorbereiding inzake het nieuwe groeipakketsysteem, de handhaving ervan en het primair netwerk inzake de noodzakelijke gegevensuitwisseling.

De operationele uitbetalingsfunctie wordt uitgevoerd door een publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap en daartoe vergunde private uitbetalingsactoren. Hierbij worden efficiëntiewinsten beoogd, die zowel de burger, de uitbetalingsinstantie(s) als de overheid ten goede komen.

3. Samenhang van het regelgevend kader

Om enerzijds het groeipakket te realiseren en om anderzijds het uitbetalingslandschap te rationaliseren, wordt een regelgevend kader in drie delen uitgebouwd:

  • Het voorliggend decreet waarin het groeipakket uitgewerkt wordt en waarin het startbedrag, het basisbedrag, de zorgtoeslagen, de sociale toeslag en de participatietoeslagen centraal staan, naast een aantal administratieve aspecten van de uitbetalingswijze, het toezicht op het systeem en de rechten van de begunstigde van het groeipakket. In dit decreet wordt ook het overgangssysteem van de huidige gezinsbijslagen naar het groeipakket uitgewerkt.

  • Het decreet waarin de structuur van het uitbetalingslandschap geregeld wordt in de vorm van de oprichting van het nieuwe publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap voor de uitbetaling van toelagen in het kader van het gezinsbeleid en de positie van de toekomstige private uitbetalingsactoren in het uitbetalingslandschap. Hierbij worden ook de vergunningsvoorwaarden voor de private uitbetalingsactoren vastgelegd.

  • De wijziging van het decreet houdende de oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Kind en Gezin die inhoudt dat Kind en Gezin de bevoegdheid krijgt over de regie van het groeipakket. Om de samenhang te bevorderen wordt deze decreetswijziging mee opgenomen in het oprichtingsdecreet van het extern verzelfstandigd agentschap voor de uitbetaling van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid.

Er wordt beoogd om alle elementen in het regelgevend kader juridisch te verankeren uiterlijk in 2018, zodat de uitvoering van het groeipakket met haar overgangsmaatregelen effectief kan plaatsvinden vanaf 1 januari 2019.

4. Inhoud

4.1 Algemeen

Rekening houdende met de veranderende samenleving en de veranderingen in de Vlaamse gezinnen, onder andere de toenemende arbeidsparticipatie van vrouwen en dus ook moeders, de stijgende diversiteit aan gezinsvormen, de toename van eenoudergezinnen en nieuw samengestelde gezinnen, zal Vlaanderen een geïntegreerd gezinsbeleid voeren met eigen accenten, aangepast aan de Vlaamse context.

Naast de demografische evoluties van de gezinnen, die evolueren van de grotere kostwinnersgezinnen, naar de kleinere tweeverdienersgezinnen, willen we ook wijzen op het belang van het creëren van kansen voor kinderen.

De gezinsbijslagen zijn een financiële tegemoetkoming om mee de kosten in de opvoeding van kinderen te ondersteunen. Het is een instrument dat we inzetten met als doelstelling om kinderen ontplooiings- en ontwikkelingskansen te geven, waarmee we hen ondersteunen om aan de samenleving te participeren.

Daarbij is het uitermate belangrijk dat deze ondersteuning begint in de eerste levensjaren. Hoe meer kansen kinderen krijgen vanaf de geboorte, hoe beter hun ontwikkeling en kansen in de toekomst. Dit wordt ook bevestigd door wetenschappelijk onderzoek. Het groeipakket wil dan ook maximaal inzetten, niet alleen op de kosten voor kinderen in latere levensjaren, maar zeker ook op de kosten voor de jongste kinderen. Gezinnen moeten ondersteund worden om hun kinderen van jongsaf aan te laten deelnemen aan de samenleving, beginnende met de kinderopvang en de kleuterschool. En op latere leeftijd via het lager, secundair en hoger onderwijs.

Gezinsbijslagen

De gezinsbijslagen worden overgeheveld naar Vlaanderen en worden geïntegreerd in het Groeipakket. Elk kind krijgt een eigen Groeipakket met financiële tegemoetkomingen die gezinnen maximaal de kans geeft elk kind te laten opgroeien en zich te ontplooien. Het Groeipakket zal voor elk rechtgevend kind tegemoetkomen in de kosten van de opvoeding en maakt werk van de bestrijding van kinderarmoede.

Het Groeipakket is opgebouwd als een universeel systeem op basis van het recht van het kind, ongeacht de socio-professionele status van de ouders. Binnen de gezinsbijslag is er 1 basisbedrag, gelijk voor elk kind, dat voldoende hoog is. Dit bedrag zal startende gezinnen meer fundamenteel ondersteunen.

Naast het universele is er ook plaats voor het selectieve en dit afgestemd op specifieke noden van het rechtgevend kind zelf of op het inkomen en de gezinsgrootte van het gezin waarin het rechtgevend kind opgroeit. We gaan hierbij maximaal uit van een automatische rechtentoekenning. Aangezien we met de sociale toeslag de draagkracht van het gezin gericht willen ondersteunen en bevorderen, is het belangrijk dat de toeslag terecht komt in het gezin waar het kind opgroeit.

Voor Vlaanderen weten we immers dat het huidige kinderbijslagstelsel een significante impact heeft op het kinderarmoederisico alsook op het armoederisico van gezinnen met kinderen. Daarom blijven we bij de hervorming van de gezinsbijslagen vasthouden aan selectieve ondersteuning van gezinnen met een laag inkomen via de toekenning van een sociale toeslag.

Een jaarlijkse universele participatietoeslag helpt onder meer om de financiële kosten voor wie onderwijs volgt te ondersteunen.

Selectieve participatietoeslagen

De schooltoelagen worden ingekanteld in het Groeipakket onder de noemer van selectieve participatietoeslagen. Doordat voor alle gezinnen die in Vlaanderen wonen een inkomenstoets zal gebeuren om na te gaan of ze recht hebben op een sociale toeslag binnen de gezinsbijslagen, zullen de inkomens van gezinnen gekend zijn en kan deze selectieve participatietoeslag meer automatisch worden toegekend. Het budget wordt versterkt en de doelgroep blijft behouden.

De studietoelagen in het hoger onderwijs worden niet geïntegreerd in het Groeipakket en blijven behouden binnen Onderwijs. Jongeren met recht op een studietoelage in het hoger onderwijs, ontvangen aanvullend een beperkte selectieve participatietoeslag.

Door de koppeling van de gezinsbijslagen en de selectieve participatietoeslagen mag verwacht worden dat we in de toekomst ook meer zicht hebben op wie recht zal hebben op een studietoelage, zodat deze toelage ook meer automatisch kan worden toegekend door het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming.

Andere toelagen in het kader van het gezinsbeleid

Naast de gezinsbijslagen en selectieve participatietoeslagen, kan Vlaanderen, in het kader van een geïntegreerd gezinsbeleid, nog andere toelagen integreren in het Groeipakket. Dit om gezinnen onder andere te stimuleren om hun kinderen te laten deelnemen aan kinderopvang of kleuteronderwijs, omdat beide, zoals ook uit wetenschappelijk onderzoek blijkt, de ontwikkelingskansen van jonge kinderen vergroten.

De ouders van baby’s of peuters die opgevangen worden op een niet inkomstengerelateerde opvangplaats in een vergund kinderdagverblijf krijgen een tussenkomst per dag die hun peuter effectief aanwezig is.

Ouders worden, met een extra kleutertoeslag, gestimuleerd hun kleuters reeds op de leeftijd van 3 jaar aan kleuteronderwijs te laten deelnemen.

Begunstigde

Doordat er vertrokken wordt van het recht van het kind en de socio-professionele situatie van de ouders niet van belang is, vervalt de notie ‘rechthebbende’. Er wordt vertrokken van het principe dat beide ouders van een rechtgevend kind begunstigde zijn voor deze toelagen in het kader van het gezinsbeleid.

Rechtsbescherming

In dit decreet wordt voorzien in een gelijkaardige bescherming als deze die gegeven wordt door het handvest van de sociaal verzekerde, geregeld bij wet van 11 april 1995 tot invoering van het “handvest” van de sociaal verzekerde. Het uitgangspunt is om rechten zoveel mogelijk automatisch toe te kennen aan de burger.

De bescherming die het handvest biedt, is waardevol voor de burger. Deze bescherming op basis van het handvest blijft doorlopen zolang de bevoegde overheden geen alternatief geven.

Artikel 94 van de Bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen bepaalt immers dat "Onverminderd het bepaalde in artikel 83, § 2 en 3, blijven de overheden die door de wetten en verordeningen met bevoegdheden belast zijn die onder de Gemeenschappen en de Gewesten ressorteren, die bevoegdheden uitoefenen volgens de procedures door de bestaande regels bepaald, zolang hun Parlementen en hun Regeringen die regels niet hebben gewijzigd of opgeheven".

Deze bescherming wordt niet alleen voor de gezinsbijlagen voorzien maar voor alle toelagen in het kader van het gezinsbeleid waarop een burger recht kan hebben op basis van dit decreet.

Naast de bepaling van de rechten en plichten tussen uitbetalingsactoren en burgers wordt er geopteerd om conflicten tussen de burgers en de uitbetalingsactoren op te lossen zonder dat meteen een klassieke gerechtelijke procedure moet opgestart worden. Via de klachten- en bemiddelingsdienst binnen het agentschap, kan er geprobeerd worden een regeling in der minne te vinden, waar beide partijen het over eens zijn. Daarnaast kunnen partijen zich wenden tot een toegankelijke geschillencommissie, ondergebracht bij Kind en Gezin. Deze geschillencommissie kan een voorlopige maatregel opleggen of een beslissing nemen over de grond van de zaak.

Een beslissing van de geschillencommissie is bindend voor de partijen. De procedure voor de geschillencommissie is toegankelijk, eenvoudig, snel en goedkoop.

Handhaving

De handhavingsregels ten aanzien van de burgers willen een sanctioneringsregeling bieden die een proportionele en doeltreffende beteugeling van wetsschendingen mogelijk maakt, met respect voor de eigenheid van de beleidsmaterie (waarin gezinsondersteuning en zorg voor het kind centraal staan) en met aandacht voor maatschappelijke zuinigheid (geen vermijdbare lasten bij burger en bestuur). Daarnaast staan een aantal algemeen geldende doelen zoals transparantie en een optimaal evenwicht tussen rechtszekerheid en discretionaire beleidsruimte voorop.

Ook ten aanzien van de uitbetalingsactoren is de handhaving en sanctionering zo uitgewerkt dat op een proportionele wijze kan opgetreden worden. De bedoeling is in eerste instantie de naleving van de bepalingen te bekomen en de sancties slechts in te zetten indien de uitbetalingsactor, ondanks het feit dat hij voldoende geïnformeerd werd over de risico’s of inbreuken en nadat hij werd aangemaand om de inbreuken weg te werken, de regelgeving alsnog niet naleeft.

Overgangsmaatregelen

Om van de huidige kinderbijslag over te stappen naar het nieuwe Groeipakket worden er overgangsmaatregelen voorzien. Het uitgangspunt hierbij is dat op het moment dat de overgang naar het Groeipakket wordt ingezet, geen enkel gezin tijdens de overgangsperiode minder gezinsbijslagen ontvangt dan het kreeg onder de vroegere federale regeling. De regeling wordt voor de gezinnen en hun rechtgevende kinderen als het ware bevroren op 31 december 2018.

Voor deze rechtgevende kinderen blijven de verworven rechten (leeftijdsbijslagen en rangorde) behouden, ook als er een nieuw kind in hun gezin geboren wordt na 1 januari 2019. Voor kinderen geboren vanaf 1 januari 2019 is het nieuwe systeem van toepassing.

Een aantal transitiemaatregelen wordt bepaald. Bijvoorbeeld, zo krijgen alle gezinnen met een inkomen onder de 30.386,52 euro recht op sociale toeslagen, los van het socio-professioneel statuut van een rechthebbende, wat positief is voor werkende gezinnen met een laag inkomen.

4.2 Bevoegdheid van de Vlaamse Gemeenschap

Zoals blijkt uit het voorgaande, worden met dit decreet verscheidene toelagen toegekend (cf. supra).

De toelagen waarin dit ontwerp van decreet voorziet, zijn maatregelen die worden genomen in het kader van twee onderscheiden gemeenschapsbevoegdheden.

Gezinsbijslagen (art. 5, § 1, IV, BWHI)

Bij de bijzondere wet van 6 januari 2014 met betrekking tot de Zesde Staatshervorming[1] werd artikel 5, § 1, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen (“BWHI”), dat betrekking heeft op de persoonsgebonden aangelegenheden[2] aangevuld met de aangelegenheid “IV. De Gezinsbijslagen”. Met de Zesde staatshervorming werd de bevoegdheid voor de gezinsbijslagen dus volledig gedefederaliseerd. De Vlaamse Gemeenschap is, inzake de gezinsbijslagen, bevoegd in het Nederlandse taalgebied. Haar bevoegdheid strekt zich niet uit tot het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, ook niet ten aanzien van de instellingen, die wegens hun organisatie moeten worden beschouwd uitsluitend te behoren tot de ene of de andere gemeenschap.[3]

In de parlementaire voorbereiding van de bijzondere wet van 6 januari 2014 wordt de materie van de gezinsbijslagen als volgt omschreven: “De toekenning van gezinsbijslagen strekt ertoe bij te dragen in de kosten van onderhoud en opvoeding van de kinderen. Ze biedt een gedeeltelijke compensatie voor de toegenomen lasten die door het gezin worden gedragen wanneer het zich uitbreidt (cf. Grondwettelijk Hof, arrest nr. 53/2011, B.3.). […] De bevoegdheid inzake gezinsbijslagen omvat de volledige bevoegdheid voor zowel de kinderbijslag (zoals hierboven gedefinieerd) als de geboortepremies als de adoptiepremies. Ze omvat de gehele kinderbijslagregeling voor werknemers, voor zelfstandigen, voor overheidspersoneel (met inbegrip van het personeel dat afhangt van de federale overheid en de diensten of instellingen die hiervan afhangen), alsook de gewaarborgde kinderbijslagregeling. Het betreft zowel de bevoegdheid voor de gewone kinderbijslag als voor de toeslagen.”[4].

[1] Cf. art. 12.

[2] Cf. art. 128, § 1, Gw.

[3] Cf. art. 63, tweede lid, juncto artikel 2, § 1, van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse Instellingen.

[4] Parl. St., Senaat, 2012-2013, 5-2232/1, 68.

Tot de gezinsbijslagen als bedoeld in artikel 5, § 1, IV, BWHI, worden onder meer de toelagen bedoeld die worden ingesteld in Deel 1 van Boek 2, meer bepaald het startbedrag geboorte, het startbedrag adoptie en het basisbedrag en de mogelijke toeslagen daarop, te weten de zorgtoeslagen (de wezentoeslag, de zorgtoeslag voor kinderen met een specifieke ondersteuningsbehoefte en de pleegzorgtoeslag) en de sociale toeslagen. Die toelagen, en de toeslagen daarop, verschillen wat hun finaliteit betreft niet wezenlijk van de toelagen en toeslagen die in het voormalige federale stelsel van de gezinsbijslagen bestonden.

Tot de gezinsbijslagen als bedoeld in artikel 5, § 1, IV, BWHI worden ook de universele participatietoeslagen gerekend. Ook deze toeslagen strekken ertoe bij te dragen in de kosten van onderhoud en opvoeding van de kinderen. Ze hebben als finaliteit een gedeeltelijke compensatie te bieden voor de toegenomen lasten die door het gezin worden gedragen. Deze toeslagen worden inderdaad toegekend aan de ouders om bij te dragen in de onderhouds- en opvoedingskosten van de kinderen en desgevallend ook om bij te dragen in de kosten die gepaard gaan met de deelname aan onderwijs.

Het Gezinsbeleid met inbegrip van alle vormen van hulp en bijstand aan gezinnen en kinderen (art. 5, § 1, II, BWHI)

Op grond van hun bevoegdheid inzake het gezinsbeleid zijn de gemeenschappen onder meer bevoegd voor de materiële, sociale, psychologische, morele en opvoedende bijstand en hulpverlening aan de kinderen, met inbegrip van het kinderopvangbeleid, waarbij die bijstand en hulpverlening hetzij rechtstreeks, hetzij via verenigingen en instellingen verstrekt worden, alsook voor de morele en sociale hulp aan het gezin, meer bepaald door de erkenning en de toekenning van toelagen aan de diensten voor gezinshulp, aan de opleidingscentra voor gezinshulp en aan de tehuizen voor moeders.[5] De toekenning, aan de gemeenschappen (en, wat het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad betreft, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie) van de bevoegdheid inzake gezinsbijslagen, heeft de gemeenschapsbevoegdheid inzake het gezinsbeleid onaangetast gelaten. De bevoegdheid van de Vlaamse Gemeenschap, inzake het gezinsbeleid, strekt zich uit tot het Nederlandse taalgebied en ook, althans ten aanzien van de instellingen die, wegens hun organisatie, moeten worden beschouwd uitsluitend te behoren tot de ene of de andere gemeenschap, tot het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad.[6]

Dit ontwerp van decreet bevat, naast de gezinsbijslagen, nog andere toelagen, die zijn geconcipieerd als maatregelen in het kader van het gezinsbeleid, omdat zij een vorm van hulp en bijstand aan gezinnen en kinderen uitmaken.

[5] Parl. St., Senaat, 1979-1980, nr. 434/1, p. 7, waarnaar verwezen werd in GwH nr. 104/2004 van 16 juni 2004, B.4.3. Zie ook reeds GwH, nr. 2/2001 van 10 januari 2001, B.3.1.

[6] Cf. art. 128, § 2, Gw.

Enerzijds wordt voorzien in selectieve participatietoeslagen, zijnde financiële tegemoetkomingen aan leerlingen of studenten om hun deelname aan het onderwijs te ondersteunen. De selectieve participatietoeslagen zijn een vorm van (financiële en sociale) bijstand aan deze kinderen, die wordt toegekend rekening houdend met de toestand van het gezin op het vlak van de inkomsten. Deze toelagen worden door de Vlaamse Gemeenschap toegekend op voorwaarde dat er een band bestaat tussen de leerling of student en een door de Vlaamse Gemeenschap erkende onderwijsinstelling. Het betreft, voornamelijk, de voormalige schooltoelagen (betreffende het basis en secundair onderwijs) die in dit decreet worden ingekanteld. Daarnaast wordt ook voorzien in een nieuwe toelage, die zoals de schooltoelage eveneens is opgevat als een bijdrage in de kosten voortvloeiend uit de deelname van het kind aan het (door de Vlaamse Gemeenschap erkende) onderwijs, meer bepaald het hoger onderwijs.

Anderzijds wordt voorzien in andere toelagen, waaronder een kinderopvangtoeslag en kleutertoeslagen. De kinderopvangtoeslag is een maatregel van gezinsbeleid, in het kader van het kinderopvangbeleid, nu die toeslag strekt tot het stimuleren van de deelname van baby’s en peuters aan kinderopvang, met name in door de Vlaamse Gemeenschap vergunde kinderopvanginitiatieven, waar de organisator niet werkt met het systeem inkomenstarief zoals vermeld in de artikelen 27 t.e.m. 36/1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 22 november 2013 houdende de subsidies en de eraan gekoppelde voorwaarden voor de realisatie van specifieke dienstverlening door gezinsopvang en groepsopvang van baby’s en peuters. De kleutertoeslagen zijn eveneens een maatregel van gezinsbeleid en strekken ertoe de deelname van kinderen aan het kleuteronderwijs te stimuleren.

4.3 Het recht op gezinsbijslagen blijft gewaarborgd

Bij de meest recente herziening van artikel 23 van de Grondwet, werd “het recht op gezinsbijslagen” uitdrukkelijk in het derde lid, 6°, van dat artikel ingeschreven[7].

De Grondwetgever heeft het recht op gezinsbijslagen daarmee uitdrukkelijk grondwettelijk verankerd, en gekwalificeerd als één van de economische, sociale en culturele rechten die de bevoegde wetgever dient te waarborgen opdat ieder het recht zou hebben een menswaardig leven te leiden[8]. Bijgevolg dient de bevoegde wetgever de voorwaarden voor de uitoefening van het recht op gezinsbijslagen te bepalen, rekening houdend met de overeenkomstige plichten.[9]

[7] BS 31 januari 2014.

[8] Cf. art. 23, eerste en tweede lid, Gw.

[9] Cf. art. 23, tweede lid, Gw.

In het voorstel tot herziening van artikel 23 van de Grondwet, werd de verankering van het recht op gezinsbijslagen, in artikel 23, derde lid, 6°, van de Grondwet, onder meer als volgt verantwoord:

“Het onderhavige voorstel strekt er toe specifiek het recht op kinderbijslag te waarborgen. Zo zal er door de Grondwet worden bevestigd dat onder de rechten die de wet, het decreet of de in artikel 134 bedoelde regel moeten waarborgen opdat ieder het recht zou hebben een menswaardig leven te leiden, er het recht zal zijn van ieder om ten laste van de bevoegde overheid een bijdrage te ontvangen in de kosten van onderhoud en opvoeding van de kinderen.

Net als voor de rechten die momenteel door artikel 23 van de Grondwet worden gewaarborgd, strekt de onderhavige herziening er echter niet toe een nieuw subjectief recht te creëren. Zoals het Grondwettelijk Hof heeft benadrukt, brengt artikel 23 van de Grondwet voor de bevoegde overheden « de verplichting teweeg om, zonder daarom precieze subjectieve rechten te verlenen, de voordelen van de van kracht zijnde normen te handhaven door het verbod in te stellen om tegen de nagestreefde doelstellingen in te gaan (de zogenaamde « standstill-verplichting »)[10].

Die bepaling legt de wetgever dus de verplichting op om geen afbreuk te doen aan de rechten die in de wetgeving worden gewaarborgd. De standstill-verplichting impliceert dat twee elkaar in de tijd opvolgende algemene rechtsnormen globaal bekeken een gelijkwaardig niveau van bescherming moeten bieden, waarbij de nieuwe rechtsnorm het bestaande beschermingsniveau niet aanzienlijk kan doen dalen zonder dat redenen van algemeen belang dit zouden verantwoorden.

Het onderhavige voorstel tot herziening zal dus als onmiddellijk gevolg hebben dat de overheden die bevoegd zijn voor het recht op kinderbijslag het recht niet aanzienlijk zullen kunnen verminderen dat de wet nu aan de gezinnen toekent om van de overheid een financiële bijdrage te ontvangen om de last van de kosten van onderhoud en opvoeding van de kinderen ten minste gedeeltelijk te dekken, tenzij redenen van algemeen belang een dergelijke vermindering verantwoorden. Het feit dat het recht op kinderbijslag voortaan het voorwerp zal uitmaken van een specifieke waarborg in artikel 23 van de Grondwet heeft als gevolg dat de bevoegde wetgever een eventuele significante vermindering van het recht op kinderbijslag niet meer zal kunnen verantwoorden met de reden dat die vermindering gecompenseerd zou worden door andere maatregelen op het vlak van sociale zekerheid of inkomensbeleid, behalve als die maatregelen specifiek gericht zijn op de last die de kosten van onderhoud en opvoeding van de kinderen inhouden voor de gezinnen.

[10] Noot van de indieners van het voorstel tot herziening: Grondwettelijk Hof, nr. 169/2002, 27 november 2002, B.6.4.

De standstill-verplichting ontzegt de bevoegde overheden niet de bevoegdheid om te oordelen hoe dat recht op de meest adequate wijze zou worden gewaarborgd. Ze belet geen enkele hervorming van de aangelegenheid die ertoe zou strekken dit recht op een minstens gelijkwaardige manier te waarborgen.

Zo zullen de bevoegde overheden bijvoorbeeld kunnen kiezen voor een hervorming van de van kracht zijnde wetgeving zodat het recht op kinderbijslag niet langer afhangt van een beroepsactiviteit, een vorige beroepsactiviteit of een sociale situatie.”

In zijn arrest nr. 130/2016 van 13 oktober 2016, bevestigde het Grondwettelijk Hof reeds dat artikel 23 van de Grondwet onder meer inzake het recht op gezinsbijslagen een standstill-verplichting bevat die eraan in de weg staat dat de bevoegde wetgever het beschermingsniveau dat geboden wordt door de van toepassing zijnde wetgeving, in aanzienlijke mate vermindert zonder dat daarvoor redenen zijn die verband houden met het algemeen belang.[11] Het Hof voegde daar wel meteen aan toe dat artikel 23 van de Grondwet niet “het niveau [preciseert] dat moet worden bereikt door de sociale uitkeringen die vallen onder het recht op sociale zekerheid of onder het recht op gezinsbijslagen. Het verplicht de bevoegde wetgever die twee rechten te waarborgen en de voorwaarden voor de uitoefening ervan te bepalen om eenieder in staat te stellen “een menswaardig leven te leiden””.[12]

Met dit ontwerp van decreet wordt onder meer het recht op gezinsbijslagen, zoals dat momenteel wordt gewaarborgd door de Algemene kinderbijslagwet van 19 december 1939 (hierna “Algemene kinderbijslagwet”), hervormd. Die hervormingen strekken ertoe om het recht op gezinsbijslagen op een minstens gelijkwaardige manier te blijven waarborgen, zij het op een wijze die meer adequaat wordt geacht.

4.4 Het wettigheidsbeginsel uit artikel 23 van de Grondwet wordt geëerbiedigd

Artikel 23 van de Grondwet schrijft voor dat “de wet, het decreet of de in artikel 134 bedoelde regel, rekening houdend met de overeenkomstige plichten, de economische, sociale en culturele rechten [waarborgen], waarvan ze de voorwaarden voor de uitoefening bepalen.”

Uit de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof blijkt dat het Hof in artikel 23 van de Grondwet een bijzonder legaliteitsbeginsel leest. Dat houdt in dat de in dat artikel bedoelde sociaaleconomische en culturele grondrechten een aangelegenheid uitmaken die de grondwetgever aan de (formele) wetgever heeft voorbehouden, zodat het de (formele) wetgever zelf is die deze materie in bepaalde mate moet regelen.

[11] B.15.1.

[12] B.15.2.

Hoewel aangenomen mag worden dat het verlenen van een onbeperkte machtiging aan de Vlaamse Regering daarom in strijd zou zijn met dat bijzonder legaliteitsbeginsel, blijkt uit de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof eveneens dat dit bijzonder legaliteitsbeginsel, zoals dat uit artikel 23 van de Grondwet voortvloeit, zich in mindere mate verzet tegen het verlenen van machtigingen aan de Vlaamse Regering, dan het geval is met betrekking tot andere aangelegenheden waarin de grondwetgever een aangelegenheid aan de formele wetgever heeft voorbehouden. De in artikel 23 van de Grondwet bedoelde economische, sociale en culturele rechten, waaronder ook het recht op gezinsbijslagen, zijn inderdaad niet “op dezelfde wijze” [13] voorbehouden aan de bevoegde formele wetgever dan, bijvoorbeeld, fiscale aangelegenheden aan een formele wetgever zijn voorbehouden[14]. Uit artikel 23 van de Grondwet kan dan ook niet worden afgeleid dat de bevoegde formele wetgever aan de betrokken uitvoerend macht geen bepaalde bevoegdheden kan opdragen, indien de bevoegde formele wetgever zelf de grenzen bepaalt binnen welke die bevoegdheden mogen worden uitgeoefend.[15] In zijn recente rechtspraak, oordeelt het Grondwettelijk Hof dat artikel 23 van de Grondwet de bevoegde wetgever toelaat om machtigingen te verlenen, voor zover zij betrekking hebben op de tenuitvoerlegging van maatregelen waarvan het onderwerp door de wetgever is aangegeven[16].

Het ontwerp van decreet is opgevat als een kaderdecreet, waarin de basisbeginselen van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid worden vastgesteld. Op die punten waar er wordt voorzien in een machtiging aan de Vlaamse Regering, wordt het onderwerp van de desbetreffende maatregelen telkens voldoende door de decreetgever bepaald. Zo wordt, ten aanzien van elke toelage, bepaald wat het bedrag ervan is, in welk geval en onder welke voorwaarden de toelage wordt toegekend en, in voorkomend geval, onder welke voorwaarde(n) aanspraak kan worden gemaakt op een hoger bedrag. Tevens wordt bepaald wie in aanmerking komt voor de toelage. Telkens wordt ook bepaald aan wie de toelage wordt uitbetaald.

De machtigingen aan de Vlaamse Regering waarin dit ontwerp voorziet, strekken ertoe de Vlaamse Regering toe te laten om verder uitvoering te geven aan de decretale bepalingen, daarbij rekening houdend met het feit dat de materie van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid in het algemeen, en die van de gezinsbijslagen in het bijzonder, een materie is die betrekking heeft op maatschappelijke realiteiten en feitelijkheden die onderling zeer verschillend zijn en bovendien ook evolutief zijn, zowel op het niveau van de maatschappij in het algemeen, als op het niveau van de gezinnen zelf. Tevens moet in acht genomen worden dat met dit decreet inzonderheid de materie van de gezinsbijslagen door de Vlaamse Gemeenschap zal worden geregeld, op een manier die op een aantal punten fundamenteel afwijkt van de regeling die voorheen in voege was.

[13] GwH, nr. 18/98 van 18 februari 1998, B.6.

[14] Cf., bijvoorbeeld, artikel 170 Gw.

[15] GwH, nr. 18/98 van 18 februari 1998, B.6.

[16] Zie onder meer GwH, nr. 101/2008, B.39; nr. 182/2008, nr. B.6.3.; nr. 151/2010, nr. B.4.; nr. 62/2014 van 3 april 2014, B.3.2.

Dat verantwoordt mede dat aan de Vlaamse Regering de vereiste machtigingen worden verleend, nu die haar moeten toelaten om, waar nodig, voor bepaalde specifieke gevallen een passende regeling aan te nemen.

Overigens bevatte ook de Algemene kinderbijslagwet van 19 december 1939 ruime machtigingen aan de Koning[17], en de daarin geregelde materie van de gezinsbijslagen was net zo goed onderworpen aan artikel 23 van de Grondwet[18].

5. Adviezen

      I. Advies van de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen

De SERV beweert dat er geen rekening werd gehouden bij de uitwerking van het voorliggend decreet met de opmerkingen die vervat zitten in de adviezen van de SAR WGG[19], de VLOR[20] en de SERV[21], en evenmin met opmerkingen uit de armoedetoets, op de Conceptnota “Voor elk kind en elk gezin een groeipakket op maat”.

Repliek: Naar aanleiding van de 6e staatshervorming is er een maatschappelijk debat gebeurd, dat zijn weerslag heeft gevonden in het Groenboek[22], waarmee is rekening gehouden bij het uitzetten van de contouren van het Vlaamse kinderbijslagsysteem in het Vlaams regeerakkoord.

Met betrekking tot het gezins-en inkomstenbegrip dat gehanteerd zal worden bij de uitrol van de gezinsbijslagen werd een studie gevoerd bij het Steunpunt WVG[23]. Hiermee werd rekening gehouden bij het opstellen van het decreet en zal ook rekening worden mee gehouden bij de verdere uitwerking en operationalisering.

Daarnaast werd er door de KULeuven[24] een wetenschappelijk onderzoek gevoerd in het kader van de armoedetoets. De resultaten uit deze studie bevestigen de positieve impact van het Groeipakket, zowel op huidige als nieuwe gezinnen. Wat de armoedetoets op zich betreft, is deze gebeurd samen met een groot aantal stakeholders, ruimer dan normaal het geval is bij een armoedetoets. Er is ook rekening gehouden met de opmerkingen.

[17] ‘Zie voor die machtigingen aan de Koning (en in bepaalde gevallen zelfs de bevoegde minister), onder meer, de artikelen 4, 41, 42bis, 46, 47, 53, §3, 56septies, 56nonies, 56undecies, 57bis, 59, 62, 63, 70ter, 75, 102, Algemene kinderbijslagwet.

[18] ‘Cf. het in artikel 23, derde lid, 2°, van de Grondwet opgenomen recht op sociale zekerheid.

[19] http://www.sarwgg.be/sarwgg/publicatie/advies-conceptnota-groeipakket-maat.

[22] ‘Groenboek zesde staatshervorming. Deel 3 gezinsbeleid’, 16 september 2013.

[23] “Een empirisch onderzoek naar de betaalbaarheid en wenselijkheid van hervormingen in de toekomstige Vlaamse kinderbijslag”, Vinck, Van Lancker, Verbist, december 2015.

[24] “Impactberekening van de Vlaamse kinderbijslaghervorming op het armoederisico”, Decoster & Vanheukelom, KULeuven, 9 maart 2017

De SERV vindt dat automatische rechtentoekenning een speerpunt moet zijn, waarbij het belangrijk is om afstemming te zoeken van begrippen en operationaliseringen, zoals bijvoorbeeld “gezin” en “inkomen”. Hierbij is er nood aan meer dwingende garanties. Dit gaat ook samen met een streven om gebruik te maken van actuelere inkomens en kan bijdragen tot een automatisering van de knipperlichtprocedure.

RepliekMet betrekking tot de take-up van rechten werd reeds met het decreet van 7 juli 2017 tot oprichting van een publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap Vlaams Agentschap voor de Uitbetaling van Toelagen in het kader van het Gezinsbeleid, tot vaststelling van vergunningsnormen voor private uitbetalingsactoren en tot wijziging van het decreet van 30 april 2004 betreffende de oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Kind en Gezin de nodige garanties ingebouwd om de automatische rechtentoekenning als opdracht van de uitbetalingsactoren te voorzien.

Ook met dit ontwerp van decreet worden de nodige garanties ingebouwd om de automatische rechtentoekenning voor gezinnen te garanderen. In Boek 3, deel 1 van voorliggend ontwerp van decreet worden dezelfde garanties ingebouwd als in de huidige toepassing naar de burger toe. Er rust een informatie- en doorzendingsplicht op de uitbetalingsactoren, terwijl ook het principe van de ambtshalve toekenning wordt opgelegd aan de uitbetalingsactoren.

Het onderzoek naar de socioprofessionele situatie en de in het huidige systeem vereiste band van verwantschap zullen geen belemmering meer vormen voor de automatische toekenning van rechten. Waar met de gewaarborgde gezinsbijslag het hele recht op deze gezinsbijslag wordt gekoppeld aan onder andere een middelentoets zal met het groeipakket enkel nog het recht op een sociale toeslag gekoppeld zijn aan dergelijke middelentoets. Dit zal leiden tot een uitbreiding van de take-up van rechten, waarbij het basisbedrag onvoorwaardelijker gegarandeerd blijft dan in het huidige systeem.

Vanaf najaar 2017 wordt ook het monitoringcomité opgestart dat de budgettaire evoluties van het systeem zal monitoren. Kind en Gezin zal als regisseur instaan voor de ontwikkeling, de uitbouw en het beheer van een gegevensnetwerk in het kader van toelagen in het gezinsbeleid, dat de uitwisseling van alle noodzakelijke gegevens met Vlaamse en federale authentieke gegevensbronnen en de uitbetalingsactoren mogelijk maakt. Ook dit gegevensnetwerk zal maximaal worden ingezet om automatische rechtentoekenning mogelijk te maken. Daarnaast zal bij de uitwerking van de nodige uitvoeringsmaatregelen automatische rechtentoekenning blijven voorop staan.

Tot slot zal het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap Vlaams Agentschap voor de Uitbetaling van Toelagen in het kader van het Gezinsbeleid (verder het EVA) een aanzienlijke rol spelen bij de automatische toekenning van rechten die ze expliciet als een van haar opdrachten heeft. Dit zal tot uiting komen wanneer ze de regelgeving over de toekenning van toelagen in het kader van het gezinsbeleid zal operationaliseren en concretiseren.

De combinatie van al deze maatregelen leidt tot een ruimere toegang tot het groeipakket, met minder regelgevend ingebouwde drempels dan de huidige gezinsbijslagen, én waarbij de take-up van rechten aan meer gezinnen zal kunnen gegarandeerd worden dan momenteel het geval is.

Wat de operationalisering van het gezins- en inkomensbegrip betreft is het vertrekpunt een bruto belastbaar inkomensbegrip (dus voor aftrek van beroepskosten).  Ook wordt er gestreefd naar een harmonisering tussen het inkomensbegrip gezinsbijslagen en selectieve participatietoeslagen (huidige schooltoelagen).

Zoals vermeld in de memorie van toelichting bij het ontwerp van decreet zal, waar het systeem van schooltoelagen vandaag gebaseerd is op netto belastbare inkomsten (na aftrek van beroepskosten), in de toekomst dus gewerkt worden met een bruto belastbaar inkomensbegrip (dus voor aftrek van beroepskosten). Om te vermijden dat gezinnen na het meetellen van de (forfaitaire) beroepskosten in de gezinsinkomsten de maximumgrens zouden overschrijden, zullen de bestaande minimum- en maximumgrenzen voor elk gezin verhoogd worden met de overeenkomstige forfaitaire beroepskosten.

Om ongewenste effecten op het recht op selectieve participatietoeslagen te vermijden werd ervoor gekozen om de inkomensgrenzen te verhogen met het overeenkomstig forfait in het geval waarbij het netto-inkomen volledig zou bestaan uit beroepsinkomen en in het geval waarbij, voor tweeoudergezinnen, dat beroepsinkomen gelijk verdeeld gegenereerd wordt door beide ouders. Aangezien de berekening van de forfaitaire beroepskosten progressief verloopt, is het logisch dat de laagste inkomensgrenzen procentueel het sterkst verhoogd worden.

In een latere fase zal afstemming worden gezocht met de begrippen in de kinderopvang.

Teneinde kort op de bal te kunnen spelen en een sociale toeslag te kunnen toekennen of stopzetten op momenten dat gezinnen er nood - respectievelijk geen nood meer - aan hebben, wordt een alarmbelprocedure in het leven roepen. Deze alarmbelprocedure kan enerzijds getriggerd worden door de gezinnen zelf, en anderzijds in de mate van het mogelijke via elektronische gegevensstromen.

De SERV is tevreden dat de bepalingen uit het handvest van de sociaal verzekerde overgenomen worden in het decreet, maar vraagt om voldoende garanties in te bouwen zodat de uitbetalingsactoren hun verplichtingen t.a.v. de gezinnen effectief nakomen.

Repliek: In Boek 3, deel 1 van voorliggend ontwerp van decreet worden dezelfde garanties ingebouwd als in de huidige toepassing naar de burger toe. Er rust een informatie- en doorzendingsplicht op de uitbetalingsactoren, terwijl ook het principe van de ambtshalve toekenning wordt opgelegd aan de uitbetalingsactoren. De automatische rechtentoekenning is voor de uitbetalingsactoren een resultaatsverbintenis bij de toepassing van het groeipakket. Met de instrumenten die hen ter beschikking staan, dienen zij automatisch de rechten van betrokkenen te garanderen. Indien zij zich in de materiële onmogelijkheid bevinden om dit te kunnen garanderen, zullen zij dit ook telkenmale moeten kunnen aantonen.

Kind en Gezin zal daarbij als regisseur instaan voor de uitbouw van het gegevensnetwerk dat ten dienste zal staan van de uitbetalingsactoren. Het EVA zal moeten concretiseren hoe procedures zullen leiden tot het maximaal inzetten van de instrumenten die ter beschikking staan.

De SERV vraagt om acties te concretiseren voor het versnellen van zorgtoeslagen

Repliek: Voor de zorgtoeslag voor kinderen met een specifieke ondersteuningsbehoefte streven we naar een zo automatisch mogelijke toekenning, waarbij zo weinig mogelijk drempels aanwezig zijn en de wachttijden zo kort mogelijk blijven. Hiertoe zullen de nodige bepalingen opgenomen getroffen worden in een uitvoeringsbesluit.

De SERV vraagt om in te zetten op de verwachte armoedereductie via volledig opname van rechten en de koppeling van de toelagen aan leefkosten.

Repliek: Zoals hierboven al gesteld is de automatische rechtentoekenning van groot belang, en wordt er gestreefd naar een volledige opname van rechten en zal er actief gezocht worden naar kinderen die mogelijk recht kunnen hebben op een groeipakket. De toelagen worden gekoppeld aan het gezinsinkomen, ongeacht het socioprofessioneel statuut van de begunstigden.

De SERV pleit voor meer differentiatie in de gezinsgemoduleerde inkomensselectiviteit én voor een verdere vorm van uitfasering van de sociale toeslagen.

Repliek: Niettegenstaande er een harmonisering gebeurt van de inkomensbegrippen in de gezinsbijslagen en de selectieve participatietoeslagen, wordt er wel gewerkt met gedifferentieerde inkomensgrenzen, net om het risico op een ‘alles of niets’ scenario te beperken.

Wat terugvorderingen betreft, is het de intentie om enkel terug te vorderen waar bedragen onterecht worden toegekend. In het decreet (boek 3) is een fijnmazige regeling opgenomen over de rechten en de plichten van uitbetalingsactoren, begunstigden, de rechtzettingen en de terugvorderingen. Binnen Kind en Gezin wordt een geschillencommissie opgericht die de snelle toegang tot geschillenbeslechting moet verzekeren. Er is ook aandacht voor nalevingsondersteuning om te vermijden dat terugvordering nodig is.

De SERV pleit voor het formuleren van een ideaaltypisch inkomensconcept in het decreet zelf dat gefaseerd uitgewerkt en geïmplementeerd wordt rekening houdend met de technische mogelijkheden.

Repliek: Het gezinsbegrip van het huidige kinderbijslagstelsel wordt overgenomen: “om een feitelijk gezin te vormen moet men samenwonen op hetzelfde adres, geen bloed- of aanverwant zijn t.e.m. de derde graad, en samen een huishouden regelen”. Er zal dus rekening gehouden worden met het inkomen van koppels, ongeacht of ze wettelijk samenwonend zijn, gehuwd zijn of feitelijk samenwonend zijn (cf. conceptnota 31 mei 2016).

In het kader van gelijkmatig verdeelde huisvesting (50/50) wordt naar het inkomen van beide ouders apart, binnen hun nieuw samengestelde gezin, gekeken en bepaald of ze allebei, geen van beiden of één van beiden recht hebben of heeft op een sociale toeslag.

Het belastbare deel van de ontvangen onderhoudsgelden zal meegenomen worden in het inkomensbegrip, aangezien dit deel uitmaakt van de draagkracht van een gezin[25].

De SERV vraagt om het bedrag van de kleutertoeslag te differentiëren, door een budgetneutrale heroriëntering en een gedeeltelijk selectief inzetten van het voorziene budget voor schoolgaande kleuters die een schooltoelage ontvangen.

Repliek: Er is gekozen om alle kleuters op dezelfde manier te behandelen en de kleutertoeslag toe te kennen aan alle kleuters die voldoen aan de voorwaarden.

De SERV vindt dat de uitbetalingsactoren de tijd en middelen moeten krijgen om hun nieuwe organisatie en taken te ontplooien en dat hun inspanningen op dat punt gewaardeerd moeten worden, zonder dat er op korte termijn efficiëntiewinsten worden verwacht. Ook is het belangrijk om de taakbelasting te monitoren o.b.v. transparante informatie.

Repliek: De continuïteit van uitbetaling aan de gezinnen is de grootste prioriteit die reeds werd opgenomen in het Vlaams Regeerakkoord.

[25] Zie hiervoor de studie van het Steunpunt Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, “Een empirisch onderzoek naar de betaalbaarheid en wenselijkheid van hervormingen in de toekomstige Vlaamse kinderbijslag”.

Dit betekent uiteraard dat de uitbetalingsactoren in de mogelijkheid moeten zijn om hun opdracht op een degelijke manier verder kunnen zetten en dus over voldoende middelen moeten kunnen beschikken. Kind & Gezin loopt een nauwgezet traject met de uitbetalingsactoren om dit te realiseren.

De SERV wil dat de organisatie van de loketfunctie via of voor de Huizen van het Kind decretaal wordt verankerd.

Repliek: In het decreet van 7 juli 2017 tot oprichting van een publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap Vlaams Agentschap voor de Uitbetaling van Toelagen in het kader van het Gezinsbeleid, tot vaststelling van vergunningsnormen voor private uitbetalingsactoren en tot wijziging van het decreet van 30 april 2004 betreffende de oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Kind en Gezin is in art. 6 opgenomen dat het EVA als opdracht heeft om samen met de private uitbetalingsactoren een goed uitgewerkte loketfunctie te organiseren, zowel fysiek via de Huizen van het Kind als via digitale weg. Het EVA zal ervoor zorgen, in overleg met de private uitbetalingsactoren, dat de fysieke loketten voldoende geografisch verspreid en vlot bereikbaar zijn.

De SERV vindt dat een handhavingskader duidelijk moet afgebakend zijn, zowel voor de gezinnen als voor de uitbetalingsactoren, maar tegelijkertijd is er ook maatwerk nodig.

Repliek: De handhavingsregels ten aanzien van de burgers bieden een sanctioneringsregeling die een proportionele en doeltreffende beteugeling van wetsschendingen mogelijk maakt, met respect voor de eigenheid van de beleidsmaterie (waarin gezinsondersteuning en zorg voor het kind centraal staan) en met aandacht voor maatschappelijke zuinigheid (geen vermijdbare lasten bij burger en bestuur). Daarnaast staan een aantal algemeen geldende doelen zoals transparantie en een optimaal evenwicht tussen rechtszekerheid en discretionaire beleidsruimte voorop.

Het kader omvat de invoering van een aantal maatregelen die de naleving van de regelgeving moeten ondersteunen. Het aantal maatregelen maakt het mogelijk gepast op te treden. Zo worden naast de preventieve maatregelen zoals de raadgeving en de aanmaning ook mogelijk bestuurlijke maatregelen opgelegd, alvorens men al dan niet een boete oplegt.

De overheid zal deze maatregelen gericht en gediversifieerd inzetten, aangepast aan de concrete omstandigheden van het gezin en de gestelde inbreuk. Ook het feit dat de minimumboete zeer laag werd gehouden, maakt het mogelijk om ook de hoogte van de boete af te stemmen op de vastgestelde inbreuk en kan rekening worden gehouden met de situatie van de overtreder.  

Ook ten aanzien van de uitbetalingsactoren is de handhaving en sanctionering zo uitgewerkt dat op een proportionele wijze kan opgetreden worden. De bedoeling is in eerste instantie de naleving van de bepalingen te bekomen en de sancties slechts in te zetten indien de uitbetalingsactor, ondanks het feit dat hij voldoende geïnformeerd werd over de risico’s of inbreuken en nadat hij werd aangemaand om de inbreuken weg te werken, de regelgeving alsnog niet naleeft. Ook ten aanzien van de uitbetalingsactoren is het kader gedetailleerd uitgewerkt in het decreet en zal de overheid steeds de meest proportionele maatregel moeten opleggen om de naleving te bekomen van de vergunnings- en subsidiëringsvoorwaarden.

De SERV vraagt een geschillencommissie voor alle uitbetalingsactoren, zodat gezinnen recht hebben op gelijke beroepsmogelijkheden, onafhankelijk van de (publieke of private) uitbetalingsactor waarbij ze aangesloten zijn.

Repliek: De geschillencommissie die bij Kind en Gezin zal worden opgericht is een onafhankelijk orgaan. De leden zijn onpartijdig. Een lid kan geen zitting nemen in geschillen die gericht zijn tegen beslissingen door de uitbetalingsactor waardoor hij is voorgedragen. De publieke uitbetalingsactor bevindt zich niet bij Kind & Gezin, maar bij het EVA. Bovendien gelden de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en wordt het onpartijdigheidsbeginsel benadrukt.

De SERV vindt het zinvol om monitoring en evaluatie m.b.t. het macro-budgettaire, de lastenmeting van de uitbetalingsactoren en de efficiëntie en effectiviteit van de onderdelen van het groeipakket decretaal te verankeren.

Repliek:

  • Macro- budgettair: het EVA zal in dit kader zijn decretaal voorziene rol opnemen (efficiëntie van uitbetalingsactoren) zoals bepaald in het decreet van 7 juli 2017 tot oprichting van een publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap Vlaams Agentschap voor de Uitbetaling van Toelagen in het kader van het Gezinsbeleid, tot vaststelling van vergunningsnormen voor private uitbetalingsactoren en tot wijziging van het decreet van 30 april 2004 betreffende de oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Kind en Gezin (o.a. artikel 5); 

  • Lastenmeting van de uitbetalingsactoren: doordat we streven naar een zo automatisch mogelijke betaling en we ook werken met e-gov principes en dus werken met bestaande fluxen uit authentieke bronnen verlagen we ook de administratieve lasten van de uitbetalingsactoren. Ook het gebruik van een gemeenschappelijke betaalmotor heeft dat effect;

  • Efficiëntie en effectiviteit van onderdelen van het groeipakket: dit maakt onderdeel uit van de rol als regulator van Kind en Gezin die ook decretaal is opgenomen. Kind & Gezin zal vanuit zijn rol als regisseur de doelstellingen van het groeipakket opvolgen en monitoring doen van de cijfers en indien nodig beleidsaanbevelingen doen. Bovendien wordt er in het najaar 2017 een monitoringcomité opgestart om het budget en de budgettaire consequenties in de transitie en bij de uitrol van het nieuwe systeem op te volgen.

      II. Advies van de strategische Adviesraan Welzijn, Volksgezondheid en Gezin

Met betrekking tot de armoedetoets stelt de Strategische Adviesraad Welzijn, Gezondheid en Gezin (verder SAR WGG) zich vragen over de overgangsperiode, de non-take-up en het overzicht van de elementen die de kinderarmoede zouden doen verhogen. De SAR WGG vraagt dat procedures en structuren zo worden opgemaakt dat de volledige opname van rechten vergemakkelijkt wordt. De SAR WGG stelt zich ook vragen naar het personeel toepassingsgebied van de gezinsbijslagen.

Repliek: De onderzoekers van de KULeuven die betrokken werden bij de armoedetoets berekenden zowel het armoederisico voor huidige als voor nieuwe gezinnen. Hieruit blijkt dat de uitbreiding van de sociale toeslagen naar gezinnen, los van socioprofessioneel statuut, en de investeringen in de selectieve participatietoeslagen ook voor de huidige gezinnen een onmiddellijke impact hebben.

Deze impact zal zich blijven doortrekken doorheen de overgangsperiode die de huidige gezinnen hun rechten garandeert en uitbreidt. De resultaten tonen ook aan dat voor de gezinstypes waarvoor de berekeningen werden uitgevoerd de armoederisico’s daalden of gelijk bleven, ook voor de huidige (o.a. grotere) gezinnen.

Met betrekking tot de take-up van rechten werd reeds met het decreet van 7 juli 2017 tot oprichting van een publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap Vlaams Agentschap voor de Uitbetaling van Toelagen in het kader van het Gezinsbeleid, tot vaststelling van vergunningsnormen voor private uitbetalingsactoren en tot wijziging van het decreet van 30 april 2004 betreffende de oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Kind en Gezin de nodige garanties ingebouwd om de automatische rechtentoekenning als opdracht van de uitbetalingsactoren te voorzien.

Ook met dit ontwerp van decreet worden de nodige garanties ingebouwd om de automatische rechtentoekenning voor gezinnen te garanderen. In Boek 3, deel 1 van voorliggend ontwerp van decreet worden dezelfde garanties ingebouwd als in de huidige toepassing naar de burger toe, naar analogie met het handvest van de sociaal verzekerde.

Er rust een informatie- en doorzendingsplicht op de uitbetalingsactoren, terwijl ook het principe van de ambtshalve toekenning wordt opgelegd aan de uitbetalingsactoren.

Het onderzoek naar de socioprofessionele situatie en de in het huidige systeem vereiste band van verwantschap zullen geen belemmering meer kunnen vormen voor de automatische toekenning van rechten.

Waar met de gewaarborgde gezinsbijslag het hele recht op deze gezinsbijslag wordt gekoppeld aan een middelentoets zal met het groeipakket enkel nog het recht op een sociale toeslag gekoppeld zijn aan dergelijke middelentoets. Dit zal leiden tot een uitbreiding van de take-up van rechten, waarbij het basisbedrag meer onvoorwaardelijk gegarandeerd blijft dan in het huidige systeem. 

Met betrekking tot het personeel toepassingsgebied worden in elk geval decretaal geen extra drempels voorzien ten aanzien van de huidige toepassing, integendeel. De toelating of machtiging om op het grondgebied te verblijven wordt nu ook gehanteerd als criterium, hetzij expliciet zoals in de gewaarborgde gezinsbijslag, hetzij impliciet zoals in de Algemene Kinderbijslagwet (tewerkstelling onderworpen aan de sociale zekerheid vereist even zeer de toelating of machtiging om op het grondgebied aanwezig te zijn).

Vanaf najaar 2017 zal een monitoringcomité worden opgestart dat de budgettaire evoluties van het systeem zal monitoren. Kind en Gezin zal als regisseur instaan voor de ontwikkeling, de uitbouw en het beheer van een gegevensnetwerk in het kader van toelagen in het gezinsbeleid, dat de uitwisseling van alle noodzakelijke gegevens met Vlaamse en federale authentieke gegevensbronnen en de uitbetalingsactoren mogelijk maakt. Ook dit gegevensnetwerk zal maximaal worden ingezet om automatische rechtentoekenning mogelijk te maken. Ook bij de uitwerking van de nodige uitvoeringsmaatregelen zal automatische rechtentoekenning blijven voorop staan.

Ook het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap Vlaams Agentschap voor de Uitbetaling van Toelagen in het kader van het Gezinsbeleid (verder het EVA) zal een rol spelen bij de automatische toekenning van rechten die ze expliciet als een van haar opdrachten heeft

De combinatie van al deze maatregelen leidt tot een ruimere toegang tot het groeipakket, met minder regelgevend ingebouwde drempels dan de huidige gezinsbijslagen, én waarbij de take-up van rechten aan meer gezinnen zal kunnen gegarandeerd worden dan momenteel het geval is.

De SAR WGG steunt het idee van proportioneel universalisme dat aan de grondslag ligt van het groeipakket en steunt eveneens de integratie van de schooltoelage in het groeipakket. Zij wijst er op dat bij deze integratie geen voorwaardelijkheid mag optreden in de kinderbijslag. De Raad vraagt om de wil tot automatische rechtentoekenning dwingender op te nemen in het decreet.

Repliek: Voorliggend decreet maakt duidelijk onderscheid tussen gezinsbijslagen, de selectieve participatietoeslagen en andere toelagen in het kader van het gezinsbeleid. De gezinsbijslagen worden in het kader van het groeipakket ontdaan van heel wat voorwaarden die in de huidige kinderbijslagreglementeringen wel gelden.

Daarnaast worden in het groeipakket toelagen geïntegreerd die gericht zijn op de participatie van kinderen, zowel aan onderwijs als aan kinderopvang. Het duidelijk onderscheid is er op gericht dat de onvoorwaardelijkheid van de gezinsbijslagen wordt gegarandeerd, in tegenstelling tot de meer doelgerichte toelagen in het kader van het gezinsbeleid.

De automatische rechtentoekenning is voor de uitbetalingsactoren wel degelijk een resultaatsverbintenis bij de toepassing van het groeipakket. Met de instrumenten die hen ter beschikking staan, dienen zij automatisch de rechten van betrokkenen te garanderen. Indien zij zich in de materiële onmogelijkheid bevinden om dit te kunnen garanderen, zullen zij dit ook telkenmale moeten kunnen aantonen.

Kind en Gezin zal daarbij als regisseur instaan voor de uitbouw van het gegevensnetwerk dat ten dienste zal staan van de uitbetalingsactoren. Het EVA zal moeten concretiseren hoe procedures zullen leiden tot het maximaal inzetten van de instrumenten die ter beschikking staan.

De SAR WGG vraagt de Vlaamse Regering om te evolueren naar één inkomensbegrip. Ze vraagt om het inkomensbegrip in de Vlaamse Gezinsbijslagen transparant te maken op het aanslagbiljet.

Repliek: Met het groeipakket wordt het inkomens- en gezinsbegrip tussen de gezinsbijslagen en de selectieve participatietoelagen (momenteel de schooltoelage) uniform. Afstemming met het inkomenstarief in de kinderopvang is gepland in een latere fase.

Kind en Gezin zal in gesprek treden met de FOD Financiën om de modaliteiten aangaande het visualiseren van de informatie op het aanslagbiljet mogelijk te maken.

De SAR WGG maant de Vlaamse regering aan om een efficiënter en effectiever systeem van inschaling te ontwikkelen zodat de non-take-up van de zorgtoeslag vermeden wordt én de huidige wachtlijsten verdwijnen. De raad vraagt welke maatregelen de Vlaamse regering hiervoor zal nemen.

Repliek: In eerste instantie zal de bestaande attestering worden verdergezet. Op termijn zal de attestering afgestemd worden met het inschalingssysteem voor de Vlaamse sociale bescherming.  Er wordt wel gestreefd om de zorgtoeslag zo automatisch mogelijk toe te kennen, drempels te vermijden en wachttijden zoveel mogelijk te voorkomen.

De SAR WGG uit twijfels bij de effectiviteit en efficiëntie van de universele participatietoeslagen, wat het systeem van de gezinsbijslagen complexer zou maken.

Repliek: De universele participatietoeslag is gebaseerd op de leeftijd van een kind en herneemt structureel de toepassing van de huidige jaarlijkse leeftijdsbijslag. Vanuit die optiek is er geen (bijkomende) complexiteit ten aanzien van de huidige toepassing en blijven effectiviteit en efficiëntie wat betreft het universele toepassingsgebied dezelfde.

De Raad stelt zich vragen bij de omkering van de rang zoals opgenomen in art. 208, §2 van onderhavig ontwerp van decreet.

Repliek: De rangorde wordt vanaf 1 januari 2019 bevroren voor kinderen die reeds kinderbijslag ontvangen in het huidige systeem. Daarbij is het evenwel de bedoeling dat de uitstroom uit de kinderbijslag dezelfde gevolgen heeft als in het huidige systeem, namelijk dat de hoogste rangbedragen als eerste uitstromen. Om de huidige uitstroom grosso modo te garanderen worden de rangbedragen op het moment van transitie omgedraaid. Tegelijkertijd wordt de bevriezing gegarandeerd, aangezien er geen verschuivingen in rang meer zullen moeten worden in rekening genomen. Dit levert geen nadeel op voor de gezinnen.

De SAR WGG stelt zich vragen bij de concrete uitvoering van de toekenning van de kinderopvangtoeslag.

Repliek: De kinderopvangtoeslag ondersteunt de participatie van kinderen aan de kinderopvang. De concrete modaliteiten zullen worden uitgewerkt in een Besluit van de Vlaamse Regering. Het uitgangspunt daarbij is dat de registratie met minimale last voor het kinderopvanginitiatief dient te kunnen gebeuren, zonder dat ouders in moeten staan voor dergelijke registratie.

De SAR WGG stelt zich vragen bij de rol van de Huizen van het Kind.

Repliek: De Huizen van het Kind zijn een toegankelijk en herkenbaar gegeven voor de (toekomstige) ouders waar zij terecht kunnen met al hun vragen over het (preventieve) gezinsbeleid. De uitbetalingsactoren zullen er hun plaats krijgen, net zoals andere maatschappelijke actoren hun plaats binnen een Huis van het Kind kunnen opnemen, waarmee zij een logische plek krijgen in het Vlaamse (preventieve) gezinsbeleid.

De SAR WGG verwacht dat in de uitvoeringsbesluiten voldoende stimulansen en verplichtingen opgenomen zijn om deze verwachtingen inzake informatie, raadgeving, doorzending,… ten aanzien van de uitbetalingsactoren effectief te realiseren.

Repliek: De decretaal noodzakelijke bepalingen werden opgenomen in voorliggend decreet, naar analogie met de wet van 11 april 1995 tot invoering van het “handvest” van de sociaal verzekerde. De nodige uitvoeringsbesluiten zullen worden getroffen. Waar nodig zal ook het EVA de nodige procedures uitwerken in uitvoering van deze decretaal verankerde principes.

      III. Advies van de Vlaamse Onderwijsrad

De VLOR betreurt het wegvallen van de leeftijdsbijslag en is voorstander van meer gerichte ondersteuning via selectieve toeslagen.

Repliek: Het Groeipakket is opgesteld uit een universeel luik voor ieder kind (startbedrag, basisbedrag en universele participatietoeslag), met daarnaast toeslagen afhankelijk van de noden van het kind en het gezin. Er wordt een groter deel selectief ingezet dan vandaag het geval is in de huidige kinderbijslag.

De VLOR vraagt om de inkomensgrenzen voor sociale toeslagen meer te differentiëren tussen de grenzen van 30.386 en 60.000 euro.

Repliek: De toeslag voor gezinnen met een inkomen tussen 30.386 en 60.000 zal gefaseerd opgestart worden. Enkel indien er een derde of volgende kind bijkomt in een gezin vanaf 2019, kan er mogelijk recht zijn op deze sociale toeslag. Aangezien dit een geleidelijke invoering is, zal dit ook kunnen worden gemonitord, en waar nodig kunnen bijgestuurd worden.

De VLOR vindt de verwachte daling van het armoederisico te beperkt en vindt de gevolgen moeilijk in te schatten omdat er nood is aan extra gegevens op zowel macro- als microniveau.

Repliek: Binnen de globale hervorming slaagt het systeem erin om minstens hetzelfde, aanzienlijke effect te hebben voor de betrokken gezinnen als het huidige systeem. Daarnaast willen we er op wijzen dat er wel degelijk een aanzienlijke vooruitgang wordt geboekt ten aanzien van de huidige situatie en dat de armoedekloof ook voor deze gezinnen wordt verkleind. Er zal een monitoring en evaluatie voorzien worden, zodat er voorstellen tot bijsturing kunnen gebeuren.

De VLOR vreest voor een complexe operationalisering (door te lange overgangsperiode en complexe gegevensdoorstroming), die de effectieve invoering zal bemoeilijken.

Repliek: De huidige regelgeving wordt niet onverkort toegepast na 1 januari 2019. Er wordt niet langer vertrokken van een socioprofessionele basis om een recht op kinderbijslag te kunnen vaststellen, ook niet voor de huidige gezinnen.

Daarnaast wordt een gemeenschappelijke grondslag gevonden qua inkomensselectiviteit waarbij de huidige complexiteit in sociale toeslagen betreft. Wat de verdere operationalisering betreft wordt er gezocht naar een zo pragmatisch mogelijke invulling, steeds met een streven naar een zo automatische mogelijke rechtentoekenning voor de burger.

De VLOR wijst erop dat er nog heel wat onduidelijkheden blijken over de invulling van bepaalde regelgeving en vraagt om te overleggen en de nodige deskundigen te raadplegen, ook als er wijzigingen aangebracht worden aan bestaande regelgeving.

Repliek: De regelgeving wordt opgemaakt door juristen van Kind en Gezin, FAMIFED en de private uitbetalingsactoren, en bij de betreffende uitvoeringsbesluiten zullen de nodige deskundigen worden geraadpleegd. Kind & Gezin heeft in het voorjaar een structureel overleg met het beleidsdomein Onderwijs opgestart om afstemming en uitwisseling te verzekeren.

De VLOR staat positief t.o.v. de extra middelen voor de selectieve participatietoeslag en HBO5, maar vindt het ongepast dat deze middelen voor een deel worden verworven uit de niet-indexering van de huidige kinderbijslag in 2017.

Repliek: Het budget van de federale indexsprong en de indexsprong in 2017 wordt bij de start van het groeipakket onmiddellijk terug ingevoegd in het systeem. Het groeipakket is een geïntegreerde benadering van het gezinsbeleid, met naast de gezinsbijslagen een aantal flankerende toelagen in het kader van het gezinsbeleid. Deze toelagen samen ondersteunen gezinnen, en aangezien er gekozen is om meer gericht en selectief gezinnen te ondersteunen, is het logisch dat er zowel een versterking is van de sociale toeslag als de selectieve participatietoeslag.

De VLOR dringt aan op een nauwgezette monitoring van de hervorming, zowel op macro- als microniveau.

Repliek: Er zal in het najaar van 2017 een monitoringcomité opgestart worden om het budget en de budgettaire consequenties in de transitie en bij de uitrol van het nieuwe systeem op te volgen. Daarnaast zal Kind & Gezin vanuit zijn rol als regisseur monitoring doen van de cijfers en beleidsaanbevelingen doen.

De VLOR wijst op het belang van een goede informatieverstrekking aan de gezinnen.

Repliek: De decretaal noodzakelijke bepalingen inzake een goede informatieverstrekking werden opgenomen in voorliggend decreet (zie artikel 79), naar analogie met de wet van 11 april 1995 tot invoering van het “handvest” van de sociaal verzekerde. De nodige uitvoeringsbesluiten zullen worden getroffen. Waar nodig zal ook het EVA de nodige procedures uitwerken om een goede informatieverstrekking te garanderen aan de gezinnen.

De VLOR is niet overtuigd dat het haalbaar is binnen de vooropgestelde timing van 2019 (1 januari voor gezinsbijslagen en schooljaar 2019-2020 voor selectieve participatietoeslagen).

Repliek: Kind en Gezin volgt een nauwgezette projectplanning op en werkt samen met alle stakeholders (kinderbijslagfondsen, armoedeorganisaties, Onderwijs,…) aan de implementatie van het groeipakket in 2019.

De VLOR toont zich positief over de integratie van de schooltoelagen in het groeipakket als de selectieve participatietoeslag. Het beschouwt de mogelijkheid om meer automatisch toe te kennen als een grote stap vooruit. Het wijst er daarbij op dat er nood is aan verdere afstemming.

Repliek: Het inkomens- en gezinsbegrip zullen op elkaar afgestemd worden en verder verfijnd waar nodig in het kader van de selectieve participatietoeslagen. Daarbij wordt aandacht besteed aan automatische rechtentoekenning, waarbij zoveel mogelijk gebruik gemaakt zal worden van administratieve databanken. Daarbij zal uiteraard rekening gehouden worden met de privacy van betrokkenen en zullen deze geïnformeerd worden over hun rechten, gezien de informatie- en raadgevingsplicht van de uitbetalingsactoren.

De VLOR vindt dat dezelfde doelgroep moet kunnen genieten van de selectieve participatietoeslagen en de schooltoelagen:

Repliek: het uitgangspunt is dat minstens de huidige doelgroep die schooltoelagen ontvangt ook in de toekomst selectieve participatietoeslagen zal ontvangen. De nodige uitvoeringsbesluiten zullen de gevraagde verduidelijking aanbrengen met betrekking tot de leefeenheid, maar evenzeer met betrekking tot de KI-toets. De brutobedragen voorafgaand aan de beroepskosten werden in rekening gebracht ten aanzien van het huidige inkomensbegrip dat gehanteerd wordt binnen de schooltoelage. Om te vermijden dat gezinnen na het meetellen van de (forfaitaire) beroepskosten in de gezinsinkomsten de maximumgrens zouden overschrijden, zullen de bestaande minimum- en maximumgrenzen voor elk gezin verhoogd worden met de overeenkomstige forfaitaire beroepskosten.

Om ongewenste effecten op het recht op selectieve participatietoeslagen te vermijden werd ervoor gekozen om de inkomensgrenzen te verhogen met het overeenkomstig forfait in het geval waarbij het netto-inkomen volledig zou bestaan uit beroepsinkomen en in het geval waarbij, voor tweeoudergezinnen, dat beroepsinkomen gelijk verdeeld gegenereerd wordt door beide ouders. Aangezien de berekening van de forfaitaire beroepskosten progressief verloopt, is het logisch dat de laagste inkomensgrenzen procentueel het sterkst verhoogd worden.

De verhoogde bedragen die van toepassing zullen zijn in de selectieve participatietoeslagen werden reeds decretaal verankerd.

De VLOR is er niet van overtuigd dat de middelen die worden ingezet voor de kleutertoeslag de participatie zullen verhogen en vraagt dat de toeslag anders wordt ingezet.

Repliek: er zijn al heel wat initiatieven die inzetten op de participatie van kleuters. Met deze stimulans willen we jonge gezinnen ondersteunen bij deze participatie. Daarbij wordt voor deze flankerende maatregel gekozen om alle gezinnen op dezelfde manier te behandelen.

De VLOR vraagt aandacht voor de eenheid binnen het gezin.

Repliek: door de inkomens- en gezinsbegrippen nauwer op elkaar af te stemmen wordt gestreefd naar afstemming van de studietoelagen met de selectieve participatietoeslagen.

Dit zal zich verder concretiseren in de uitvoeringsbesluiten, we verwijzen hierbij ook naar de reeds aangehaalde afstemming tussen het netto en bruto inkomensbegrip. Dergelijke zorgvuldigheid zal blijvend gehanteerd worden in de verdere coördinatie. Daarbij zal er natuurlijk oog zijn voor de goede uitwisseling van informatie tussen Kind en Gezin en Onderwijs, waarbij de wederzijdse informatie-uitwisseling de aanleiding zal zijn voor een verdere automatische take-up van rechten. Dit zal wellicht voorwerp uitmaken van een evaluatie in tweede fase wanneer dit systeem is geoperationaliseerd.

De VLOR vraagt aandacht voor HBO-5 studenten en zieke studenten die geen 27 studiepunten opnemen, alsook jongeren in een diplomajaar.

Repliek: De regelgeving met betrekking tot HBO5 is opgenomen in het ontwerp van decreet graduaatsopleidingen. Wat zieke studenten betreft, zullen inzake de gezinsbijslagen uitzonderingen worden voorzien voor diegenen die wegens ziekte geen 27 studiepunten kunnen opnemen zodat zij het recht op gezinsbijslagen behouden.

De VLOR vraagt om regelgeving, definities en bevoegdheden af te stemmen.

Repliek: Het is een blijvend aandachtspunt om terminologie af te stemmen met de regelgeving die geldt voor de studietoelagen. Waar mogelijk werd verwezen naar bestaande regelgeving op het vlak van school- en studietoelagen. Ook in de verdere uitvoeringsbesluiten zal die aandacht gehanteerd worden. Die aandacht zal er ook zijn inzake de vlotte gegevensuitwisseling tussen Onderwijs en Kind en Gezin, waarbij het geenszins de bedoeling is om administratieve lasten voor de onderwijsinstellingen te creëren.

      IV. Advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke Levenssfeer

In het advies nr. 41/2017 van 26 juli 2017, gevoegd als bijlage, verstrekt de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke Levenssfeer een gunstig advies op het ontwerp van decreet, mits rekening wordt gehouden met de volgende opmerkingen:

  • Hoewel bepaalde essentiële elementen van de geplande gegevensverwerkingen in het ontwerp worden vastgelegd, is het aangewezen om nog meer details van die verwerkingenin het ontwerp en in latere uitvoeringsbesluiten vast te leggen ( randnummers 9-10);

  • Bepaalde elementaire egov-principes dienen expliciet hun weerslag te vinden in de tekst van het ontwerp, tenzij Kind en Gezin deel uitmaakt van het uitgebreide netwerk van de kruispuntbank van de sociale zekerheid ( randnummers 11-12);

  • De informatieplicht ten aanzien van de betrokkenen dient te worden geconcretiseerd in het ontwerp ( randnummers 14-15);

  • Het bijzonder beschermingsregime voor de verwerking van medische en gerechtelijke gegevens mag niet uit het oog worden verloren ( randnummers 16-17).

Wat de randnummers 9 en 10 betreft werd gevolg gegeven aan de opmerkingen van de commissie en met name:

Randnummer 9: 

a)   Alle actoren die werken met de gegevens noodzakelijk om de toelagen gezinsbeleid uit te betalen worden vermeld in dit ontwerp van decreet      (K&G en de uitbetalingsactoren) of in het decreet van 7 juli 2017 tot oprichting van een publiekrechtelijk vormgegeven verzelfstandigd agentschap Vlaams Agentschap voor de Uitbetaling van Toelagen in het kader van het gezinsbeleid. De geschillencommissie wordt opgericht bij Kind en Gezin. Alhoewel deze geschillencommissie autonoom zal werken ten aanzien van de dossiers waarvoor ze bevoegd zal zijn, blijft Kind en Gezin de verwerkingsverantwoordelijk voor de persoonsgegevens nodig voor de opdrachten van deze geschillencommissie;

b)   De verwerkingsverantwoordelijken zullen worden aangeduid in artikel 7;

c)   De bewaartermijnen, en met name de bewaring en archivering van een dossier zullen geregeld worden in een Besluit van de Vlaamse Regering;

Randnummer 10:

De in artikel 7 van het ontwerp voorziene delegatie aan de uitvoerende macht zal in het ontwerp worden aangepast naar een verplichte delegatie (woord “kan” vervangen door “zal”). Het uitvoeringsbesluit(en) zal voor advies worden voorgelegd aan de Privacycommissie.

Wat de e-gov-principes betreft (randnummers 11 en 12) bevestigen we het advies van de Commissie dat de e-gov-principes niet uitdrukkelijk in dit ontwerp dienen opgenomen te worden aangezien Kind en Gezin deel uitmaakt van het uitgebreid netwerk van de Kruispuntbank bij beslissing van het Beheerscomité. De vermelde e-gov-principes en waarborgen ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer zijn vervat in de KSZ-wet.

Wat de informatieplicht aan de betrokkenen (randnummers 14 en 15) betreft willen verduidelijken dat de artikelen 79 tot 83 van het ontwerp betrekking hebben op de verplichtingen van de uitbetalingsactoren om de betrokkenen te informeren over hun rechten ten aanzien van de gezinsbijslagen en andere toelagen.

De informatieplicht zoals voorzien in de WVP en de Algemene Verordening Gegevensbescherming wordt in het ontwerp niet herhaald, aangezien geen bepalingen van de verordening mogen worden herhaald in de regelgeving. De verordening zal immers van toepassing zijn op 25 mei 2018, nog voor de inwerkingtreding van huidig ontwerp.

In de memorie van toelichting wordt bij artikel 79 verduidelijkt dat de informatieverplichting uitsluitend betrekking heeft op de inlichtingen betreffende zijn rechten en verplichtingen en geldt onverminderd de informatieplicht zoals voorzien in artikel 13 en 14 van de Algemene Verordening Gegevensbescherming. 

Wat het bijzonder beschermingsregime betreft voor de verwerking van medische en gerechtelijke gegevens (randnummers 16 en 17) wordt ook rekening gehouden minstens met de  volgende bepalingen met betrekking tot deze gegevens zoals opgenomen in artikel 9, lid 3 en artikel 10 van de Verordening. Deze bepalingen mogen echter evenmin worden herhaald in het ontwerp, maar worden in de memorie van toelichting bij artikel 7 van voorliggend ontwerp toegevoegd. 

      V. Advies 62.258/1 van  8 december 2017 van de Raad van State, afdeling Wetgeving

Hierbij wordt ingegaan op het advies van de Raad van State, waarbij telkens de betrokken randnummers zullen vermeld worden. Waar puntsgewijze aanpassingen gebeuren in het ontwerp van decreet zal dit opgenomen worden bij de toelichting die verschaft wordt bij de respectievelijke artikelen.

Randnummer 2.

De Raad van State merkt op dat er geen apart document inzake het kinder- en jongereneffectrapport (JoKER) werd opgesteld. De Raad aanvaardt een geïntegreerd document in zoverre volgende elementen voorhanden zijn:

1° een beschrijving van het effect van de voorgenomen beslissing op de situatie van het kind of de jongere;

2° een beschrijving van het effect op de situatie van het kind of de jongere zonder de voorgenomen beslissing;

3° alternatieven voor de voorgestelde beslissing, inzonderheid een beschrijving van de beoogde maatregelen om belangrijke nadelige gevolgen van de beslissing voor de situatie van het kind of de jongere te vermijden, te beperken en zo mogelijk te verhelpen.

Het JoKER werd bij het opstellen van dit decreet geïntegreerd in de armoedetoets die werd uitgevoerd ten gevolge van de conceptnota van de Vlaamse Regering “Voor elk kind en elk gezin een groeipakket op maat”. Deskundigen vanuit het Kinderrechtencommissariaat en de Kinderrechtencoalitie werden betrokken bij het opstellen van dit document.

Hierdoor werd het standpunt vanuit kinder- en jongerenrechten mee geïntegreerd in het regelgevend proces. De beoordeling door de verschillende deskundigen loopt vanuit het oogpunt van kinderrechten grotendeels gelijk met deze vanuit het armoedeoogpunt. Waar nodig werd in het betrokken document duidelijk aangegeven waar vanuit kinderrechtenperspectief een toevoeging werd gemaakt.

Er kan inderdaad aangegeven worden dat een duidelijke analyse werd gemaakt van het effect van de voorgenomen beslissing en het effect zonder de voorgenomen beslissing. Daartoe werd een uitgebreide analyse gemaakt in het wetenschappelijke luik van de armoedetoets. De ervaringsdeskundigen inzake armoedebestrijding en de experts inzake kinderrechten leverden hun input en brachten alternatieve voorstellen aan. Waar mogelijk werd daarmee rekening gehouden. De Vlaamse Regering heeft in haar reactie op de armoedetoets duidelijk aangegeven waarom sommige opties niet konden worden meegenomen.

Aangezien de drie noodzakelijke punten waar de Raad van State naar verwijst aanwezig zijn in het geïntegreerde document, werden de verplichtingen inzake het JoKER vervuld.

Randnummer 3.4.

De Raad van State merkt op dat de Vlaamse Gemeenschap niet eenzijdig bepalingen kan opleggen inzake gegevensdeling, dan nadat hierover een samenwerkingsakkoord werd gesloten tussen de bevoegde deelentiteiten.

In deze kan verwezen worden naar de artikelen 7 en 8 van het samenwerkingsakkoord van … tussen de Vlaamse Gemeenschap, het Waalse Gewest, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en de Duitstalige Gemeenschap betreffende de aanknopingsfactoren, het beheer van de lasten van het verleden, de gegevensuitwisseling inzake de gezinsbijslagen en de praktische regels betreffende de bevoegdheidsoverdracht tussen de kinderbijslagfondsen. In deze bepalingen wordt de noodzakelijke grondslag opgenomen, waarna met respect voor dit samenwerkingsakkoord en het nader uit te werken samenwerkingsprotocol, de Vlaamse Gemeenschap eenzijdig de nodige bepalingen kan treffen.

Randnummer 5.4.

De Raad van State geeft aan dat de selectieve participatietoeslagen onder de toepassing van artikel 24 van de Grondwet vallen, wat gevolgen heeft voor het legaliteitsbeginsel. Daarmee kan akkoord worden gegaan.

Met dit decreet worden de selectieve participatietoeslagen echter geïncorporeerd in een meer geïntegreerde visie op de toelagen die in het kader van het gezinsbeleid worden uitgekeerd. Waar akkoord kan gegaan worden met het feit dat artikel 24 van de Grondwet nog steeds van toepassing is, worden de selectieve participatietoeslagen wel degelijk beschouwd als een onderdeel van het gezinsbeleid, zoals ook wordt verduidelijkt in de overeenkomstige definitie in artikel 3 van dit decreet.

Randnummer 6.

De Raad van State merkt op dat een aantal bepalingen van het ontwerp raken aan aangelegenheden waarvoor de federale overheid bevoegd is , hetzij op grond van aan de federale overheid uitdrukkelijk toegewezen bevoegdheden, hetzij op grond van de residuaire bevoegdheid.

Randnummer 6.1.

Een aantal bepalingen regelen aspecten van de gerechtelijke procedure. De Raad vraagt te motiveren dat voldaan is aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 10 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 ‘ tot hervorming van de instellingen’.

De toepassingsvoorwaarden van artikel 10 BWHI zijn:

  • Noodzakelijkheid; het regelen van een aangelegenheid waarvoor de federale staat in beginsel bevoegd is, is noodzakelijk voor de uitoefening van de eigen bevoegdheden;

  • De aangelegenheid leent zich tot een gedifferentieerde regeling;

  • De aangelegenheid heeft een marginale weerslag op de federale aangelegenheid.

De termijnen in de verschillende door de Raad van State aangeduide bepalingen zijn noodzakelijk ten einde rekening te houden met de specifieke context van het gezinsbeleid waar het aanslepen van geschillen rond sancties bijzonder onwenselijk is. Die logica is overigens ook terug te vinden in artikel 23 van de Wet van 11 april 1995 tot invoering van het “handvest” van de sociaal verzekerde, waar drie maanden als maximum worden gezien voor geschillen inzake sociale zekerheid. De ingevoerde regeling heeft overigens een duidelijk marginale weerslag. De bestuurlijke maatregelen zowel als bestuurlijke geldboeten zullen, binnen het ontworpen systeem, zelden worden opgelegd. De fractie waartegen beroep wordt ingesteld, doorgaans een 10% van de sanctiebeslissingen (zie memorie van toelichting bij artikel 134) zal beperkt zijn.

Ook voor wat betreft de termijnen die bepaald werden om beroep te kunnen doen op de geschillencommissie (artikel 104 van dit decreet) en na een beslissing van de geschillencommissie bij de bevoegde rechtbank (artikel 115 van dit decreet) is het vastleggen van aan de specifieke sector aangepaste termijnen noodzakelijk om duidelijkheid te kunnen verlenen wat betreft de al dan niet toekenning van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid. De toelagen worden toegekend om gedeeltelijk te voorzien in de kosten van het onderhoud van de kinderen. Een snelle en duidelijke besluitvorming is noodzakelijk om de rechten van de kinderen en hun gezinnen te garanderen en rechtszekerheid te geven.

Ingevolge het advies van de Raad van State worden in artikel 134 en artikel 166 de bewoording ‘ met een verzoekschrift’ geschrapt.

In artikel 170 wordt de termijn voor het invorderen van een geldboete vastgelegd op 5 jaar. Deze termijn dient gezien te worden in de context waarin op korte termijn rechtszekerheid moet gegeven worden aan de burgers. De impact op federale aangelegenheden is marginaal aangezien ook het aantal geldboeten dat verwacht wordt zeer gering zal zijn. Artikel 170 bevat verder een loutere verwijzing naar de stuitingsgronden vermeld in artikel 2244 van het burgerlijk wetboek.

Een gelijkaardige bepaling wordt opgelegd in artikel 188 voor wat betreft de geldboeten opgelegd aan de uitbetalingsactoren. Ook daar geldt dezelfde motivering dat de regeling noodzakelijk is om rechtszekerheid te geven ook aan de uitbetalingsactoren en dat de impact op federale aangelegenheden zeer gering is aangezien in de handhavingsketen het opleggen van een geldboete zelden noodzakelijk zal zijn. Verder wordt ook hier louter verwezen naar de federale bepaling  met betrekking tot de stuitingsgronden zonder deze te wijzigen.

Artikel 198 bevat een louter vervanging van woorden om te kunnen garanderen dat in de bepaling ook rekening wordt gehouden met de toelagen in het kader van het gezinsbeleid en niet langer met de in de federale regeling vastgelegde ‘ kinderbijslag ‘. De wijziging is noodzakelijk om de federale regeling, die betrekking heeft op de verplichte vermeldingen in een rechterlijke beslissing die de onderhoudsbijdrage vaststelt op grond van artikel 203, § 1 van het burgerlijk wetboek, ook in de toekomst de vermelding van de ‘ toelagen in het kader van het gezinsbeleid’ mogelijk te maken in de plaats van de federaal geregelde ‘ kinderbijslag’ .

Zo bevat ook artikel 199 van het decreet een aantal noodzakelijke wijzigingen om de huidige regeling voorzien in artikel 1410 van het gerechtelijk wetboek ook in de toekomst te kunnen verder zetten. De impact is marginaal ten aanzien van de federale bevoegdheid want is een verderzetting van de huidige werking door loutere aanpassing van de terminologie. Bovendien stipt de memorie van toelichting hier aan dat de regeling waarbij bepaald wordt hoe teveel uitbetaalde toelagen in het kader van het gezinsbeleid kunnen worden terugbetaald of gecompenseerd tot de bevoegdheid van die regeling zelf behoren.

Zoals in de memorie van toelichting bij artikel 199 wel is uitgelegd wordt rekening gehouden met de bevoegdheidsverdeling door de terugvordering te schrappen voor die prestaties die behoren tot de bevoegdheid van de federale overheid. 

Randnummer 6.2.

Artikel 186 van het ontwerp bepaalt dat de beboete uitbetalingsactor beroep kan aantekenen bij de Raad van State tegen de beslissing waarbij hem een bestuurlijke geldboete is opgelegd en dat dit beroep de uitvoering van de beslissing schorst.

De Raad van State merkt op dat indien de schorsende werking van het beroep noodzakelijk is, de memorie van toelichting de gevraagde verantwoording moet voorzien. Ingevolge de opmerking van de raad van state wordt de bepaling met betrekking tot de schorsende werking geschrapt in artikel 186.

Randnummer 6.3.

Artikel 129, tweede lid, van het ontwerp houdt een afwijking in van artikel 29 van het Wetboek van Strafvordering. Er wordt gesteld dat het eigen karakter van de beleidsmaterie, gericht op de ondersteuning van gezinnen en kinderen, deze uitzondering op de federale bepaling noodzakelijk maakt.

Ook hier vraagt de Raad van state de redenen die verantwoorden dat aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 10 BWHI is voldaan op te nemen in de memorie van toelichting.

Uit de toelichting inzake artikel 129, tweede lid mag voldoende blijken dat het opmaken van een aanmaning noodzakelijk is om een efficiënt en preventief handhavingsbeleid te kunnen voeren. Het niet naleven van de regelgeving is in bepaalde gevallen te wijten aan een gebrekkige kennis van de na te leven bepalingen. De aanmaning geeft de betrokkene de kans om de bepalingen na te leven zonder hierop meteen gesanctioneerd te worden.

De aanmaning wordt ook in andere regelgeving teruggevonden waaronder bijvoorbeeld art. 21 van het Sociaal Strafwetboek en artikel 6 van het decreet sociaalrechtelijk toezicht.

Hieruit blijkt ook dat de aangelegenheid zich tot een gedifferentieerde regeling leent. Een eerdere wetgevingspraktijk die op gelijkaardige wijze differentieert, toont aan dat de materie zich hiertoe leent (bv. Grondwettelijk Hof, 30 april 2003, nr. 49/2003).

Aangezien de huidige regeling (artikel 21 Sociaal Strafwetboek) in een gelijkaardige regeling voorziet heeft de huidige ontworpen bepaling nauwelijks weerslag op de federale aangelegenheid.

Randnummers 10 tot en met 14.   

De Raad van State analyseerde de samenhang tussen de lokalisatiecriteria voorhanden in het samenwerkingsakkoord van … tussen de Vlaamse Gemeenschap, het Waalse Gewest, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en de Duitstalige Gemeenschap betreffende de aanknopingsfactoren, het beheer van de lasten van het verleden, de gegevensuitwisseling inzake de gezinsbijslagen en de praktische regels betreffende de bevoegdheidsoverdracht tussen de kinderbijslagfondsen en verordening (EG) 883/2004.

De Raad van State stelt zich daarbij de vraag of het zorgverzekeringcontentieux overeind zou blijven, gelet op de waarborg die vervat zit in artikel 23 van de Grondwet, waardoor in elk van de bevoegde deelentiteiten het recht op gezinsbijslagen wordt verzekerd. De logica van de plaats van tewerkstelling die werd opgebouwd in de zorgverzekeringscontentieux is dan ook gezien de voorgaande bemerking de facto niet noodzakelijk onverminderd van toepassing. Zij wordt dan ook niet onverminderd toegepast in het kader van de gezinsbijslagen, wat betreft de toepassing van dit decreet.

De bevoegde deelentiteiten bepaalden met artikel 2 van het samenwerkingsakkoord van … tussen de Vlaamse Gemeenschap, het Waalse Gewest, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en de Duitstalige Gemeenschap betreffende de aanknopingsfactoren, het beheer van de lasten van het verleden, de gegevensuitwisseling inzake de gezinsbijslagen en de praktische regels betreffende de bevoegdheidsoverdracht tussen de kinderbijslagfondsen, de bevoegdheidsregels die er intra-Belgisch toe zullen leiden welke deelentiteit bevoegd is inzake de gezinsbijslagen.

Daarbij wordt overeenkomstig het bepaalde in de parlementaire voorbereiding bij de bijzondere wet van 6 januari 2014, het criterium woonplaats (in cascade de wettelijke woonplaats en de verblijfplaats van het kind in een entiteit, in die volgorde) van het kind gehanteerd in het betrokken samenwerkingsakkoord. Daarnaast zijn er effectief een aantal regels geïnstalleerd in een zelfde cascade die het mogelijk moeten maken om de bevoegde deelentiteit aan te duiden indien het woonplaats criterium onvoldoende blijkt. Dergelijke toepassing zal zeker nodig zijn in het kader van de aanwijsregels van verordening (EG) 883/2004.

Het zijn de bepalingen van dit samenwerkingsakkoord die de intra-Belgische bevoegdheid zullen bepalen, en niet de aanwijsregels uit verordening (EG) 883/2004. In tegenstelling tot bij de zorgverzekering zijn er in het kader van de gezinsbijslagen vier gelijkwaardige stelsels die zullen ontstaan na de overdracht van de bevoegdheden. De Raad van State en het Grondwettelijk hof garanderen immers vanuit de principes van stand still en het verbod op discriminatie dat de stelsels na deze overdracht geen achteruitgang betekenen voor de burger.

De deelentiteiten kunnen dan ook de nodige aanwijsregels afspreken, die niet noodzakelijk moeten gebaseerd zijn op de aanwijsregels uit verordening (EG) 883/2004.

Dat betekent echter niet dat de aanwijsregels uit verordening (EG) 883/2004 niet zullen worden gerespecteerd waar het de samenloop met andere lidstaten betreft. Er is geen territoriale beperking voorzien in het in ogenschouw nemen van de criteria die de grondslag vormen voor deze aanwijsregels (werk, pensioen, woonplaats). De bevoegde deelentiteit op basis van de aanwijzingsfactoren uit artikel 2 van het betrokken samenwerkingsakkoord zal ook de tewerkstelling in een andere deelentiteit mee in rekening moeten nemen bij het bepalen van de voorrang onder toepassing van de aanwijsregels in de betrokken verordening.

Verordening (EG) 883/2004 zal dus ten volle uitwerking vinden, maar met respect voor de interne bevoegdheidsregels die door de deelentiteiten werden afgesproken in het kader van het betrokken samenwerkingsakkoord.

De Raad van State vraagt wel om de toepassing in deze samenhang te verduidelijken in het decreet, waarvoor wordt verwezen naar de artikelsgewijze bespreking van artikel 2. De gebeurlijke wijziging gebeurt met respect voor de rechtstreekse doorwerking van de verdragsregels en verordeningen waardoor bepalingen die hierin worden opgenomen, in het interne recht niet worden herhaald. Ook een expliciete verwijzing naar elke van toepassing zijnde verordening of verdragsregel is gezien de rechtstreekse doorwerking niet opportuun.

Randnummers 15 tot en met 22.3.

Ter verduidelijking worden een aantal passages uit het advies van de Raad van State hernomen op basis waarvan de redeneringen inzake stand still en het gelijkheidsbeginsel werden opgebouwd door de Raad van State:

“[17.2] … De standstill-verplichting kan volgens het Grondwettelijk Hof niet zo worden begrepen dat ze elke wetgever, in het raam van zijn bevoegdheden, de verplichting oplegt om niet te raken aan de voorwaarden van het door artikel 23 van de Grondwet gewaarborgde recht. Zij verbiedt hun om maatregelen aan te nemen die een aanzienlijke achteruitgang zouden betekenen van het in artikel 23 van de Grondwet gewaarborgde recht, zonder dat daarvoor redenen zijn die verband houden met het algemeen belang, maar zij ontzegt hun niet de bevoegdheid om te oordelen hoe dat recht op de meest adequate wijze wordt gewaarborgd. Ze belet geen enkele hervorming van de aangelegenheid die ertoe zou strekken dit recht op een minstens gelijkwaardige manier te waarborgen. Ook uit de parlementaire voorbereiding van de bijzondere wet van 2016 blijkt dat de standstill-verplichting geen afbreuk doet aan de beleidsautonomie van de gemeenschappen en dat de rechtsnormen “globaal bekeken evenwaardig moeten zijn”.

In de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof wordt het globaal te bekijken beschermingsniveau niettemin steeds vanuit de concrete rechtspositie van een bepaald individu beoordeeld en niet louter vanuit de algemene middelen die de overheid aan een bepaald beleid besteedt. Uit de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof blijkt met name dat niet enkel naar het globaal niveau van bescherming van de betrokken rechten moet worden gekeken, doch ook naar “het beschermingsniveau in die aangelegenheid voor de personen die tot [een bepaalde] (…) categorie (…) behoren.”

“18. Zoals bekend, is volgens de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof een verschil in behandeling slechts verenigbaar met de grondwettelijke beginselen van gelijkheid en niet‑discriminatie, wanneer dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld, rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betrokken maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel.”

De Raad van State geeft vervolgens aan de ontworpen regeling globaal gezien in overeenstemming kan worden geacht met zowel het stand still principe als met het gelijkheidsbeginsel. De Raad maakt echter twee specifieke opmerkingen vanuit het gelijkheidsbeginsel, met betrekking tot de universele participatietoeslag en de overgangsmaatregel.

Waar het de universele participatietoeslag betreft kan de redenering van de Raad van State gevolgd worden en wordt voorzien in een universele participatietoeslag voor alle kinderen, zodat de ongelijke behandeling tussen drie– en vierjarigen en alle andere kinderen wordt opgeheven. Daartoe wordt voor deze kinderen een universele participatietoeslag van 20 euro voorzien en bedraagt het bedrag van de kleutertoeslag 130 euro.

Inzake de overgangsmaatregel voor eenkindgezinnen, blijft de redenering van de Raad van State niet overeind. De Raad betwist niet dat de overgangsmaatregel berust op een objectief criterium, maar stelt zich vragen bij de evenredigheid van de overgangsmaatregel, meer bepaald op eenkindgezinnen.

Daarbij wordt er op gewezen dat de Raad even zeer erkent dat er voor dit type van gezinnen geen achteruitgang bestaat. Zij behouden de bedragen die hen werden verzekerd onder de huidige kinderbijslagreglementering, wat een belangrijk gegeven is in het kader van het vertrouwensbeginsel. De evolutie in de leeftijdsbedragen wordt hen gegarandeerd en daarnaast worden hen onder toepassing van dit decreet extra of versterkte toelagen toegekend. Zo zijn de kleutertoeslag en de kinderopvangtoeslag, alsook de uitbreiding in de sociale toeslagen los van het socioprofessioneel statuut onmiddellijk van toepassing op deze gezinnen. Ook de versterking van de schooltoelagen bij de hervorming naar de selectieve participatietoeslagen zal onmiddellijk van toepassing zijn op deze gezinnen. Zij kennen dus onder toepassing van dit decreet een vooruitgang.

Er wordt ook gewezen op het feit dat dit gegeven niet noodzakelijk een statisch gegeven is. Gezinnen kunnen een evolutie kennen en zullen aangroeien tot gezinnen met meer dan een kind, maar ook afnemen tot opnieuw gezinnen van een kind. De Raad van State fixeert hierbij een bepaalde situatie die geenszins een statisch gegeven is doorheen de levensloop van een kind en zijn gezin. We willen ook verwijzen naar de motivering die opgenomen wordt in het advies van de Raad van State:

“Met de ontworpen overgangsregeling wordt tegemoetgekomen aan de algemene bezorgdheid (en doelstelling van de decreetgever) om de financiële impact van de vooropgestelde hervorming van het kinderbijslagstelsel op gezinsniveau uit te schakelen voor die gezinnen waarvan de kinderen reeds onder de toepassing van de federale kinderbijslagregeling genoten van een recht op kinderbijslag. Voor deze rechtgevende kinderen blijft het bedrag van de kinderbijslag onder toepassing van de federale kinderbijslagregeling (m.i.v. leeftijdsbijslagen en rangorde), zoals die gold op 31 december 2018, behouden. Het nastreven van een dergelijke doelstelling kan worden beschouwd als een doelstelling van algemeen belang, die dan ook door de decreetgever mag worden nagestreefd, die daarbij moet worden geacht over een ruime discretionaire bevoegdheid te beschikken. Het onderscheidingscriterium berust zonder twijfel op een feitelijk en objectief criterium, nu, zonder dat daaraan een subjectieve beoordeling aan te pas komt, kan worden vastgesteld of een kind onder het oude kinderbijslagstelsel reeds een recht op kinderbijslag genoot (of niet). Het onderscheidingscriterium is bovendien ook pertinent en kan redelijk verantwoord worden, zowel in het licht van de nagestreefde doelstelling van de overgangsregeling (cf. supra) als in het licht van de finaliteit van de gezinsbijslagen, die ertoe strekken een gedeeltelijke compensatie te bieden in de onderhouds- en opvoedingskosten van de kinderen van een gezin.

Bij de beoordeling van de overgangsregeling in het licht van het gelijkheidsbeginsel mag geen abstractie worden gemaakt van de verschillende situaties waarop deze regeling toepassing kan vinden, maar dient rekening te worden gehouden met de globale regeling.

Hoewel het in beginsel juist is (zie echter ook infra over de leeftijdsbijslag) dat een gezin met één kind dat is geboren voor 1 januari 2019 een basisbedrag van 92,09 euro zal ontvangen terwijl een gezin met één kind dat is geboren na 1 januari 2019 een basisbedrag van 160 euro zal ontvangen, schetst dit slechts een onvolledig beeld. Gezinnen met twee of meer dan twee kinderen die zijn geboren voor 1 januari 2019 zullen immers voor het tweede kind een bedrag van 170,39 euro ontvangen en voor het derde en alle volgende kinderen een bedrag van 254,40 euro. Dit is een element dat bij de beoordeling van het redelijk karakter van de regeling moet meegenomen worden. Het toont ook aan dat de decreetgever met de ontworpen overgangsregeling precies wenste te vermijden dat bepaalde (financiële) verwachtingen van ouders (op onevenredige wijze) zouden worden miskend.

Daarnaast mag ook niet uit het oog worden verloren dat kinderen, die op 31 december 2018 recht gaven op de kinderbijslag op grond van de federale kinderbijslagregeling, ook na 1 januari 2019, recht blijven geven op de leeftijdsbijslagen. Het verschil tussen het basisbedrag van 160 euro en 92,09 euro dat door u wordt aangehaald – en wat, zoals gezegd, moet worden beoordeeld in het licht van de globale regeling – zal in de praktijk dus nog verder worden beperkt, nu het basisbedrag voor de kinderen geboren voor 1 januari 2019 nog moet worden aangevuld met een maandelijkse leeftijdsbijslag.”

De Raad van State wenst te concluderen dat er een uitgesproken nadelige behandeling is voor eenkindgezinnen onder de overgangsmaatregel, maar dat klopt geenszins. Daarbij kunnen ook redenen van algemeen belang worden aangehaald. Het advies van de Raad van State moet immers gelezen worden als het toekennen van het basisbedrag van 160 euro aan dit type van gezinnen. Dergelijke gelijkschakeling zou een inspanning betekenen van meer dan 300 miljoen. Dit is niet alleen vanuit budgettaire overwegingen een zwaarwichtig argument, maar het veroorzaakt ook een onevenredige beperking naar alle andere gezinnen toe.

De middelen die hierbij dienen te worden vrijgemaakt, zullen ten laste vallen van alle andere gezinnen of van de Vlaamse begroting. Dergelijke inspanning is onevenredig en heeft geheel onwenselijke gevolgen. Aangezien de aangehaalde gezinnen geen nadeel ondervinden, integendeel ook voordeel ondervinden onder de toepassing van dit decreet, en er geen onevenredige beperking is voor deze gezinnen die negatieve gevolgen zou hebben, waarbij de gevraagde aanpassing een onevenredige last zou leggen ofwel op alle andere gezinnen, ofwel op de Vlaamse begroting, wordt niet ingegaan op dit onderdeel van het advies van de Raad van State.

Randnummer 22.4.

De Raad van State maakt een voorbehoud bij de beoordeling van het principe van de stand still vanuit de optiek dat de decreetgever zich met voldoende kennis van zaken een oordeel moet kunnen vellen over de verantwoording van het systeem, alsook over de gevolgen ervan voor de verschillende categorieën van gezinnen.

Daarbij kan worden verwezen naar het wetenschappelijk luik van de armoedetoets dat een integraal onderdeel uitmaakt van deze armoedetoets. Bij dit luik van de armoedetoets werd niet enkel op globaal niveau een vergelijking tussen het huidige systeem en het nieuwe systeem gemaakt. Er werd daarentegen ook uiteen gesplitst wat de gevolgen zijn voor verschillende concrete gezinstypes (namelijk voor gezinnen met 1, 2, 3 en 4+  kinderen en eenoudergezinnen), overeenkomstig de gebruikelijke methodiek van de armoedetoets. Daaruit blijkt dat voor al deze gezinstypes er minstens een status quo is, en voor velen onder hen een vooruitgang.

Dergelijke mate van detail is reeds voorhanden en maakt het de decreetgever mogelijk om met een duidelijke en voldoende kennis van zaken een oordeel over deze hervorming te vellen.

Waar niet in kan worden voorzien is een exhaustieve vergelijking van gezinstypes, aangezien dergelijke mate van complexiteit niet of nauwelijks te vatten is in een model. Er zijn een zeer groot aantal variabelen (hoeveel kinderen, wanneer geboren, binnen welke gezinsconstellatie, sociale toeslagen of niet, recht op schooltoelage of niet) die van toepassing zijn binnen twee totaal verschillende regelgevingen.

Men kan voor een “zelfde” gezin afhankelijk van de levensloop van dat gezin verschillende punten capteren waarbinnen een verschil van bedragen kan worden geconstateerd, waarbij dan afhankelijk van de momenten van binnentreding in het systeem ook een verschillend resultaat kan optreden op het moment dat een kind of alle kinderen het systeem verlaten. Vandaar dat gekozen werd voor een algemeen erkende en stabiele vergelijkingsbasis die te vinden is in de wetenschappelijke benadering inzake armoederisico’s zoals deze werd opgenomen in de armoedetoets. Daaruit blijkt duidelijk dat deze hervorming de nodige garanties biedt vanuit stand still.

De Raad gaat er onterecht van uit dat deze hervorming nefast zou zijn voor alle grote gezinnen. Ook daar kan dit niet eenzijdig worden gesteld, net om redenen als voorgaand uiteengezet. Daar kunnen even zeer redenen van algemeen belang van worden in geroepen waarbij de grootte van het getal zou kunnen worden ingeroepen (97% van de gezinnen herbergen maximum 3 kinderen), maar dat is gezien het globale resultaat van deze hervorming, ook voor grote gezinnen zoals blijkt uit de armoedetoets, weinig noodzakelijk.

Randnummers 23 tot en met 24 en 30.

De Raad van State merkt op in haar advies dat de selectieve participatietoeslagen omwille van de aard en de voorwaarden vallen onder het toepassingsgebied van artikel 24 van de Grondwet. Dit punt kan worden onderschreven. Om hieraan tegemoet te komen en de link met de bevoegdheden inzake onderwijs voldoende te garanderen, worden de nodige decretale wijzigingen voorzien via een uitvoeringsdecreet aan het bestaande decreet Studiefinanciering. De bestaande regelgeving voor de schooltoelagen en de regeling selectieve participatietoeslagen in het decreet groeipakket worden op die manier geharmoniseerd binnen het reeds in voorliggend decreet uitgewerkte concept. De door de Raad van State gevraagde duidelijkheid vanuit rechtszekerheid situeert zich immers niet enkel in het kader van dit decreet, maar ook in het kader van de onderwijsreglementering waar de regelgeving inzake de schooltoelagen een vervlechting kent doorheen deze reglementering.

De uitgangspunten van de hervorming worden met dit ontwerp van decreet bevestigd door de decreetgever. Daarnaast wordt het voormelde uitvoeringsdecreet uitgewerkt waarbij oordeelkundig zal bekeken worden hoe op een coherente manier deze uitgangspunten het best kunnen verder opgenomen worden, om zo te komen tot de door de Raad van State gevraagde duidelijkheid, rechtszekerheid en afstemming, maar dan in het ruimere kader en niet enkel in het kader van voorliggend decreet. Dit uitvoeringsdecreet zal door de decreetgever worden bevestigd voor de inwerkingtreding van het luik selectieve participatietoeslagen dat onderdeel uitmaakt van het hierbij voorliggende decreet.

Randnummer 25.1.

Om tegemoet te komen aan de verzuchtingen van de Raad van State omtrent het toepassingsgebied van de vrijstellingen (de term afwijkingen wordt hiernaar geherformuleerd) wordt deze term gedefinieerd (art. 3, §1, 50°) waarbij wordt verduidelijkt dat deze enkel kan dienen om het toepassingsgebied van de betrokken regel uit te breiden of in overeenstemming te brengen met regels van internationaal recht.

Randnummer 26.

Vooraf: de Raad van State merkt terecht op de dat de term modaliteiten in de machtigingen aan de Vlaamse Regering veelal foutief gebruikt wordt. Doorheen het decreet is in de machtigingen aan de Vlaamse Regering de term modaliteiten vervangen door (nadere) regels.

Het onderscheid tussen machtigingen door de wetgevende aan de uitvoerende macht en de algemene uitvoeringsbevoegdheid van de uitvoerende macht op grond van art. 20 BWHI of de grondwet is niet altijd even scherp[26]. Overeenkomstig het gebruik van de Raad van State om bij adviezen over ontwerpen van Besluiten van de Vlaamse Regering consequent specifieke delegaties te onderzoeken en bevragen om de Vlaamse Regering toe te staan regelgeving waartoe zij gemachtigd werd door de decreetgever effectief op te stellen, werd aan deze praktijk tegemoet gekomen door specifieke delegaties te voorzien.

Om elke twijfel uit te sluiten omtrent de bevoegdheid van de uitvoerende macht bij de uitvoering van het decreet, maakt de decreetgever hier bewust de keuze om zijn delegatiebevoegdheid aan de Vlaamse Regering voluit te benutten. Deze blijven waar nodig behouden.

Dit neemt niet weg dat de Vlaamse Regering nog steeds over een algemene bevoegdheid beschikt om uitvoeringsmaatregelen vast te stellen.

[26] Zie in dit verband ook Beginselen van de Wetgevinstechniek, “Handleiding voor het opstellen van wetgevende en reglementaire teksten”, Raad van State,2008, p 20-23.

Randnummers 27 tot en met 29.

De Raad van State stelt vast dat zowel de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens als de Algemene Verordening Gegevensbescherming bepalen dat de persoonsgegevens voor welbepaalde, uitdrukkelijk omschreven en gerechtvaardigde doeleinden moeten worden verkregen en niet mogen worden verwerkt op een wijze die onverenigbaar is met die doeleinden. Om gevolg te geven aan de vraag van de Raad (randnummer 28) wordt in artikel 7 verduidelijkt welke de doelstellingen zijn van de verzameling en verwerking van de betrokken persoonsgegevens waarbij ook wordt vermeld welke actor welke persoonsgegevens verwerkt.

Op die manier is het mogelijk na te gaan of de verwerking van de persoonsgegevens ter zake dienend en niet overmatig is. Voor elke actor werd nagegaan welke categorieën van persoonsgegevens zij, in functie van de hun in dit decreet toevertrouwde opdrachten, dienen te verwerken. Op basis van deze evenredigheidstoets werden de categorieën persoonsgegevens in artikel 7 voor elke actor per doeleinde vastgesteld.

De toezichthouders beschikken op basis van artikel 5 van het decreet van … betreffende het overheidstoezicht in het kader van het gezondheidsbeleids- en Welzijnsbeleid over een machtiging om voor de uitoefening van hun toezichtsopdracht  persoonsgegevens te verwerken.

De Vlaamse Belastingdienst heeft een eigen decretale rechtsgrond om persoonsgegevens te verwerken. Sowieso worden slechts beperkte persoonsgegevens uitgewisseld, met name de identificatiegegevens van de personen bij wie de ten onrechte betaalde toelagen in het kader van het gezinsbeleid, of opgelegde geldboetes die bij dwangbevel moeten worden ingevorderd en het in te vorderen bedrag. De Vlaamse Belastingdienst wordt bijgevolg niet toegevoegd aan artikel 7 ingevolge het advies van de Raad van State.   

Wat betreft de verwerking van de gegevens met betrekking tot de gezondheid en wat betreft de gegevens met betrekking tot gerechtelijke gegevens wordt in de memorie van toelichting de verantwoording gegeven, zowel in het kader van de WVP als van de verordening gegevensbescherming.

Ingevolge de bemerking onder randnummer 29 wordt artikel 7 aangevuld met een machtiging voor de andere instellingen die persoonsgegevens verwerken in het kader van de uitbetaling van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid.

In zijn randnummer 28, voetnoot vier, stelt de Raad van State dat in dit artikel 206 ook de betrokken persoonsgegevens moeten worden omschreven die in het kader van de preventieve gezinsondersteuning worden verwerkt. Deze bepaling werd oorspronkelijk in het decreet van 30 april 2004 ingevoerd door het decreet van 15 juli 2016 houdende diverse bepalingen betreffende het beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin. In die versie werd Kind en Gezin gemachtigd om persoonsgegevens te verwerken van alle pasgeboren kinderen en hun ouders die noodzakelijk zijn om taken inzake preventieve gezinsondersteuning uit te voeren. Noch de Commissie voor de Bescherming van de Persoonlijke Levenssfeer, noch de Raad van State heeft in zijn advies bij deze bepaling toen aangegeven dat de betrokken persoonsgegevens moeten worden omschreven.

Nu artikel 206 dezelfde rechtsgrond voor de gegevensverwerking enkel uitbreidt tot toekomstige ouders is er geen aanleiding om de vraag van de Raad van State in te gaan.

Randnummer 34.

De Raad van State vraagt dat de stellers van het ontwerp nagaan of de term echtgenoten niet dient toegevoegd te worden aan de definitie van gehuwden in art. 3, §1, 16°. De term gehuwden is echter specifiek in de toepassing van dit decreet, met een eigen definiëring waarbij de term echtgenoten (zoals opgenomen in de artikelen 3, §1, 1°, 11, §2 en 103, §4, 1° van toepassing is op domeinen die buiten de toepassing van dit decreet vallen, waar de term echtgenoten meer specifiek wordt gebruikt. Om die redenen wordt de term echtgenoten niet toegevoegd in de definitie gehuwden.

Randnummer 35.

In overeenstemming met het advies van de Raad van State worden de selectieve participatietoeslagen toegevoegd aan de definitie van het gezinsbeleid voor de toepassing van dit decreet, evenwel rekening houdende met het legaliteitsbeginsel zoals dit voortvloeit uit de artikelen 23 en 24 van de Grondwet.

Randnummer 38.

Een eerste onderzoek leert dat de gezinsbijslagen nergens als inkomsten worden meegenomen, mede gezien het feit dat deze ook zo werden beschouwd onder toepassing van art. 74 van de Algemene Kinderbijslagwet. In het kader van het exhaustief bepalen of dit effectief het geval is, zal de minister bevoegd voor Welzijn, Volksgezondheid en Gezin hiertoe de bevoegde ministers binnen de Vlaamse beleidsdomeinen contacteren.

Randnummer 52.

De Raad van State merkt op dat de interne leerling secundair onderwijs geen aanspraak kan maken op een uitzonderlijke selectieve participatietoeslag. In gevolge het advies van de Raad van State wordt volgende verantwoording toegevoegd voor dit verschil in behandeling:

“Deze bepaling is gebaseerd op art. 39, § 5, 2° lid, 1° van het decreet van 8 juni 2007 waarin het onderscheid tussen internen en externen inzake de toepassing van de uitzonderlijke selectieve participatietoeslag ook al bestond.

De uitzonderlijke selectieve participatietoeslag strekt ertoe om bovenop de volledige selectieve participatietoeslag nog een beperkte bijkomende financiële tegemoetkoming te geven wanneer blijkt dat het gezinsinkomen zeer laag is. Een leerling komt in aanmerking voor een uitzonderlijke selectieve participatietoeslag indien de gezinsinkomsten gelijk zijn aan of lager zijn dan 1/10 van de maximuminkomensgrens én indien de gezinsinkomsten voor 70 procent bestaan uit vervangingsinkomsten, alimentatiegelden, leefloon of de inkomensvervangende tegemoetkoming voor personen met een handicap.

In casu is ervoor gekozen om die bijkomende financiële tegemoetkoming enkel toe te kennen aan externe leerlingen, omdat het bedrag van de volledige selectieve participatietoeslag voor interne leerlingen reeds gevoelig hoger ligt dan voor externe leerlingen (zie tabel op p. 3 van de memorie van toelichting). Zelfs na toekenning van de uitzonderlijke selectieve participatietoeslag zullen externe leerlingen een lager bedrag aan participatietoeslagen ontvangen dan interne leerlingen. In die omstandigheden is het redelijk verantwoord dat voor interne leerlingen niet wordt voorzien in een uitzonderlijke selectieve participatietoeslag.”

Randnummer 55.

De Raad van State stelt zich vragen inzake het onderscheid tussen interne en externe leerlingen in het lager en in het secundair onderwijs. In het laatste geval wordt wel in een hogere selectieve participatietoeslag terwijl dit in het lager onderwijs niet zo is.

De context van dit onderwijsniveau is echter geheel anders dan voor de andere onderwijsniveaus. Het is met dit verschil dat rekening wordt gehouden bij de bepaling van de concrete bedragen. Zo kan er bijvoorbeeld verwezen worden naar de context van het kleuteronderwijs waar er een vast toelagebedrag bestaat dat aangepast is aan deze specifieke context. En op dezelfde manier wordt ook rekening gehouden met de specifieke context van het basisonderwijs, waarbij er geen onderscheid wordt gemaakt tussen interne en externe leerlingen.

De schooltoelage voor het basisonderwijs, waarop de selectieve participatietoeslag in het basisonderwijs is gebaseerd, werd oorspronkelijk in het schooljaar 2008-2009 ingevoerd om de participatie in het basisonderwijs te bevorderen en om tegemoet te komen aan de schoolkosten voor minvermogende gezinnen.

Er werd niet voorzien in een afzonderlijke toelage voor internen, omdat de (financiële) context van het basisonderwijs niet te vergelijken is met de andere onderwijsniveaus. Zo dient er binnen dit onderwijsniveau rekening te worden gehouden met het principe van de kosteloosheid van het basisonderwijs, dat in het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 is verankerd.

De schoolkosten liggen, algemeen genomen, dan ook beduidend lager in het basisonderwijs en er bestaat ook een maximumfactuur. Die elementen rechtvaardigden toen – en rechtvaardigen naar onze mening nog steeds – dat er voor het basisonderwijs niet wordt voorzien in een aparte, hogere toeslag voor internen. Het verschil in behandeling is dan ook niet disproportioneel of ongerechtvaardigd te noemen.

Randnummer 58.

Ingevolge het advies van de Raad van State wordt volgende motivering toegevoegd met betrekking tot de kinderopvangtoeslag en het aanhouden van het onderscheid tussen de niet-inkomensgerelateerde en de inkomensgerelateerde sector:

“Het verschil in behandeling vindt zijn oorsprong in het decreet van 20 april 2012 houdende de organisatie van kinderopvang van baby’s en peuters, waarbij in een getrapt systeem van subsidiëring wordt voorzien voor de sector kinderopvang.

In dit decreet wordt er voor initiatieven die werken met inkomenstarief (cf. artikel 8 van het decreet van 20 april 2012) voorzien in een bijkomende vorm van subsidiëring die verder gaat dan deze die voorzien wordt voor organisatoren die niet werken met inkomenstarief (dit zijn organisatoren die enkel vergund worden of enkel de basissubsidie ontvangen, cf. artikel 7 van het decreet van 20 april 2012). Ouders die gebruikmaken van een kinderopvang met inkomenstarief betalen een prijs voor kinderopvang volgens hun inkomen en kunnen mogelijk genieten van een individueel verminderd tarief. Zij ontvangen m.a.w. reeds een financiële tegemoetkoming.

Om de deelname van baby’s en peuters aan kinderopvang te stimuleren, ook bij die organisatoren die enkel vergund worden of enkel de basissubsidie ontvangen (de zgn. trap 0 en 1-voorzieningen), wordt aan de kinderen die worden opgevangen in trap 0 en 1, een kinderopvangtoeslag toegekend.

De kinderopvangtoeslag is een maatregel van gezinsbeleid, in het kader van het kinderopvangbeleid, nu die toeslag strekt tot het stimuleren van de deelname van baby’s en peuters aan kinderopvang. Gezien de verschillende wijze van subsidiëring van, enerzijds, organisatoren die werken met inkomenstarief en, anderzijds, organisatoren die niet werken met inkomenstarief – en de weerslag hiervan op het tarief dat de ouders betalen voor kinderopvang – is het verschil in behandeling pertinent en redelijk verantwoord in het licht van de bijzondere finaliteit van de kinderopvangtoeslag.

De prijszetting in de niet-inkomensgerelateerde kinderopvang is daarnaast ook niet gereglementeerd. Hoewel niet helemaal uit te sluiten valt dat deze prijzen zouden kunnen overeenstemmen, blijkt uit de praktijk dat de niet gesubsidieerde initiatieven een hogere prijs vragen dan het hoogste tarief in de inkomensgerelateerde kinderopvang. Ervaring uit de sector leert bovendien dat het tarief van de kinderopvang met vrije prijs hoger moet liggen dan het hoogste tarief in de inkomensgerelateerde kinderopvang om de rendabiliteit van het opvanginitiatief te kunnen verzekeren.

De situatie waarbij iemand met een hoog inkomen bij een organisator met subsidie die werkt met een systeem inkomenstarief voor de opvang van zijn of haar kind evenveel moet betalen als iemand wiens kind wordt opgevangen bij een organisator die niet met het systeem inkomenstarief werkt zal zich in de praktijk dus niet stellen.”

Randnummer 60.3.

De Raad van State geef aan dat moet verantwoord worden hoe de keuze voor de jongste van de begunstigde op algemene wijze wordt geacht het meest in het belang van het kind te zijn. Daarnaast geeft ze ook zelf aan dat ze een zelfde vraag heeft voorgelegd aan de decreetgever van de Duitstalige Gemeenschap, waar het criterium “moeder” of “de vrouw” wordt gehanteerd.

Met een decreet tracht de decreetgever criteria te voorzien die de uitbetaling van de gezinsbijslagen mogelijk maken. Dit is namelijk primordiaal in het belang van het kind. Daartoe wordt voorzien in een keuzemechanisme waarbij ook een uitwijkmogelijkheid dient te worden voorzien indien het keuzemechanisme niet adequaat blijkt.

Er wordt daarbij inderdaad een algemene regel ingesteld dat dit de jongste van beide begunstigden betreft. De decreetgever heeft ook geen andere instrumenten voor handen dan een algemeen geldende regel. Hij zou daarbij de opdracht kunnen toevertrouwen aan een uitbetalingsactor of een gezinsinspecteur om de keuze te bepalen die het meest in het belang van het kind is. Geen van beide actoren is echter voldoende geplaatst om daarin een opportuniteitsoordeel te vellen, waarbij het risico op discretionaire inschattingen navenant zou zijn.

De decreetgever voorziet daarnaast echter op enkele plaatsen in dit decreet de mogelijkheid voor de bevoegde rechter om deze opportuniteitstoets door te voeren. Het is immers deze rechter die het best geplaatst is om in het belang van het kind een begunstigde aan te wijzen. Deze rechter kan daarbij rekening houden met de gehele context van het kind, iets waar de voornoemde actoren niet de nodige instrumenten voor ter hunner beschikking hebben.

Met dit keuzemechanisme wordt dus een objectief, en inderdaad genderneutraal, criterium gehanteerd dat in het belang van het kind er voor zal zorgen dat de gezinsbijslagen effectief kunnen worden uitbetaald. Indien blijkt dat de algemene regel die wordt opgesteld door de decreetgever in een concrete situatie inadequaat blijkt, heeft deze de mogelijkheid voorzien voor de best geplaatste beoordelaar, namelijk de bevoegde rechter, om effectief rekening te houden met de bepalingen van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind, in een oordeel waarbij hij alle instrumenten ter beschikking heeft om de gehele context van het kind in rekening te brengen. 

Randnummer 61.

De suggestie om de term publiekrechtelijke overheid in te vullen in de vorm van een definitie, wordt niet gevolgd, net vanuit het oogpunt dat hierdoor op generieke wijze rekening kan gehouden met de beslissingen van elke daartoe gerechtigde publiekrechtelijke overheid.

Randnummer 63.

Hierbij wordt verwezen naar het bepaalde onder randnummer 60.3.

Randnummer 74.

Het advies van de Raad van State wat betreft het vervangen van het woord “overtreder “ door “burger”, omdat dit in tegenstelling is met artikel 130 van het ontwerp dat bestuurlijke maatregelen mogelijk maakt ten aanzien van “burgers” en wegens het feit dat een opschrift, dat in casu wel over “nalevingsondersteuning en handhaving t.o.v. de burgers” spreekt, op zich geen normatieve waarde heeft, wordt  niet gevolgd.

Er wordt hier immers gesproken over ‘de overtreder’ omdat een transactie enkel aan een burger-overtreder kan worden voorgesteld. De term ‘overtreder’ preciseert de bevoegdheid. Zo is een beboetingsbesluit opgelegd aan iemand die niet de overtreder is, genomen met bevoegdheidsoverschrijding en daarom vatbaar voor vernietiging bij de RvS.

Dit is ook in lijn met de systematiek van het decreet (Titel 3 versus Titel 4: handhaving t.a.v. private uitbatingsactoren).

 

B. Toelichting bij de artikelen[27]

BOEK 1. INLEIDENDE BEPALINGEN

Artikel 1

Dit ontwerp van decreet betreft een gemeenschapsaangelegenheid (cf. supra), behalve artikel 6, dat een gemeenschaps- en een gewestaangelegenheid betreft.

Artikel 2

Dit artikel maakt duidelijk dat het ontwerp van decreet geen afbreuk doet aan gebeurlijk gesloten samenwerkingsakkoorden als bedoeld in artikel 92bis van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, en aan de bepalingen van het toepasselijk recht van de Europese Unie (Unierecht) en van toepasselijke internationale overeenkomsten. Het gebruik van de begrippen “samenwerkingsakkoorden”, “Unierecht” en “internationale overeenkomsten” heeft als voordeel dat, indien later één van deze specifieke instrumenten zou worden vervangen of indien er een nieuwe overeenkomst met een derde land zou worden gesloten, automatisch naar deze nieuwe instrumenten wordt verwezen zonder dat een wijziging van het decreet nodig is.

Er kunnen, op basis van artikel 92bis van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, samenwerkingsakkoorden gesloten worden over gezinsbijslagen (Deel 1 van Boek 2 van dit decreet). Wat de weerslag van gebeurlijk gesloten samenwerkingsakkoorden op de toepassing van dit decreet betreft, kan, bij wijze van analogie[28], worden gewezen op het inmiddels reeds tot stand gekomen Samenwerkingsakkoord van 14 juli 2016[29], dat er onder meer in voorziet dat “volgens het beginsel van de federale loyauteit in artikel 143, § 1, van de Grondwet de deelentiteiten volgende onderwerpen zullen opnemen in een samenwerkingsakkoord, of in een samenwerkingsprotocol indien van toepassing

  • de rol van de deelentiteiten in de internationale context;

  • het persoonlijke toepassingsgebied van de regelgevingen van de entiteiten na de overgangsperiode;

  • de gegevensuitwisseling tussen de entiteiten, meer bepaald op het vlak van de provisionele betalingen en de terugvorderingen van onverschuldigde betalingen;

  • het beheer van het kadaster en het centraliseren van de gegevens;

  • de kwestie van de reserves van de fondsen, met inbegrip van hun verdeling per entiteit;

  • de verdeelsleutel van het personeel en van het vermogen van FAMIFED.”

Het begrip ‘Unierecht’ dekt alle Unierechtelijke bepalingen (zoals Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (hierna “Verordening (EG) nr. 883/2004”), Verordening (EG) nr. 987/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 tot vaststelling van de wijze van toepassing van Verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels, de overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, de overeenkomst met Zwitserland, Verordening (EU) nr. 1231/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot uitbreiding van Verordening (EG) nr. 883/2004 en Verordening (EG) nr. 987/2009 tot onderdanen van derde landen die enkel door hun nationaliteit nog niet onder deze verordeningen vallen, Verordening (EEG) nr. 1408/71 die nog geldt in de verhouding met het Verenigd Koninkrijk wat de onderdanen van derde landen betreft, Verordening (EU) nr. 492/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2011 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Unie (hierna “Verordening (EU) nr. 492/2011”), enzovoort).

Het algemene voorbehoud voor samenwerkingsakkoorden, het Unierecht en de internationale overeenkomsten wordt in artikel 2 geformuleerd om duidelijk te maken dat het van toepassing is op het gehele ontwerp van decreet.

De Vlaamse Regering kan nadere regels hieromtrent bepalen. Het gaat bijvoorbeeld om de regels die thans zijn opgenomen in omzendbrieven (bv. CO 1383 van 11 mei 2010 (nieuwe versie - mei 2014) - Verordeningen 883/2004 en 987/2009: nieuwe Europese socialezekerheidsverordening van toepassing vanaf 1 mei 2010; MO 583 van 6 oktober 2003 - Uitvoer van het kraamgeld en de adoptiepremie (uittreksel);…).

In gevolge het advies van de Raad van State (randnummers 10 tot en met 14) werd verduidelijkt dat het samenwerkingsakkoord van … tussen de Vlaamse Gemeenschap, het Waalse Gewest, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en de Duitstalige Gemeenschap betreffende de aanknopingsfactoren, het beheer van de lasten van het verleden, de gegevensuitwisseling inzake de gezinsbijslagen en de praktische regels betreffende de bevoegdheidsoverdracht tussen de kinderbijslagfondsen, de intra-Belgische bevoegdheidsregels bepaalt, waarna de bevoegde deelentiteit (in het kader van dit decreet de Vlaamse Gemeenschap) verordening (EG) 883/2004 ten volle zal toepassen om de aanwijsregels met andere lidstaten van de Europese Unie te bepalen.

[27] Indien nuttig.

[28] Dat Samenwerkingsakkoord is immers, anders dan het geval zal zijn met de bepalingen van dit ontwerp van decreet, van toepassing tijdens de periode van 1 juli 2014 tot ten laatste 31 december 2019 en met dien verstande dat het niet meer van toepassing is op een deelentiteit vanaf het moment dat die zelf het administratief beheer en de betaling van de gezinsbijslag ten laste neemt.

[29] Samenwerkingsakkoord tussen de Vlaamse Gemeenschap, het Waalse Gewest, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en de Duitstalige Gemeenschap betreffende het vaststellen van de aanknopingsfactoren tot vaststelling van het personele toepassingsgebied van de wettelijke en reglementaire bepalingen van de deelentiteiten, de budgettering en verrekening van de voor de deelentiteiten betaalde gezinsbijslagen en de effectieve invoering van gemeenschappelijke wijzigende bepalingen voorgesteld door het Beheerscomité van FAMIFED, BS 20 oktober 2016.

 

Artikel 3

Dit artikel bevat in paragraaf 1 een opsomming van definities van begrippen die verder gebruikt worden in het ontwerp van decreet. Hierna worden enkel de begrippen hernomen die nadere toelichting vereisen. De andere begrippen behoeven geen nadere toelichting.

In gevolge het advies van de Raad van State (randnummer 36) werd de definitie van het decreet van 7 juli 2017 op de correcte plaats ingevoegd, waardoor de definities uit de eerste paragraaf waar nodig opnieuw werden genummerd. De nummering die hier verder wordt opgenomen, betreft de nieuwe nummering.

bijslagtrekkende: in deze definitie is een “rechtspersoon” een instelling.

11° erkende, gefinancierde of gesubsidieerde onderwijsinstelling voor gewoon of buitengewoon basisonderwijs: de toepassingsvoorwaarden om als basisonderwijs erkend, gefinancierd of gesubsidieerd te zijn binnen de Vlaamse Gemeenschap worden bepaald in Hoofdstuk VII Decreet Basisonderwijs.

Met in de Vlaamse Gemeenschap erkende, gefinancierde of gesubsidieerde onderwijsinstellingen worden niet enkel onderwijsinstellingen bedoeld die gelegen zijn binnen het Nederlandse taalgebied, maar ook door de Vlaamse Gemeenschap erkende, gefinancierde of gesubsidieerde onderwijsinstellingen die gelegen zijn binnen het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad. De decreetgever kan namelijk, binnen het kader van maatregelen van het gezinsbeleid (cf. artikel 5, § 1, II, 1° BWHI), niet enkel optreden op het Nederlandse taalgebied maar ook ten aanzien van de instellingen die, wegens hun organisatie, moeten worden beschouwd uitsluitend te behoren tot de ene of de andere gemeenschap, tot het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad.

12° erkende, gefinancierde of gesubsidieerde onderwijsinstelling voor gewoon of buitengewoon secundair onderwijs: de toepassingsvoorwaarden om als secundair onderwijs erkend, gefinancierd of gesubsidieerd te zijn binnen de Vlaamse Gemeenschap worden bepaald in de Codex Secundair Onderwijs.

Met in de Vlaamse Gemeenschap erkende, gefinancierde of gesubsidieerde onderwijsinstellingen worden niet enkel onderwijsinstellingen bedoeld die gelegen zijn binnen het Nederlandse taalgebied, maar ook door de Vlaamse Gemeenschap erkende, gefinancierde of gesubsidieerde onderwijsinstellingen die gelegen zijn binnen het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad.

De decreetgever kan namelijk, binnen het kader van maatregelen van het gezinsbeleid (cf. artikel 5, § 1, II, 1° BWHI), niet enkel optreden op het Nederlandse taalgebied maar ook ten aanzien van de instellingen die, wegens hun organisatie, moeten worden beschouwd uitsluitend te behoren tot de ene of de andere gemeenschap, tot het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad.

Na het advies van de Raad van State werd nog in een technische correctie voorzien, waarbij ook instellingen die de opleiding verpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs inrichten werden toegevoegd. Ook werd technisch een correctie voorzien die toelaat om rekening te houden met de terminologie inzake structuuronderdelen.

17° gezin: de vaststelling van het bestaan van een gezin, en de personen die er deel van uitmaken is een feitelijke kwestie. De formulering “op een permanente en affectieve wijze samenwonen” is geïnspireerd op de definitie van “samenwonenden” in artikel 343, § 1, b) van het Burgerlijk Wetboek, zonder dat het de intentie is om de andere onderdelen van die definitie, voor de toepassing van dit decreet, te integreren in het begrip “gezin”. Het “op een permanente en affectieve wijze samenwonen” kan in de praktijk worden aangetoond door de voorlegging van een huurcontract. Het gaat om het al dan niet feitelijk samenwonen. Het feitelijk samenwonen, zonder woonplaats op hetzelfde adres, kan dus ook voldoende zijn. Een gelijkmatig verdeelde huisvesting wordt onder het begrip “gezin” begrepen. Dit betekent dat het betrokken kind tot twee gezinnen behoort. Dit is van belang voor de toewijzing van de sociale toeslagen.

18° gezinsbeleid: dit ontwerp van decreet geeft aan het begrip “gezinsbeleid”, voor de toepassing van dit decreet, een invulling die afwijkt van de invulling die de bijzondere wetgever aan dat begrip heeft gegeven in de BWHI. Dit stelt op zich geen probleem, vermits de decreetgever er niet toe gehouden is de door de bijzondere wetgever gehanteerde terminologie als zodanig over te nemen. Vanzelfsprekend dient de decreetgever er, zoals steeds, over te waken dat hij zodoende zijn (materiële of territoriale) bevoegdheid niet overschrijdt. Dat is met dit ontwerp van decreet niet het geval, aangezien de met dit ontwerp van decreet ingestelde toelagen ontegensprekelijk maatregelen zijn van gezinsbeleid of behoren tot het beleid inzake gezinsbijslagen zoals bedoeld in artikel 5, § 1, II, 1° resp. IV, BWHI (cf. supra). Bovendien blijft de werkingssfeer van dit decreet, in zoverre daarbij gezinsbijslagen worden geregeld in de zin van artikel 5, § 1, IV, BWHI, beperkt tot het Nederlandse taalgebied. Ingevolge de bemerking van de Raad van State (randnummer 5.4) worden ook de selectieve participatietoeslagen toegevoegd aan deze definitie.

19° gezinsbijslagen: de zinsnede “alle verstrekkingen en uitkeringen die door de Vlaamse overheid worden uitbetaald ter tegemoetkoming aan de gezinslasten” sluit aan bij de definitie van het begrip “gezinsbijslagen” in Verordening (EG) nr. 883/2004.

De zinsnede “om bij te dragen in de kosten van onderhoud en opvoeding van de kinderen”, die gebruikt wordt in de definitie van gezinsbijslagen, sluit zoals gezegd aan bij de invulling van het begrip “kinderbijslag” in de parlementaire voorbereiding van artikel 23 van de Grondwet (Parl. St., Senaat, 2012-2013, 5-2232/1, 68).

21° interne leerling: een verwijzing naar het decreet van 8 juni 2007 werd technisch gecorrigeerd na het advies van de Raad van State, aangezien de verwijzing naar het correcte lid, meer bepaald lid 2, ontbrak.

23° kleutertoeslagen: de kleutertoeslagen zijn financiële tegemoetkomingen in het kader van het “gezinsbeleid” (cf. artikel 5, § 1, II, 1°, BWHI), om de deelname aan het kleuteronderwijs te ondersteunen.

25° kinderbijslag: de kinderbijslagreglementering wordt nader toegelicht in artikel 3, § 1, 26°.

26° kinderbijslagreglementering: het geheel van de regelingen inzake de gezinsbijslagen, vastgesteld door of krachtens de Algemene kinderbijslagwet of de wet van 20 juli 1971 tot instelling van gewaarborgde gezinsbijslag, evenals alle uitvoeringsbesluiten, op grond waarvan het gezinsbijslagensysteem (basisbedragen, leeftijdsbijslagen, toeslagen) wordt geregeld. Met het oog op de afbakening van de werkingssfeer van de in dit decreet voorziene overgangsregeling (zie infra), wordt uitdrukkelijk bepaald dat het om de “kinderbijslagreglementering” gaat, teneinde duidelijk te maken dat kinderen geboren vóór 1 januari 2019, waarvoor op 31 december 2018 een recht op gezinsbijslag is geopend overeenkomstig de regelgeving van een ander land, voor de toekenning van gezinsbijslagen na 1 januari 2019 zijn uitgesloten van het overgangsregime.

29° kinderopvangtoeslag: de kinderopvangtoeslag is een financiële tegemoetkoming in het kader van het “gezinsbeleid” (cf. artikel 5, § 1, II, 1°, BWHI), om de deelname te stimuleren van baby’s en peuters aan kinderopvang op een niet inkomstengerelateerde opvangplaats in een vergunde kinderopvanglocatie. Het gaat enkel om de kinderopvang van baby's en peuters tot ze naar de kleuterschool gaan, en niet om buitenschoolse kinderopvang.

31° (leerling): er werd na het advies van de Raad van State een technisch correcte verwijzing naar het decreet van 8 juni 2007 opgenomen.

34° rechtgevend kind: in het kader van de gezinsbijslagen, zoals opgenomen in Deel 1 van Boek 2, worden de toelagen toegekend in de mate er een kind het recht ertoe doet ontstaan. De notie “rechtgevend kind” in het ontwerp van decreet is in die optiek bepalend.

35° rechthebbend(e) kind, leerling of student: het kind, de leerling of student aan wie, als de toepassingsvoorwaarden zijn vervuld, een recht op kinderopvangtoeslag, kleutertoeslag of selectieve participatietoeslag wordt toegekend. Het rechthebbend kind (op de kinderopvangtoeslag) en de rechthebbende leerling of student (op de kleutertoeslag of selectieve participatietoeslag) zijn te onderscheiden van het rechtgevend kind.

36° schooljaar: er werd na het advies van de Raad van State een technisch correcte verwijzing naar het decreet van 8 juni 2007 opgenomen.

38° selectieve participatietoeslagen: de selectieve participatietoeslagen kaderen binnen de maatregelen van gezinsbeleid (cf. artikel 5, § 1, II, 1°, BWHI) en worden jaarlijks toegekend aan de rechthebbende leerling of student indien aan de nationaliteitsvoorwaarde en bepaalde pedagogische en financiële voorwaarden is voldaan. Wat de rechthebbende leerling betreft, komen de selectieve participatietoeslagen in de plaats van de huidige schooltoelagen zoals geregeld door het Decreet Studiefinanciering.

De selectieve participatietoeslag, als maatregel van gezinsbeleid, ondersteunt op die manier de democratisering van het onderwijs en beoogt personen die het financieel minder gemakkelijk hebben, te ondersteunen en op die manier, voor de betrokken rechthebbende leerling, maximale kwalificatiekansen en ontplooiingsmogelijkheden in het onderwijs te creëren. Wat de rechthebbende student betreft, beoogt de selectieve participatietoeslag een jaarlijkse bijkomende financiële ondersteuning te bieden, bijkomend op de studietoelage conform het Decreet Studiefinanciering waarop deze student reeds recht zal hebben.

39° specifieke ondersteuningsbehoefte: dit begrip wordt gedefinieerd met het oog op de zorgtoeslag voor kinderen met een specifieke ondersteuningsbehoefte, in het kader van de gezinsbijslagen en de overgangsbepalingen voor de toepassing van de gezinsbijslagen.

40° startbedrag adoptie: het startbedrag adoptie is een eenmalige adoptietoelage, en is aldus uitgesloten uit het materieel toepassingsgebied van Verordening (EG) Nr. 883/2004.

41° startbedrag geboorte: het startbedrag geboorte is een eenmalige geboortetoelage, en is aldus uitgesloten uit het materieel toepassingsgebied van Verordening (EG) Nr. 883/2004.

44° toelagen in het kader van het gezinsbeleid: dit begrip omvat:

a) de gezinsbijslagen: deze bijslagen zijn bijslagen zoals bedoeld in artikel 5, § 1, IV, BWHI, inclusief de universele participatietoeslagen. De toelagen waarvan sprake in boek 5 maken eveneens deel uit van de gezinsbijslagen.

b) de selectieve participatietoeslagen: die toeslagen bevatten tegemoetkomingen inzake gezinsbeleid (art. 5, § 1, II, 1° BWHI). Gezinsbeleid omvat “alle vormen van hulp en bijstand aan gezinnen en kinderen” (zie art. 5, § 1, II, BWHI). Selectieve participatietoeslagen zijn financiële tegemoetkomingen, toegekend aan leerlingen of studenten, die worden voorzien als maatregelen van gezinsbeleid om de deelname aan het onderwijs te democratiseren (artikel 5, § 1, II, 1°, BWHI). De territoriale werkingssfeer van de selectieve participatietoeslagen strekt zich niet enkel uit tot het Nederlandse taalgebied, maar evengoed ten aanzien van de instellingen die, wegens hun organisatie, moeten worden beschouwd uitsluitend te behoren tot de ene of de andere gemeenschap en gelegen zijn in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad.

c) de “andere toelagen”: om duidelijk te maken dat in de toekomst nog andere toelagen met dit decreet kunnen worden geregeld dan de gezinsbijslagen en de selectieve participatietoeslagen, wordt nu reeds in de categorie van “andere toelagen” voorzien. Die categorie kan toelagen omvatten in het kader van “gezinsbeleid”. In het ontwerp van decreet is met de kinderopvangtoeslag, zoals opgenomen in Boek 2, Deel 3, een eerste toeslag geregeld die onder de notie “andere toelagen” valt, als toelage die een tegemoetkoming vormt in het kader van het “gezinsbeleid”, met name om de deelname van baby’s en peuters aan kinderopvang te stimuleren.

De kleutertoeslagen, zoals opgenomen in Boek 2, Deel 3, zijn een tweede toeslag die onder de notie “andere toelagen” vallen, als toelagen die een tegemoetkoming vormen in het kader van het “gezinsbeleid”, met name om de deelname van kinderen aan het kleuteronderwijs te stimuleren. De studietoelagen aan studenten vallen niet onder de “andere toelagen” maar blijven afzonderlijk geregeld in het Decreet Studiefinanciering.

46° universele participatietoeslagen: jaarlijkse financiële tegemoetkomingen in het kader van de gezinsbijslagen (cf. artikel 5, § 1, IV BWHI) met het oog om bij te dragen aan onderhouds- en opvoedingskosten voor kinderen die nog geen onderwijs volgen of schoolverlaters, en aan kosten die gepaard gaan met de deelname aan onderwijs. De universele participatietoeslagen worden per leeftijdscategorie van een rechtgevend kind toegekend. De universele participatietoeslagen onderscheiden zich van de selectieve participatietoeslagen aangezien deze “universeel” toegekend worden ten aanzien van elk rechtgevend kind zonder oplegging van financiële of andere voorwaarden.

47° verblijfplaats: zie de toelichting bij artikel 3, § 1, 51°.

48° vrijstelling: ingevolge het advies van de Raad van State (randnummer 26) wordt deze definitie ingevoegd waarbij wordt verduidelijkt dat de Vlaamse Regering deze vrijstelling enkel kan gebruiken tot uitbreiding van het toepassingsgebied en het in overeenstemming brengen van het bepaalde met regels van internationaal recht.

49° woonplaats: zoals ook de bijzondere wetgever heeft aangegeven, is de woonplaats van het rechtgevend kind, in het kader van de territoriale bevoegdheidsverdeling, het “’natuurlijk’ lokalisatiecriterium dat overeenstemt met het voorwerp, de aard en het doel van het recht op kinderbijslag (lees: gezinsbijslagen)”[30], uiteraard zonder dat dat belet “dat bij het omschrijven van het toepassingsgebied rekening wordt gehouden met rechtsfeiten die buiten het Belgische grondgebied plaatsvinden, in het bijzonder met als doel om rekening te houden met internationale verplichtingen”[31]. In dit ontwerp wordt in een cascaderegeling voorzien. De woonplaats wordt gedetermineerd aan de hand van de plaats waar de persoon in de bevolkingsregisters is ingeschreven, ook wanneer dit op een referentieadres is (zie de wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters, de identiteitskaarten, de vreemdelingenkaarden en de verblijfsdocumenten en tot wijziging van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen).

Met “bevolkingsregisters” worden – overeenkomstig de wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters, de identiteitskaarten, de vreemdelingenkaarten en de verblijfsdocumenten en tot wijziging van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen – de bevolkingsregisters alsook het vreemdelingenregister bedoeld (maar niet het wachtregister).

In de bevolkingsregisters zijn niet enkel de Belgen ingeschreven, maar eveneens de vreemdelingen die de toelating of machtiging hebben om meer dan drie maanden te verblijven op het grondgebied van het Rijk, alsook deze die de machtiging hebben om zich er te vestigen. Slechts indien een persoon (nog) niet in de bevolkingsregisters in België is ingeschreven (omwille van bv. een verhuis uit het buitenland) wordt diens woonplaats gedetermineerd aan de hand van zijn verblijfplaats, zijnde de feitelijke plaats waar de persoon voornamelijk verblijft.

Artikel 3 bevat in paragraaf 2 een definitie van het begrip “begunstigde” die enkel gebruikt wordt in Boek 2 en boek 5: natuurlijke of rechtspersoon aan wie toelagen in het kader van het gezinsbeleid worden toegekend.

Artikel 3 bevat in paragraaf 3 een opsomming van definities van begrippen die verder gebruikt worden in Boek 3. Hierna wordt enkel het begrip “begunstigde” hernomen dat een nadere toelichting vereist. De andere begrippen behoeven geen nadere toelichting.

begunstigde: in Boek 3 is de begunstigde de natuurlijke of rechtspersoon aan wie toelagen in het kader van het gezinsbeleid worden toegekend of uitbetaald. Niet alleen de begunstigde(n) in Boek 2 en Boek 5 val(t)(en) onder dit begrip maar ook de persoon of personen aan wie de toelagen in het kader van het gezinsbeleid worden uitbetaald. De begunstigde(n) in Boek 2 en Boek 5 en de persoon of personen aan wie de toelagen in het kader van het gezinsbeleid worden uitbetaald kunnen samenvallen maar zijn niet noodzakelijk dezelfde.

[30] Parl. St., Senaat, 2012-2013, 5-2232/1, 71.

[31] Ibid.

Artikel 4

Paragraaf 1 van dit artikel voorziet dat de bedragen en in voorkomend geval de inkomensgrenzen van de toeslagen in het kader van het gezinsbeleid, inclusief de bedragen uit boek 5, met uitzondering van de bedragen en de inkomensgrenzen van de selectieve participatietoeslagen, worden geïndexeerd aan de hand van de afgevlakte gezondheidsindex (zie definitie in artikel 3, § 1, 3°). Ook de bedragen in de overgangsbepalingen worden geïndexeerd aan de hand van de afgevlakte gezondheidsindex. Dit wordt ook expliciet aangepast ingevolge het advies van de Raad van State (randnummer 37).

De spilindex die wordt ingeschreven, nl. 103,04 (basis 2013 = 100), houdt al rekening met de beslissing dat een eerstvolgende indexoverschrijding niet wordt toegekend. Eénmalig zullen de bedragen dus niet aangepast worden aan de stijging van de index.

Deze indexoverschrijding zal zich waarschijnlijk in 2017 voordoen. Als er nadien nog een indexoverschrijding vóór 1 januari 2019 gebeurt, volgen de bedragen en inkomensgrenzen het normale systeem van de index.

Paragraaf 2 van dit artikel bevat een afrondingsregel die in geval van indexering moet worden toegepast op het ogenblik van de uitbetaling van toelagen voor het rechtgevend kind, het rechthebbend kind of de rechthebbende leerling.

Paragraaf 3 van dit artikel voorziet dat de bedragen en de inkomensgrenzen van de selectieve participatietoeslagen worden geïndexeerd op dezelfde wijze als de bedragen in artikel 46 van het Decreet Studiefinanciering, d.w.z. dat ze jaarlijks voor de aanvang van het school- of academiejaar worden geïndexeerd op basis van het indexcijfer van de consumptieprijzen. Deze indexering wordt toegepast om de stijging van de studiekosten op te vangen en om de beoogde doelgroep te blijven vatten, gezien de aanpassing van de lonen aan de index.

Artikel 5

Artikel 5, § 1, eerste lid voorziet dat, wanneer een toelage in het kader van het gezinsbeleid, met uitzondering van de jaarlijkse selectieve participatietoeslagen en de kleutertoeslagen, ontstaat of het bedrag ervan wijzigt, het kind recht geeft op het (gewijzigde) bedrag vanaf de eerste dag van de maand waarin het recht ontstaat of de wijziging in werking treedt.

Artikel 5, § 1, tweede lid omvat een belangrijke aanpassing ten opzichte van de Algemene kinderbijslagwet. Het werd toegevoegd om ook de wijzigingen te omvatten in de situatie van het rechtgevend kind, die aanleiding geven tot een wijziging van een (categorie van) toelage of een wijziging van het bedrag van een toelage. De wijziging van een (categorie van) toelage kan ook het geval betreffen wanneer het kind recht geeft op een nieuwe toelage (bv. het kind geeft voor het eerst recht op een sociale toeslag in 2020). De wijziging van het bedrag van een toelage betreft het geval waarin het kind recht geeft op eenzelfde toelage, maar ten belope van een ander, bij decreet voorzien, bedrag (bv. het kind geeft recht op een zorgtoeslag voor kinderen met een specifieke ondersteuningsbehoefte van 107,55 euro in plaats van 80,75 euro, indien de ernst van de ondersteuningsbehoefte van het rechtgevend kind toeneemt).

Die wijziging onderscheidt zich van de wijziging van het bedrag van een toelage ten gevolge van de indexeringen tussen bv. 2020 en 2038, of ten gevolge van de wijziging van het decretaal vastgestelde bedrag van 80,75 euro in een bedrag van bv. 85 euro. De wijzigingen gelden vanaf de eerste dag van de maand waarin de gebeurtenis zich voordoet. Wanneer evenwel een kind stopt recht te geven op een toelage (bv. een sociale toeslag voor het laatst in maart 2038), stopt het kind recht te geven op de toelage op het einde van de maand.  

Aangezien de bijslagen en toeslagen uit de overgangsbepalingen ook vallen onder de toelagen in het kader van het gezinsbeleid, is artikel 5, § 1 ook op deze bijslagen en toeslagen van toepassing.

Paragraaf 2 van artikel 5 bepaalt dat de bedragen en de inkomensgrenzen van de selectieve participatietoeslagen, die jaarlijks voor de aanvang van het school- of academiejaar geïndexeerd worden (zie toelichting bij artikel 4, § 3), gelden voor een volledig school- of academiejaar. Hierbij wordt de gelijke behandeling van alle leerlingen en studenten binnen een bepaald school- of academiejaar beoogd.

Na het advies van de Raad van State werd een aanpassing doorgevoerd aan de derde paragraaf. In een verwarring tussen toepassingsgebieden werd het indexmechanisme van de kleutertoeslag afgestemd op het indexmechanisme van de selectieve participatietoeslagen dat zich richt op schooljaren. Dat klopt waar het deze laatste toeslag betreft, die schooljaar per schooljaar wordt bekeken.

Maar de kleutertoeslag kent in de feiten een stabilisering per kalenderjaar (door het ijkpunt 31 december van het voorgaande jaar met betrekking tot de leeftijd van het kind), in plaats van per schooljaar. De huidige verwijzing naar schooljaren zorgt er echter voor dat niet alle kinderen geboren in hetzelfde jaar, ook effectief dezelfde toeslag zullen ontvangen, wat wel de bedoeling is van de toeslag. Het indexmechanisme wordt dan ook afgestemd op de kalenderjaren in plaats van op schooljaren voor deze toeslag, in het kader van een correcte en coherente toeslag.

Het tijdstip van uitbetaling (van wijzigingen) met betrekking tot het basisbedrag bedoeld in Titel 3 van Deel 1, de zorgtoeslagen bedoeld in Titel 4 van Deel 1, de sociale toeslagen bedoeld in Titel 5 van Deel 1, en de kinderopvangtoeslag bedoeld in Titel 1 van Deel 3, wordt bepaald in artikel 75.

Artikel 6

Dit artikel bepaalt dat de toelagen in het kader van het gezinsbeleid, al dan niet op basis van dit decreet, niet worden aanzien als beroepsinkomsten of als andere bron van inkomsten, uiteraard wat de materies betreft die binnen de bevoegdheden vallen van de Vlaamse Gemeenschap of het Vlaams Gewest.

Het artikel bepaalt ook dat, binnen de bevoegdheden van de Vlaamse Gemeenschap of het Vlaams Gewest, de toelagen in het kader van het gezinsbeleid niet worden meegeteld voor het bepalen van andere inkomensgrenzen.

Een voorbeeld van toelagen met dezelfde finaliteit toegekend op basis van een andere regelgeving gelijkgesteld met de toelagen in het kader van het gezinsbeleid is het volgende: een ouder die in het Nederlandse taalgebied woont en in Luxemburg werkt, en gezinsbijslagen op grond van de Luxemburgse regelgeving ontvangt. 

Artikel 7

In uitvoering van hun decretaal opgelegde taken worden er door de verschillende in het decreet vermelde actoren persoonsgegevens verwerkt. De verwerking van persoonsgegevens dient te gebeuren conform de bepalingen van de Wet Verwerking Persoonsgegevens (Wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens) en vanaf 25 mei 2018 conform de Algemene Verordening Gegevensbescherming (Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG).

De eerste paragraaf van artikel 7 voert een algemene rechtsgrond in voor de verwerking van persoonsgegevens. De oorspronkelijke versie van het artikel bevatte enkel een rechtsgrond voor de verwerking van persoonsgegevens door Kind en Gezin en de uitbetalingsactoren. Ingevolge het advies van de Raad van State (randnummers 27 tot en met 29) wordt de machtiging ook van toepassing gemaakt op de andere betrokken actoren die in het kader van decreet persoonsgegevens verwerken.

De Raad van State merkt ook op dat in het decreet moet worden bepaald welke soorten persoonsgegevens kunnen worden verwerkt en welke de doelstellingen zijn van de verzameling en de verwerking van de betrokken persoonsgegevens.

Daarom worden in de paragrafen 2 tot en met 7 de verschillende categorieën persoonsgegevens vastgesteld die elke betrokken actor verwerkt, gelinkt aan het doeleinde waarvoor ze worden verwerkt. Waar nodig wordt ook de verwerkingsverantwoordelijke vermeld.

De tweede paragraaf geeft een opsomming van de verschillende categorieën persoonsgegevens die het agentschap en de uitbetalingsactoren verwerken om het recht op toelagen in het kader van het gezinsbeleid vast te stellen en om de berekening en de toekenning van de gezinsbijslagen en de toelagen in het kader van het gezinsbeleid mogelijk te maken.

Ook de persoonsgegevens betreffende de gezondheid (punt 9°) en gerechtelijke gegevens (punt 10°) werden hierbij opgesomd, naast de meer algemene persoonsgegevens.

Na het advies van de Raad van State werd de categorie beroep en betrekking, vervangen door de categorie “beroepsmatige of gelijkgestelde situatie, alsook gegevens met betrekking tot de sociale zekerheid”. Hierdoor worden alle vormen van tewerkstelling (loondienst of andere) gevat, alsook daarmee gelijkgestelde periodes, met daarnaast ook de gegevens aangaande de sociale zekerheid (waaronder werkloosheid, ziekte,…) aangezien deze dienstig zijn in het kader van onderzoeken met betrekking tot verordening (EG) 883/2004 en de alarmbelprocedure. Daarnaast werd ook de categorie “gegevens over de plaatsing, overeenkomstig art. 68 van dit decreet” toegevoegd, zodat ook deze gegevens kunnen worden verwerkt met het oog op de verwerking van deze gegevens in functie van de correcte uitbetaling.

Er dienen tevens een aantal gerechtelijke gegevens en gegevens m.b.t. de gezondheid te worden verwerkt. Gegevens m.b.t. de gezondheid zijn o.m. nodig in het kader van de uitbetaling van het startbedrag (zwangerschap), de zorgtoeslag voor kinderen met een specifieke ondersteuningsbehoefte en de berekening van de selectieve participatietoeslag. De gerechtelijke gegevens kunnen betrekking hebben op gerechtelijke uitspraken inzake de verblijfsregeling van de kinderen, het ouderlijk gezag en de uitoefening ouderlijke macht, de afwezigheid van een ouder of kind, pleegzorg, de ontvoogding... Indien een handhavingsprocedure uitmondt in een gerechtelijke beslissing zal die ook in het dossier van betrokkene worden geregistreerd.  

Ingevolge het advies van de Commissie voor de Bescherming van de Persoonlijke Levenssfeer van 1 augustus 2017 en het advies van de Raad van State verantwoorden we het gebruik van de persoonsgegevens die betrekking hebben op de gezondheid en van de gerechtelijke gegevens eveneens in het kader van de Wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens (WVP) .

Artikel 7 van de WVP stelt dat de verwerking van persoonsgegevens die de gezondheid betreffen, in principe verboden is. Het verbod om deze persoonsgegevens te verwerken, is niet van toepassing wanneer de verwerking noodzakelijk is voor de verwezenlijking van een doelstelling vastgesteld door of krachtens de wet met het oog op de toepassing van de sociale zekerheid (art. 7, §2, c).

Ook de verwerking van gerechtelijke gegevens is in principe verboden (art. 8 WVP) De verwerking is evenwel toegestaan in een aantal gevallen.

Voor de toepassing van de huidige verwerking in het kader van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid kan een grondslag worden gevonden in artikel 8, § 2 van de WVP dat de verwerking wel toelaat onder toezicht van een openbare overheid of van een ministeriële ambtenaar in de zin van het Gerechtelijk Wetboek, indien de verwerking noodzakelijk is voor de uitoefening van hun taken, of door andere personen, indien de verwerking noodzakelijk is voor de verwezenlijking van doeleinden die door of krachtens een wet, een decreet of een ordonnantie zijn vastgesteld.

De gevraagde verwerking is eveneens te verantwoorden in het kader van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (verder AVG). De verordening voorziet in artikel 9.1 het volgde verbod :

“Verwerking van persoonsgegevens waaruit ras of etnische afkomst, politieke opvattingen, religieuze of levensbeschouwelijke overtuigingen, of het lidmaatschap van een vakbond blijken, en verwerking van genetische gegevens, biometrische gegevens met het oog op de unieke identificatie van een persoon, of gegevens over gezondheid, of gegevens met betrekking tot iemands seksueel gedrag of seksuele gerichtheid zijn verboden.”

De gegevens met betrekking tot de gezondheid zijn echter te verantwoorden in het kader van artikel 9.2 b) AVG, met name: “De verwerking is noodzakelijk met het oog op de uitvoering van verplichtingen en de uitoefening van specifieke rechten van de verwerkingsverantwoordelijke of de betrokkene op het gebied van het arbeidsrecht en het socialezekerheids- en socialebeschermingsrecht, voor zover zulks is toegestaan bij Unierecht of lidstatelijk recht of bij een collectieve overeenkomst op grond van lidstatelijk recht die passende waarborgen voor de grondrechten en de fundamentele belangen van de betrokkene biedt”.

De gezondheidsgegevens zijn voor de toepassing van dit decreet noodzakelijk voor de toekenning van de toeslagen verbonden aan de ondersteuningsbehoeften van de betrokken kinderen.

Wat de gerechtelijke gegevens betreft dient rekening te worden gehouden met artikel 10 van de Algemene verordening gegevensbescherming die stelt :

“Persoonsgegevens betreffende strafrechtelijke veroordelingen en strafbare feiten of daarmee verband houdende veiligheidsmaatregelen mogen op grond van artikel 6, lid 1, alleen worden verwerkt onder toezicht van de overheid of indien de verwerking is toegestaan bij Unierechtelijke of lidstaatrechtelijke bepalingen die passende waarborgen voor de rechten en vrijheden van de betrokkenen bieden. Omvattende registers van strafrechtelijke veroordelingen mogen alleen worden bijgehouden onder toezicht van de overheid.”

Nu de handhaving en sanctionering geschiedt door de beide bevoegde agentschappen ( Kind en gezin en het Agentschap voor de Uitbetaling van Toelagen in het kader van het Gezinsbeleid ) geschiedt de verwerking conform de bepaling van artikel 10 van de AVG.

Op basis van de derde paragraaf van artikel 7 kan dat het Vlaams Agentschap voor de Uitbetaling van de Toelagen in het kader van het Gezinsbeleid in het kader van zijn taken inzake toezicht en handhaving alle in de tweede paragraaf opgesomde categorieën persoonsgegevens verwerken.

De vierde paragraaf biedt een rechtsgrond voor de verwerking van dezelfde categorieën persoonsgegevens door Kind en Gezin in het kader van zijn opdracht als regisseur van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid. Bij de uitbouw en het beheer van het gegevensnetwerk dat de uitwisseling van alle noodzakelijke gegevens met Vlaamse en authentieke gegevensbronnen en de uitbetalingsactoren mogelijk maakt, heeft Kind en Gezin, ook een taak inzake kwaliteitscontrole van alle gegevens die via dit netwerk worden uitgewisseld.

Ook het kadaster van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid valt onder de verantwoordelijkheid van Kind en Gezin.

Op basis van de vijfde paragraaf kan de geschillencommissie bij de behandeling van de beroepen die bij haar worden ingesteld de hiervoor noodzakelijke persoonsgegevens verwerken. Vermits de geschillencommissie wordt ondergebracht bij Kind en Gezin wordt Kind en Gezin als verwerkingsverantwoordelijke aangeduid.

De zesde paragraaf biedt een rechtsgrond aan de organisatoren kinderopvang om een aantal specifieke persoonsgegevens inzake het gebruik van kinderopvang te verwerken en door te geven aan de uitbetalingsactoren. Dit zijn de gegevens die noodzakelijk voor de toekenning van de kinderopvangtoeslag.

Ook het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming verwerkt een aantal gegevens die noodzakelijk zijn om iemands rechten op toelagen in het kader van het gezinsbeleid vast te stellen. Paragraaf 7 biedt hiervoor de noodzakelijke  rechtsgrond.

De achtste paragraaf stelt dat de Vlaamse Regering per toelage bepaalt welke gegevens relevant en nodig zijn om de toelage correct te kunnen uitbetalen. Zij legt ook de nadere regels vast voor de verwerking van de persoonsgegevens en dit na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer.

Gemeenschappelijke regels rond de implementatie van privacy- en gegevensbescherming, privacy policies en -procedures, documentatie van verwerkingen van persoonsgegevens, data transfers en auditstrategieën zullen met andere woorden door de Vlaamse Regering opgelegd worden.

De paragrafen 9 en 10 bevatten bepalingen met betrekking tot de bewijskracht van de informatiegegevens, de elektronische formulieren en de fotografische of elektronische afschriften van documenten.

In haar advies wijst de Raad van State erop dat de bevoegdheid om de bewijswaarde van gegevens te regelen in het algemeen kan beschouwd worden als een aangelegenheid die behoort tot de residuaire bevoegdheid van de federale overheid (randnummer 39 en 40).

Gelet op die bevoegdheidsrechtelijke context wordt het toepassingsgebied van die paragrafen teruggebracht tot de gegevens die verkregen worden in het kader van het ontworpen decreet en het decreet van 7 juli 2017.

In paragraaf 10 wordt verduidelijkt dat het elektronische formulieren betreft die ter beschikking worden gesteld door Kind en Gezin of het agentschap en leggen we ook vast dat ook wat de bewijswaarde betreft van de fotografische of elektronische afschriften de bewijswaarde enkel vastgelegd wordt voor de sector die decretaal wordt aangesteld voor de uitbetaling van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid.

Paragraaf  11 bepaalt dat de persoonsgegevens tot 5 jaar na de afsluiting van het gezinsdossier moeten worden bewaard.

Voor rechtgevende kinderen die onder toepassing van artikel 209, §1 of titel 2 van deel 2 van boek 5 vallen kan de Vlaamse Regering afwijkingen voorzien. Het gaat dan bijvoorbeeld om kinderen die in 2018 nog geen 25 jaar zijn of om kinderen die tenminste 21 jaar oud waren op 1 juli 1987, zoals bepaald in artikel 8, §2, 4°.

BOEK 2. TOELAGEN IN HET KADER VAN HET GEZINSBELEID

Ingevolge het advies van de Raad van State (randnummer 41) werd de titel van boek 2 aangepast.

DEEL 1. GEZINSBIJSLAGEN

Titel 1. Rechtgevend kind

Artikel 8

Dit artikel definieert het rechtgevend kind op gezinsbijslagen en betreft aldus het personeel toepassingsgebied van de gezinsbijslagen. vereenkomstig artikel 8, § 1, eerste lid, 1° geeft in principe het kind dat zijn of haar woonplaats heeft in het Nederlandse taalgebied recht op gezinsbijslagen. De omschrijving in artikel 8, § 1, eerste lid, 1°, tweede zin werd ontleend aan artikel 1 van de Vreemdelingenwet.

Artikel 8, § 1, eerste lid, 1° zal worden toegepast rekening houdende met gebeurlijk gesloten samenwerkingsakkoorden als bedoeld in artikel 92bis van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen (zie artikel 2).

Het Samenwerkingsakkoord van 14 juli 2016[32], dat van toepassing is tijdens de overgangsperiode (1 juli 2014 tot ten laatste 31 december 2019), bepaalt dat de deelentiteiten onder andere het persoonlijke toepassingsgebied van de regelgevingen van de entiteiten na de overgangsperiode zullen opnemen in een samenwerkingsakkoord.

Verder vallen de gezinsbijslagen, met uitzondering van de startbedragen geboorte en adoptie, binnen het materieel toepassingsgebied van Verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels. Overeenkomstig deze verordening heeft een persoon op wie Verordening (EG) nr. 883/2004 van toepassing is recht op gezinsbijslagen overeenkomstig de wetgeving van de bevoegde lidstaat, ook voor de gezinsleden die in een andere lidstaat wonen.

Artikel 8, § 1, eerste lid, 1° zal dan ook, wat de gezinsbijslagen met uitzondering van de startbedragen geboorte en adoptie betreft, worden toegepast rekening houdende met Verordening (EG) nr. 883/2004 (zie artikel 2). Ook kinderen die niet hun woonplaats hebben in het Nederlandse taalgebied, kunnen ten gevolge van Verordening (EG) nr. 883/2004, een recht op gezinsbijslagen geven.

De startbedragen geboorte en adoptie zijn uitgesloten uit het materieel toepassingsgebied van Verordening (EG) nr. 883/2004 (cf. de toelichting bij artikel 3, § 1, 41° en 42°).

Niettemin heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie in het arrest Leclere van 31 mei 2001 (zaak C-43/99) geoordeeld dat een uitkering bij geboorte die niet onder Verordening (EG) nr. 883/2004 valt, een sociaal voordeel in de zin van artikel 7, lid 2 van Verordening (EU) 492/2011 is. Artikel 7, lid 2 van Verordening (EU) 492/2011 huldigt het principe van de gelijke behandeling van werknemers inzake sociale voordelen. Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie vloeit voort dat een Staat de toekenning van een sociaal voordeel in de zin van artikel 7, lid 2 van Verordening (EU) 492/2011 niet mag onderwerpen aan de voorwaarde dat de begunstigden van het voordeel hun woonplaats hebben op het nationale grondgebied van deze Staat.

De teneur van deze rechtspraak is ook van toepassing op zelfstandigen die gebruik hebben gemaakt van het recht op vrij verkeer en wier economische activiteiten gevestigd zijn in één lidstaat, maar die wonen in een andere lidstaat. Het Hof van Justitie baseerde zich hiervoor rechtstreeks op artikel 49 VWEU.

Artikel 8, § 1, eerste lid, 1° zal dan ook, wat de startbedragen geboorte en adoptie betreft, worden toegepast rekening houdende met Verordening (EU) 492/2011 en artikel 49 VWEU (zie artikel 2). Ook de kinderen of de zwangere persoon die niet hun woonplaats hebben in het Nederlandse taalgebied, kunnen ten gevolge van Verordening (EU) 492/2011 of artikel 49 VWEU, een recht op de startbedragen geboorte en adoptie geven.

Artikel 8, § 1, eerste lid, 2° betreft het kind dat verdwenen is of het voorwerp uitmaakt van een ontvoering. De omschrijving van kind dat verdwenen is, werd ontleend aan artikel 62, §9 Algemene kinderbijslagwet. De omschrijving van kind dat het voorwerp uitmaakt van een ontvoering werd ontleend aan het koninklijk besluit van 19 april 2005 tot uitvoering van artikel 69, § 2bis, van de Algemene kinderbijslagwet.

Artikel 8, § 1, tweede lid laat de Vlaamse Regering toe om bepaalde categorieën van kinderen als rechtgevend in het stelsel van de gezinsbijslagen te kwalificeren, aangezien niet alle situaties in dit ontwerp van decreet kunnen worden opgevangen.

Het gaat bijvoorbeeld om (1) algemene afwijkingen voor personen op wie het Unierecht van toepassing is (de regels die thans zijn opgenomen in omzendbrieven, bv. CO 1383 van 11 mei 2010 (nieuwe versie - mei 2014) - Verordeningen 883/2004 en 987/2009: nieuwe Europese socialezekerheidsverordening van toepassing vanaf 1 mei 2010; MO 583 van 6 oktober 2003 - Uitvoer van het kraamgeld en de adoptiepremie (uittreksel);…) en (2) algemene afwijkingen voor kinderen die tijdelijk in het buitenland verblijven die thans zijn opgenomen in onder meer de Ministeriële omzendbrief 599 van 16 juli 2007 (Algemene afwijkingen in de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders en in de wet van 20 juli 1971). Artikel 8, § 1, tweede lid laat de Vlaamse Regering eveneens toe te bepalen wanneer er een einde aan de ontvoering komt. 

In artikel 8, § 1, derde lid worden een aantal categorieën van personen opgesomd die geen recht geven op gezinsbijslagen. De draagwijdte van artikel 8, § 1, derde lid is beperkt tot de in dit lid opgesomde personen en betreft niet de kinderen van deze personen. De kinderen van deze personen kunnen met andere woorden wel recht geven op gezinsbijslagen. Het begrip “au-pair jongere” is ontleend aan artikel 24 van het koninklijk besluit van 9 juni 1999 houdende de uitvoering van de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers.

Artikel 8, § 2, eerste lid regelt de periode waarin een kind recht geeft op gezinsbijslagen. Die regeling stemt grotendeels overeen met de huidige regeling uit de Algemene kinderbijslagwet. Een verschilpunt is dat in de Algemene kinderbijslagwet wordt bepaald dat een kind recht geeft op gezinsbijslagen tot en met augustus van het jaar waarin het 18 jaar wordt, terwijl in artikel 8, § 2, wordt voorzien dat een kind recht geeft op gezinsbijslagen tot en met de maand waarin het 18 jaar wordt.

De Vlaamse Regering kan bepaalde categorieën van kinderen die vóór 1 januari 2019 gerechtigd waren op kinderbijslag of toeslagen op basis van de kinderbijslagreglementering en die uitgesloten worden van dit recht door de oepassing van het eerste lid, recht geven op gezinsbijslagen (artikel 8, § 2, derde lid). Het gaat bijvoorbeeld om kinderen waarvoor een medische beslissing in de zin van artikel 18, laatste zin van het koninklijk besluit van 28 maart 2003 tot uitvoering van de artikelen 47, 56septies en 63 van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders en van artikel 88 van de programmawet (I) van 24 december 2002 onverminderd van toepassing blijft omdat er geen nieuwe aanvraag tot herevaluatie wordt ingediend.

Ingevolge het advies van de Raad van State wordt hierbij verduidelijkt dat er een cascade vervat zit in de toepassing van de tweede paragraaf van dit artikel. Deze cascade bestaat er uit dat de bepalingen uit punt 1° en 2° voorrang hebben op de bepalingen uit punt 3°. Ter verduidelijking: het wil niet zeggen dat omdat een kind leerling of student is op een leeftijd jonger dan 18 jaar (of 21 jaar bij toepassing van punt 2°), dat de verdere voorwaarden die onder punt 3° zullen voorzien worden door de Vlaamse Regering, ook van toepassing zouden zijn op de kinderen uit punt 1° en 2°”.

In art. 8, §2, eerste lid, 3° wordt in een technische rechtzetting het woord werkzoekende geschrapt na advies van de Raad van State.

Artikel 8, § 3, bepaalt dat gezinsbijslagen niet verschuldigd zijn ten behoeve van de kinderen die buiten België worden opgevoed of lessen volgen. Algemene afwijkingen van deze voorwaarde kunnen worden bepaald door de Vlaamse Regering aangezien niet alle situaties in dit ontwerp van decreet kunnen worden opgevangen, zoals bijvoorbeeld de algemene afwijkingen voor kinderen in het buitenland die thans zijn opgenomen in onder meer de Ministeriële omzendbrief 599 van 16 juli 2007 (Algemene afwijkingen in de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders en in de wet van 20 juli 1971). 

Het Hof van Cassatie heeft op 4 mei 1998 aan het begrip “een kind buiten het Koninkrijk opvoeden” een interpretatie gegeven, volgens dewelke het feit lessen te volgen in het buitenland niet noodzakelijk inhoudt dat het kind niet meer in België zou worden opgevoed.

Artikel 8, § 3, zal worden toegepast rekening houdend met de geldende Europese verordeningen (zie artikel 2). Ook kinderen die worden opgevoed of lessen volgen buiten België, kunnen ten gevolge van Verordening (EG) nr. 883/2004, recht geven op gezinsbijslagen

[32] Samenwerkingsakkoord tussen de Vlaamse Gemeenschap, het Waalse Gewest, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en de Duitstalige Gemeenschap betreffende het vaststellen van de aanknopingsfactoren tot vaststelling van het personele toepassingsgebied van de wettelijke en reglementaire bepalingen van de deelentiteiten, de budgettering en verrekening van de voor de deelentiteiten betaalde gezinsbijslagen en de effectieve invoering van gemeenschappelijke wijzigende bepalingen voorgesteld door het Beheerscomité van FAMIFED, BS 20 oktober 2016.

Titel 2. Startbedragen

Hoofdstuk 1. Startbedrag geboorte

Artikel 9

De geboorte of de adoptie van een rechtgevend kind geeft recht op een startbedrag (cf. het éénmalige kraamgeld of de éénmalige adoptiepremie in de Algemene kinderbijslagwet). In het kader van de vereenvoudiging wordt ervoor geopteerd om voor alle kinderen, ook adoptiekinderen, eenzelfde bedrag toe te kennen, namelijk 1.100 euro.

Wat artikel 9, § 1, tweede lid betreft, wordt verduidelijkt dat “de begunstigde” die het startbedrag geboorte (eventueel vooraf) aanvraagt, niet per se de zwangere persoon zelf hoeft te zijn. In dit tweede lid wordt na het advies van de Raad van State de term zwangere persoon aangepast naar de term begunstigde of begunstigden, zodat er een technische afstemming is met artikel 66, waaraan nu werd voorbij gegaan.

De aanpassing verduidelijkt het bedoelde toepassingsgebied dat niet telkenmale een zwangere persoon een nieuwe uitbetalingsactor moet kiezen, wanneer de beide begunstigden (door wettelijke vermoedens in het kader van een huwelijk, erkenning voorafgaand aan de geboorte, verklaring van betrokkenen,…) gekend zijn. De term begunstigde capteert de situatie waarbij het een alleenstaande moeder betreft of enkel de moeder bekend is op het ogenblik van voorafbetaling.

Uit artikel 9, § 1, derde lid volgt dat, in geval van voorafbetaling, enkel het startbedrag geboorte aan de zwangere persoon kan worden uitbetaald aangezien er nog geen unieke identificatie van een kind mogelijk is (wat belangrijk is om een onterechte cumul van aanvragen te kunnen detecteren).

Artikel 9, § 2 bepaalt dat ook een kind, waarvoor een akte van aangifte van een levenloos kind overeenkomstig artikel 80bis van het Burgerlijk Wetboek werd opgesteld door de ambtenaar van de burgerlijke stand, recht geeft op het startbedrag geboorte. Dat bedrag wordt enkel betaald op voorwaarde dat de begunstigde deze akte aan zijn uitbetalingsactor bezorgd.

Artikel 10

Ingevolge het advies van de Raad van State (randnummer 44) worden enkele technische verwijzingen aangepast. De Raad van State vraagt daarnaast om te onderzoeken of de bepalingen uit artikel 10 niet beter een plaats hebben in de overgangsmaatregelen (randnummer 43).

Artikel 10 voorziet in een aantal uitzonderingen op en modaliteiten inzake het recht op een startbedrag onder dit decreet, in gevallen waar onder toepassing van de Algemene Kinderbijslagwet reeds een voorafbetaling kraamgeld optrad. Dit betreft dus niet een overgangsmaatregel, maar effectief een uitzondering of modaliteit binnen de toepassing van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid, waardoor de bepalingen van artikel 10 behouden blijven binnen deze toelagen.

Artikel 10 bevat enkele specifieke situaties ten opzichte van het principe dat de geboorte van een rechtgevend kind recht geeft op een startbedrag geboorte, zoals bedoeld in artikel 9, § 1.

Artikel 73bis van de Algemene kinderbijslagwet laat immers toe dat de bijslagtrekkende met ingang van de zesde maand van de zwangerschap, het kraamgeld kan aanvragen en de uitbetaling ervan kan bekomen twee maand vóór de vermoedelijke geboortedatum welke vermeld staat in het bij de aanvraag te voegen geneeskundige getuigschrift. In die omstandigheden is het dus niet uit te sluiten dat iemand kraamgeld ontvangt op basis van de kinderbijslagreglementering, terwijl het rechtgevend kind pas wordt geboren na 31 december 2018.

Om te vermijden dat de geboorte van een eerste rechtgevend kind opnieuw aanleiding zou geven tot het betalen van een (integrale) premie, wordt er gepreciseerd dat eerste kinderen die geboren zijn na 31 december 2018 geen recht geven op een startbedrag geboorte wanneer de begunstigde reeds tussen 1 oktober 2018 en vóór 31 december 2018 kraamgeld heeft bekomen overeenkomstig artikel 73bis, § 1, derde lid, 1° Algemene kinderbijslagwet.

Wel wordt, wanneer de begunstigde een voorafbetaling van het kraamgeld ontvangt tussen 1 oktober 2018 en 31 december 2018 voor eerste kinderen waarvan de vermoedelijke geboortedatum na 31 december 2018 ligt, het bedrag van het kraamgeld beperkt tot 1.100 euro (wat gelijk is aan het bedrag van het startbedrag geboorte). Wanneer eerste kinderen uiteindelijk toch vóór 1 januari 2019 worden geboren, dan geven zij recht op het positieve saldoverschil tussen het kraamgeld voor het eerste kind (1.247 euro) en 1.100 euro.  

Daarentegen, artikel 10, § 2, regelt de situatie indien een tweede of navolgend rechtgevend kind geboren wordt vanaf 1 januari 2019, waarvoor reeds het kraamgeld is uitbetaald vóór de geboorte van het kind overeenkomstig artikel 73bis, § 1, derde lid, 2° Algemene kinderbijslagwet. In dit geval geeft het rechtgevend kind recht op het positieve saldoverschil tussen het startbedrag geboorte (1100 euro) en het kraamgeld voor het tweede of navolgend kind (938,66 euro).

Hoofdstuk 2. Startbedrag adoptie

Artikel 11

Voor de toelichting bij artikel 11, § 1, wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 9, § 1.

De verplichting dat het kind moet "deel uitmaken van het gezin" van de adoptant, in artikel 11, § 1, derde lid, is overgenomen uit artikel 73quater van de Algemene kinderbijslagwet. Dit betreft een feitelijke toestand die met alle middelen kan bewezen worden. De formulering strekt ertoe te vermijden dat, net zoals dat met de adoptiepremie in de Algemene kinderbijslagwet het geval was, de startpremie adoptie pas zou kunnen worden toegekend wanneer het kind in het bevolkingsregister van een gemeente is ingeschreven.

Artikel 11, § 2, bevat regels die de cumul van het startbedrag adoptie moeten verhinderen.

Hoofdstuk 3. Gemeenschappelijke bepalingen

Artikel 12

Artikel 12 heeft zowel betrekking op het startbedrag geboorte als op het startbedrag adoptie. Deze bepaling laat de Vlaamse Regering toe om in bepaalde gevallen alsnog in de toekenning van een startbedrag te kunnen voorzien, aangezien niet alle situaties in dit ontwerp van decreet kunnen worden opgevangen. Het gaat bijvoorbeeld om (1) algemene afwijkingen voor personen op wie Verordening (EU) 492/2011 van toepassing is (de regels die thans zijn opgenomen in MO 583 van 6 oktober 2003 - Uitvoer van het kraamgeld en de adoptiepremie (uittreksel);…) en (2) algemene afwijkingen voor kinderen in het buitenland die thans zijn opgenomen in de Ministeriële omzendbrief 599 van 16 juli 2007 (Algemene afwijkingen in de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders en in de wet van 20 juli 1971).

Titel 3. Basisbedrag

Artikel 13

Het nieuwe groeipakket kiest duidelijk voor de gelijkwaardigheid van alle kinderen. De eerste pijler bestaat uit een gelijk basisbedrag per kind van 160 euro. Dit bedrag ligt dus hoger dan het basisbedrag voor 1-kindgezinnen in de Algemene kinderbijslagwet, wat impliceert dat alle jonge gezinnen een hoger basisbedrag ontvangen bij de start van hun gezin.

De toekenning van de gezinsbijslagen wordt losgekoppeld van het socio-professioneel statuut van de ouders. Elk kind geeft recht op een gelijk basisbedrag, een tegemoetkoming om kosten in de opvoeding te dekken. Het toekennen van een universeel basisbedrag betekent een sterke vereenvoudiging van het systeem. Hiermee wordt bovendien ook tegemoetgekomen aan de kritiek op de nadelen (met name ongelijke behandeling) van het hanteren van de rangorde.

Titel 4. Zorgtoeslagen

Hoofdstuk 1. Wezentoeslag

Artikel 14 en 15

Deze artikelen regelen de wezentoeslag, daaronder begrepen een maandelijkse toeslag voor een rechtgevend kind waarvan minstens één van de ouders is overleden of waarvan in hoofde van minstens één ouder het vermoeden van afwezigheid, bedoeld in artikel 112 van het Burgerlijk Wetboek, is vastgesteld. 

Het overlijden wordt bewezen door het Rijksregister van de natuurlijke personen te raadplegen of met een overlijdensakte.

De wezentoeslag wordt enkel toegekend voor de toekomst, vanaf het overlijden of de vaststelling van het vermoeden van afwezigheid.

De wezentoeslag wordt aangepast aan de huidige maatschappelijke realiteit, namelijk de evolutie van kostwinnersgezinnen naar tweeverdienersgezinnen. Ook is het de bedoeling om domiciliefraude en alleenstaandenvallen te vermijden. Belangrijk om weten is dat binnen de huidige wezentoeslag slechts 2,5% volle wezen in Vlaanderen zijn, en dus 97,5% half-wezen, van wie de overlevende ouder instaat voor de opvoeding.

Aangezien ieder kind een gelijk basisbedrag ontvangt, wordt dit principe ook toegepast op de wezen/half-wezen. Dit betekent een administratieve vereenvoudiging.

Daarbovenop wordt een wezentoeslag toegekend die eveneens identiek is voor alle wezen dan wel alle half-wezen. Concreet krijgt een volledige wees een wezentoeslag ten bedrage van 100% van het maandelijks basisbedrag. Een half-wees ontvangt een wezentoeslag ten bedrage van 50% van het maandelijks basisbedrag. Hiermee wordt ingespeeld op het wegvallen van het inkomen van de overleden ouder. Beide toeslagen worden betaald zolang het kind recht geeft op het basisbedrag (tenzij er een volle adoptie van een wees zich voordoet), dus ook voor de halfwezen, van wie de overlevende ouder eventueel een nieuw gezin vormt. Dit voorkomt administratieve lasten, vermijdt mogelijke alleenstaandenvallen, alsook eventuele domiciliefraude.

Indien een kind op het moment van overlijden niet zijn of haar woonplaats in het Nederlandse taalgebied heeft en na het overlijden in het Nederlandse taalgebied komt wonen, dan wordt het recht op de wezentoeslag geopend op het moment dat het kind in het Nederlandse taalgebied komt wonen.

De wezentoeslag wordt onmiddellijk stopgezet indien de vermoedelijk afwezige terugkeert of indien de vrederechter een einde aan het mandaat van de gerechtelijk bewindvoerder maakt overeenkomstig artikel 117 van het Burgerlijk Wetboek.

Ingevolge het advies van de Raad van State (randnummer 45) werd de opsomming aangevuld met het geval waarin de vrederechter een vermoeden van afwezigheid van de enige bekende ouder van het rechtgevend kind heeft vastgesteld.

Hoofdstuk 2. Zorgtoeslag voor kinderen met een specifieke ondersteuningsbehoefte

Artikel 16

Voor de toeslag voor kinderen met bijzondere zorgnoden blijft het huidige systeem uit de Algemene kinderbijslagwet ongewijzigd. Deze toeslag heet voortaan “zorgtoeslag voor kinderen met een specifieke ondersteuningsbehoefte”.

Heel wat kinderen die onder de Algemene kinderbijslagwet een verhoogde toeslag ontvangen zijn niet gekend/erkend door het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap (VAPH), noch door de toegangspoort in het kader van de Integrale Jeugdhulp. Dit is te wijten aan de onderscheiden finaliteit van deze toeslag en de voormelde instellingen: bij het VAPH en de toegangspoort wordt er tegemoetgekomen als er een minimale, handicap specifieke ondersteuningsbehoefte is (en er dus de facto een grotere beperktheid is qua functioneren). De verhoogde toeslag gaat ruimer en is een soort van tegemoetkoming naargelang de ernst van de ondersteuningsbehoefte. Een toeslag is dus legitiem, want er is sprake van een hogere zorgnood en aldus hogere opvoedingskosten eigen aan de noden en zorgbehoefte van het kind.

Hoofdstuk 3. Pleegzorgtoeslag

Artikel 17

Dit artikel regelt de pleegzorgtoeslag die bestaat uit een forfaitaire maandelijkse toeslag van 61,79 euro in situaties waarin een kind geplaatst is in een pleeggezin.

De Raad van State merkt op dat waar het pleegzorg betreft de Vlaamse Regering geen delegatie heeft om te bepalen welk type pleegzorg al dan niet onderdeel kan uitmaken van het toepassingsgebied van deze bepaling (randnummer 46). Vanuit die optiek wordt aangegeven dat elke vorm van pleegplaatsing aanleiding kan geven tot deze toeslag, behalve de ondersteunende pleegplaatsing, eerder dan op te sommen welke vormen van pleegplaatsing wel in aanmerking komen.

Dit verplicht de decreetgever enkel om regelgevend in te grijpen wanneer een vorm van pleegzorg zou worden gecreëerd waarvan hij het niet opportuun acht om deze toeslag toe te kennen. Het tegenovergestelde geval zou aanleiding geven tot aanpassing bij elke vorm van pleegzorg die mogelijk wordt gecreëerd door de decreetgever, wat minder opportuun lijkt.

Titel 5. Sociale toeslagen

Artikel 18

Dit artikel regelt de sociale toeslag, bepaalt er de verschillende bedragen van en stelt de essentiële criteria vast die in aanmerking moeten worden genomen om, in een concreet geval, te kunnen bepalen of het basisbedrag wordt verhoogd met een sociale toeslag en, zo ja, dewelke.

Voor kinderen die opgroeien in een gezin met een laag inkomen wordt een sociale toeslag voorzien. De inkomensgrens van deze toeslag is gezinsgemoduleerd en houdt rekening met de gezinsgrootte.

Dit impliceert dat de sociale toeslagen worden uitgebreid naar alle gezinnen die onder een bepaalde inkomensdrempel vallen (naargelang gezinsgrootte), wat niet alleen belangrijk is in de strijd tegen kinderarmoede, maar ook de discriminatie vervat in de Algemene kinderbijslagwet ten aanzien van de werkenden met een laag inkomen wegwerkt. Als de inkomensdrempel in het huidige systeem van de Algemene kinderbijslagwet in aanmerking wordt genomen, zonder rekening te houden met de socio-professionele situatie, stijgt het bereik van de Vlaamse gezinnen met kinderen van 12% naar 20,7% (op basis van cijfers van de Kruispuntbank Sociale Zekerheid).

De onderste inkomensgrens werd bij het opstellen van het ontwerp van decreet ingeschreven als €30.144,30, waarbij reeds rekening werd gehouden met de overschrijding van de index die in mei 2017 plaats vond.  Na het advies van de Raad van State, beslisten de deelentiteiten bevoegd inzake gezinsbijslagen om via een samenwerkingsakkoord de inkomstengrensbedragen vanaf 1 januari 2018 te verhogen met 0,8%. De Vlaamse Regering verleende haar principieel akkoord hiertoe (VR 2017 1711 DOC.1128/1, DOC.1128/2, DOC.1128/3 en DOC.1128/4). Deze aanpassing wordt ook overeenkomstig doorgevoerd in dit decreet, waardoor het onderste inkomstengrensbedrag op 30.386,52 euro komt te liggen.

Het systeem van gezinsgemoduleerde inkomensselectiviteit heeft dus een dubbele finaliteit:

  • Enerzijds dient het systeem om gezinnen met een beperkt inkomen via toeslagbedragen extra te compenseren voor de kosten eigen aan de opvoeding van hun kind;

  • Anderzijds worden via de gezinsmodulering ook de grote gezinnen, mede afhankelijk van hun inkomen, meer verregaand gecompenseerd. Daarbij houden we rekening met mogelijke werkloosheids- en verdienvallen, door te werken met meerdere inkomensgrenzen.

Er wordt gestreefd naar een maximale automatische rechtentoekenning. Aangezien met de sociale toeslag beoogd wordt de draagkracht van een gezin gericht te ondersteunen en bevorderen, is het belangrijk dat de toeslag terecht komt in het gezin waar het kind opgroeit. In geval van gelijkmatig verdeelde huisvesting (50/50) zoals bepaald of bekrachtigd door de rechtbank, wordt naar het inkomen van beide ouders apart, binnen hun nieuw samengestelde gezin, gekeken en bepaald of ze allebei, geen van beiden of één van beiden recht hebben of heeft op een toeslag. Kinderen met gelijk verdeelde huisvesting tellen slechts voor de helft mee in het nieuw samengestelde gezin. In geval van niet gelijk verdeelde huisvesting zoals bepaald of bekrachtigd door de rechtbank, wordt gekeken naar het inkomen van de ouder, binnen zijn of haar nieuw samengestelde gezin, waar het zwaartepunt van verblijf is.

In geval er geen uitspraak is van de rechtbank (bv. omdat de partners niet getrouwd waren), dan wordt ervan uitgegaan dat de huisvesting van het rechtgevend kind gelijk is verdeeld tussen de ouders en wordt het kind voor de berekening van de toeslag en de gezinsgrootte, in beide gezinnen voor de helft meegeteld.

Indien het rechtgevend kind is geplaatst door bemiddeling of ten laste van een openbare overheid in een pleeggezin of een instelling, wordt het kind voor de berekening van de sociale toeslagen en de gezinsgrootte in het tweede lid, in het pleeggezin respectievelijk het gezin waar het kind verbleef voorafgaand aan de plaatsing volledig meegeteld.

Indien het echter een plaatsing betreft waarbij het deel dat toekomt aan de begunstigde dient toegekend te worden op het rekeningnummer van een kind, wordt dit kind niet meegeteld voor de berekening van de sociale toeslagen bij de begunstigde waar het voor de plaatsing verbleef, aangezien de band met deze begunstigde volledig wordt door geknipt. Deze technische wijziging werd toegevoegd na het advies van de Raad van State.

Een delegatie wordt gegeven aan de Vlaamse Regering om te bepalen met welke inkomsten van welke personen rekening wordt gehouden om de gezinsinkomsten vast te stellen, om de periode te bepalen waarvoor het basisbedrag van het rechtgevend kind wordt verhoogd met een sociale toeslag en om de gezinsgrootte nader bepalen. Er zal gewerkt worden met een bruto belastbaar inkomensbegrip (dus voor aftrek van beroepskosten).

Er wordt eveneens een delegatie gegeven aan de Vlaamse Regering om een alarmbelprocedure vast te stellen. Een consequentie van het werken met het aanslagbiljet, is dat het geen weerspiegeling geeft van de actuele inkomenssituatie (meestal inkomens van 2 jaar geleden). Teneinde kort op de bal te kunnen spelen en een sociale toeslag te kunnen toekennen of stopzetten op momenten dat gezinnen er nood respectievelijk geen nood meer aan hebben, wordt een alarmbelprocedure in het leven roepen. Deze alarmbelprocedure kan enerzijds getriggerd worden door de gezinnen zelf, en anderzijds in de mate van het mogelijke via elektronische gegevensstromen.

Ingevolge het advies van de Raad van State (randnummer 25.2) wordt hierbij verduidelijkt dat de delegatie in het achtste lid niet mag worden begrepen als een mogelijke afwijking van hetgeen bepaald werd in het tweede lid van dit artikel.

Titel 6. Universele participatietoeslagen

De Raad van State merkte op (randnummer 47) dat het aan te bevelen viel om de algemene toelichting die aan de Raad werd voorzien met betrekking tot de universele participatietoeslagen ook op te nemen in de memorie van toelichting:

“Het doel van de betrokken artikelen is naar analogie met het huidige artikel 44ter van de Algemene Kinderbijslagwet, garanderen dat elk kind dat in een bepaald jaar een bepaalde leeftijd heeft bereikt, dezelfde toeslag krijgt in dat jaar, ongeacht het moment waarop de uitbetaling in het betrokken jaar plaats vindt.

Het kind geboren op 31/10/2019 zal in het volgende jaar de eerste maal de universele participatietoeslag ontvangen (de facto wordt het kind in dat jaar 1 jaar, maar het ijkpunt is 31 december van het voorgaande kalenderjaar) en zo verder tot het jaar waarin voorafgaand aan dat betrokken kalenderjaar het kind op 31 december de leeftijd van vier jaar nog niet heeft bereikt.

Voorbeeld: kind geboren op 31/10/2019:

IJkpunt                       Toekenning

31/12/2019 (0 j)         2020 (1 j): universele participatietoeslag 20 euro;

31/12/2020 (1 j)         2021 (2 j): universele participatietoeslag 20 euro;

31/12/2021 (2 j)         2022 (3 j): universele participatietoeslag 20 euro;

31/12/2022 (3 j)         2023 (4 j): universele participatietoeslag 20 euro;

31/12/2023 (4 j)         2024 (5 j): universele participatietoeslag 35 euro;

31/12/2024 (5 j)         2025 (6 j): universele participatietoeslag 35 euro.”

Hoofdstuk 1. Universele participatietoeslagen 0- tot en met 4-jarigen

Artikel 19

Dit artikel bepaalt het bedrag voor de jaarlijkse universele participatietoeslagen voor baby’s en peuters (vanaf de geboorte en zolang het kind minder dan 4 jaar is op 31 december van het kalenderjaar voor het kalenderjaar waarin de toeslag verschuldigd is).

Het tweede lid van het artikel machtigt de Vlaamse Regering om het uitbetalingstijdstip van deze jaarlijkse universele participatietoeslagen nader te bepalen. Voor de uitbetaling in 2019 zal worden gekeken naar de leeftijd op 31 december 2018.

Het derde lid van het artikel machtigt de Vlaamse Regering om ook andere uitvoeringsvoorwaarden van deze jaarlijkse universele participatietoeslagen nader te bepalen.

Ingevolge het advies van de Raad van State (randnummer 21.1) wordt de universele participatietoeslag van 20 euro uitgebreid van enkel nul- tot en met tweejarigen naar ook drie- en vierjarigen.

Hoofdstuk 2. Universele participatietoeslagen 5- tot en met 17-jarigen

Artikel 20

Dit artikel bepaalt het bedrag van de jaarlijkse universele participatietoeslagen voor rechtgevende kinderen vanaf de leeftijd van minstens 4 jaar op 31 december van het kalenderjaar voor het kalenderjaar waarin de toeslag verschuldigd is en zolang het minder dan 11 jaar is op die datum.

Het tweede lid van het artikel machtigt de Vlaamse Regering om het uitbetalingstijdstip van deze jaarlijkse universele participatietoeslagen nader te bepalen. Voor de uitbetaling in 2019 zal worden gekeken naar de leeftijd op 31 december 2018.

Het derde lid van het artikel machtigt de Vlaamse Regering om ook andere uitvoeringsvoorwaarden van deze jaarlijkse universele participatietoeslagen nader te bepalen.

Artikel 21

Dit artikel bepaalt het bedrag van de jaarlijkse universele participatietoeslagen voor rechtgevende kinderen vanaf de leeftijd van minstens 11 jaar op 31 december van het kalenderjaar voor het kalenderjaar waarin de toeslag verschuldigd is en zolang het minder dan 17 jaar is op die datum.

Het tweede lid van het artikel machtigt de Vlaamse Regering om het uitbetalingstijdstip van deze jaarlijkse universele participatietoeslagen nader te bepalen. Voor de uitbetaling in 2019 zal worden gekeken naar de leeftijd op 31 december 2018.

Het derde lid van het artikel machtigt de Vlaamse Regering om ook andere uitvoeringsvoorwaarden van deze jaarlijkse universele participatietoeslagen nader te bepalen.

Hoofdstuk 3. Universele participatietoeslagen 18- tot en met 24-jarigen

Artikel 22

Dit artikel bepaalt het bedrag van de jaarlijkse universele participatietoeslagen voor rechtgevende kinderen vanaf de leeftijd van minstens 17 jaar op 31 december van het kalenderjaar voor het kalenderjaar waarin de toeslag verschuldigd is en zolang het minder dan 25 jaar is op die datum.

Het tweede lid van het artikel machtigt de Vlaamse Regering om het uitbetalingstijdstip van deze jaarlijkse universele participatietoeslagen nader te bepalen. Voor de uitbetaling in 2019 zal worden gekeken naar de leeftijd op 31 december 2018.

Het derde lid van het artikel machtigt de Vlaamse Regering om ook andere uitvoeringsvoorwaarden van deze jaarlijkse universele participatietoeslagen nader te bepalen.

Titel 7. Samenloop van gezinsbijslagen

Artikel 23

Dit artikel bepaalt dat het bedrag van de gezinsbijslag wordt verminderd met het bedrag van de uitkeringen van dezelfde aard waarop ten behoeve van een rechtgevend kind aanspraak kan worden gemaakt krachtens regels van toepassing op het personeel van een volkenrechtelijke instelling, zelfs indien de toekenning van deze uitkeringen op grond van voormelde regels als aanvullend worden aangemerkt met betrekking tot de gezinsbijslag verleend bij toepassing van dit decreet. De toepassing van deze bepaling heeft echter voor gevolg dat de Vlaamse Gemeenschap zijn conventionele verplichtingen inzake gezinsbijslag ten aanzien van het vast personeel van Eurocontrol en het onderwijzend personeel van de Vlaamse Gemeenschap dat gedetacheerd is bij Europese Scholen, niet nakomt. Immers zowel het statuut van het vast personeel van Eurocontrol als dat van het onderwijzend personeel van de Europese Scholen bepalen dat de gezinsbijslag toegekend door het land van herkomst van de betrokken ambtenaar of agent in mindering wordt gebracht van deze toegekend krachtens de statutaire bepalingen. Aan de andere kant is deze regel van complementariteit van de statutaire gezinsbijslagen identiek aan deze vervat in het statuut van de ambtenaren en andere agenten van de Europese Unie, ten aanzien van wie artikel 23 niet wordt toegepast (uitgezonderd in bijzondere gevallen), ten gevolge van het arrest Commissie tegen België van 7 mei 1987 van het Hof van Justitie (zaak 186/85) waarbij de Belgische Staat werd veroordeeld. Het tweede lid van artikel 23 integreert in de Vlaamse regelgeving de voorrangsregel inzake bevoegdheid die is vastgelegd in het statuut van de ambtenaren van de Europese Unie en volgens welke, in geval van samenloop met een recht op uitkeringen van dezelfde aard ten behoeve van een rechtgevend kind, de statutaire gezinsbijslagen slechts aanvullend worden toegekend.

Uit het tweede lid van artikel 23 volgt dan ook dat de Vlaamse gezinsbijslag bij voorrang wordt toegekend ingeval van samenloop met gezinsbijslag vastgesteld door het statuut van de ambtenaren van de Europese Unie. Vanuit de zorg voor het respect voor de verdragsrechtelijke verbintenissen (“Pacta sunt servanda”) en voor een samenhang inzake de samenloop van rechten, geeft het derde lid van artikel 23, de Vlaamse Regering de bevoegdheid om de volkenrechtelijke instellingen waarvan de statutaire regels gelijk zijn aan deze van de Europese ambtenaren, vast te stellen. Dezelfde voorrangsregel zal dus voor hen worden toegepast. Op vandaag voldoen de statuten van twee Europese instellingen aan deze voorwaarden, nl. de statuten van Eurocontrol en de statuten van de Europese Scholen.

In artikel 23 is sprake van internationale overeenkomsten betreffende de gezinsbijslagen. In dit verband kan eraan herinnerd worden dat Vlaanderen zelf bevoegd is om internationale overeenkomsten af te sluiten.

DEEL 2. SELECTIEVE PARTICIPATIETOESLAGEN

Titel 1. Selectieve participatietoeslagen leerling

Hoofdstuk 1. Rechthebbende leerling

Artikel 24

Dit artikel verduidelijkt de toepassingsvoorwaarden voor de jaarlijkse selectieve participatietoeslagen die aan de leerling worden toegekend en betreft aldus het personeel toepassingsgebied van de selectieve participatietoeslagen leerling.

In artikel 24, eerste lid, 1° wordt de nationaliteitsvoorwaarde opgelegd. Bij de toepassing van artikel 24, eerste lid, 1° zal de Europese context in acht worden genomen. Er zal rekening worden gehouden met de beginselen van het vrij verkeer (Verordening (EU) nr. 492/2011 en artikel 49 VWEU), en ook met EU-onderdanen die een duurzame band hebben opgebouwd met België door hier vijf jaar te verblijven.

Artikel 24, eerste lid, 2° en 3° leggen de pedagogische en financiële voorwaarden op die in dit decreet nader bepaald zullen worden.

De pedagogische voorwaarden zijn sterk afhankelijk van het studieniveau. Materies zoals de inschrijvingsplicht bij een in de Vlaamse Gemeenschap erkende, gesubsidieerde of gefinancierde onderwijsinstelling, de aanwezigheidsplicht, de financierbare opleidingen, de meeneembaarheid van de toeslagen worden bijgevolg voor elk studieniveau afzonderlijk behaald. De pedagogische voorwaarden die in dit verband al in het kader van de schooltoelage worden opgelegd aan de leerlingen, worden behouden voor de toekenning van de selectieve participatietoeslagen.

Om te bepalen of een leerling recht heeft op studiefinanciering, geldt de financiële draagkracht van het gezin waartoe de leerling behoort, als referentie. De selectieve participatietoeslagen beogen de leerling financieel te ondersteunen bij zijn school- en studiekosten om op die manier de leerling toe te laten deel te nemen aan onderwijs, wat de democratisering van het onderwijs ten goede komt. De omvang van de studiefinanciering zal evenwel afhankelijk zijn van het studieniveau om reden dat ook de onderwijskosten sterk afhankelijk zijn van het studieniveau. De financiële voorwaarden zoals deze reeds in het kader van de schooltoelage bestaan, worden voor de toekenning van de selectieve participatietoeslagen afgestemd op de sociale toeslagen. Dit leidt er ook toe dat de inkomensgrenzen zo moeten vastgesteld worden dat het aandeel van de leerlingen dat in aanmerking komt voor de selectieve participatietoeslagen niet zal verminderen.

De voorwaarden zijn cumulatief te vervullen. Artikel 24, tweede lid laat de Vlaamse Regering toe om algemene afwijkingen te bepalen, aangezien niet alle situaties in dit ontwerp van decreet kunnen worden opgevangen. Het gaat bijvoorbeeld om algemene afwijkingen voor (kinderen van) personen op wie Verordening (EU) nr. 492/2011 of artikel 49 VWEU van toepassing is.

Het derde lid van artikel 24 geeft een delegatie aan de Vlaamse Regering om de modaliteiten van de jaarlijkse selectieve participatietoeslagen leerling nader te bepalen. Overeenkomstig het advies van de Raad van State (randnummer 48) wordt de delegatie inzake het tijdstip van betaling toegevoegd aan artikel 75 van dit decreet.

Artikel 25

Om de toestand van het gezin waartoe de rechthebbende leerling behoort te bepalen, wordt rekening gehouden met de toestand op 31 december van het betrokken schooljaar. Door deze maatregel worden alle leerlingen binnen één schooljaar gelijk behandeld.

Om de nationaliteit en de woonplaats van de rechthebbende leerling die niet kwalificeert als een rechtgevend kind te bepalen, wordt rekening gehouden met de toestand op 31 december van het betrokken schooljaar.

Wat betreft de pedagogische toestand wordt een foto genomen op de laatste schooldag van juni van het betrokken schooljaar, vermits de zomervakantie van de leerlingen in het basis- en het secundair onderwijs daarna start.

Hoofdstuk 2. Pedagogische voorwaarden

Afdeling 1. Selectieve participatietoeslagen kleuteronderwijs

Artikel 26

Wanneer een leerling is ingeschreven aan een door de Vlaamse Gemeenschap erkende, gefinancierd of gesubsidieerde onderwijsinstelling voor het volgen van gewoon of buitengewoon onderwijs, kan deze leerling in aanmerking komen voor een selectieve participatietoeslag, althans zolang deze leerling gerechtigd is dit onderwijs te volgen overeenkomstig het Decreet Basisonderwijs.

Aangezien de selectieve participatietoeslagen kwalificeren als financiële tegemoetkomingen toegekend aan leerlingen of studenten, die worden voorzien als maatregel van gezinsbeleid, in de zin van artikel 5, § 1, II, 1°, BWHI, is de decreetgever bevoegd om deze regeling door te trekken niet enkel ten aanzien van de inschrijvingen bij de in de Vlaamse Gemeenschap erkende, gefinancierde of gesubsidieerde onderwijsinstelling op Nederlandse taalgebied, maar ook ten aanzien van dezelfde door de Vlaamse Gemeenschap erkende, gefinancierde of gesubsidieerde onderwijs instellingen behorende tot het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad.

Overeenkomstig het advies van de Raad van State (randnummer 49) werden de bewoordingen van dit artikel aangepast.

Artikel 27

Dit artikel bepaalt wanneer een leerling geen selectieve participatietoeslag wordt toegekend. De reden hiervoor zal zijn dat er geen inschrijving in de onderwijsinstelling voorligt, ofwel dat er geen voldoende aanwezigheid is van de betrokken leerling en dit in zowel het voorafgaande schooljaar als in het schooljaar in kwestie. Om de participatiegraad in het kleuteronderwijs te verhogen, wordt het recht op een selectieve participatietoeslag naast de inschrijving bij de in artikel 26 bedoelde instelling immers ook gekoppeld aan een minimale voldoende aanwezigheid. Net zoals op vandaag bij de toekenning van de schooltoelage is voorzien, wordt deze vereiste van voldoende aanwezigheid bekeken aan de hand van twee opeenvolgende schooljaren: in zowel het schooljaar in kwestie als, tezelfdertijd, in het voorafgaande schooljaar. Is de kleuter in deze 2 schooljaren niet voldoende aanwezig, verliest hij zijn recht op de selectieve participatietoeslag. De bestaande pedagogische voorwaarden in het kader van de schooltoelage worden aldus bij de omvorming naar de selectieve participatietoeslagen behouden.

Deze minimale voldoende aanwezigheid wordt ook telkenmale gekoppeld aan de leeftijd van de leerling en opnieuw behoudt de selectieve participatietoeslag de reeds in het kader van de schooltoelage vereiste minimale aanwezigheden per leeftijdscategorie. De voldoende aanwezigheid wordt door het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming overeenkomstig artikel 13, §§ 2 tot en met 6 Decreet Studiefinanciering vastgesteld.

Artikel 28

Dit artikel bepaalt welke gegevens het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming moet meedelen aan Kind en Gezin, teneinde te kunnen nagaan of het kind aan de decretale pedagogische voorwaarden van de selectieve participatietoeslag kleuteronderwijs voldoet.

De uitbetalingsactoren zullen wat betreft de pedagogische gegevens enkel rekening houden met de informatie die door het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming wordt bezorgd aan Kind en Gezin.

De selectieve participatietoeslagen kunnen enkel worden toegekend op basis van de informatie die betrekking heeft op de inschrijving in de betrokken onderwijsinstelling en de voldoende aanwezigheid op school. De gevraagde gegevens zijn noodzakelijk en proportioneel ten aanzien van de gestelde doelstelling (zie hiervoor advies Raad van State, randnummers 27-29).

Kind en Gezin dient aan het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming het aantal kinderen dat selectieve participatietoeslagen kleuteronderwijs ontvangen te melden, omdat het Ministerie deze informatie nodig heeft voor de financiering van de scholen.

De Vlaamse Regering bepaalt de modaliteiten volgens dewelke bovengenoemde informatie moet worden meegedeeld.

Afdeling 2. Selectieve participatietoeslag lager onderwijs

Artikel 29

Dit artikel bepaalt, net als bij het kleuteronderwijs (cf. artikel 26), bij welke basisonderwijsinstellingen een leerling moet ingeschreven zijn opdat een selectieve participatietoeslag kan worden toegekend. Er kan verwezen worden naar de toelichting onder artikel 26.

Overeenkomstig het advies van de Raad van State (randnummer 49) werden de bewoordingen van dit artikel aangepast.

Artikel 30

Het is belangrijk om kinderen meteen bij de start van het schooljaar op de schoolbanken te krijgen én hen daar te houden. De selectieve participatietoeslag speelt hierin een rol van betekenis, net zoals voorheen de schooltoelage deed, door het recht op de selectieve participatietoeslag te koppelen aan enerzijds de schoolinschrijving en anderzijds de voldoende aanwezigheid. De leerling dient telkens aan beide voorwaarden te voldoen.

Ten eerste dient de leerling uiteraard ingeschreven te zijn (en te blijven voor het ganse schooljaar).

Ten tweede mag de leerling niet te vaak ongewettigd afwezig zijn geweest. Dit wordt vastgesteld aan de hand van artikel 14, §§ 1, 2° tot en met 3 Decreet Studiefinanciering.

Ten derde moet de leerling die is uitgeschreven uiterlijk vijftien kalenderdagen na de datum van uitschrijving in het lager onderwijs opnieuw zijn ingeschreven in het lager onderwijs.

Artikel 31

Dit artikel bepaalt welke gegevens het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming moet meedelen aan Kind en Gezin, teneinde te kunnen nagaan of het kind aan de decretale pedagogische voorwaarden van de selectieve participatietoeslag lager onderwijs voldoet.

De gegevens hebben betrekking op de in- en uitschrijving in de betrokken onderwijsinstelling en op de gegevens met betrekking tot de ongewettigde afwezigheid of onvoldoende aanwezigheid in het lager onderwijs. Deze gegevens zijn noodzakelijk en proportioneel om de selectieve participatietoeslag lager onderwijs toe te kennen(zie hiervoor advies Raad van State, randnummers 27-29).

De uitbetalingsactoren zullen wat betreft de pedagogische gegevens enkel rekening houden met de informatie die door het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming wordt bezorgd aan Kind en Gezin.

Kind en Gezin dient aan het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming het aantal kinderen dat selectieve participatietoeslagen lager onderwijs ontvangen te melden, omdat het Ministerie deze informatie nodig heeft voor de financiering van de scholen.

De Vlaamse Regering bepaalt de modaliteiten volgens dewelke bovengenoemde informatie moet worden meegedeeld.

Afdeling 3. - Selectieve participatietoeslag secundair onderwijs

Artikel 32

Dit artikel bepaalt in welke secundaire scholen of welke centra leerlingen zich moeten inschrijven om een selectieve participatietoeslag te krijgen. Er kan opnieuw verwezen worden naar de toelichting onder artikel 26.

Na het advies van de Raad van State werd de terminologie deeltijds onderwijs aangepast naar de correcte terminologie inzake het stelsel van leren en werken. Ook de overeenkomstige definities deeltijds leerplichtonderwijs en leerplichtonderwijs werden hierbij verwijderd. De verwijzing naar het decreet van 8 juni 2007 bleek in deze niet afdoende, gezien de evoluties inzake het stelsel van leren en werken (decreet van 10 juli 2008).

Hierdoor is het niet langer nodig om een onderscheid te maken tussen voltijds en deeltijds onderwijs, waardoor deze termen in de verdere artikels steeds worden aangepast of geschrapt. Ook in dit artikel wordt de tweede paragraaf die specifieke over deeltijds leren ging, bijgevolg geschrapt. Aangezien leren en werken plaats vindt in de door de Vlaamse Regering erkende centra voor vorming van zelfstandigen en kleine en middelgrote ondernemingen, wordt ook de term centra consequent ingevoegd.

Deze wijzigingen worden ook puntsgewijs aangeduid in de betreffende, volgende artikelen.

Artikel 33

Er bestaat voor het leerplichtonderwijs geen equivalent met de Europese Hoger Onderwijsruimte. Om die reden wordt er enkel voorzien dat een leerling zijn selectieve participatietoeslag kan meenemen naar het buitenland, indien hij in het buitenland een studierichting of opleiding volgt waarvoor in België geen equivalente opleiding bestaat.

Aangezien de start van het schooljaar zelf, de onderwijsstructuur en de controle op de aanwezigheid en tijdige inschrijving sterk verschillen van land tot land, is het administratief onmogelijk na te gaan of leerlingen die in het buitenland school lopen voldoen aan de bepalingen van artikel 34. De gevallen waarin geen leeftijdsbeperking geldt voor de toekenning van de selectieve participatietoeslag (artikel 35, tweede lid) zijn niet van toepassing op leerlingen die in het buitenland school lopen.

Ingevolge het advies van de Raad van State (randnummer 50) wordt de verwijzing naar het decreet van 8 juni 2007 aangepast.

De tweede paragraaf van dit artikel legt de uitbetalingsactoren op hoe zij moeten bepalen of een equivalente opleiding bestaat. Ingevolge het advies van de Raad van State (randnummer 51) wordt de term Naric-Vlaanderen gehanteerd, overeenkomstig de definitie in art. 5, 26° van het decreet van 8 juni 2007.

Na het advies van de Raad van State wordt overeenkomstig het bepaalde in artikel 32 de verwijzingen naar voltijds en deeltijds geschrapt en wordt waar nodig verwezen naar de term centrum. Ingevolge een technische correctie wordt een verwijzing toegevoegd in het tweede lid van de eerste paragraaf naar artikel 48, paragrafen 3 en 6, naar analogie met het bepaalde in artikel 19, lid 2 (aldaar de verwijzing naar artikel 50, §§2 en 4) van het decreet van 8 juni 2007.

Artikel 34

Net zoals het belangrijk is om leerlingen in het lager onderwijs van bij de start van het schooljaar op de schoolbanken te krijgen en te houden (cf. artikel 30), geldt dit des te meer voor leerlingen in het secundair onderwijs, met inbegrip van leerlingen in het stelsel leren en werken.

Ten eerste dient de leerling uiteraard ingeschreven te zijn (en te blijven voor het ganse schooljaar).

Ten tweede mag de leerling niet te vaak ongewettigd afwezig zijn geweest. Dit wordt vastgesteld aan de hand van artikel 16, §§ 1, 2° tot en met 3 Decreet Studiefinanciering.

Ten derde moet de leerling die is uitgeschreven uiterlijk vijftien kalenderdagen na de datum van uitschrijving in het secundair onderwijs opnieuw zijn ingeschreven in het secundair onderwijs of in de leertijd in een centrum zoals bedoeld in artikel 32. In afwijking hiervan behoudt de leerling in het secundair onderwijs die op 30 juni van het schooljaar in kwestie niet langer ingeschreven is zijn toelage, op voorwaarde dat de leerling in de loop van dat schooljaar zijn kwalificatie reeds behaald had.

Het sanctioneringsmechanisme van het lager onderwijs is bijgevolg ook van toepassing in het secundair onderwijs.

Na het advies van de Raad van State wordt overeenkomstig het bepaalde in artikel 32 de verwijzingen naar voltijds en deeltijds geschrapt en wordt waar nodig verwezen naar de term centrum. Ook de terminologie inzake kwalificaties werd om dezelfde reden aangepast.

Artikel 35

Zoals ook in de huidige reglementering van de schooltoelage in het Decreet Studiefinanciering is opgenomen, wordt in het ontwerp van decreet voorzien dat ook niet-leerplichtige leerlingen die een schooljaar moeten over doen of hebben gedaan, in aanmerking komen voor een selectieve participatietoeslag. Het is in het licht van de doelstelling van de selectieve participatietoeslagen immers wenselijk de toeslagen ook toe te kennen aan rechthebbende leerlingen zelfs zonder dat zij een studievoortgang maken, zij het dat dit beperkt wordt tot en met het schooljaar waarin de betrokkenen de leeftijd van 22 jaar bereiken.

Voor leerlingen die ingeschreven zijn in het buitengewoon secundair onderwijs geldt geen leeftijdsbeperking. De bepalingen inzake voldoende aanwezigheid blijven op meerderjarige leerlingen evenzeer van toepassing.

Na het advies van de Raad van State wordt overeenkomstig het bepaalde in artikel 32 de verwijzingen naar voltijds en deeltijds geschrapt.

Artikel 36

Dit artikel bepaalt welke gegevens het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming moet meedelen aan Kind en Gezin, teneinde te kunnen nagaan of de leerling aan de decretale pedagogische voorwaarden van de selectieve participatietoeslag secundair onderwijs voldoet en op welk bedrag een leerling recht heeft.

De uitbetalingsactoren zullen wat betreft de pedagogische gegevens, en de gegevens betreffende welke leerlingen in het 3de leerjaar van de 3de graad voltijds technisch of beroepssecundair zitten, en welke leerlingen secundair onderwijs en welke leerlingen het stelsel leren en werken volgen enkel rekening houden met de informatie die door het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming wordt bezorgd aan Kind en Gezin.

Kind en Gezin dient aan het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming het aantal kinderen dat selectieve participatietoeslagen secundair onderwijs ontvangen te melden, omdat het Ministerie deze informatie nodig heeft voor de financiering van de scholen.

De Vlaamse Regering bepaalt de modaliteiten volgens dewelke bovengenoemde informatie moet worden meegedeeld. De Vlaamse Regering bepaalt eveneens de wijze waarop aan Kind en Gezin wordt gemeld dat een leerling een interne leerling is en welke instellingen dit moeten melden: dit kan bv. het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming, het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap, en het Agentschap Jongerenwelzijn zijn.

Na het advies van de Raad van State wordt overeenkomstig het bepaalde in artikel 32 de verwijzingen naar voltijds en deeltijds geschrapt en wordt waar nodig verwezen naar de term centrum. Er wordt verwezen naar de terminologie inzake de structuuronderdelen.

Hierdoor wordt het bepaalde in de oorspronkelijke punten 5° en 6° van de eerste paragraaf zonder voorwerp en worden deze verwijderd.

Hoofdstuk 3. Financiële voorwaarden

Afdeling 1. Algemene bepalingen

Artikel 37

Bij de toekenning van de selectieve participatietoeslagen leerling wordt rekening gehouden met de inkomsten van het gezin waartoe de leerling behoort.

Pleegkinderen en pleeggasten die langer dan een jaar in het pleeggezin wonen, komen in aanmerking voor een volledige selectieve participatietoeslag zonder dat rekening gehouden wordt met de financiële situatie van de pleegouders. Voor de toepassing van het decreet, wordt alleen de perspectiefbiedende pleegzorg bedoeld. Om dit recht op volledige selectieve participatietoeslag te kunnen uitvoeren, moet een referentiedatum bepaald worden, wanneer deze voorwaarde van verblijf vervuld moet zijn. Naar analogie met de bepaling van de toestand van het gezin waartoe de leerling behoort, wordt deze datum bepaald op 31 december van het betrokken schooljaar.

Het begrip “inkomsten” voor de selectieve participatietoeslagen wordt afgestemd op het begrip “inkomsten” voor de sociale toeslagen binnen de gezinsbijslagen. Waar het systeem van de huidige schooltoelagen gebaseerd is op netto belastbare inkomsten (na aftrek van beroepskosten), zal voor de toekomstige selectieve participatietoeslagen gewerkt worden met een bruto belastbaar inkomensbegrip (dus voor aftrek van beroepskosten). Om te vermijden dat gezinnen na het meetellen van de (forfaitaire) beroepskosten in het inkomen de maximumgrens zouden overschrijden, zullen de bestaande minimum- en maximumgrenzen voor elk gezin ‘gebruteerd’ worden overeenkomstig de regeling van de forfaitaire beroepskosten.

Ook het gezinsbegrip wordt nagenoeg volledig afgestemd op het gezinsbegrip van de sociale toeslagen binnen de gezinsbijslagen. Grootste verschilpunt is wel dat er voor de selectieve participatietoeslagen aparte statuten voor leerlingen in het secundair onderwijs blijven bestaan (gehuwde, alleenstaande en zelfstandige leerlingen) die recht geven op hogere toeslagbedragen.

Implicatie van de harmonisering is wel dat het inkomen van nieuwe partners in een nieuw samengesteld gezin ook zal worden meegeteld wanneer er geen enkele band is met de kinderen.

Deze keuzes zorgen voor een systeem waarbij de kans op het verlies van het recht op de huidige schooltoelage geminimaliseerd wordt, voor een harmonisering die qua toepassing efficiëntiewinsten zal toelaten en maakt het mogelijk dat de selectieve participatietoeslagen de sociale toeslagen binnen de gezinsbijslagen kunnen versterken en aanvullen.

Afdeling 2. Vaststelling van het gezin waartoe de rechthebbende leerling behoort

Artikel 38

Bij het bepalen of een leerling in aanmerking komt voor een selectieve participatietoeslag wordt uitgegaan van de inkomsten van het gezin waartoe de leerling behoort.

Zoals toegelicht onder artikel 37, wordt het gezinsbegrip nagenoeg volledig afgestemd op het gezinsbegrip van de sociale toeslagen binnen de gezinsbijslagen. Grootste verschilpunt is dat er voor de selectieve participatietoeslagen aparte statuten voor leerlingen in het secundair onderwijs blijven bestaan (gehuwde, alleenstaande en zelfstandige leerlingen) die recht geven op hogere toeslagbedragen.

De Vlaamse Regering zal een nadere begripsomschrijving geven van de verschillende categorieën van gezinnen op basis waarvan de selectieve participatietoeslag leerling wordt berekend, en bepalen met welke inkomsten van welke persoon of personen rekening wordt gehouden om de gezinsinkomsten vast te stellen.

Het decreet bepaalt vervolgens op een dwingende wijze de rangorde volgens de welke wordt nagegaan tot welk gezin een leerling behoort. De rangorde is op een dergelijke wijze samengesteld om aan de leerling steeds maximaal het recht op een selectieve participatietoeslag te garanderen.

Hoofdstuk 4. Bedragen van de selectieve participatietoeslagen

Artikelen 39 tot en met 43

Het gezin wiens inkomsten onder de minimuminkomensgrens vallen, zal zich niet kunnen veroorloven om een fractie van de eigen inkomsten aan studiekosten van de leerling te spenderen. Hier zal de volledige studiekost moeten worden gefinancierd. De leerling ontvangt dan een volledige selectieve participatietoeslag.

Indien de gezinsinkomsten zich situeren tussen de minimum en maximum toegelaten inkomensgrenzen, dient het spanningsveld tussen beide als basis voor de hoogte van de selectieve participatietoeslag. Een leerling ontvangt de minimum selectieve participatietoeslag indien de gezinsinkomsten gelijk zijn aan de maximuminkomensgrens.

Aangezien de gezinsinkomsten geen volledige indicatie geven van de financiële draagkracht, wordt bij het bepalen van de toepasselijke minimum- en maximuminkomensgrens rekening gehouden met andere factoren, zoals het aantal personen ten laste in het gezin, het aantal studenten hoger onderwijs aanwezig in het gezin en het aantal personen aanwezig in het gezin die fiscaal als gehandicapt worden aangemerkt. Per factor worden punten toegekend. Het aantal punten dat aan het gezin wordt toegekend, bepaalt de hoogte van de toegelaten maximuminkomensgrens.

Zo wordt elke persoon die fiscaal ten laste is van het gezin geteld voor één punt; ook de studenten en leerlingen die nog niet voldoen aan de voorwaarden van de categorie van zelfstandig of gehuwd leerling of student, worden geteld voor één punt. Het gezinshoofd dat fiscaal als gehandicapt wordt aangemerkt, wordt geteld voor één punt; andere personen in het gezin die fiscaal als gehandicapt worden aangemerkt, worden met twee punten gelijkgesteld. Elk oudergerelateerd gezin of het gezin van een gehuwde leerling wordt voor één punt geteld.

Bepaalde gezinnen zullen tegelijk kinderen in het hoger onderwijs tellen en kinderen in een ander studieniveau. Gelet op de hogere studiekosten in het hoger onderwijs en het feit dat de studietoelage niet geheel kostendekkend is, drukken studenten zwaarder op het gezinsbudget dan leerlingen in het secundair onderwijs. Vandaar dat een extra punt toegekend wordt indien er meerdere studenten in het gezin hoger onderwijs volgen aan een erkende onderwijsinstelling.

Tevens wordt limitatief gepreciseerd dat enkele andere types van voortgezet onderwijs (master-na-master en bachelor-na-bachelor), ook extra punten kunnen opleveren. Aangezien het gezinsbudget één en ondeelbaar is, wegen de hoge studiekosten van meerdere hogeronderwijsstudenten binnen een gezin evenwel evenzeer door op het beschikbare gezinsbudget voor de kinderen die basis- of secundair onderwijs volgen. Verder wordt verduidelijkt dat het aantal extra punten dat in het gezin toegekend wordt voor studenten hoger onderwijs of sommige vormen van voortgezet onderwijs, gelijk is aan de som van die studenten verminderd met één.

Met “erkende instelling” in artikel 42, § 3 worden zowel de binnen als buiten Vlaanderen en Brussel-Hoofdstad erkende instellingen bedoeld. De door de Vlaamse Gemeenschap erkende instellingen in Vlaanderen en Brussel-Hoofdstad betreffen de ambtshalve geregistreerde instellingen zoals opgenomen in artikel II.1 van de Codex Hoger Onderwijs. De door de Franse Gemeenschap erkende instellingen in Wallonië en Brussel-Hoofdstad zijn opgenomen in de “Annuaires” (www.enseignement.be). Voor buiten België erkende instellingen zal het bindend advies van NARIC worden gevolgd.

Waar het systeem van schooltoelagen vandaag gebaseerd is op netto belastbare inkomsten (na aftrek van beroepskosten), zal in de toekomst gewerkt worden met een bruto belastbaar inkomensbegrip (dus voor aftrek van beroepskosten). Om te vermijden dat gezinnen na het meetellen van de (forfaitaire) beroepskosten in de gezinsinkomsten de maximumgrens zouden overschrijden, zullen de bestaande minimum- en maximumgrenzen voor elk gezin verhoogd worden met de overeenkomstige forfaitaire beroepskosten.

Om ongewenste verliezers op het recht op selectieve participatietoeslagen te vermijden werd ervoor gekozen om de inkomensgrenzen te verhogen met het overeenkomstig forfait in het geval waarbij het netto-inkomen volledig zou bestaan uit beroepsinkomen en in het geval waarbij, voor tweeoudergezinnen, dat beroepsinkomen gelijk verdeeld gegenereerd wordt door beide ouders. Aangezien de berekening van de forfaitaire beroepskosten progressief verloopt, is het logisch dat de laagste inkomensgrenzen procentueel het sterkst verhoogd worden. Gegeven dat de berekeningsbasis voor de armoedetoets 2016 is, werd de brutering van de inkomensgrenzen doorgevoerd op basis van de regeling voor forfaitaire beroepskosten van het aanslagjaar 2016, inkomstenjaar 2015.

Sommige leerlingen krijgen een selectieve participatietoeslag die hoger is dan de volledige selectieve participatietoeslag. Een leerling komt in aanmerking voor een uitzonderlijke selectieve participatietoeslag indien de gezinsinkomsten gelijk zijn aan of lager zijn dan 1/10 van de maximuminkomensgrens én indien de gezinsinkomsten voor 70 procent bestaan uit vervangingsinkomsten, alimentatiegelden, leefloon of de inkomensvervangende tegemoetkoming voor personen met een handicap.

In navolging van het advies van de Raad van State (randnummer 53) wordt verduidelijkt in het decreet dat in afwijking van de eerste paragraaf van artikel 39 de uitzonderlijke selectieve participatietoeslag in de plaats komt van de gewone selectieve participatietoeslag.

Het bedrag van de volledige selectieve participatietoeslag ligt voor bepaalde categorieën van leerlingen in het secundair onderwijs evenwel gevoelig hoger. Het betreft met name gehuwde, zelfstandige of alleenstaande leerlingen. Voor deze leerlingen wordt bijgevolg niet voorzien in een uitzonderlijke selectieve participatietoeslag.

Wat betreft de selectieve participatietoeslag voor het kleuteronderwijs, worden er geen minimuminkomensgrenzen bepaald. Gelet op de lagere schoolkosten wordt er een vast bedrag toegekend aan alle ouders van kleuters wiens inkomsten zich beneden de maximuminkomensgrens situeren. Deze maximuminkomensgrens ligt, gelet op het uniek gezinsdossier, uiteraard wel op hetzelfde niveau als in het lager, secundair en hoger onderwijs.

Het decreet verleent delegatie aan de Vlaamse Regering om de minimum- en maximuminkomensgrenzen te bepalen.

Na het advies van de Raad van State werd de term voltijds geschrapt in artikel 39, §4, derde lid.

Artikelen 44 tot en met 49

Er wordt in het secundair een onderscheid gemaakt naargelang de leerling al dan niet op internaat verblijft. Het bedrag van de selectieve participatietoeslag ligt hoger voor een interne leerling, gezien de gemaakte studiekosten hoger liggen.

De uitgekeerde bedragen voor een selectieve participatietoeslag zijn afhankelijk van het studieniveau. Dit heeft te maken met de hoogte van de onderwijskost. De bedragen voor een selectieve participatietoeslag zijn, uitgezonderd in het kleuteronderwijs, tevens afhankelijk van de inkomsten van het gezin. Er is eveneens differentiatie binnen een studieniveau, meer bepaald in het secundair onderwijs. Leerlingen in het derde leerjaar van de derde graad voltijds technisch secundair onderwijs of voltijds beroepssecundair onderwijs kunnen rekenen op een hogere selectieve participatietoeslag. Verder liggen de bedragen voor het onderwijs in het stelsel van leren en werken lager dan deze voor het secundair onderwijs, doch hoger dan het lager onderwijs.

Alle bedragen gelden voor een volledig schooljaar. Hierbij wordt de gelijke behandeling van alle leerlingen binnen een bepaald schooljaar beoogd.

Het bedrag van de selectieve participatietoeslag wordt bepaald door de gezinsinkomsten. Wanneer deze inkomsten de maximuminkomensgrens benaderen, heeft men recht op de minimum selectieve participatietoeslag. Zijn de gezinsinkomsten daarentegen gelijk aan of lager dan de minimuminkomensgrens, dan krijgt men de volledige (of soms zelfs uitzonderlijke) selectieve participatietoeslag. Liggen de gezinsinkomsten ergens tussen de minimuminkomens- en de maximuminkomensgrens, dan krijgt men een (gedeeltelijke) selectieve participatietoeslag die zich ergens situeert tussen de minimum selectieve participatietoeslag en de volledige participatietoeslag. Artikel 47, § 2 en artikel 48, § 7 bevestigen dat het bedrag van de selectieve participatietoeslag voor het lager en secundair onderwijs in dergelijk geval afgerond wordt tot twee cijfers na de komma.

Ingevolge het advies van de Raad van State (randnummer 54) wordt de samenhang tussen artikel 44 en artikel 48 verduidelijkt in artikel 44.

Ingevolge het advies van de Raad van State (randnummer 56) werd het oude artikel 46 geschrapt en werd de overeenkomstige passage in artikel 5, §2 weerhouden.

Na het advies van de Raad van State wordt overeenkomstig het bepaalde in artikel 32 de verwijzingen naar voltijds en deeltijds geschrapt in artikel 48. De terminologie inzake het stelsel van leren en werken wordt in paragraaf 5 van dit artikel overeenkomstig aangepast.

Er wordt een nieuwe, zesde paragraaf ingevoegd, aangezien de leerlingen in de opleiding verpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs, onbedoeld niet langer recht gaven op een schooltoelage/selectieve participatietoeslag. Met deze correctie wordt ook voor hen voorzien in continuïteit met een selectieve participatietoeslag.

Titel 2. Selectieve participatietoeslag student

Artikel 49

Het eerste lid van dit artikel verduidelijkt de toepassingsvoorwaarden voor de selectieve participatietoeslag die aan de student wordt toegekend en betreft aldus het personeel toepassingsgebied van de selectieve participatietoeslagen student.

Enkel de student waaraan een studietoelage voor hoger onderwijs wordt toegekend overeenkomstig het Decreet Studiefinanciering wordt een selectieve participatietoeslag toegekend. Het voldoen aan de toepassingsvoorwaarden tot het bekomen van een studietoelage voor hoger onderwijs overeenkomstig de voorschriften van het Decreet Studiefinanciering is aldus vereist opdat een student een selectieve participatietoeslag student kan worden toegekend.

Overeenkomstig het advies van de Raad van State (randnummer 57) wordt de delegatie aan de Vlaamse regering om het tijdstip van uitbetaling van de selectieve participatietoeslag student te bepalen, verplaatst naar art. 74, §2 van dit decreet.

Artikel 49, tweede lid bepaalt dat de Vlaamse Regering ook andere uitvoeringsmodaliteiten van de selectieve participatietoeslag student nader kan bepalen.

Artikel 50

Dit artikel bepaalt het bedrag van de jaarlijkse selectieve participatietoeslag student.

DEEL 3. ANDERE TOELAGEN

Titel 1. Kinderopvangtoeslag

Hoofdstuk 1. Toepassingsvoorwaarde

Artikel 51

Dit artikel verduidelijkt de toepassingsvoorwaarden voor de kinderopvangtoeslag en betreft aldus het personeel toepassingsgebied kinderopvangtoeslag.

In artikel 51, eerste lid, 1° wordt een nationaliteitsvoorwaarde opgelegd. Bij de toepassing van artikel 53, eerste lid, 1° zal de Europese context in acht worden genomen. Er zal rekening worden gehouden met de beginselen van het vrij verkeer (Verordening (EU) nr. 492/2011 en artikel 49 VWEU).

Verder wordt verduidelijkt dat een kind recht heeft op een kinderopvangtoeslag als het nog niet naar de kleuterschool gaat, en het wordt opgevangen op een door de Vlaamse Gemeenschap vergunde opvangplaats, waarbij de organisator niet werkt met het systeem inkomenstarief zoals vermeld in artikelen 27 t.e.m. 36/1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 22 november 2013 houdende de subsidies en de eraan gekoppelde voorwaarden voor de realisatie van specifieke dienstverlening door gezinsopvang en groepsopvang van baby's en peuters.

Het gaat dus enkel om kinderopvang, zoals gedefinieerd in artikel 2, 2° van het Decreet van 20 april 2012 houdende de organisatie van kinderopvang van baby’s en peuters, en niet om buitenschoolse kinderopvang.

Wat het criterium naar de kleuterschool gaan betreft, wordt er voor Nederlandstalig onderwijs verwezen naar het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, vermeld in artikel 3, 26°. Maar uiteraard komt ook het kleuteronderwijs in bv. Wallonië of het buitenland in aanmerking.

Artikel 51, tweede lid laat de Vlaamse Regering toe om algemene afwijkingen te bepalen, aangezien niet alle situaties in dit decreet kunnen worden opgevangen. Het gaat bijvoorbeeld om algemene afwijkingen voor kinderen van personen op wie Verordening (EU) nr. 492/2011 of artikel 49 VWEU van toepassing is.

Hoofdstuk 2. Bedrag

Artikel 52

Het artikel bepaalt het bedrag van de kinderopvangtoeslag. De kinderopvangtoeslag bedraagt 3,17 euro per kinderopvangdag.

Er is heel wat wetenschappelijke evidentie die het belang aantoont van de deelname van kinderen aan kinderopvang in functie van het vergroten van ontwikkelingskansen, ook voor het verdere leven. De kinderopvang heeft een heel belangrijke pedagogische en sociale functie die de ontwikkelingskansen van kinderen bevordert.

Vandaar dat een kinderopvangtoeslag wordt voorzien voor kinderen die worden opgevangen in een kinderopvang in trap 0 en 1. Kinderopvanginitiatieven trap 0 en 1 zijn initiatieven waar ouders niet volgens hun inkomen betalen, maar waar er een vrije prijs wordt gevraagd. Deze initiatieven ontvangen van de Vlaamse overheid binnen een vastgelegde programmatie enkel een basissubsidie van 725,28 euro per plaats per jaar, indien ze voldoen aan de vergunningsvoorwaarden. Dit in tegenstelling tot voorzieningen waar gezinnen wel volgens inkomen betalen en die door de Vlaamse overheid sterker worden gesubsidieerd. Om de deelname van baby’s en peuters aan kinderopvang bij de trap 0 en 1-voorzieningen te stimuleren, wordt aan de kinderen die worden opgevangen in trap 0 en 1, een kinderopvangtoeslag toegekend. Ook de kinderen die deelnemen aan in door Vlaanderen erkende kinderopvang trap 0 en 1 in Brussel-Hoofdstad krijgen de kinderopvangtoeslag

Een machtiging wordt verleend aan de Vlaamse Regering om de uitvoeringsmodaliteiten te bepalen, zoals onder andere voor welk dagdeel van een kinderopvangdag (vanaf hoeveel uur opvang per dag) een kinderopvangtoeslag van 3,17 euro wordt toegekend en de berekening van het aantal kinderopvangdagen.

Om de kinderopvangtoeslag te kunnen vaststellen krijgen de betrokken organisatoren kinderopvang de opdracht om de identificatiegegevens te verwerken alsook de informatie die betrekking heeft op de gepresteerde kinderopvangdagen. Gelet op de toekenningsvoorwaarden voor de kinderopvangtoeslag zijn de gevraagde gegevens noodzakelijk en ter zaken dienend (zie hiervoor advies van de Raad van State, randnummers 27-29).

Titel 2. Kleutertoeslagen

Hoofdstuk 1. Toepassingsvoorwaarde

Artikel 53

Dit artikel verduidelijkt de toepassingsvoorwaarden voor de kleutertoeslagen die aan de leerling worden toegekend en betreft aldus het personeel toepassingsgebied van de kleutertoeslagen.

In artikel 53, eerste lid, 1° wordt de nationaliteitsvoorwaarde opgelegd. Bij de toepassing van artikel 53, eerste lid, 1° zal de Europese context in acht worden genomen. Er zal rekening worden gehouden met de beginselen van het vrij verkeer (Verordening (EU) nr. 492/2011 en artikel 49 VWEU).

Artikel 53, eerste lid, 2° betreft de voorwaarde dat de leerling onderwijs volgt in een door de Vlaamse Gemeenschap erkende, gefinancierde of gesubsidieerde onderwijsinstelling voor gewoon of buitengewoon kleuteronderwijs, voor zover de leerling gerechtigd is dit onderwijs te volgen overeenkomstig het Decreet Basisonderwijs.

De voorwaarden zijn cumulatief te vervullen.

Artikel 53, tweede lid laat de Vlaamse Regering toe om algemene afwijkingen te bepalen, aangezien niet alle situaties in dit ontwerp van decreet kunnen worden opgevangen. Het gaat bijvoorbeeld om algemene afwijkingen voor kinderen van personen op wie Verordening (EU) nr. 492/2011 of artikel 49 VWEU van toepassing is.

In artikel 53, derde lid wordt de Vlaamse Regering ook machtiging verleend om de voorwaarden van toekenning, inclusief het uitbetalingstijdstip, en de voorwaarden van uitvoering van de kleutertoeslag nader te bepalen.

Hoofdstuk 2. Bedrag

Artikelen 54 t.e.m. 56

In gevolge het advies van de Raad van State (randnummer 21.1) wordt de kleutertoeslag gewijzigd naar 130 euro, waarnaast voor drie- en vierjarigen ook voorzien wordt in een universele participatietoeslag van 20 euro.

Deze artikelen bepalen de toekenning van de jaarlijkse kleutertoeslagen voor 3- en 4-jarigen. De kleutertoeslagen zijn leeftijdgebonden maar komen feitelijk overeen met het eerste en tweede kleuteronderwijs.

De decreetgever beoogt om – door een dubbele financiële stimulans – ouders van kleuters aan te zetten hun kleuter voldoende tijdig en voldoende kwantitatief te doen participeren in het kleuteronderwijs.

Uit een recente analyse (2015) van het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming blijkt immers dat wie in voldoende mate kleuteronderwijs volgt, minder kans op schoolse achterstand oploopt. Dit blijkt eveneens uit wetenschappelijk onderzoek. Onderzoek toont immers aan dat een zo vroeg mogelijke intensieve begeleiding in een georganiseerde structuur een positief effect heeft op de vorming van kinderen en de risico’s op achterstand en de achterstand zelf zal verkleinen.[33] 

Om de groep kleuters te activeren die vandaag niet aanwezig zijn[34], opteert de decreetgever ervoor om voor alle kinderen vanaf 3 tot en met 4 jaar de deelname aan het kleuteronderwijs extra te stimuleren door een kleutertoeslag van 300 euro, uitbetaald in 2 jaarlijkse schijven van 130 euro.

Een eerste financiële tegemoetkoming van 130 euro bestaat voor de leerling voor wie, nadat deze 3 jaar is geworden, het bewijs van inschrijving in een door de Vlaamse Gemeenschap erkende, gefinancierde of gesubsidieerde onderwijsinstelling wordt aangeleverd. De tweede schijf van 130 euro kleutertoeslag voor de 4-jarige kleuter wordt vervolgens niet enkel gekoppeld aan het behouden van eenzelfde inschrijving in een door de Vlaamse Gemeenschap erkende, gefinancierde of gesubsidieerde onderwijsinstelling voor het nieuwe schooljaar, maar eveneens afhankelijk gemaakt van een voldoende aanwezigheid in het voorafgaande schooljaar. Deze dubbele financiële stimulans beoogt de participatiegraad in het kleuteronderwijs vanaf de leeftijd van 3 jaar.

[33] Cf. voetnoot 3 Decreet Studiefinanciering.

[34] Deze groep schommelt rond de 3% of zo’n 2000 kleuters.

Artikel 54

Het artikel bepaalt het bedrag voor de kleutertoeslag voor 3-jarigen. De decreetgever beoogt op die manier de participatiegraad in het kleuteronderwijs te verhogen.

Wanneer een 3-jarig kind is ingeschreven in een door de Vlaamse Gemeenschap erkende, gefinancierde of gesubsidieerde onderwijsinstelling voor kleuteronderwijs, wordt aan de leerling een kleutertoeslag van 130 euro toegekend. Vereist is dus enkel dat ten laatste twee maanden nadat de leerling de leeftijd van 3 jaar heeft bereikt, de leerling is ingeschreven. De doelstelling hiervanis om de administratieve lasten voor de begunstigden zo laag mogelijk te houden en zo veel mogelijk op geautomatiseerde wijze de inschrijvingen te verwerken.

Het zal de Vlaamse Regering toekomen, gelet op de machtiging hiertoe verleend in artikel 53, derde lid, om de uitvoeringsmodaliteiten nader te bepalen, waaronder onder meer het tijdstip en de wijze van uitbetaling.

Artikel 55

De eerste paragraaf bepaalt de kleutertoeslag voor 4-jarigen om de participatie aan het kleuteronderwijs vanaf de leeftijd van 4 jaar te stimuleren. De toelage van 130 euro zal slechts openstaan voor de leerling die niet alleen zijn of haar inschrijving behoudt in een door de Vlaamse Gemeenschap erkende, gefinancierde of gesubsidieerde onderwijsinstelling, maar ook voldoet aan de vereiste van voldoende aanwezigheid in een betrokken schooljaar.

Het begrip “behouden van de inschrijving” moet soepel worden geïnterpreteerd: het volstaat dat een leerling ingeschreven is in een door de Vlaamse Gemeenschap erkende, gefinancierde of gesubsidieerde onderwijsinstelling; het staat de ouders uiteraard vrij tijdens of na elk schooljaar de keuze van school of onderwijsvorm te wijzigen. Zolang deze school of onderwijsvorm onder de notie van de door de Vlaamse Gemeenschap erkende, gefinancierde of gesubsidieerde onderwijsinstelling valt, wordt aan de leerling een kleutertoeslag toegekend. Om de participatiegraad in het kleuteronderwijs te verhogen, wordt het recht op de kleutertoeslag voor 4-jarigen gekoppeld aan een voldoende aanwezigheid, zoals nader bepaald in artikel 13, §§ 2, 1°, 2° tot en met 6 Decreet Studiefinanciering. Onderzoek heeft aangetoond dat de grenzen in artikel 13, §§ 2, 1°, 2° tot en met 6 Decreet Studiefinanciering aangewezen zijn om de actieve participatie van kinderen in de sociale structuur van de school mogelijk te maken.

De tweede paragraaf voorziet in een afwijking op de voorwaarden gesteld in de eerste paragraaf voor een leerling van 3 jaar op 31 december 2018. Aan deze leerling wordt een kleutertoeslag van 130 euro toegekend op voorwaarde dat deze bij een door de Vlaamse Gemeenschap erkende, gefinancierde of gesubsidieerde onderwijsinstelling is ingeschreven. Deze leerling moet dus niet het bewijs van inschrijving en voldoende aanwezigheid in het voorafgaande schooljaar leveren omdat de bepalingen met betrekking tot de kleutertoeslagen toen nog niet in werking waren. 

Artikel 56

Dit artikel bepaalt welke gegevens het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming moet meedelen aan Kind en Gezin, teneinde te kunnen nagaan of het kind aan de decretale pedagogische voorwaarden van de kleutertoeslagen voldoet.

De gegevens die met het oog op de toekenning va de kleutertoeslagen mogen verwerkt worden hebben betrekking op de datum van de inschrijving in het vermelde kleuteronderwijs en het bewijs dat de betrokken leerling voldoende aanwezig was op de kleuterschool in het voorafgaande schooljaar. Gelet op de toekenningsvoorwaarden zijn de gegevens ter zaken dienend en proportioneel (zie hiervoor het advies van de Raad van State, randnummers 27-29).

De uitbetalingsactoren zullen wat betreft de pedagogische gegevens enkel rekening houden met de informatie die door het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming wordt bezorgd aan Kind en Gezin. Na het advies van de Raad van State werd een technische bepaling inzake het betrokken schooljaar gecorrigeerd.

De Vlaamse Regering bepaalt de modaliteiten volgens dewelke het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming deze informatie aan Kind en Gezin moet meedelen.

DEEL 4. BEGUNSTIGDEN

Titel 1. Aanwijzing van begunstigden voor toelagen in het kader van het gezinsbeleid

Hoofdstuk 1. Gezinsbijslagen

Artikel 57

Dit artikel bepaalt welke persoon of welke personen als begunstigde van de gezinsbijslagen, zoals bedoeld in Boek 2, Deel 1, wordt of worden aangeduid.

Artikel 57, § 1 bepaalt het principe: beide ouders van een rechtgevend kind zijn begunstigde voor deze toelagen in het kader van het gezinsbeleid. De ouders blijven in de regel ook aangeduid als begunstigde zelfs al wordt het rechtgevend kind meerderjarig (behoudens bij de situaties zoals bedoeld in artikel 57, § 3).

Artikel 57, § 2 lijst de situaties op waar slechts één ouder van een rechtgevend kind begunstigde kan of mag zijn.

Artikel 57, § 3, eerste lid bepaalt de situaties waarin het rechtgevend kind zelf als begunstigde wordt aangeduid van de in dit artikel bedoelde toelagen in het kader van het gezinsbeleid (met name de gezinsbijslagen, bedoeld in Deel 1 van Boek 2). Artikel 68, § 2 van de Algemene kinderbijslagwet voorziet op vandaag in een gelijkaardige regeling. Officiële documenten die kunnen worden voorgelegd om aan te tonen dat de gegevens in het Rijksregister van de natuurlijke personen en de bevolkingsregisters niet of niet meer overeenstemmen met de realiteit zijn bijvoorbeeld een verklaring van het OCMW of een 'Model 2' van de wijkagent.

Het Rijksregister van de natuurlijke personen is een gecentraliseerd systeem waartoe de administratie toegang heeft en waarin onder andere worden ingeschreven de personen die ingeschreven zijn in de bevolkingsregisters gehouden in de gemeenten.

Het rechtgevend kind dat zich in één van de in artikel 57, § 3, eerste lid opgenomen toepassingsgevallen bevindt, wordt echter niet verplicht om deze “rol” van begunstigde op zich te nemen. Er zijn immers heel wat situaties denkbaar dat, zelfs al is het rechtgevend kind bijvoorbeeld gehuwd of bijvoorbeeld zelf moeder of vader geworden, het toch in het belang van het rechtgevend kind aangewezen is dat een in de eerste graad verwante of aanverwante persoon als begunstigde voor de in paragraaf 1 bedoelde toelagen in het kader van het gezinsbeleid blijft aangeduid. Omdat de verwijzing naar de gezinssamenstelling onvoldoende het toepassingsgebied voor de sociale toeslagen afbakende, wordt na advies van de Raad van State een verduidelijkende passage toegevoegd, die aangeeft dat dit kind niet meetelt in de bepaling van de gezinsgrootte van de begunstigde. Ter verduidelijking wordt hier meegegeven dat er voor dit kind wel een recht op een sociale toeslag kan zijn, gebaseerd op het inkomen van de begunstigde, maar enkel voor zichzelf, waarbij dit kind niet kan samengeteld worden met andere kinderen van deze begunstigde.

De Vlaamse Regering wordt de bevoegdheid toegekend om de modaliteiten tot aanwijzing van een andere persoon als begunstigde dan het rechtgevend kind bedoeld in artikel 57, § 3, eerste lid te bepalen.

In het laatste lid wordt voorzien dat een rechtgevend kind dat als begunstigde is aangeduid overeenkomstig artikel 57, § 3, eerste lid ook bevoegd is om in rechte op te treden. Deze bevoegdheid is uiteraard beperkt tot de geschillen betreffende zijn rechten op de toelagen in het kader van het gezinsbeleid, zoals bedoeld in dit artikel.

Artikel 58

Dit artikel bepaalt de begunstigde voor de sociale toeslag in het kader van de gezinsbijslagen, zoals bedoeld in artikel 18.

Aangezien met de sociale toeslag beoogd wordt de draagkracht van een gezin gericht te ondersteunen en te bevorderen, is het belangrijk dat de sociale toeslag terecht komt in het gezin waar het kind opgroeit.

In geval van gelijkmatig verdeelde huisvesting (50/50) zoals bedoeld in artikel 58, § 1, wordt naar het inkomen van beide ouders apart, binnen hun nieuw samengestelde gezin, gekeken en bepaald of ze allebei, geen van beiden of één van beiden recht hebben of heeft op een sociale toeslag.

In de mate dat beide ouders recht hebben op de sociale toeslag wordt elk van hen voor de helft van (het bedrag van) de sociale toeslag als begunstigde aangeduid. In de mate dat één ouder recht heeft op de sociale toeslag, wordt deze ook voor de helft van (het bedrag van) de sociale toeslag als begunstigde aangeduid.

In gevallen van niet gelijk verdeelde huisvesting, zoals bedoeld in artikel 58, § 2, wordt enkel gekeken naar het inkomen van de ouder, al dan niet binnen zijn of haar nieuw samengestelde gezin, waar het zwaartepunt van verblijf is van het rechtgevend kind. De ouder waar het rechtgevend kind voor meer dan de helft van de tijd verblijft en welke recht heeft op de sociale toeslag, wordt als begunstigde aangemerkt voor het volledige bedrag van deze toeslag. Deze regeling valt te verantwoorden: het is administratief onmogelijk of minstens te omslachtig om, naargelang de diverse procentuele verdeelsleutels van de huisvesting, telkenmale te voorzien in hiermee gelijklopende verdeelsleutels bij de toekenning van de bedragen van de sociale toeslag.

Niettemin, om eventuele ongewenste effecten van de in artikel 58 opgenomen aanwijzing van begunstigde bij gelijk verdeelde huisvesting (paragraaf 1) dan wel niet gelijk verdeelde huisvesting (paragraaf 2) te beperken, wordt bepaald in artikel 58, § 3 dat de bevoegde rechtbank hierop afwijkingen kan toestaan in het belang van het kind. De bevoegde rechtbank is op vandaag de familierechtbank, zoals bedoeld in artikel 76 van het Gerechtelijk Wetboek. De meest gerede partij, d.i. de partij die het best geplaatst is (meestal de ouder, of de persoon die er belang bij heeft), bezorgt hiertoe de gerechtelijke uitspraak aan de uitbetalingsactor.

Artikel 59

Artikel 59, § 1 bepaalt het principe dat wanneer de werkelijke opvoeder(s) van een rechtgevend kind niet de ouder(s) is/zijn maar een andere persoon of personen, bijvoorbeeld de grootouders, de werkelijke opvoeders(s) de begunstigde is (zijn) voor de gezinsbijslagen.

Indien het kind zijn of haar woonplaats heeft bij een andere persoon of personen dan de ouders, worden deze vermoed de werkelijke opvoeder(s) te zijn. Dit vermoeden kan weerlegd worden met alle middelen van recht en desgevallend ook na een proces-verbaal van de gezinsinspectie.

Een uitspraak van het ondersteuningscentrum jeugdzorg of van een analoog orgaan gevestigd buiten de bevoegdheid van de ondersteuningscentra jeugdzorg of van de bevoegde rechtbank kan de werkelijke opvoeder aanduiden. De meest gerede partij (d.i. de partij die het best geplaatst is) bezorgt hiertoe de (gerechtelijke) uitspraak aan de uitbetalingsactor.

De werkelijke opvoeders kunnen maximaal twee personen betreffen.

Artikel 59, § 2 verduidelijkt een speciale categorie van werkelijke opvoeders, met name die wanneer een rechtgevend kind geplaatst is in een pleeggezin overeenkomstig artikel 2, 6 en 7° van het decreet houdende de organisatie van de pleegzorg van 29 juni 2012, de pleegzorger (of pleegzorgers) als begunstigde of begunstigden wordt aangeduid.

Er wordt na het advies van de Raad van State een delegatie voor de Vlaamse Regering toegevoegd op grond waarvan een bijkomende begunstigde kan worden aangeduid. Deze delegatie wordt toegevoegd om te vermijden dat telkenmale een unieke pleegzorger binnen een gezin wordt aangeduid, deze als nieuwe begunstigde voor zijn pleegkinderen een keuze voor een uitbetalingsactor zal moeten maken. Dit om te vermijden dat wanneer bijv. de pleegzorger en zijn inwonende partner reeds kinderen hebben, waarvoor zij een aansluiting hebben bij een uitbetalingsactor, zij de administratieve last hebben om telkens weer een uitbetalingsactor kiezen, waarbij dan mogelijkerwijze voor verschillende (pleeg)kinderen een andere uitbetalingsactor zou moeten instaan, wat ook voor deze uitbetalingsactoren een onevenredige last is.

Artikel 60

Dit artikel verleent de Vlaamse Regering de bevoegdheid om de begunstigde aan te duiden in het geval dat een rechtgevend kind het voorwerp uitmaakt van een ontvoering of verdwenen is, en de periode te bepalen gedurende dewelke de gezinsbijslagen, bedoeld in Deel 1 van Boek 2, worden toegekend. Te denken is bv. aan de mogelijkheid om de toekenning van de gezinsbijslagen te beperken bij een kind dat het voorwerp uitmaakt van een ontvoering, wanneer de lokalisatie van dat kind in een ander land bekend is en zo geweten is dat er voor dat kind (in het buitenland) gezinsbijslagen worden uitbetaald.

De begunstigde kan niet de ouder zijn die heeft meegewerkt aan de ontvoering.

De begrippen “kind dat verdwenen is” en “kind dat het voorwerp uitmaakt van een ontvoering” zijn gedefinieerd in artikel 8, § 1, 2°.

Artikel 61

Dit artikel bepaalt op welk ogenblik een wijziging van begunstigde voor de gezinsbijslagen, bedoeld in Deel 1 van Boek 2, uitwerking krijgt.

Hoofdstuk 2. Selectieve participatietoeslagen en andere toelagen

Artikel 62

Dit artikel bepaalt in het eerste lid de begunstigde van de selectieve participatietoeslagen leerling, zoals bedoeld in Boek 2, Deel 2, Titel 1. De leerling wordt steeds aangeduid als begunstigde van de selectieve participatietoeslagen leerling en dit ongeacht of de leerling minder- dan wel meerderjarig is.

De selectieve participatietoeslagen leerling betreffen een omvorming van de in het Decreet Studiefinanciering opgenomen schooltoelagen, waarbij op dezelfde wijze is voorzien dat de leerling als rechthebbende van de schooltoelagen wordt aangeduid. Met het oog op een transparante en vlotte omvorming van de schooltoelagen van het Decreet Studiefinanciering naar de selectieve participatietoeslagen leerling bedoeld in Boek 2, Deel 2, Titel 1, is het dan ook aangewezen om dezelfde regeling, wat de aanwijzing van de begunstigde betreft, te behouden.

Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat de student steeds als begunstigde aangeduid wordt van de selectieve participatietoeslag student, zoals bedoeld in Boek 2, Deel 2, Titel 2.

Deze regeling strookt ook met de in het Decreet Studiefinanciering opgenomen reglementering inzake de toekenning van studietoelagen, waarbij de student ook telkens als de rechthebbende van deze studietoelagen wordt aangeduid. Het is om onder meer transparantie redenen opnieuw aangewezen dat de selectieve participatietoeslagen student eenzelfde regime volgen als de studietoelagen, bedoeld in het Decreet Studiefinanciering.

Artikel 63

Dit artikel bepaalt de begunstigde van de andere toelagen, zoals bedoeld in Boek 2, Deel 3.

Het kind wordt steeds als begunstigde van de kinderopvangtoeslag en de leerling wordt steeds als begunstigde van de kleutertoeslagen aangeduid.

Titel 2. Uitbetalingsregels voor de toelagen in het kader van het gezinsbeleid

Hoofdstuk 1. Gezinsbijslagen

Artikel 64

Artikel 64, § 1 voorziet dat wanneer één persoon als begunstigde wordt aangeduid van het rechtgevend kind aan wie de gezinsbijslagen, bedoeld in Deel 1 van Boek 2, worden uitbetaald, deze een uitbetalingsactor naar keuze moet aanduiden en zijn of haar bankrekening dient op te geven aan de gekozen uitbetalingsactor.

Het artikel bepaalt voorts dat de begunstigde één uitbetalingsactor en één bankrekening dient vast te stellen voor alle toelagen in het kader van het gezinsbeleid die worden uitbetaald. Deze keuze voor betalingswijze geldt voor alle toelagen, alsook voor alle kinderen van deze begunstigde. Deze bepaling beoogt een eenduidig en werkbaar uitbetalingssysteem te bevorderen en een administratieve lastenverlaging te bewerkstelligen. Dit is dus een belangrijke bepaling in het licht van kostenefficiëntie.

Artikel 64, § 2 voorziet de mogelijkheid dat de begunstigde, op schriftelijk verzoek, de gekozen uitbetalingsactor of bankrekening kan wijzigen. Deze paragraaf bepaalt ook wanneer deze wijzigingen uitwerking krijgen. Een minimumperiode van één jaar uitbetaling bij eenzelfde uitbetalingsactor wordt niettemin vereist alvorens een wijziging van uitbetalingsactor kan worden aangevraagd.

Artikel 64, § 3 behoeft geen nadere toelichting. Ingevolge het advies van de Raad van State (randnummer 32) werd de term rekeningnummer ingevoerd ter vervanging van bankrekening.

Artikel 64, § 4 bepaalt dat bij wijziging van uitbetalingsactor een nog openstaande schuld bij de actieve uitbetalingsactor meegaat naar de nieuwe uitbetalingsactor. Als de begunstigde iets betaalt, zal bij verschillende schulden altijd de oudste schuld eerst worden aangezuiverd.

Artikel 64, § 5 bepaalt dat, indien de begunstigde geen uitbetalingsactor aanduidt, het agentschap de betaling van de betrokken toelagen opneemt. Het agentschap zal een volwaardige rol als uitbetalingsactor opnemen, met daarnaast een taak als residuair toeleidingsorgaan.

Na toeleiding wordt de begunstigde aangeschreven door het agentschap , zodat die alsnog een keuze kan maken binnen een termijn van drie maanden na de maand waarin de gebeurtenis die aanleiding geeft tot het openen van het recht (dit kan de maand zijn waarin ambtshalve werd vastgesteld dat er een recht is, ongeacht de periode dat dit recht effectief al bestond) zich voordoet. Indien de begunstigde geen keuze maakt, wordt deze van rechtswege bij het agentschap aangesloten en gelden dezelfde bepalingen voor de wijziging van uitbetalingsactor als voor de andere uitbetalingsactoren.

Artikel 64, § 6 verleent de Vlaamse Regering een delegatie om de modaliteiten te bepalen van de eerste uitbetalingen en de mogelijke aansluiting van rechtswege, om de voorwaarden te bepalen voor de keuze van uitbetalingsactor en bankrekening en van de overdracht (van kinddossiers en schulden) van de ene naar de andere uitbetalingsactor. Te denken is hierbij onder meer aan de situaties waar een afbetalingsplan of debetdossier bij de actieve uitbetalingsactor hangende is.

Artikel 65

Artikel 65, § 1 voorziet dat wanneer twee personen gezamenlijk als begunstigden worden aangeduid (hetzij de ouders, hetzij de werkelijke opvoeders) van het rechtgevend kind aan wie de gezinsbijslagen, bedoeld in Deel 1 van Boek 2 worden uitbetaald, deze twee begunstigden gezamenlijk een keuze moeten maken op welke uitbetalingsactor ze beroep doen voor de uitbetaling en op welke bankrekening deze betaling door de uitbetalingsactor moet plaatsvinden. Dit kan bijvoorbeeld een gemeenschappelijke bankrekening van de ouders of van de werkelijke opvoeders zijn, of een persoonlijke bankrekening van één van beide ouders of van één van beide werkelijke opvoeders. Artikel 65, § 1 legt deze begunstigden wel op om één uitbetalingsactor en één bankrekening vast te stellen voor alle toelagen in het kader van het gezinsbeleid die hen worden uitbetaald voor alle kinderen waarvoor deze personen samen begunstigden zijn. Deze bepaling beoogt opnieuw een eenduidig en werkbaar uitbetalingssysteem te bevorderen en een administratieve lastenverlaging te bewerkstelligen. Dit is dus een belangrijke bepaling met het oog op kostenefficiëntie.

Artikel 65, § 2 voorziet de mogelijkheid dat deze begunstigden, op schriftelijk verzoek, gezamenlijk de gekozen uitbetalingsactor en bankrekening kunnen wijzigen. Deze paragraaf bepaalt ook wanneer deze wijzigingen uitwerking krijgen.

Artikel 65, § 3 voorziet de mogelijkheid dat elk van de begunstigden, op schriftelijk verzoek, eenzijdig zijn of haar toestemming met gekozen uitbetalingsactor en bankrekening kan intrekken.  

Artikel 65, § 4 bepaalt dat bij wijziging van uitbetalingsactor een nog openstaande schuld bij de actieve uitbetalingsactor meegaat naar de nieuwe uitbetalingsactor. Als er iets wordt betaald, zal bij verschillende schulden altijd de oudste schuld eerst worden aangezuiverd.

Artikel 65, § 5, eerste lid bepaalt dat, indien de begunstigden geen uitbetalingsactor aanduiden, het agentschap de betaling van de betrokken toelagen opneemt. Het agentschap zal een volwaardige rol als uitbetalingsactor opnemen, met daarnaast een taak als residuair toeleidingsorgaan.

Na toeleiding worden de begunstigden aangeschreven door het agentschap, zodat die alsnog een keuze kunnen maken binnen een termijn van drie maanden na de maand waarin de gebeurtenis die aanleiding geeft tot het openen van het recht (dit kan de maand zijn waarin ambtshalve werd vastgesteld dat er een recht is, ongeacht de periode dat dit recht effectief al bestond) zich voordoet. Indien de begunstigden geen keuze maken, worden deze van rechtswege bij het agentschap aangesloten en gelden dezelfde bepalingen voor de wijziging van uitbetalingsactor als voor de andere uitbetalingsactoren.

Artikel 65, § 5, derde lid voorziet in ondergeschikte orde - met name als beide begunstigden niet aangeven op welke bankrekening deze toelagen moeten worden uitbetaald, overeenkomstig paragraaf 1, of wanneer één van beide ouders zijn of haar toestemming intrekt, overeenkomstig paragraaf 3 – dat de uitbetaling plaatsvindt aan de jongste van deze begunstigden. In gevolge het advies van de Raad van State (randnummer 60.2) werd de nodige verduidelijking gebracht inzake de aansluiting van de jongste bij een uitbetalingsactor. De jongste van beide begunstigde kan in voorkomend geval ook een andere uitbetalingsactor aanduiden, met respect voor de minimale aansluitingsperiode van één jaar. Daarentegen kan er wel onmiddellijk een nieuwe bankrekening worden gekozen, onder de modaliteiten van de tweede paragraaf, lid 3.

Wanneer één van de werkelijke opvoeders de pleegzorger is als bedoeld in artikel 59, § 2, wordt in afwijking hiervan, steeds betaald aan de pleegzorger, ook al is deze persoon niet de jongste van de begunstigden (artikel 65, § 5, vierde lid).

Het in artikel 65, § 5 voorziene systeem dat in voorkomend geval de toelagen worden uitbetaald aan de jongste, is genderneutraal en beoogt opnieuw een eenduidig en werkbaar uitbetalingssysteem te bewerkstellingen, wat de administratieve lastenverlaging ten goede komt. Deze regeling is overigens niet absoluut, aangezien een afwijking hierop steeds mogelijk is na een uitspraak van de bevoegde rechtbank. De familierechtbank kan immers, op verzoek van een belanghebbende, steeds in het belang van het kind een andere uitbetalingsregel voorzien. Hierbij kan de bevoegde rechtbank ook bv. voorzien in de uitbetaling op een bankrekening op naam van het kind van een deel van de toelagen.

Artikel 65, §6 verleent de Vlaamse Regering een delegatie om de modaliteiten te bepalen van de eerste uitbetalingen en de mogelijke aansluiting van rechtswege, om de voorwaarden te bepalen voor de keuze van uitbetalingsactor en bankrekening en van de overdracht (van kinddossiers en schulden) van de ene naar de andere uitbetalingsactor. Te denken is hierbij onder meer aan de situaties waar een afbetalingsplan of debetdossier bij de actieve uitbetalingsactor hangende is.

Artikel 65, § 7 bepaalt dat een door de bevoegde rechtbank gebeurlijk opgelegde andere uitbetalingsregel door de uitbetalingsactoren dient te worden nageleefd. Ingevolge het advies van de Raad van State (randnummer 32) werd de term rekeningnummer ingevoerd ter vervanging van bankrekening. Ingevolge het advies van de Raad van State (randnummer 59) werd de term “de gehele gezinsbijslag” ingevoegd.

Artikel 66

Dit artikel voorziet dat in de mate het startbedrag geboorte wordt uitbetaald voor de geboorte van het eerste rechtgevend kind, deze toelage uitbetaald wordt aan de zwangere persoon. Nadien kunnen de begunstigden de uitbetalingsactor of de bankrekening wijzigen.

Artikel 67

Artikel 67, eerste lid behoudt de uitbetaling van de pleegzorgtoeslag aan de persoon die hierop voorafgaandelijk aan de plaatsing van het rechtgevend kind in de pleegzorg recht heeft, overeenkomstig de voorschriften van dit Deel, als de pleegzorg geen perspectiefbiedende pleegzorg betreft zoals bedoeld in artikel 2, 6° van het decreet van 29 juni 2012 houdende de organisatie van de pleegzorg.

Artikel 68

Dit artikel bepaalt de uitbetaling van de gezinsbijslagen, bedoeld in Deel 1 van Boek 2, wanneer een rechtgevend kind wordt geplaatst in een instelling. Het begrip instelling moet in deze ruim geïnterpreteerd worden, want ook het Fonds Jongerenwelzijn valt hier onder.

De Vlaamse Regering is bevoegd om de verdeelsleutel van de betaling van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid tussen de instelling, als begunstigde, en de andere begunstigde(n), nader te bepalen (paragraaf 2).

Iedere belanghebbende kan de bestemming van de toelage die toekomt aan de begunstigde betwisten bij de bevoegde rechtbank (paragraaf 3). Het deel dat aan de instelling wordt toegekend volgens de verdeling valt hier niet onder en is dus gevrijwaard. Ingevolge het advies van de Raad van State (randnummer 32) werd de term rekeningnummer ingevoerd ter vervanging van bankrekening. Ingevolge het advies van de Raad van State (randnummer 59) werd de term “de gehele gezinsbijslag” ingevoegd.

Na het advies van de Raad van State werden in een technische wijziging de startbedragen uit het toepassingsgebied van de verdeling gehaald, overeenkomstig de huidige toepassing binnen de Algemene Kinderbijslagwet. Deze bedragen waren onbedoeld toegevoegd aan dit verdelingsmechanisme.

Vanuit dezelfde optiek wordt een delegatie voorzien waardoor dezelfde toekenningsmodaliteiten kunnen worden gecreëerd die ook mogelijk zijn onder toepassing van art. 70 van de AKBW. Hierdoor wordt het bijvoorbeeld mogelijk dat het Agentschap Jongerenwelzijn wordt aangeduid als ontvanger van het deel dat toekomt aan de instelling, overeenkomstig de huidige praktijk.

Met betrekking tot de toepassing van de derde paragraaf dient verduidelijkt te worden dat er met betrekking tot dit kind enkel recht kan zijn op alle gezinsbijslagen, behalve de sociale toeslag. Dit kind kan immers in geen enkel zin worden meegeteld voor de sociale toeslagen, waardoor er geen overeenkomstig recht kan worden vast gesteld.

Hoofdstuk 2. Selectieve participatietoeslagen en andere toelagen

Artikel 69

Artikel 69, § 1 voorziet dat de uitbetaling van de selectieve participatietoeslagen leerling en de andere toelagen gebeurt overeenkomstig het regime en de modaliteiten zoals vastgesteld voor de gezinsbijslagen, bedoeld in Deel 1 van Boek 2, overeenkomstig artikel 64, bij één ouder/werkelijke opvoeder respectievelijk artikel 65, bij twee ouders/werkelijke opvoeders.

Als voor de rechthebbende leerling of het rechthebbende kind gezinsbijslagen worden uitbetaald, volgt de uitbetaling de door de begunstigde(n) vastgestelde uitbetalingsregeling. Het is immers aangewezen dat voor alle toelagen in het kader van het gezinsbeleid één uitbetalingsactor en één bankrekening worden vastgesteld. Deze bepaling beoogt een eenduidig en werkbaar uitbetalingssysteem te bevorderen en een administratieve lastenverlaging te bewerkstelligen.

Artikel 69, § 3 voorziet dat meerderjarige leerlingen, net zoals ook vandaag bij de toekenning van de schooltoelagen in het Decreet Studiefinanciering is voorzien, de uitbetalingsactor kunnen verzoeken de selectieve participatietoeslagen leerling uit te betalen op een eigen bankrekening.

De Vlaamse Regering kan echter op de paragrafen 1, 2 en 3 uitzonderingen toestaan zodat, bijvoorbeeld, openbare instellingen die de ouder(s), de werkelijke opvoeder(s) of leerling begeleiden met het oog op de bescherming van diens financiële belangen door de meerderjarige leerling gemachtigd kunnen worden om de selectieve participatietoeslagen leerling gedeeltelijk of geheel te ontvangen. Eenzelfde regeling is voorzien in het Decreet Studiefinanciering ten aanzien van de schooltoelagen.

Artikel 70

Het is mogelijk dat een rechthebbende leerling of een rechthebbend kind geen rechtgevend kind is overeenkomstig artikel 8, voor wie gezinsbijslagen, bedoeld in Deel 1 van Boek 2, worden uitbetaald op een bankrekening bedoeld in artikel 65 respectievelijk artikel 65.

Te denken is aan een leerling of een kind met woonplaats in Brussel-Hoofdstad of Wallonië, en is ingeschreven in een door de Vlaamse Gemeenschap erkende, gefinancierde of gesubsidieerde onderwijsinstelling of wordt opgevangen in een door de Vlaamse Gemeenschap erkend kinderopvanginitiatief.

Artikel 70, §§ 1 en 2 bepalen in die situatie dat (1) de selectieve participatietoeslag leerling wordt uitbetaald op een bankrekening van de ouder of ouders dan wel de werkelijke opvoeder of twee werkelijke opvoeders, bij wie de leerling op 31 december van het schooljaar in kwestie zijn of haar woonplaats heeft en (2) de andere toelagen worden uitbetaald op een bankrekening van de ouder of ouders, of op een bankrekening van de werkelijke opvoeder of twee werkelijke opvoeders bij wie het rechthebbend kind of de rechthebbende leerling zijn of haar woonplaats heeft.

De selectieve participatietoeslagen leerling kunnen ook worden uitbetaald aan de werkelijke opvoeder als voldaan wordt aan de voorwaarden van artikel 38, § 1, 2°. Artikel 71, § 2, tweede lid heeft dan ook enkel betrekking op de andere toelagen.

Indien het recht op een selectieve participatietoeslag leerling komt vast te staan na 31 december van het betrokken schooljaar, wordt deze uitbetaald aan de ouder(s)/ werkelijke opvoeder(s) bij wie de leerling op 31 december van het betrokken schooljaar zijn of haar woonplaats heeft.

Deze uitbetaling aan de ouder(s) of werkelijke opvoeder(s) (in het Decreet Studiefinanciering de “wettelijke vertegenwoordiger” genoemd) van de leerling is op vandaag ook voorzien bij de uitbetaling van de schooltoelagen, zoals bedoeld in het Decreet Studiefinanciering. Met het oog op een transparante en vlotte omvorming van de schooltoelagen van het Decreet Studiefinanciering naar de selectieve participatietoeslagen leerling bedoeld in Boek 2, Deel 2, Titel 1, is het aangewezen om dezelfde regeling, wat de uitbetaling betreft, te behouden.

Artikel 70, § 3 voorziet dat meerderjarige leerlingen, net zoals ook vandaag bij de toekenning van de schooltoelagen in het Decreet Studiefinanciering is voorzien, de uitbetalingsactor kunnen verzoeken de selectieve participatietoeslagen leerling uit te betalen op een eigen bankrekening.

Artikel 70, § 4 voorziet dat de Vlaamse Regering op de paragrafen 1, 2 en 3, uitzonderingen kan toestaan zodat, bijvoorbeeld, openbare instellingen die de ouder(s), de werkelijke opvoeder(s) of leerling begeleiden met het oog op de bescherming van diens financiële belangen, door de meerderjarige leerling gemachtigd kunnen worden om de selectieve participatietoeslagen leerling gedeeltelijk of geheel te ontvangen. Eenzelfde regeling is in die zin voorzien in het Decreet Studiefinanciering, ten aanzien van de schooltoelagen.

Artikel 71

Artikel 71, § 1 bepaalt de wijze van keuze van bankrekening en uitbetalingsactor voor de (enige) ouder, de (enige) werkelijke opvoeder of de meerderjarige leerling, zoals bedoeld in artikel 70, §§ 1, 2 en 3 (en aldus voor rechthebbende leerlingen en rechthebbende kinderen die geen gezinsbijslagen, bedoeld in Deel 1 van Boek 2 ontvangen), aan wie de selectieve participatietoeslagen leerling en de andere toelagen worden uitbetaald.

Deze persoon moet een uitbetalingsactor naar keuze aanduiden en een bankrekening opgeven. Artikel 71, §1 bepaalt opnieuw dat de ouder, werkelijke opvoeder of meerderjarige leerling één uitbetalingsactor en één bankrekening dient vast te stellen voor alle toelagen in het kader van het gezinsbeleid die hem of haar worden uitbetaald. Deze bepaling beoogt opnieuw een eenduidig en werkbaar uitbetalingssysteem te bevorderen en een administratieve lastenverlaging te bewerkstelligen.

Artikel 71, §2 voorziet de mogelijkheid dat de ouder, de werkelijke opvoeder of meerderjarige leerling, op schriftelijk verzoek, de gekozen uitbetalingsactor of bankrekening kan wijzigen. Deze paragraaf bepaalt ook wanneer deze wijzigingen uitwerking krijgen.

Artikel 71, §3 voorziet dat, in het belang van de leerling of het kind, de bevoegde rechtbank een andere beslissing kan nemen.

Artikel 71, §4 bepaalt dat bij wijziging van uitbetalingsactor een nog openstaande schuld bij de actieve uitbetalingsactor meegaat naar de nieuwe uitbetalingsactor. Als er iets wordt betaald, zal bij verschillende schulden altijd de oudste schuld eerst worden aangezuiverd.

Artikel 71, §5 bepaalt dat, indien geen uitbetalingsactor wordt aangeduid, het agentschap de betaling van de betrokken toelagen opneemt. Het agentschap zal een volwaardige rol als uitbetalingsactor opnemen, met daarnaast een taak als residuair toeleidingsorgaan.

Na toeleiding worden de ouder, werkelijke opvoeder of meerderjarige leerling aangeschreven door het agentschap, zodat die alsnog een keuze kunnen maken binnen een termijn van drie maanden na de maand waarin de gebeurtenis die aanleiding geeft tot het openen van het recht (dit kan de maand zijn waarin ambtshalve werd vastgesteld dat er een recht is, ongeacht de periode dat dit recht effectief al bestond) zich voordoet. Indien de ouder, werkelijke opvoeder of meerderjarige leerling geen keuze maakt, wordt deze van rechtswege bij het agentschap aangesloten en gelden dezelfde bepalingen voor de wijziging van uitbetalingsactor als voor de andere uitbetalingsactoren. De formulering werd aangepast overeenkomstig het advies van de Raad van State (randnummer 62).

Artikel 71, §6 verleent de Vlaamse Regering een delegatie om de modaliteiten te bepalen van de eerste uitbetalingen en de mogelijke aansluiting van rechtswege, om de voorwaarden te bepalen voor de keuze van uitbetalingsactor en bankrekening en van de overdracht (van kinddossiers en schulden) van de ene naar de andere uitbetalingsactor. Te denken is hierbij onder meer aan de situaties waar een afbetalingsplan of debetdossier bij de actieve uitbetalingsactor hangende is.

Artikel 72

Artikel 72 bepaalt het toepasselijke regime wanneer twee ouders of twee werkelijke opvoeders overeenkomstig artikel 70, een keuze van bankrekening en van uitbetalingsactor maken voor de uitbetaling van de selectieve participatietoeslagen of andere toelagen, om reden dat er voor de rechthebbende leerling of het rechthebbend kind geen gezinsbijslagen, bedoeld in Deel 1 van Boek 2 ontvangen worden en, bijgevolg, (nog) geen bankrekening bekend is of uitbetalingsactor gekozen.

Artikel 72, § 1 bepaalt dat wanneer de selectieve participatietoeslagen leerling en de andere toelagen worden uitbetaald aan twee ouders of twee werkelijke opvoeders, het aan deze personen toekomt om een gezamenlijk keuze te maken op welke uitbetalingsactor ze beroep doen voor de uitbetaling van de selectieve participatietoeslag leerling en de andere toelagen, en op welke bankrekening deze betaling door de gekozen uitbetalingsactor moet plaatsvinden. Dit kan bijvoorbeeld een gemeenschappelijke bankrekening van beide ouders/werkelijke opvoeders zijn of een persoonlijke bankrekening van één van beide zijn.

Artikel 72, § 1, derde lid legt de ouders of werkelijke opvoeders ook op om één uitbetalingsactor en één bankrekening vast te stellen voor de uitbetaling van alle toelagen in het kader van het gezinsbeleid die hen worden uitbetaald. Deze bepaling beoogt opnieuw een eenduidig en werkbaar uitbetalingssysteem te bevorderen en een administratieve lastenverlaging te bewerkstelligen.

Artikel 72, § 2 voorziet de mogelijkheid dat de ouders of de werkelijke opvoeders op schriftelijk verzoek gezamenlijk de gekozen uitbetalingsactor en bankrekening kunnen wijzigen. Deze paragraaf bepaalt ook wanneer deze wijzigingen uitwerking krijgen. Een doorloopperiode van één jaar uitbetaling per uitbetalingsactor is vereist vooraleer een wijziging van uitbetalingsactor kan gevraagd worden.

Artikel 72, § 3, voorziet de mogelijkheid dat elk van beide ouders of werkelijke opvoeders, op schriftelijk verzoek, eenzijdig zijn of haar toestemming met de gekozen uitbetalingsactor en bankrekening kan intrekken.  

Wanneer één van de werkelijke opvoeders de pleegzorger is als bedoeld in artikel 59, § 2, wordt in afwijking hiervan, steeds betaald aan de pleegzorger, ook al is deze persoon niet de jongste van deze begunstigden.

Artikel 72, § 4 bepaalt dat bij wijziging van uitbetalingsactor een nog openstaande schuld bij de actieve uitbetalingsactor meegaat naar de nieuwe uitbetalingsactor. Als er iets wordt betaald, zal bij verschillende schulden altijd de oudste schuld eerst worden aangezuiverd.

Artikel 72, §5, eerste lid bepaalt dat, indien de ouders of werkelijke opvoeders geen uitbetalingsactor aanduiden, het agentschap de betaling van de betrokken toelagen opneemt. Het agentschap zal een volwaardige rol als uitbetalingsactor opnemen, met daarnaast een taak als residuair toeleidingsorgaan. Na toeleiding worden de ouders of werkelijke opvoeders aangeschreven door het agentschap, zodat die alsnog een keuze kunnen maken binnen een termijn van drie maanden na de maand waarin de gebeurtenis die aanleiding geeft tot het openen van het recht (dit kan de maand zijn waarin ambtshalve werd vastgesteld dat er een recht is, ongeacht de periode dat dit recht effectief al bestond) zich voordoet.  Indien de ouders of werkelijke opvoeders geen andere keuze maken, worden ze van rechtswege bij het agentschap aangesloten en gelden dezelfde bepalingen voor de wijziging van uitbetalingsactor als voor de andere uitbetalingsactoren.

Artikel 72, §5, tweede lid voorziet in ondergeschikte orde - met name als de ouders of werkelijke opvoeders niet aangeven op welke bankrekening deze toelagen moeten worden uitbetaald, overeenkomstig paragraaf 1 of wanneer één van hen zijn of haar toestemming intrekt, overeenkomstig paragraaf 4 – dat de uitbetaling plaatsvindt aan de jongste van de beide. Het in artikel 72, § 6, tweede lid voorziene systeem dat in voorkomend geval de selectieve participatietoeslagen leerling en andere toelagen worden uitbetaald aan de jongste onder de ouders of werkelijke opvoeders is genderneutraal en beoogt een eenduidig en werkbaar uitbetalingssysteem te bewerkstellingen, wat de administratieve lastenverlaging ten goede komt. Deze regeling is overigens niet absoluut, aangezien een afwijking hierop steeds mogelijk is na een uitspraak van de bevoegde rechtbank.

Artikel 72, §6 verleent de Vlaamse Regering een delegatie om de modaliteiten te bepalen van de eerste uitbetalingen en de mogelijke aansluiting van rechtswege, om de voorwaarden te bepalen voor de keuze van uitbetalingsactor en bankrekening en van de overdracht (van kinddossiers en schulden) van de ene naar de andere uitbetalingsactor. Te denken is hierbij onder meer aan de situaties waar een afbetalingsplan of debetdossier bij de actieve uitbetalingsactor hangende is.

Artikel 72, § 7 bepaalt dat de rechtbank een andere uitbetalingsregel kan voorzien. De door de bevoegde rechtbank gebeurlijk opgelegde andere uitbetalingsregel van de selectieve participatietoeslagen leerling en de andere toelagen dient door de uitbetalingsactoren te worden nageleefd.

Artikel 73

Dit artikel bepaalt de gevallen waarin de selectieve participatietoeslagen leerling, zoals bedoeld in Boek 2, Deel 2, Titel 1, rechtstreeks uitbetaald worden aan de leerling. Officiële documenten die kunnen worden voorgelegd om aan te tonen dat de gegevens in het Rijksregister van de natuurlijke personen of de bevolkingsregisters niet of niet meer overeenstemmen met de realiteit zijn bijvoorbeeld een verklaring van het OCMW of een 'Model 2' van de wijkagent.

De leerling in kwestie is niet verplicht om hem de selectieve participatietoeslagen leerling te doen uitbetalen, wanneer hij zich in één van de in dit artikel opgenomen situaties bevindt. De leerling kan een andere persoon aanwijzen ter betaling van de selectieve participatietoeslagen leerling, op voorwaarde dat het een (aan)verwant van de eerste graad betreft.

De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop de leerling, bedoeld in het eerste lid, deze andere persoon voor de uitbetaling van de selectieve participatietoeslagen leerling kan aanwijzen.

Het laatste lid van artikel 73, § 1 kent de leerling, bedoeld in het eerste lid, ook het recht toe om, in geschillen met betrekking tot de toekenning van zijn recht op selectieve participatietoeslagen leerling, in rechte op te treden als eiser of verweerder.

Wat betreft de overige paragrafen van artikel 73 wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 71.

Artikel 74

Dit artikel bepaalt dat de selectieve participatietoeslagen student, voorzien in Boek 2, Deel 2, Titel 2, worden uitbetaald aan de student.

Studenten in het hoger onderwijs zijn immers veelal meerderjarig, of zullen de meerderjarigheid weldra bereiken. De student kan uiteraard wel verzoeken om de selectieve participatietoeslagen student uit te betalen op een andere bankrekening, bijvoorbeeld die van zijn ouders of van een OCMW.

Dat de uitbetaling van de selectieve participatietoeslagen student rechtstreeks aan de student gebeurt, is in lijn met het gegeven dat ook de studietoelagen, zoals die zijn voorzien in het Decreet Studiefinanciering, eveneens aan de student rechtstreeks worden uitbetaald.

Aangezien het Vlaams Ministerie van Onderwijs de studietoelagen uitbetaalt, en de selectieve participatietoeslagen student worden uitbetaald op dezelfde bankrekening van de student waarop de studietoelage wordt uitbetaald, heeft de decreetgever ervoor geopteerd om ook de selectieve participatietoeslagen student te laten uitbetalen door het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming, binnen dezelfde modaliteiten en termijnen als bepaald in het decreet van 8 juni 2007,  en niet door de uitbetalingsactoren. Dit komt de administratieve lastenverlaging ten goede.

Artikel 74, § 2 voorziet dat de Vlaamse Regering de modaliteiten van de uitbetaling nader kan bepalen.

Overeenkomstig het advies van de Raad van State (randnummer 57) wordt de delegatie aan de Vlaamse regering om het tijdstip van uitbetaling van de selectieve participatietoeslag student te bepalen, verplaatst naar dit artikel.

Hoofdstuk 3. Gemeenschappelijke bepalingen

Artikel 75

Dit artikel bepaalt in het eerste lid het tijdstip van uitbetaling van de gezinsbijslagen (het basisbedrag, de zorgtoeslagen, de sociale toeslagen) en de kinderopvangtoeslag.

Het tweede en derde lid van dit artikel bepaalt het tijdstip van uitbetaling indien zich een wijziging voordoet met betrekking tot de toelagen bedoeld in het eerste lid.  

Ingevolge het advies van de Raad van State wordt een vierde lid toegevoegd dat een delegatie voor de Vlaamse Regering voorziet inzake het uitbetalingstijdstip van de selectieve participatietoeslagen leerling (randnummer 48).

Artikel 76

Dit artikel bepaalt de betalingswijze van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid: op een bankrekening.

Voor de gezinsbijslagen, bedoeld in Deel 1 van Boek 2, wordt ook de betalingsmodaliteit met circulaire cheques voorzien. Het is aangewezen om de betalingswijze per circulaire cheques voor de gezinsbijslagen, bedoeld in Deel 1 van Boek 2, te behouden om in bepaalde gevallen te kunnen vrijwaren dat de maandelijkse bedragen van de gezinsbijslagen kunnen gebruikt worden voor de opvoeding van het kind. Zeker bij de meer kwetsbare gezinnen is deze maandelijkse ondersteuning van belang en is het belangrijk om deze te kunnen besteden aan de kinderen.

Voor de selectieve participatietoeslagen, bedoeld in Deel 2 van Boek 2, wordt de betalingsmodaliteit met circulaire cheques niet opgenomen om reden dat dit ook vandaag in de reglementering van de schooltoelagen en studietoelagen, zoals voorzien in het Decreet Studiefinanciering, niet meer was voorzien.

Om reden van transparantie bij de omvorming van de schooltoelagen naar de selectieve participatietoeslagen leerling en in lijn met de studietoelagen is het aangewezen enkel dezelfde betalingswijze te blijven voorzien: met name betaling op een bankrekening. Het stopzetten van de betaling via circulaire cheques werd overigens in de parlementaire werkzaamheden van het Decreet Studiefinanciering verantwoord om reden dat dit zowel voor de overheid als de burger een kostenbesparing en een administratieve lastenverlaging vormt.

Zowel het uitschrijven als het innen van dergelijke cheque kost immers geld. Ook weigeren tal van banken dergelijke cheques nog uit te betalen, zodat zij uiteindelijk toch op een bankrekening terecht komen. Deze laatste redenen zijn eveneens de redenen waarom voor de andere toelagen, bedoeld in Deel 3 van Boek 2, de betalingsmodaliteit met circulaire cheques niet is opgenomen.

Artikel 77

Dit artikel verleent in paragraaf 1 een delegatie aan de Vlaamse Regering om te bepalen onder welke modaliteiten provisionele uitbetalingen kunnen gebeuren en uitbetalingen tijdelijk geschorst kunnen worden.

De tweede paragraaf van dit artikel bepaalt dat de begunstigden afstand kunnen doen van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid en dat de Vlaamse Regering de procedure hiertoe kan bepalen.

Artikel 78

De openbare centra voor maatschappelijk welzijn (“OCMW’s”) kunnen personen voorschotten toekennen op de toelagen in het kader van het gezinsbeleid.

Uit de praktijk blijkt dat de OCMW’s ook effectief deze voorschotten toekennen.

Als een voorschot op een toelage in het kader van het gezinsbeleid door een OCMW werd betaald aan de persoon, zoals bepaald overeenkomstig dit Deel van het decreet, wordt dat bedrag op verzoek van het OCMW door de uitbetalingsactor terugbetaald aan het OCMW, althans voor zover de begunstigde recht heeft op dezelfde toelage in het kader van het gezinsbeleid. Dat bedrag kan, ongeacht het voorschot, uiteraard nooit hoger zijn dan het effectieve bedrag van deze toelage in het kader van het gezinsbeleid waarop de begunstigde recht heeft.

Het eventuele positieve saldo ten voordele van de begunstigde wordt door de uitbetalingsactor rechtstreeks uitbetaald overeenkomstig de bepalingen van Deel 4 van Boek 2.

Een OCMW kan de uitbetalingsactor verzoeken om met betrekking tot de door haar betaalde voorschotten de terugbetaling van het voorschot, niet toe te passen.

Het is duidelijk met deze bepaling dat het OCMW zelf initiatief moet nemen om terugbetaling te krijgen van de door haar uitbetaalde voorschotten op een toelage in het kader van het gezinsbeleid.

De Vlaamse Regering wordt de bevoegdheid toegekend om de verdere uitvoeringsmodaliteiten van de terugbetaling van de voorschotten aan het OCMW te regelen.

BOEK 3: RECHTSBESCHERMING EN HANDHAVING

DEEL 1. RECHTSBESCHERMING

Titel 1. Rechten en plichten van begunstigden in hun contacten met uitbetalingsactoren

Hoofdstuk 1. Plichten uitbetalingsactoren

Artikel 79

Dit artikel legt de basis voor de informatieplicht van de uitbetalingsactoren. De uitbetalingsactor moet aan een persoon die dat schriftelijk vraagt voldoende en duidelijke informatie over zijn rechten en verplichtingen geven. Die informatie mag alleen gaan over de individuele situatie van de vrager.

De verplichting van dit artikel geldt binnen het kader van onder andere de Grondwet (artikel 22), de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid; Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming). Indien een van deze bepalingen de uitbetalingsactor verhindert de gevraagde informatie te verstrekken, dan houdt de informatieplicht in dat de uitbetalingsactor antwoordt dat geen informatie kan gegeven worden en op grond van welke bepaling dit niet mogelijk is. De informatieverplichting geldt ook onverminderd de bepaling 13 en 14 van de Algemene Verordening Gegevensbescherming waarin de informatieverplichting van de verwerkingsverantwoordelijke wordt opgenomen zowel wanneer de persoonsgegevens worden ingewonnen bij de betrokkene zelf als het geval wanneer de persoonsgegevens niet via de betrokkene worden ingewonnen.  

Het laatste lid van dit artikel geeft de Vlaamse Regering de mogelijkheid om te bepalen wat voldoende en duidelijke informatie is en om de toepassingsmodaliteiten vast te leggen. Door deze bevoegdheid bij de Vlaamse Regering te leggen kan er snel ingespeeld worden op nieuwe evoluties, bijvoorbeeld op het vlak van elektronische communicatiemiddelen.

Artikel 80

Dit artikel legt de basis voor de raadgevingsverplichting van de uitbetalingsactoren. Deze verplichting moet aanzien worden als een inspanningsverbintenis. De raadgevingsverplichting gaat een stap verder dan de informatieverplichting. De raadgevingsverplichting veronderstelt een actief handelen van de uitbetalingsactor. De burger krijgt op zijn of haar vraag desgevallend meerdere alternatieven aangeboden en de situatie wordt integraal benaderd.

Bovendien wordt hij of zij actief geïnformeerd over zijn of haar mogelijke rechten en over de handelingen die hij/zij moet verrichten om aanspraak te kunnen maken op één of meerdere toelagen in het kader van het gezinsbeleid. Actief meedenken met en op basis hiervan raadgeven aan potentiële begunstigden over de toelagen in het kader van het gezinsbeleid waar zij recht op hebben is dan een belangrijk instrument in de strijd tegen armoede. De vormvoorwaarden en de termijn zijn dezelfde als voor de informatieplicht.

De Vlaamse Regering kan bepalen op welke manier deze raad moet gegeven worden.

Artikel 81

Dit artikel legt de basis voor de doorzendplicht. Als een verzoek om inlichtingen of raad niet onder de bevoegdheid valt van de uitbetalingsactor, moet de uitbetalingsactor alle redelijke inspanningen leveren om die vraag onmiddellijk naar de bevoegde instelling of dienst te sturen en de verzoeker daarover te informeren.

Een uitbetalingsactor kan een intern draaiboek voor de doorzending opstellen. Er moet te allen tijde vermeden worden dat eenzelfde vraag om inlichting door persoon x niet wordt doorgestuurd en door persoon y wel.

De uitbetalingsactor zendt de vraag desgevallend ook door naar de diensten of instellingen die niet gevat worden door dit decreet (het kan gaan om een doorzending op Vlaams niveau, intra-Belgisch of eventueel op internationaal niveau).

Een redelijke doorzendplicht omvat minstens een doorzenden naar organisaties opgenomen in de sociale kaart. Als de uitbetalingsactor uit de vraag niet kan opmaken welke instelling bevoegd is, moet de uitbetalingsactor de vraag naar de verzoeker terugsturen met de mededeling dat ze niet weet voor welke instelling of dienst de vraag bestemd is.

Artikel 82

Dit artikel legt de basis voor een verplichting tot duidelijke communicatie en dit zowel mondeling als schriftelijk. Onder schriftelijke communicatie worden ook websites en portalen begrepen. Deze verplichting geldt met betrekking tot externe communicatie en geldt dus niet met betrekking tot communicatie tussen instellingen onderling. Het gebruik van een begrijpelijk taal is een inspanningsverbintenis. Dit artikel doet geen afbreuk aan de vigerende taalwetgeving.

Artikel 83

Dit artikel legt een informatieplicht op zonder dat deze voorafgaat door een vraag. Een uitbetalingsactor moet de begunstigden informeren over elke individuele beslissing die hen in hun rechten raakt.

Een “beslissing die in rechten raakt” betekent elke beslissing die ertoe noopt een persoon iets toe te kennen of uit te betalen, of niet toe te kennen of uit te betalen, of (tijdelijk) niet langer toe te kennen of uit te betalen; voorbeelden hiervan zijn een beslissing tot schorsing van een uitbetaling, een beslissing dat een rechtgevend kind niet langer recht geeft op een sociale toeslag, een beslissing dat een kind geen recht geeft op het basisbedrag, een beslissing dat het rechtgevend kind recht geeft op een wezentoeslag, een beslissing dat geen selectieve participatietoeslag leerling aan de leerling wordt toegekend.

De Vlaamse Regering kan bepalen in welke gevallen geen kennisgeving of de kennisgeving naderhand moet gebeuren.

Hoofdstuk 2. Toekenningsprocedure

Afdeling 1. Verzoeken tot toekenning van toelagen in het kader van het gezinsbeleid

Artikel 84

Dit artikel legt de basis voor een automatische rechtentoekenning. Een automatische rechtentoekenning is een belangrijk instrument in de strijd tegen armoede. In het ideale geval moet de burger zelf geen enkele stap meer zetten, maar wordt het recht op basis van door de overheid reeds gekende informatie, die de uitbetalingsactoren kunnen raadplegen, automatisch toegekend. De automatische toekenning van rechten in het kader van dit decreet gaat gepaard met een complex proces van datakoppeling en uitwisseling van (persoons)gegevens (zie ook infra artikel 86).

Bepalingen over onder andere welke gegevens zullen uitgewisseld worden en de frequentie van de uitwisseling kunnen geregeld worden door de Vlaamse Regering. In praktijk is een automatische rechtentoekenning niet altijd haalbaar (niet alle gegevens zijn beschikbaar, de betalingswijze moet geverifieerd worden, …), maar een verregaande administratieve vereenvoudiging en proactieve dienstverlening moeten het niet-gebruik van rechten terugdringen.

Artikel 85

Dit artikel legt de basis voor de voorwaarden waaraan een verzoek moet voldoen. Een verzoek moet ondertekend zijn door een begunstigde. Een verzoek impliceert veelal een vraag tot een rechtentoekenning.

Een rechtentoekenning is onlosmakelijk verbonden met een consultatie van diverse gegevens. De uitbetalingsactor moet enerzijds een garantie krijgen dat de verzoeker effectief diegene is wie hij beweert te zijn en anderzijds of de verzoeker recht heeft om over een bepaalde persoon een vraag te stellen. Daarnaast wordt een verplichting opgelegd om te werken met een ontvangstbewijs in het belang van de rechtszekerheid.

De niet bevoegde uitbetalingsactor waarbij het schriftelijk verzoek wordt ingediend, levert alle redelijke inspanningen om dit onverwijld door te zenden aan de bevoegde instelling of dienst. Het kan gaan om een doorzending op Vlaams niveau, intra-Belgisch of eventueel op internationaal niveau.

Een onverwijlde doorzending betekent dat het onmiddellijk, nadat vastgesteld is voor welke instelling of dienst het verzoek bestemd is, dient te gebeuren en dat er dus niet mag worden gewacht.

De uitbetalingsactor moet een intern beleid voor het behandelen van verzoeken opstellen, bijvoorbeeld onder de vorm van een draaiboek. De Vlaamse Regering bepaalt de minimale kwaliteitsvereisten waaraan dit intern beleid moet voldoen.

Afdeling 2. Beslissingen en onmiddellijke uitvoering

Onderafdeling 1. Termijnen

Artikel 86

Dit artikel bepaalt de behandelingstermijn van een verzoek. De termijn bedraagt in beginsel maximaal vier maanden. De automatische toekenning van rechten gaat vaak gepaard met een complex proces van datakoppeling en uitwisseling van gegevens. Het kan gebeuren dat een decreetwijziging tot gevolg heeft dat er een tijdelijke explosie aan verzoeken is of ambtshalve aanpassingen nodig zijn. Omdat in dergelijk geval de termijn van vier maanden te kort kan zijn, bepaalt het decreet dat de Vlaamse Regering de termijn in bijzonder gemotiveerde omstandigheden tijdelijk kan verlengen tot ten hoogste acht maanden.

De uitbetalingsactor verzamelt voor zover als mogelijk uit eigen beweging zelf alle nodige gegevens om een beslissing te kunnen nemen. De uitbetalingsactor kan zelf gegevens bekomen via het primair netwerk van Kind en Gezin. Het primair netwerk van Kind en Gezin zorgt voor een doorgeven van een vraag van een uitbetalingsactor aan de Vlaamse Dienstenintegrator en het terugzenden van het gevraagde gegeven naar de uitbetalingsactor.

De Vlaamse Dienstenintegrator is decretaal bevoegd om te zorgen voor de ontsluiting van authentieke gegevensbronnen via het MAGDA platform (Maximale Gegevens Deling tussen Administraties en Agentschappen). MAGDA houdt zelf geen gegevens bij maar zorgt voor ondersteuning door elektronische dienstverlening en gegevensuitwisseling tussen de instanties onderling, met externe overheden en met andere dienstenintegratoren, zoals de Kruispuntbank Sociale Zekerheid, EHealth, Fedict (Federale Overheidsdienst Informatie- en Communicatietechnologie) of AGIV (Agentschap voor geografische informatie Vlaanderen). Er kan in dit verband verwezen worden naar het decreet van 13 juli 2012 houdende de oprichting en organisatie van een Vlaamse dienstenintegrator.

Wanneer het om een complexer dossier gaat, waarin de uitbetalingsactor niet de mogelijkheid heeft om zelf alle nodige gegevens te verkrijgen, kan het nodig zijn dat de uitbetalingsactor inlichtingen opvraagt bij een binnenlandse of buitenlandse dienst of instelling of bij de betrokkene zelf. De tussenkomst van een buitenlandse dienst of instelling kan bijvoorbeeld nodig zijn wanneer een geboorteakte uit het buitenland nodig is.

De uitbetalingsactor die na drie maanden geen antwoord heeft gekregen van een binnenlandse dienst of instelling of de betrokkene op een vraag om inlichtingen verstuurt een rappel waarin een laatste termijn van een maand wordt toegekend om te antwoorden. Indien de uitbetalingsactor na die maand geen antwoord heeft ontvangen, dan moet hij een beslissing nemen op basis van de gegevens waarover hij beschikt. In afwijking hiervan wacht de uitbetalingsactor het antwoord van de binnenlandse dienst of instelling of de betrokkene zelf af indien de binnenlandse dienst of instelling of de betrokkene binnen de termijn om te antwoorden een reden opgegeven heeft die een langere antwoordtermijn rechtvaardigt. Indien er nadat de termijn om te antwoorden verstreken is nieuw bewijsmateriaal beschikbaar zou zijn, dan kan toepassing gemaakt worden van artikel 93 of 94.

Indien de uitbetalingsactor inlichtingen opvraagt die noodzakelijk zijn voor het nemen van een beslissing aan een buitenlandse dienst of instelling, dan wordt de termijn waarbinnen de uitbetalingsactor moet beslissen geschorst vanaf het moment dat de uitbetalingsactor de vraag gesteld heeft totdat hij een antwoord heeft ontvangen.

Een uitbetalingsactor die een vraag om inlichtingen ontvangt, in het kader van een onderzoek naar een mogelijke rechten toekenning, van een andere uitbetalingsactor, instelling of dienst beantwoordt deze vraag binnen een termijn van acht dagen. Indien de uitbetalingsactor niet over de nodige gegevens beschikt, brengt de uitbetalingsactor de vraagsteller hiervan binnen dezelfde termijn op de hoogte.

Deze bepaling legt de uitbetalingsactoren dus de verplichting op te antwoorden binnen de bepaalde termijn. De instelling of dienst waaraan geantwoord moet worden kan zich op Vlaams niveau, intra-Belgisch of eventueel op internationaal niveau situeren.

Artikel 87

Dit artikel beoogt een “trage werking” van uitbetalingsactoren tegen te gaan. De termijn van twee maanden is een maximumtermijn. In het kader van een goede dienstverlening moet ernaar gestreefd worden om geen twee maanden te laten verlopen tussen beslissing en betaling.

De Vlaamse Regering kan in bijzonder gemotiveerde omstandigheden de termijn tot ten hoogste 4 maanden verlengen. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer een decreetwijziging tot gevolg heeft dat er een tijdelijke explosie aan bepaalde beslissingen met (ambtshalve) aanpassingen nodig zijn.

Onderafdeling 2. Motivering, vermeldingen en kennisgeving

Artikel 88

Dit artikel regelt de motiveringsplicht. Deze motiveringsverplichting geldt voor elke individuele beslissing die in rechten raakt. Deze motivering dient bij de kennisgeving van de beslissing te gebeuren. Deze motivering moet gebeuren in een begrijpelijke taal. Dit is een inspanningsverbintenis. Een loutere opsomming van het van toepassing zijnde decreet of andere bepalingen is onvoldoende.

Ook indien er geen formele motiveringsplicht bestaat, moet de uitbetalingsactor de genomen beslissing steeds kunnen motiveren (materiële motiveringsplicht). Hiermee wordt bedoeld dat de uitbetalingsactor elke beslissing, elke betaling moet kunnen verantwoorden.

Veelal bestaat er gezien de informatisering van de behandeling van een verzoek of reguliere uitbetaling, geen papieren akte die de beslissing en de motieven ervan bevat. De rechtmatigheid van de beslissing is desgevallend dan ook af te leiden uit de gebruikte informaticaprogramma’s. Daarom wordt de Vlaamse Regering gemachtigd te bepalen onder welke voorwaarden categorieën van beslissingen die door of met behulp van informaticaprogramma’s worden genomen, bij afwezigheid van akte, geacht kunnen worden gemotiveerd te zijn. In dit uitvoeringsbesluit kan bijvoorbeeld vereist worden dat de identiteit van de persoon die de beslissing genomen heeft gekend blijft, dat de relevante gegevens bewaard blijven. Ten einde rechtsonzekerheid te vermijden en ten einde een oplossing te vinden voor geschillen die dienaangaande kunnen ontstaan voor de geschillencommissie en de arbeidsgerechten, heeft de begunstigde echter steeds het recht om in kennis gesteld te worden van de motivering van de beslissing wanneer hij daarom uitdrukkelijk schriftelijk verzoekt.

De juistheid van de beslissing moet dus te allen tijde aangetoond kunnen worden door manuele toepassing van de toepasselijke decretale of reglementaire bepalingen op een specifieke situatie.

Artikel 89

Artikel 728 van het Gerechtelijk Wetboek heeft betrekking op de verschijning van de partijen na dagvaarding, en artikel 1017 van het Gerechtelijk Wetboek op de kosten van het geding.

Voor het overige behoeft dit artikel geen toelichting.

Artikel 90

In artikel 90, eerste lid, 5° wordt verwezen naar de mogelijkheid voor de uitbetalingsactor om van de terugvordering van onverschuldigd betaalde bedragen af te zien. In dit verband kan verwezen worden naar hetgeen bepaald wordt in artikel 103 , § 2.

Artikel 91

Dit artikel legt de verplichting op om kennisgevingen schriftelijk te doen. Een telefoongesprek of mededeling aan een onthaalbalie zijn niet voldoende. Na het advies van de Raad van State werd de term “elektronisch” toegevoegd om correct in overeenstemming te zijn met de definitie van kennisgeving in art. 3, §3 van dit decreet.

Titel 2. Ambtshalve en gedwongen herziening van een beslissing

Hoofdstuk 1. Rechtzetting foutieve beslissing

Artikel 92

Dit artikel regelt de situatie waarin een beslissing van een uitbetalingsactor aangetast is door een juridische of materiële fout.

De uitbetalingsactor die een juridische of materiële fout vaststelt, trekt de oorspronkelijke beslissing in en neemt een nieuwe beslissing die uitwerking heeft op datum van de oorspronkelijke beslissing.

Van bovenstaand principe wordt afgeweken wanneer de fout te wijten is aan de uitbetalingsactor en het bedrag waarop de begunstigde recht heeft op grond van de nieuwe beslissing kleiner is dan wat aanvankelijk was toegekend. In dat geval heeft de nieuwe beslissing enkel uitwerking voor de toekomst. De ratio legis is duidelijk dat de begunstigde niet de gevolgen moet dragen van een fout van de uitbetalingsactor. Het moet echter gaan om een fout die de begunstigde redelijkerwijze niet kon opmerken.

Indien een begunstigde bijvoorbeeld een bedrag ontvangt waarvan hij redelijkerwijze moest beseffen dat hij daarop geen recht had, dan zal de nieuwe beslissing wel uitwerking hebben op datum van de oorspronkelijke beslissing en kan dus geen toepassing gemaakt worden van de uitzondering.

De uitbetalingsactor moet een fout rechtzetten zolang de geschillencommissie geen beslissing heeft genomen. Daarna is dit niet meer mogelijk, omdat men er kan vanuit gaan dat de geschillencommissie desgevallend de fout zal rechtzetten.

Artikel 93

Dit artikel regelt de situatie waarin het recht op een toelage in het kader van het gezinsbeleid gewijzigd wordt door een decretale of reglementaire bepaling of dat de uitbetalingsactor kennisneemt van een nieuw feit of nieuw bewijsmateriaal dat een impact heeft op de rechten van de begunstigde.

In dergelijke gevallen neemt de uitbetalingsactor een nieuwe beslissing. Vermits deze situaties zich ook nog kunnen voordoen nadat de geschillencommissie een uitspraak heeft gedaan, kan de uitbetalingsactor op deze gronden een nieuwe beslissing nemen binnen de termijn voor het instellen van beroep bij de bevoegde rechtbank of, indien het beroep reeds is ingesteld, tot aan de sluiting van de debatten.

Artikel 94

Dit artikel bepaalt in welke gevallen een volledig nieuw verzoek kan worden ingediend. Een nieuw verzoek kan worden ingediend overeenkomstig de voor het oorspronkelijk verzoek bepaalde vormen. Er kan in dit verband verwezen worden naar hetgeen bepaald is in artikel 85. Een nieuwe beslissing wordt genomen met inachtname van de regels die gelden voor alle andere beslissingen, bijvoorbeeld inzake termijnen. Een nieuwe beslissing op basis van een nieuw verzoek heeft enkel gevolgen voor de toekomst.

Hoofdstuk 2. Verjaring

Artikel 95

Dit artikel bepaalt een verjaringstermijn van vijf jaar voor de begunstigden van toelagen in het kader van het gezinsbeleid.

Voorbeelden:

Een kind geeft recht op het basisbedrag bedoeld in Titel 3 van Deel 1 van Boek 2 vanaf 15 januari 2019. Dit basisbedrag wordt pas gevorderd door de begunstigde op 31 januari 2029. Het basisbedrag voor de periode 15 januari 2019 tot en met 31 december 2023 is verjaard. In dit geval kan enkel het basisbedrag vanaf 1 januari 2024 worden uitbetaald (het basisbedrag voor januari 2024 verjaart op 1 februari 2029).

Een kind geeft recht op een sociale toeslag bedoeld in Titel 5 van Deel 1 van Boek 2 in de periode 15 januari 2019 tot en met 31 december 2022. Deze sociale toeslag wordt pas gevorderd door de begunstigde op 31 januari 2025. De sociale toeslag voor de periode 15 januari 2019 tot en met 31 december 2019 is verjaard. In dit geval kan enkel de sociale toeslag vanaf 1 januari 2020 tot en met 31 december 2022 worden uitbetaald (de sociale toeslag voor januari 2020 verjaart op 1 februari 2025).

Het laatste lid van dit artikel stelt dat, in afwijking van de voorgaande leden, de verjaring niet kan worden ingeroepen door de begunstigden tijdens een periode van terugbetaling van onverschuldigde bijdragen. Hiermee wordt bijvoorbeeld de situatie bedoeld, die soms voorkomt, waarin er een afbetalingsplan wordt afgesproken dat een looptijd heeft van meer dan 5 jaar (rekening houdend met het belang van het kind en de globale financiële toestand van het gezin). In dat geval kan de verjaring niet ingeroepen worden op grond van de voorgaande leden van artikel 96.

Artikel 96

Dit artikel behoeft geen toelichting.

Artikel 97

Dit artikel regelt de verjaringstermijn die van toepassing is op de terugvordering van ten onrechte betaalde toelagen in het kader van het gezinsbeleid. Deze termijn bedraagt in beginsel drie jaar. Ter bescherming van de begunstigde verjaart de vordering tot terugvordering dus sneller (na drie jaar), dan de vordering tot het bekomen van een toelage (vijf jaar, cf. artikel 95). De ratio legis is duidelijk dat de begunstigde moet beschermd worden wanneer een ten onrechte betaling enkel en alleen het gevolg is van een fout van de uitbetalingsactor. Wanneer de ten onrechte betaling daarentegen het gevolg is van bedrog of bedrieglijke handelingen van de begunstigde, wordt een verjaringstermijn van vijf jaar bepaald. In geval van bedrog, zal de begunstigde dit bedrog trachten te verbergen, zodat een langere verjaringstermijn verantwoord is.

De verjaringstermijn loopt telkens vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de datum waarop de uitbetaling is geschied. Dit is ook het geval wanneer de toelagen in het kader van het gezinsbeleid ten onrechte werden betaald omwille van de toekenning of de vermeerdering van een voordeel dat, geheel of gedeeltelijk, niet samen kan genoten worden met de toelagen in het kader van het gezinsbeleid. Voorbeeld hiervan zijn: een Belg tewerkgesteld in een EU-lidstaat die op basis van Verordening (EG) nr. 883/2004 gezinsbijslagen ontvangt in zijn werkstaat en die ook in zijn woonstaat (het Nederlandse taalgebied) ten onrechte basisbedragen ontving voor dezelfde kinderen, of een Italiaanse ambtenaar van de Europese Unie die de gezinsbijslagen voor ambtenaren ontvangt en aan wie ten onrechte ook basisbedragen werden uitbetaald omdat zijn kinderen legaal verblijven in het Nederlandse taalgebied.

Artikel 98

Dit artikel behoeft geen toelichting.

Artikel 99

Dit artikel behoeft geen toelichting.

Hoofdstuk 3. Interest

Dit hoofdstuk behoeft geen toelichting.

Hoofdstuk 4. Terugvordering van onverschuldigde betaalde toelagen in het kader van het gezinsbeleid en afstand

Artikel 103

Dit artikel regelt de terugvordering van onverschuldigd betaalde toelagen in het kader van het gezinsbeleid. Deze terugvordering gebeurt, behoudens in de gevallen waarin dergelijke terugvordering wordt uitgesloten door het decreet, door inhoudingen verricht door de uitbetalingsactor op nog te betalen toelagen in het kader van het gezinsbeleid. Het artikel verwijst naar artikel 1410, § 4 van het Gerechtelijk Wetboek. Deze verwijzing houdt in dat de inhouding op toekomstige toelagen maar kan gebeuren binnen de grenzen van dat artikel. Naargelang het geval zal er dus geen of slechts een gedeelte van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid betaald worden en dit totdat de onverschuldigd betaalde toelagen gerecupereerd zijn. Als uitgangspunt bedraagt dergelijke inhouding 10% op de  nog verschuldigde toelagen; er kan enkel bij uitzondering een hoger percentage worden ingehouden.

Indien de terugvordering niet kan gebeuren door middel van inhoudingen, vordert de Vlaamse Belastingdienst de onverschuldigd betaalde toelagen in het kader van het gezinsbeleid terug. De uitbetalingsactor bezorgt de gegevens van de personen bij wie de ten onrechte betaalde toelagen in het kader van het gezinsbeleid bij dwangbevel moeten worden ingevorderd, via Kind en Gezin, aan de Vlaamse Belastingdienst. De middelen van de terugvorderingen door de Vlaamse Belastingdienst gaan terug naar de beleidskredieten van Kind en Gezin.

De Vlaamse belastingdienst beschikt over een eigen rechtsbasis om de gegevens te verwerken in het kader van haar decretale opdrachten (zie hiertoe het advies van de Raad van State, randnummer 29).

De bepalingen van paragrafen 3 en 4 met betrekking tot het geval van overlijden, zijn geïnspireerd op het Handvest van de Sociaal Verzekerde.

Hoofdstuk 5. Geschillencommissie

Artikel 104

Tegen de beslissingen van de uitbetalingsactoren tot toekenning, weigering, betaling of terugvordering van toelagen in het kader van het gezinsbeleid staat een bestuurlijk beroep open.

Door een bestuurlijk beroep mogelijk te maken bij één geschillencommissie, wordt de nodige samenhang in de beslissingen van de uitbetalingsactoren gegarandeerd. Deze aanpak is niet nieuw: ook in het decreet van 24 juni 2016 houdende de Vlaamse sociale bescherming werd recent nog een bestuurlijke beroepsmogelijkheid opgenomen tegen een aantal beslissingen van de zorgkassen. Het bestuurlijk beroep moet worden uitgeput alvorens desgevallend een jurisdictioneel beroep in te stellen bij de bevoegde rechtbank.

Om zo laagdrempelig mogelijk te blijven voor de verzoeker, wordt het instellen van het beroep bij de geschillencommissie niet aan bijzondere formaliteiten onderworpen.

De geschillencommissie is niet bevoegd uitspraak te doen over geschillen met betrekking tot (1) de aanwijzing van de begunstigde (waarvoor de familierechtbank bevoegd is overeenkomstig artikel 572bis, 8° van het Gerechtelijk Wetboek) en (2) de kwalificatie van de ernst van de ondersteuningsbehoefte in het kader van de zorgtoeslag voor kinderen met een specifieke ondersteuningsbehoefte, bedoeld in artikel 16, § 1 (waarvoor de arbeidsrechtbank bevoegd is overeenkomstig artikel 580, 8°, b) van het Gerechtelijk Wetboek).

In het kader van een geschil met betrekking tot de kwalificatie van de ernst van de ondersteuningsbehoefte kunnen enkel de begunstigden die een brief ontvangen beroep instellen, en is een termijn van drie maanden voorzien. In het kader van een geschil met betrekking tot de aanwijzing van de begunstigde(n), kunnen daarentegen meerdere personen een beroep instellen, waardoor het aangewezen is om de termijn wat langer te zetten, met name zes maanden.

Artikel 105

In dit artikel wordt de samenstelling van de geschillencommissie geregeld. Met het oog op het bijeenbrengen van zoveel mogelijk inhoudelijke expertise worden de twee bijkomende leden van de geschillencommissie aangeduid op voordracht van de uitbetalingsactoren en Kind en Gezin. Van de voorzitter en de secretaris wordt verwacht dat ze een diploma van doctor, licentiaat of master in de rechten kunnen voorleggen, zodat ook de juridische expertise in de geschillencommissie gegarandeerd blijft. De mandaten hebben een duur van vier jaar, behalve de mandaten van de personen die tussentijds benoemd werden. Die gelden slechts voor de resterende duur van het oorspronkelijke mandaat. De mandaten zijn hernieuwbaar.

Bij de besluitvorming van organen van het bestuur gelden sowieso de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, zoals het onpartijdigheidsbeginsel. Dat aspect wordt in dit artikel niettemin benadrukt. In dat licht wordt immers bepaald dat het bijkomend lid dat werd benoemd op voordracht van de uitbetalingsactoren, geen zitting kan nemen in geschillen die gericht zijn tegen de beslissingen genomen door de uitbetalingsactor door dewelke het werd voorgedragen.  In dat geval neemt een lid, of zijn plaatsvervanger, van een andere uitbetalingsactor zitting.

Na het advies van de Raad van State werden een aantal tekstuele verduidelijkingen en technische toevoegingen gemaakt. Zo werd duidelijker onderscheid gemaakt tussen de benoeming van de leden van de geschillencommissie en de voordracht ervan, waar dit voorheen minder duidelijk was.

Daarnaast wordt er ook consequent voorzien in een plaatsvervanger voor elk lid, naar analogie met andere dergelijke commissies en om de werkzaamheden van de geschillencommissie vlot te laten verlopen. Hierdoor diende in de vijfde paragraaf het woordgebruik te worden aangepast aangaande de vervanging van een lid indien een geschil gericht is tegen de uitbetalingsactor waardoor deze werd voorgedragen.

Daarnaast werden er delegaties voorzien voor de Vlaamse Regering om het ontslag van een lid te regelen, wat niet was geregeld en wel degelijk mogelijk moet zijn. Omtrent presentiegelden en vergoedingen, alsook over de onverenigbaarheden voor leden van de geschillencommissie, ontbrak een delegatie die hierbij werd toegevoegd.

Artikel 106

Dit artikel behoeft geen verdere toelichting.

Artikel 107

Dit artikel behoeft geen verdere toelichting.

Artikel 108

In spoedeisende gevallen kan de voorzitter van de geschillencommissie voorlopige maatregelen treffen, op maat van de situatie van de betrokken verzoeker, en in afwachting van een beslissing van de geschillencommissie.

De termijn bepaald in het derde lid van de eerste paragraaf van artikel 108 is een termijn van orde.

Artikel 109

De termijn bepaald in artikel 109 is een termijn van orde.

Artikel 110

Dit artikel behoeft geen verdere toelichting.

Artikel 111

Het tijdstip, de plaats en de modaliteiten van de hoorzitting worden overgelaten aan de voorzitter van de geschillencommissie, die met de nodige flexibiliteit kan optreden om de laagdrempeligheid voor de verzoeker zo groot mogelijk te houden. Desgevallend kan een verzoeker ook vanop afstand worden gehoord. De afwezigheid van de verzoeker bij de hoorzitting heeft alleszins geen negatief effect op de beoordeling van het beroep.

Artikel 112

Tegen de beslissing van de geschillencommissie en tegen een voorlopige maatregel van de voorzitter van de geschillencommissie staat enkel beroep bij de bevoegde rechtbank open. Dit is de arbeidsrechtbank.

Aan de beslissing van de geschillencommissie wordt uitvoerbare kracht toegekend. Wordt aan de rechthebbende in afwijking van de aanvankelijke beslissing van de uitbetalingsactor een recht of een uitgebreider recht toegekend, dan dient de uitbetalingsactor alleszins binnen de 10 werkdagen uitvoering te geven aan de beslissing. Een terugvordering verloopt zoals bepaald in artikel 103, § 1.

De termijn bepaald in paragraaf 1, eerste lid is een termijn van orde.

Artikel 113

Dit artikel behoeft geen verdere toelichting.

Artikel 114

Dit artikel behoeft geen verdere toelichting.

Hoofdstuk 6. Betwistingen in rechte

Artikel 115

Het jurisdictioneel beroep tegen de beslissingen betreffende de toelagen in het kader van het gezinsbeleid wordt op straffe van verval binnen een termijn van drie maanden na de kennisgeving ervan gebracht voor de arbeidsrechtbank. Kind en Gezin treedt op als verwerende partij.

Het vonnis van de arbeidsrechtbank heeft gezag van gewijsde, maar de uitbetalingsactor is geen partij bij dat geding. Wordt aan de rechthebbende in afwijking van de beslissing van de geschillencommissie een recht of een uitgebreider recht toegekend, dan geeft Kind en Gezin dus instructie aan de uitbetalingsactor om binnen de 10 werkdagen uitvoering te geven aan de beslissing van de arbeidsrechtbank. Een terugvordering verloopt zoals bepaald in artikel 103, § 1.

Artikel 116

Dit artikel behoeft geen verdere toelichting.

DEEL 2. TOEZICHT, NALEVINGSONDERSTEUNING EN HANDHAVING

Titel 1. Beginselen

Artikel 117

Zoals de twee navolgende artikelen, bepaalt dit artikel een beginsel dat geldt bij het opleggen van om het even welke bestuurlijke sanctie die hetzij aan de burgers hetzij aan de uitbetalingsactoren wordt opgelegd: het retroactiviteitverbod. Bij het opleggen van een bestuurlijke sanctie aan de burgers en uitbetalingsactoren dienen de daarvoor bevoegde overheden uiteraard ook de overige beginselen van behoorlijk bestuur, die hier niet worden vermeld, in acht te nemen. Aldus onder meer het zorgvuldigheidsbeginsel, dat een belangrijke rol speelt bij de vaststelling en beoordeling van wederrechtelijke feiten.

Het retroactiviteitverbod is fundamenteel belangrijk: een bestuurlijke sanctie kan enkel worden opgelegd voor feiten die wettelijke voorschriften schenden die voorafgaand aan de feiten zijn bepaald en in werking getreden. Wat bestraffende bestuurlijke sancties betreft, is  dit verbod verankerd in artikel 7 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), artikel 15 van het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke vrijheden (BUPO), artikel 49 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en artikel 14 van onze Grondwet.

Artikel 118

Het evenredigheidsbeginsel is een algemeen rechtsbeginsel. Dit artikel herinnert er uitdrukkelijk aan dat het ook geldt bij het opleggen van bestuurlijke sancties.

Artikel 119

De hoorplicht behoort tot de procedurele beginselen van behoorlijk bestuur. De bewoordingen van dit artikel sluiten aan bij de kern van het beginsel zoals omschreven in de rechtspraak van de Raad van State. Het horen moet voorafgaand aan het nemen van de beslissing gebeuren. De betrokkene moet de kans krijgen om op nuttige wijze voor zijn standpunt op te komen.

Van de mogelijkheden om uitzondering te maken op de hoorplicht die in de rechtspraak van de Raad van State zijn erkend, zijn slechts twee uitzonderingsmogelijkheden behouden. Gezien de beleidsvrijheid eigen aan elk van de navolgende bestuurlijke sanctiebevoegdheden heeft het geen zin de uitzondering te hernemen die geldt voor volledig gebonden bevoegdheden. De mogelijkheid om uitzondering te maken op de hoorplicht wanneer de bestuurde reeds eerder werd gehoord en zich geen nieuwe feiten hebben voorgedaan, werd bewust niet overgenomen wegens de aard van de hier geregelde beleidsmaterie.

Titel 2. Toezicht

Hoofdstuk 1. De uitoefening van de toezichtstaken

Artikel 120

Ingevolge het advies van de Raad van State (randnummer 64) wordt in dit artikel precies vastgelegd welke bepalingen van het decreet ‘houdende het overheidstoezicht in het kader van het welzijns- en gezondheidsbeleid’ van toepassing zijn of vastleggen welke bepalingen, in afwijking van de algemene regel, uitdrukkelijk niet van toepassing zijn. Op deze wijze wordt ook duidelijk dat geen machtiging aan de Vlaamse Regering gegeven wordt om af te wijken van de decretale regels in het vermelde decreet betreffende het overheidstoezicht.

De basis voor het uitoefenen van het toezicht ligt in het toezichtdecreet voor Welzijn en gezondheid. Aangezien echter de gezinsinspecteurs die het toezicht uitoefenen op de bepalingen van dit decreet de werking en bevoegdheden overnemen van de huidige sociale inspecteurs worden in dit decreet een paar aanvullende bevoegdheden en bepalingen opgenomen.

Deze hebben te maken met het opmaken van een proces-verbaal van vaststelling van inbreuk, het proces-verbaal van verhoor, de gegevensuitwisseling zowel binnen de Vlaamse gemeenschap als naar de andere gemeenschap en diensten van de federale overheid en de mogelijkheid om bij ernstige aanwijzingen van fraude de betaling van de toelagen gezinsbeleid op te schorten.

Artikel 3, §3, 7° van voorliggend decreet definieert het begrip ‘toezichthouder’.

Artikel 121

Ingevolge het advies van de Raad van State (randnummer 65) wordt verwezen naar artikel 23 van het decreet van 7 juli 2017. De verwijzing maakt duidelijk dat het niet de bedoeling is de gezinsinspecteurs een bijkomende bevoegdheid te verlenen.

Om toezicht te houden op de naleving van de regelgeving met betrekking tot de toekenning van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid en de organisatie en de financiering van de private uitbetalingsactoren zijn twee inspectiediensten bevoegd. Het toezicht op de werking en financiering van de uitbetalingsactoren met inbegrip van het toezicht op de wetsconforme toepassing van de regelgeving met betrekking tot de toekenning van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid aan de burgers via de uitbetalingsactoren wordt uitgeoefend door de inspecteurs aangesteld bij het departement Welzijn, Volksgezondheid en Gezin. De verslagen worden bezorgd aan het agentschap Kind en Gezin dat bevoegd is voor de toekenning en opvolging van de vergunningsvoorwaarden van de private uitbetalingsactoren en het uitoefenen van toezicht en controle op de private uitbetalingsactoren (toekomstig artikel 7/1 van het decreet houdende oprichting van Kind en Gezin).

Bij het Vlaams Agentschap voor de Uitbetaling van de Toelagen in het kader van het Gezinsbeleid, worden inspecteurs aangesteld die belast zijn met de controle op de naleving van de bepalingen houdende de toekenning van de diverse toelagen vermeld in dit decreet door de burgers en de private uitbetalingsactoren. De verslagen van de gezinsinspecteurs worden bezorgd aan het bevoegde bestuursorgaan, alsook aan de uitbetalingsactoren, of in voorkomend geval aan de voorzitter van de geschillencommissie, die gevolg moeten geven aan de vaststellingen van de gezinsinspecteurs. Ook de uitbetalingsactoren en de voorzitter van de geschillencommissie kunnen opdrachten formuleren aan de gezinsinspecteurs voor begeleiding of gerichte controles (zie artikel 23 van het decreet van 7 juli 2017).  

Ingevolge het advies van de Raad van State (randnummer 66) wordt bijkomende informatie opgenomen in de memorie om de precieze afbakening van de taken tussen de gezinsinspecteurs en de zorginspecteurs nog beter te verduidelijken.

De gezinsinspecteurs zijn net als de huidige sociale inspecteurs bij Famifed enkel bevoegd om de naleving op te volgen van de bepalingen met betrekking tot de toekenning van de toelagen gezinsbeleid, bv. controleren of de feitelijke situatie beantwoordt aan de gegevens uit het dossier.

Zoals ook blijkt uit artikel 22 e.v. van het decreet van 7 juli 2017 hebben de gezinsinspecteurs ook een begeleidende rol ten aanzien van de gezinnen om de gezinnen te informeren over de rechten die ze hebben op de verschillende toelagen gezinsbeleid.

Waar de zorginspecteurs toezicht houden op het algemeen functioneren van de uitbetalingsactoren, kunnen gezinsinspecteurs in de concrete toepassing van de regelgeving zowel de naleving ervan door de burger als de correcte toepassing ervan in concrete dossiers door de uitbetalingsactoren vaststellen.

Met andere woorden, de zorginspecteurs zullen het functioneren van een uitbetalingsactor op globaal niveau garanderen, terwijl de gezinsinspecteurs de toepassing in concrete dossiers zullen beoordelen.

Artikel 122

Na het advies van de Raad van State werd nog in een technische correctie voorzien. De eerste paragraaf verduidelijkt dat de begunstigden en de uitbetalingsactoren aan de toezichthouders, zowel de gezinsinspecteurs als de zorginspecteurs de nodige inlichtingen, documenten en gegevens ter beschikking stellen met het oog op de uitoefening van hun toezichtstaken, met respect voor de toepassing van art. 10 van het Toezichtsdecreet.

Ingevolge het advies van de Raad van State (randnummer 27) wordt verduidelijkt dat de rechtsgrond voor de gegevensverwerking van de toezichthouders geregeld wordt door het decreet van … houdende het overheidstoezicht in het kader van het gezondheids-en welzijnsbeleid. Die gegevens mogen uitsluitend verwerkt worden voor de vervulling van hun toezichtsopdracht.

De tweede paragraaf voorziet vervolgens in een delegatie aan de Vlaamse Regering. Meer in het bijzonder gaat het om regels met betrekking tot de aard en de vorm van de gegevens die moeten ter beschikking gesteld worden van de toezichthouders voor het toezicht op de regelgevende bepalingen.

Artikel 123

Ingevolge het advies van de Raad van State (randnummer 67) wordt een herformulering ingevoegd waarin gepreciseerd wordt dat Kind en Gezin en het agentschap ook op stukken toezicht kunnen uitoefenen.

Het toezicht ter plaatse wordt uitgevoerd door de bevoegde inspectiediensten.   Ook de agentschappen die belast zijn met de regie en met de uitbetaling van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid kunnen toezicht houden op basis van stukken.

Hoofdstuk 2. Bijzondere bepalingen betreffende het toezicht door de gezinsinspecteurs

Afdeling 1. Processen-verbaal

Onderafdeling 1. Proces-verbaal van verhoor

Artikel 124

Dit artikel voorziet de regeling die door de gezinsinspecteurs moet nageleefd worden bij het verhoren van personen. Deze bevoegdheid is aanvullend ten aanzien van de bevoegdheden die de inspecteurs krijgen op basis van het decreet van …houdende het overheidstoezicht in het kader van het welzijns-en gezondheidsbeleid. De bepaling is volledig gelijklopend met artikel 62 van het sociaal strafwetboek en artikelen 6/1 en 6/2 van het decreet houdende sociaalrechtelijk toezicht.

Hoewel het verhoren van personen aan een strikte procedure is onderworpen, is het belangrijk deze bevoegdheid te behouden voor de gezinsinspecteurs met het oog op de uitoefening van hun bevoegdheid.

Onderafdeling 2. Proces-verbaal van inbreuk

Artikel 125

Paragraaf 1

Indien de vaststelling een inbreuk betreft, wordt de vaststelling van de inbreuk opgenomen in een proces-verbaal en binnen de vermelde periode ook ter kennis gebracht van de betrokkene en aan de diensten die bevoegd zijn om een administratief en/of strafrechtelijk gevolg te geven aan de vastgestelde inbreuk.

Door het opmaken van dergelijk proces-verbaal geeft de gezinsinspecteur te kennen dat hij een inbreuk heeft vastgesteld die hetzij strafrechtelijk hetzij administratiefrechtelijk kan worden gesanctioneerd.

Indien de gezinsinspecteur bijvoorbeeld vaststelt dat de werkelijke toestand van een gezin afwijkt van de administratieve toestand (inschrijving in het bevolkingsregister) en de bedragen van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid zullen worden aangepast aan de werkelijke situatie, kan de uitbetalingsactor de betaling van de bedragen aanpassen op basis van de vaststellingen opgenomen in een proces-verbaal. De vaststelling van een inbreuk die gevolgen zal hebben voor de toekenning van de toelagen of die tot een andere sanctie kan leiden, wordt opgenomen in een proces-verbaal van vaststelling en ter kennis gebracht van de overtreder binnen een bepaalde termijn na de datum van afsluiting van het proces-verbaal.  

Naar analogie met de bepalingen van artikel 6 van het decreet houdende sociaalrechtelijk toezicht wordt de kennisgevingstermijntermijn vastgelegd op 14 dagen en wordt een regeling opgenomen voor wat betreft de dies ad quem (einddatum) van die termijn. Deze werkwijze is ook gelijklopend met de huidige werkwijze van de sociale inspecteurs overeenkomstig de artikelen 64, 65, 66 en 67 van het Sociaal Strafwetboek.

Op die manier wordt binnen de Vlaamse overheid enige uniformiteit gerealiseerd met betrekking tot de werking van de inspectiediensten met betrekking tot de opmaak en gebruik van de processen-verbaal.

Binnen eenzelfde termijn moeten ook de andere betrokken diensten een kopie ontvangen. Het bevoegde bestuursorgaan moet immers op de hoogte zijn van de termijn die aan het Openbaar Ministerie toekomt om al dan niet te vervolgen.    

Naar gevestigde cassatierechtspraak voorhoudt, is de bijzondere bewijswaarde tot bewijs van het tegendeel beperkt tot de zintuiglijke vaststellingen die de verbaliserende gezinsinspecteur, optredend in het kader van zijn toezichtsopdracht,  persoonlijk maakte (en aansluitend opnam in het proces-verbaal van overtreding). Het verval van de bijzondere bewijswaarde is de geijkte sanctie voor een laattijdige kennisgeving van het proces-verbaal aan de vermoedelijke overtreder. In deze gevallen behoudt het proces-verbaal bewijswaarde ten titel van inlichting.

Ingevolge het advies van de Raad van State (randnummer 68) kan nog de volgende  verantwoording toegevoegd worden.

Nazicht van de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof leert dat het Hof geen probleem heeft met de bijzondere bewijswaarde van processen-verbaal wanneer blijkt dat deze bijzondere bewijswaarde een oplossing moet bieden voor een moeilijke bewijsbaarheid van de betrokken wetschendingen, die haar oorzaak vindt in het moeilijk vast te stellen karakter ervan. Wetsschendingen kunnen moeilijk vast te stellen zijn om uiteenlopende redenen. Aldus bv. het vluchtige karakter van de feiten (GwH 19 december 2013, nr. 178/2013, B.8), het technische karakter van de in het geding zijnde wetgeving (GwH 14 oktober 2010, nr. 111/2010, B.12.1), of nog de mobiliteit van de goederen waarop zij betrekking hebben (GwH 6 april 2000, nr. 40/2000, B.14.2; GwH 14 februari 2001, nr. 16/2001, B.12.2). De toekenning van bijzondere bewijswaarde vindt hierin een redelijke verantwoording.

Daarnaast beklemtoont het Hof zelf drie elementen die een onevenredige aantasting van de rechten van de beklaagde tegengaan (GwH  6 april 2000, nr. 40/2000, B.14.3; GwH 14 februari 2001, nr. 16/2001, B.12.3):

  • De bijzondere bewijswaarde heeft slechts betrekking op het materiële element  van het misdrijf en niet op de andere constitutieve bestanddelen ervan;
  • Ze is enkel verbonden aan de persoonlijk door de verbalisant gedane vaststellingen;
  • Het tegenbewijs kan door alle bewijsmiddelen worden geleverd.

Het laatste element sluit perfect aan bij de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens inzake wettelijke toerekeningsvermoedens, een heel wat meer ingrijpende keuze die de wetgever kan maken waarbij een categorie personen door de wet als overtreder wordt aangeduid. De mogelijkheid tot tegenbewijs van dit wettelijk vermoeden is voor het Hof cruciaal opdat er geen schending zou zijn van het vermoeden van onschuld (o.m. Janosevic v. Zweden, 2002).

Wat artikel 125 betreft, mag op een factor te meer worden gewezen: de bijzondere bewijswaarde is gekoppeld aan een kennisgeving van het proces-verbaal aan de vermoedelijke overtreder binnen de veertien dagen na afsluiting ervan. Bij gebrek aan tijdige kennisgeving, vervalt de bijzondere bewijswaarde.

In casu kan gewezen worden op de moeilijke vaststelbaarheid van schendingen op de regelgeving waarover de gezinsinspecteurs toezicht uitoefenen.

Gezinssituaties en het gezinsleven, de maatschappelijke realiteit die centraal staat in de toezichtsopdracht van de gezinsinspecteurs, vertonen een eigen delicaat karakter waar zintuiglijke vaststellingen door een hiertoe gevormde inspecteur opportuun zijn om eventuele inbreuken te kunnen vaststellen

Paragraaf 2

Ingevolge het advies van de Raad van State (randnummer 69) wordt in artikel 125, §2, 5° de zinsnede “decretale bepaling waarop de inbreuk gepleegd is”, vervangen door de zinsnede “gepleegde inbreuk”.

Gelet op de mogelijke weerslag van het proces-verbaal op de uitoefening van een strafvordering is het noodzakelijk de inhoud van deze processen-verbaal op te nemen en niet te delegeren aan de Vlaamse Regering.

De inhoud van een proces-verbaal is volledig gelijk aan de inhoud opgenomen in artikel 64 van het sociaal strafwetboek. 

Paragraaf 3

Ingevolge het advies van de Raad van State (randnummer 70) wordt in deze paragraaf, in fine, de zinsnede “de ambtenaren die belast zijn met het toezicht op de naleving van dit decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan” vervangen door “gezinsinspecteurs”.

Indien deze procedure gevolgd werd, heeft het proces-verbaal bewijswaarde tot het tegendeel bewezen is. De door de gezinsinspecteurs gemaakte vaststellingen kunnen dan, met hun bewijswaarde, worden aangewend door de uitbetalingsactoren, de inspecteurs en ambtenaren belast met het toezicht op de naleving van dit decreet en de geschillencommissie.

Het niet verzenden van het proces-verbaal binnen de termijn is niet voorgeschreven op straffe van nietigheid. Het proces-verbaal verliest enkel zijn bijzondere bewijskracht, maar geldt wel nog als inlichting of als begin van bewijs door geschrift.

De gezinsinspecteurs zijn enkel bevoegd voor de vaststelling van inbreuken op de naleving van dit decreet. Ze kunnen geen processen-verbaal opmaken voor materies die niet tot de aangewezen bevoegdheid behoren. Wanneer de gezinsinspecteur kennis krijgt van dergelijke inbreuken op andere regelgeving, kan hij daarover een proces-verbaal van inlichtingen opmaken en overmaken aan de bevoegde overheid.

Zoals ook zal blijken uit artikel 126 bepaalt dit decreet de gegevensuitwisseling met diensten die onder de bevoegdheid vallen van de Vlaamse Gemeenschap, Vlaamse gewest, provincies, gemeenten en alle openbare en meewerkende instellingen die onder de bevoegdheid vallen van de Vlaamse Gemeenschap of Vlaamse Gewest.

Voor wat betreft de federale diensten en diensten van andere gemeenschappen en gewesten zal hierover een samenwerkingsovereenkomst dienen afgesloten te worden.

Afdeling 2. Mededeling van de gegevens

Artikel 126

Ingevolge het advies van de Raad van State (randnummer 71) wordt in artikel 126, §2, de zinsnede “onder de voorwaarden bepaald in een besluit van de Vlaamse Regering” vervangen door de zinsnede “onder de voorwaarden bepaald door de Vlaamse Regering”

Dit artikel regelt de uitwisseling van gegevens tussen de diensten die informatie kunnen verstrekken die belangrijk is voor het toezicht op de bepalingen van dit decreet en haar uitvoeringsbesluiten.

De gegevensuitwisseling heeft als doelstelling efficiënt te kunnen samenwerken binnen de overheid en de gegevens die bij een bepaalde overheidsdienst aanwezig zijn niet opnieuw te moeten bevragen of te laten vaststellen.

De gezinsinspecteurs zijn onderworpen zijn aan de finaliteittoets van artikel 3 en 5 van het decreet van … houdende het overheidstoezicht in het kader van het gezondheids- en welzijnsbeleid. De gegevensuitwisseling geregeld in dit artikel dient eveneens te worden getoetst aan de finaliteit van de ontvangende persoon of instantie. De gegevens worden verstrekt in de mate dat ze relevant zijn voor de opdracht van de betrokken instantie (zie het advies van de Raad van State, randnummers 27-29). 

Met “openbare instellingen” wordt bedoeld de instellingen en diensten die behoren tot de federale of de Vlaamse overheid in de organieke zin van het woord (bv. de departementen en agentschappen).” Meewerkende instellingen” zijn de instellingen van privaat recht die erkend zijn om mee te werken op het gebied van de sociale zekerheid of bij de tenuitvoerlegging van het gezondheids-en welzijnsbeleid.  

Voor de uitwisseling van gegevens met de federale overheden zal een samenwerkingsakkoord moeten gesloten worden krachtens artikel 92bis § 1 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980.

Voor de samenwerking met de andere betrokken Gemeenschappen krijgt het agentschap de bevoegdheid om dit na het sluiten van een akkoord toe te staan dat inspecteurs vaststellingen kunnen doen op het grondgebied van andere Gemeenschappen of Gewesten.

De eerste paragraaf bepaalt dat de inspecteurs de gegevens die zij in de uitvoering van hun opdracht hebben verzameld ook kunnen delen met de vermelde diensten en ambtenaren voor zover de inlichtingen rechtsreeks relevant zijn voor de uitoefening van het toezicht waarmee deze diensten en personen belast zijn.

Dit kunnen zowel federale diensten zijn, dan wel diensten van een gemeenschap of gewest.

De gezinsinspecteurs beschikken over een appreciatiebevoegdheid om deze gegevens al dan niet te verstrekken. Deze appreciatiebevoegdheid vervalt indien de vermelde diensten om de gegevens verzoeken. Weliswaar is de gezinsinspecteur ook gehouden door het geheim van het onderzoek in strafzaken.

De tweede paragraaf bepaalt dat de vermelde diensten die onder de bevoegdheid vallen van de Vlaamse Gemeenschap of het Vlaamse Gewest de verplichting hebben om de door de gezinsinspecteurs gevraagde gegevens te verstrekken onder de voorwaarden bepaald door de Vlaamse Regering.

De derde paragraaf bepaalt dat deze verplichting voor de federale diensten en de diensten die ressorteren onder de bevoegdheid van een andere Gemeenschap of Gewest zal dienen uitgewerkt te worden krachtens een samenwerkingsakkoord gesloten krachtens artikel 92 bis §1 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980.

Het advies van de Raad van State (randnummer 72) wordt niet gevolgd aangezien ook het decreet van 30 april 2004 tot uniformisering van de toezichts-, sanctie- en strafbepalingen die zijn opgenomen in de regelgeving van de sociaalrechtelijke aangelegenheden, waarvoor de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaamse Gewest bevoegd zijn, in artikel 9, § 2 een analoge regeling bevat. Zeker in deze sector is een nauwe samenwerking met de andere diensten aangewezen, zoals zal uitgewerkt worden in een samenwerkingsovereenkomst.   

De vierde paragraaf legt vast dat de inlichtingen ingewonnen bij andere diensten op dezelfde wijze moeten behandeld worden als de vaststellingen die de gezinsinspecteurs zelf hebben vastgesteld. Dat betekent dat de vaststellingen al naar gelang het geval ook zullen moeten opgenomen worden in een proces-verbaal of een verslag van vaststellingen en bekendgemaakt aan de betrokkene.

De vijfde paragraaf geeft de bevoegdheid aan het agentschap om in uitvoering van akkoorden met de bevoegde autoriteiten van andere gemeenschappen of gewesten de aanwezigheid toe te staan van inspecteurs van inspectiediensten die ressorteren onder de bevoegdheid van de andere gemeenschap of Gewest.

De zesde paragraaf werd na het advies van de Raad van State geschrapt, aangezien hier een overlapping met artikel 5 van het Toezichtsdecreet optrad.

Afdeling 3. Preventieve opschorting van de betaling bij ernstige aanwijzingen van fraude

Artikel 127

Deze bepaling voorziet een rechtsgrond voor een bewarende maatregel: bij ernstige en eensluidende aanwijzingen van frauduleuze, valse of opzettelijk onvolledige informatie meegedeeld om toelagen in het kader van het gezinsbeleid te verkrijgen, wordt de uitbetaling van deze toelagen geheel of gedeeltelijk opgeschort. Naar uit de bewoordingen van de bepaling blijkt, moet de betrokkene  bij het verstrekken van de informatie de intentie hebben om fraude te plegen. Deze opschorting is beperkt in de tijd en kan slechts éénmaal verlengd worden.

Deze bewarende maatregel beschermt niet alleen de overheidsfinanciën maar ook de betrokken burgers, door het verder oplopen van een terug te betalen gezinsschuld tegen te gaan.

In dossiers waar het pakket toelagen in het kader van het gezinsbeleid ook gezinsbijslag (basisbedrag) omvat, kan de opschorting worden beperkt tot de overige toelagen in het kader van het gezinsbeleid, dus de toelagen andere dan het maandelijkse basisbedrag (zie bewoordingen “gehele of gedeeltelijke opschorting”). Dit dient mogelijk te zijn gezien artikel 23, 6° van de Grondwet.

De Grondwet beschermt het recht op gezinsbijslagen echter enkel voor zover de betrokkene effectief recht heeft op de gezinsbijslag op basis van de decretale voorwaarden. De hypothese in dit artikel is dat er sterke en eensluidende aanwijzingen zijn dat betrokkene geen recht heeft op één of meerdere van de toelagen die in het kader van het gezinsbeleid worden uitbetaald, waaronder de gezinsbijslag zoals bedoeld in artikel 23, 6° van de Grondwet.

Bij twijfel over het recht van de betrokkene op de gezinsbijslag zal de schorsing enkel betrekking hebben op de bijkomende toeslagen. Gelet op de vermelde grondwettelijke bepaling zal de minste twijfel in het voordeel van de betrokkene spelen zodat slechts in zeer uitzonderlijke omstandigheden tot een bewarende schorsing van het basisbedrag van de gezinsbijslag worden overgegaan.

Concreet zal dit bijvoorbeeld het geval kunnen zijn indien de gezinsbijslagen worden uitbetaald voor een fictief kind of een kind waarvan vaststaat dat het in het buitenland woont en onterecht in Vlaanderen is gedomicilieerd.

Na het advies van de Raad van State wordt de bepaling als dusdanig aangepast dat indien door de gezinsinspecteurs dergelijke ernstige aanwijzingen van fraude worden vastgesteld, de uitbetalingsactor verplicht is tot opschorting over te gaan. Er wordt eveneens toegevoegd dat ook indien de begunstigde heeft meegewerkt aan de frauduleuze informatie zonder deze zelf te hebben meegedeeld een opschorting zal plaatsvinden.

Titel 3. Nalevingsondersteuning en handhaving ten aanzien van de burgers

Hoofdstuk 1. Nalevingsondersteuning

Afdeling 1. Raadgeving

Artikel 128

Aansluitend bij de beleidstraditie inzake gezinsbeleid en de doelstellingen van het nieuwe decreet voorziet dit artikel in een instrument dat preventief optreden mogelijk maakt. Een gelijkaardig instrument bestaat reeds in het Decreet 2004 Sociaalrechtelijk toezicht[35] en andere beleidssectoren, zoals het onroerenderfgoedbeleid en het milieubeleid. Het heeft er in de praktijk zijn nut bewezen. Wat de hier voorliggende wetgeving betreft, ligt het instrument in het verlengde van de algemene raadgevingsverplichting bepaald in het hoofdstuk ‘Rechten en plichten van uitbetalingsactoren en begunstigden’. Deze eerste alinea vermeldt de bevoegdheid voor de gezinsinspecteurs om alle inlichtingen en adviezen te geven die nodig zijn om de toepassing en naleving van de decretale bepalingen te realiseren. De gezinsinspecteurs kunnen ook adviezen geven aan de gezinnen waardoor de gezinnen de toekenning kunnen krijgen van alle toelagen waarop ze recht hebben. Deze begeleidende bevoegdheid van de gezinsinspecteurs is decretaal vastgelegd in artikel 23 2° van het decreet van ... .

Deze bevoegdheid is een eerste stap in het preventief optreden van de overheid en moet vermijden dat inbreuken worden gepleegd of dat de gezinnen niet de toelagen krijgen waarop ze recht hebben.

Het geven van inlichtingen en adviezen is een facultatieve optie: een gezinsinspecteur “kan” inlichtingen en adviezen geven. Zoals alle bestuursoptreden is ook dit bestuurlijke optreden onderworpen aan de beginselen van behoorlijk bestuur, zoals het zorgvuldigheidsbeginsel en redelijkheidsbeginsel.

De tweede alinea bepaalt op welke wijze de gezinsinspecteurs kunnen optreden indien een inbreuk dreigt op te treden.

De monitoring van de naleving van de regelgeving inzake het toeslagenstelsel zal in groeiende mate stoelen op datamining en -analyse (datafluxen). Uit deze informatiestromen kunnen signalen blijken dat er iets verkeerd zou kunnen zijn of kunnen gaan. De raadgeving geeft bij dergelijke signalen een alternatief voor een bezoek ter plekke.

[35] Art. 6, §1, 1° Decreet 30 april 2004 tot uniformisering van de toezichts-, sanctie- en strafbepalingen die zijn opgenomen in de regelgeving van de sociaalrechtelijke aangelegenheden, waarvoor de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaamse Gewest bevoegd zijn (geformuleerd als het geven van ‘inlichtingen en adviezen’). Zie overigens ook art. 21, 1° Sociaal Strafwetboek (‘SSw’).

Artikel 129

De aanmaning is het zachtste sanctionerende instrument uit de instrumentenwaaier die in dit hoofdstuk ter beschikking is gesteld om de naleving van de regelgeving te ondersteunen. Als sanctionerend instrument, is het een instrument waarvan het gebruik aan de orde is nadat een inbreuk werd

vastgesteld.[36] Het gaat om een geschreven stuk. Dit stuk bevat een uitnodiging om het nodige te doen om zich binnen een gegeven termijn in orde te stellen.

Het instrument bestaat in verschillende beleidsvelden. Aanmaningen leiden er op zachte wijze tot een terugkeer naar de legaliteit in de talrijke gevallen waar er sprake is van onwetendheid of onzorgvuldigheid eerder dan bewuste onwil.

Met de aanmaning, wordt het ook binnen de sanctionering van het stelsel betreffende de toelagen in het kader van het gezinsbeleid mogelijk om aan een minimale maatschappelijke kost in een meerderheid van de inbreukdossiers de terugkeer naar de legaliteit te bewerkstelligen.

Het artikel maakt geen onderscheid tussen inbreuken; het maakt het mogelijk aanmaningen te geven voor iedere inbreuk zoals gedefinieerd in artikel 3, §3, 5° van voorliggend decreet, ongeacht de inbreuk als inbreuk niveau 1 of inbreuk niveau 2 kwalificeert op grond van de hierna volgende artikelen 137 en 138.

Aanmaningen worden gegeven door de gezinsinspecteurs. Wordt er geen gevolg aan gegeven, kan er worden doorgeschakeld naar bestuurlijke sancties. De bevoegdheidsuitoefening is facultatief (de gezinsinspecteur “kan” aanmanen). Mocht de inspecteur het in een gegeven dossier een maat voor niets achten om een aanmaning te geven, kan hij onmiddellijk een beroep doen op hardere sanctioneringsinstrumenten.

Bij  de vaststelling van een inbreuk hebben de gezinsinspecteurs de mogelijkheid te beoordelen of ze een aanmaning opmaken of niet. Deze discretionaire beslissingsruimte is niet enkel in te vullen in het licht van de concrete inbreuksituatie maar ook rekening houdend met de ruimere wettelijke context. Aldus vervalt de keuze bij samenhang of samenloop van strafbare feiten uit het gemeen recht. Indien de inbreuk gevolgen heeft voor de uitbetaling van de toelagen behoort steeds een proces-verbaal van vaststelling worden opgemaakt. Voor de rechtszekerheid van de gezinnen is het immers belangrijk dat de bedragen van de toelagen aangepast worden nadat de vaststellingen op de voorgeschreven wijze zijn opgenomen in een proces-verbaal en bekendgemaakt aan de betrokkenen.

Het geven van een aanmaning bij de vaststelling van een inbreuk zonder dat dit gepaard gaat met een proces verbaal van vaststelling van inbreuk, een afwijking van artikel 29 van het Wetboek van Strafvordering.

Volgens deze bepaling van het strafprocesrecht is iedere ambtenaar die in de uitoefening van zijn ambt kennis krijgt van een misdaad of van een wanbedrijf verplicht daarvan dadelijk aangifte te doen bij de procureur des Konings. Het eigen karakter van de beleidsmaterie, gericht op de ondersteuning van gezinnen en kinderen, maakt deze uitzondering op de federale bepaling noodzakelijk.

[36] Ook het Decreet 2004 Sociaalrechtelijk toezicht en het SSw voorzien in een vergelijkbaar instrument. Zie art. 6, §1, 2° en 30 decreet te lezen met artikel 6, §3, decreet, met keuze voor de term ‘waarschuwing’: de waarschuwing is een verzoek aan de overtreder om zich in regel te stellen, in een bepaalde termijn. Gelijkluidend: art. 21, 2°-3° SSw.

Hoofdstuk 2. Bestuurlijke maatregelen

Artikel 130

In de dossiers waar het gebruik van de aanmaning tevergeefs was of naar het oordeel van de handhavers een maat voor niets is, kan een beroep worden gedaan op het verdere sanctioneringsinstrumentarium. Op de bestuurlijke transactie na, bestaat dit uit eenzijdig opgelegde sancties. Gezien het beleidsdomein, lijkt het belangrijk probleemoplossende sancties (‘remedial sanctions’) een plaats te geven naast de bestraffende instrumenten (‘punitive sanctions’), meer nog, ze een voorkeur te geven in de sanctie-ordening.

Probleemoplossende sancties zijn gericht op een (duurzame) terugkeer naar de legaliteit: de feitelijke situatie terug in overeenstemming brengen met wat zij rechtens behoort te zijn en herhaling van de illegale toestand voorkomen. Ze beogen geen leedtoevoeging. Hier noemen we ze ‘bestuurlijke maatregelen’.

Naar verderop (artikel 176 e.v.) blijkt, voorziet voorliggend decreet in verschillende soorten bestuurlijke maatregelen. Ten aanzien van burgers kan slechts één type bestuurlijke maatregelen worden ingezet: de regularisatiemaatregel.

Artikel 131

Dit artikel bepaalt welke types bestuurlijke maatregelen kunnen worden opgelegd t.a.v. de burgers. Naar uit de navolgende bepalingen blijkt, verschuift het dossier in dit stadium van de gezinsinspecteur naar het bevoegde bestuursorgaan.

In de kantlijn een opmerking: in de inbreukdossiers waar onverschuldigde toelagen in het kader van het gezinsbeleid werden betaald, zal de uitbetalingsactor in regel overgaan tot een terugvordering van onverschuldigde betaalde bedragen met toepassing van de desbetreffende bepalingen uit de Titel Rechtsbescherming. De in deze Titel bepaalde sanctionering zal zich dan ook quasi-steeds toevoegen aan een terugvordering.

De regularisatiemaatregel, een typische bestuurlijke maatregel, beoogt probleemoplossing. Hier geldt eveneens de hoorplicht, zoals bepaald in artikel 119.

Het tweede lid somt een aantal voorbeelden op van de strekking die een regularisatiemaatregel kan hebben. De opsomming is niet limitatief. De voorbeelden sluiten aan bij de praktijk: woonplaatsfraude, fraude inzake de gezinssamenstelling en, bijkomend, inkomensfraude zijn drie veel voorkomende problemen. Het begrip ‘gezin’ wordt gedefinieerd in artikel 3, §1, 17° van het decreet. Deze praktijkvoorbeelden vloeien onder meer voort uit het gegeven dat de informatiedoorstroming van Rijksregister naar bevolkingsregister naar uitbetalingsactoren een paar maanden tijd vergt.

De miskenning van een regularisatiemaatregel is een strafbaar misdrijf (zie artikel 137 verderop).

Artikel 132

Dit artikel voorziet in een variant op de regularisatiemaatregel: de regularisatiemaatregel met opschorting van betaling van toelagen in het kader van het gezinsbeleid.

In gevallen van kennelijke onwilligheid, is het mogelijk om een regularisatiemaatregel te koppelen aan een opschorting van de betalingen, ten einde resultaat te boeken. Dit instrument beoogt ook in dergelijke problematische gevallen een kans te bieden om tot probleemoplossing te komen. Probleemoplossing (versus bestraffing) is immers het eerste doel van deze sanctioneringsregeling als geheel.

Het bestaan van “kennelijke onwilligheid” is een voorwaarde om dit type regularisatiemaatregel te kunnen opleggen.

De opschorting van de betaling van toelagen in het kader van het gezinsbeleid is hier een uitvoeringsinstrument, per analogie met een dwangsom[37]. In dossiers waar het pakket toelagen in het kader van het gezinsbeleid ook gezinsbijslag (basisbedrag) omvat, kan de opschorting worden beperkt tot de overige toelagen in het kader van het gezinsbeleid (andere dan het maandelijkse basisbedrag (zie bewoordingen “gehele of gedeeltelijke opschorting”). Zoals reeds toegelicht bij de bespreking van artikel 127 van het decreet, noopt artikel 23, 6° Grondwet hiertoe. We verwijzen naar deze toelichting. De mogelijkheid tot opschorting wordt beperkt in de tijd. Bij uitvoering van de regularisatiemaatregel, wordt de achtergehouden som betaald, zonder interesten gezien wangedrag van de begunstigde de reden tot inhouding van het geld vormt.

De uitvoering van de maatregel dient een vaststaand feit te zijn. Ook de miskenning van een dergelijke maatregel is een inbreuk van niveau 1 (zie artikel 137 verderop).

[37] Te onderscheiden van de opschorting van betaling van gezinsbijslagen bij wijze van bewarende maatregel, in dossiers waar er kennelijk iets misloopt (fraude), in afwachting van meer definitieve informatie en beslissingen. Als bewarende maatregel, is de opschorting van betaling van gezinsbijslagen thans beperkt tot hoogstens zes maanden. Deze bewarende maatregel beschermt niet alleen de overheidsfinanciën maar ook de betrokken burgers, door het verder oplopen van een terug te betalen gezinsschuld tegen te gaan.

Artikel 133

Gezien het grote belang van zekerheid over de uitvoering van de regularisatiemaatregel, kunnen bijvoorbeeld nadere regels worden bepaald aangaande de vaststelling van de uitvoering. Dit artikel behoeft voorts geen nadere commentaar.

Ingevolge het advies van de Raad van State (randnummer 73) wordt de zinsnede in fine van dit artikel “ en voor het beroep daartegen” geschrapt omdat de Vlaamse Gemeenschap in beginsel niet bevoegd is om de procedure voor de arbeidsrechtbank te regelen.

Artikel 134

Tegen iedere regularisatiemaatregel kan beroep worden ingesteld bij de arbeidsrechtbank. Dit kan met een verzoekschrift, wat relatief gezien meer laagdrempelig is dan een dagvaarding.

De arbeidsrechtbank is, naar verder zal blijken, ook bevoegd voor beroepen van burgers tegen aan hen opgelegde bestuurlijke geldboeten. De keuze van de arbeidsrechtbank als rechtbank bevoegd voor de beroepen tegen alle bestuurlijke sancties opgelegd op grond van dit decreet, neemt de volgende elementen mee:

  • Bestuurlijke maatregelen en bestuurlijke geldboeten zullen slechts schaars worden opgelegd, gezien het voortraject met mogelijkheden tot preventie (raadgevingen), de mogelijkheid tot zacht optreden met aanmaningen (probleemoplossend gericht) en de mogelijkheid tot transactie (bestraffing). Dit brengt mee dat de meerwaarde van een eventueel bijkomend georganiseerd bestuurlijk beroep noodzakelijk beperkt is (naar empirisch onderzoek uitwijst, leidt zo’n tussenniveau tot definitieve geschillenbeslechting voor ca. 90-95% van de beroepen beslissingen, die zelf ca. 10 % uitmaken van de genomen sanctiebeslissingen).
  • De arbeidsrechtbank werkt relatief laagdrempelig (informeel), goedkoop en snel.
  •  Voor bestuurlijke geldboeten heeft de arbeidsrechtbank bijkomende troeven: (1) een decennialange ervaring met bestuurlijke beboeting (Wet 1971 Administratieve geldboeten) en (2) mogelijkheid tot een dubbele aanleg (inwerkingtreding van het Zevende EVRM-protocol t.a.v. België op 1 juli 2012; zie ook artikel 14.5 BUPO).

Deze keuze is formeel verankerd in artikel 196 van voorliggend decreet, dat een overeenkomstige wijziging doorvoert van artikel 580 van het Gerechtelijk Wetboek, een bepaling die de bevoegdheid van de arbeidsrechtbanken mede omschrijft.

De beroepstermijn van drie maanden is geïnspireerd door artikel 23 van de wet van 11 april 1995 tot invoering van het ‘handvest’ van de sociaal verzekerde.

Bij ontstentenis aan uitdrukkelijke andersluidende bepaling, heeft het beroep geen schorsende werking. Deze keuze is weloverwogen gemaakt om de doelmatigheid en doeltreffendheid van de regularisatiemaatregelen veilig te stellen.

Ingevolge het advies van de Raad van State (randnummer 6.1) wordt de term “met een verzoekschrift” geschrapt.

Hoofdstuk 3. Bestuurlijke transactie en bestuurlijke geldboete

Afdeling 1. Basisbepalingen

Artikel 135

In dit artikel wordt er onder meer aan herinnerd dat de bestuurlijke transactie tot stand komt op basis van een voorstel tot betalen dat al dan niet wordt aanvaard door degene tot wie het gericht is. Op grond van dit artikel heeft het bevoegde bestuursorgaan de bevoegdheid een transactie voor te stellen, niets minder maar ook niets meer. Omdat de transactie tot stand komt op basis van vrijwilligheid en geen eenzijdig opgelegde betaalverplichting is, kan de transactie niet als een bestuurlijke sanctie worden bestempeld.

De bestuurlijke geldboete, daarentegen, die bij eenzijdige rechtshandeling van het bestuur wordt opgelegd, is wel een bestuurlijke sanctie. De sanctie is gericht op bestraffing (als tegengesteld aan probleemoplossing).

Artikel 135, eerste lid, maakt geen onderscheid tussen inbreuken; het maakt het mogelijk een transactievoorstel te doen voor iedere inbreuk zoals gedefinieerd in artikel 3, §3, 5° van voorliggend decreet, ongeacht de inbreuk als inbreuk niveau 1 of inbreuk niveau 2 kwalificeert op grond van de hierna volgende artikelen 138 en 139.

In artikel 135, tweede lid, maakt de term “onvoorwaardelijk” het onderscheid t.a.v. dwangsommen, die slechts voorwaardelijk, namelijk bij het niet of niet tijdig uitvoeren van een hoofdverplichting, te betalen zijn.

Artikel 136

Dit artikel voert het onderscheid in tussen twee types bestuurlijke geldboeten: exclusieve en alternatieve bestuurlijke geldboeten.

Exclusieve bestuurlijke geldboeten bestraffen de relatief minst ernstige inbreuken: de inbreuken van niveau 1, opgesomd in artikel 137. Deze categorie inbreuken is volkomen gedepenaliseerd (zogenaamde ‘harde’ depenalisering). De inbreuken zijn geen strafrechtelijke misdrijven. Zij komen niet in aanmerking voor strafrechtelijke behandeling (kunnen bv. niet vervolgd worden voor de strafrechtbanken).

Alternatieve bestuurlijke geldboeten bestraffen de relatief meer ernstige inbreuken: de inbreuken van niveau 2, opgesomd in artikel 138. Deze categorie inbreuken is niet volkomen gedepenaliseerd. Als strafrechtelijke misdrijven, kunnen zij afgehandeld worden met toepassing van artikel 216bis Wetboek van Strafvordering (‘VSBG’, verval van de strafvordering na betaling van een geldboete, zogenaamde ‘minnelijke schikking’ voorgesteld door de procureur des Konings) en vervolgd worden voor de strafrechtbanken. Ze kunnen echter ook worden teruggestuurd naar het bestuur voor eventuele bestuurlijke bestraffing (zogenaamde ‘zachte’ depenalisering).

Artikel 137

Dit artikel somt de inbreuken van niveau 1 op.

De eerste inbreuk geeft het bestuur een instrument in handen om de naleving van de regularisatiemaatregelen op te volgen en niet naleving ook effectief te sanctioneren.

De tweede vermelde handeling is geïnspireerd door artikel 233 § 2 van het sociaal strafwetboek. Deze inbreuk die op dit ogenblik nog kan gesanctioneerd worden met een strafrechtelijke geldboete van 100 tot 1000 euro worden in de huidige regeling dan wel volledig gedepenaliseerd.

Ingevolge het advies van de Raad van State (randnummer 75) werden in dit artikel enkele taalkundige aanpassingen aangebracht.

Artikel 138

Dit artikel somt inbreuken van niveau 2 op.

De opsomming opgenomen in paragraaf 1 is onder meer geïnspireerd door artikel 233 § 1 van het sociaal strafwetboek en de artikelen 13/1 tot 13/3 van het decreet houdende sociaalrechtelijk toezicht.

De meeste van deze inbreuken vermeld in paragraaf 2 gaan gepaard met een vorm van valsheid in geschrifte of informatica. De opsomming is sterk geïnspireerd door de desbetreffende strafbaarstellingen in het Strafwetboek (Sw) (valsheid in geschrifte: de artikelen 196 en 197 Sw, dit laatste te lezen met artikel 213 Sw) (valsheid in informatica: zie artikel 210bis, §1 en §2 Sw)[38].

Valsheid in geschrifte en informatica zijn klassieke misdrijven. Er bestaat een uitgebreide rechtspraak, inclusief cassatierechtspraak, met rechtsleer over. Aldus is er hier gekozen voor een gelijkluidende formulering van de inbreuken, om naadloos te kunnen aansluiten bij de bestaande rechtspraak (rechtsduidelijkheid, dus rechtszekerheid).

Wat het misbruik van vertrouwen aangaat, bepaald in artikel 138, §5, 5°, is inspiratie gezocht in het Decreet houdende Sociaalrechtelijk toezicht, inzonderheid artikel 13/1, §2, 7°, artikel 13/2, §3, 7° en artikel 13/3, §4, 6° alsook 235 van het Sociaal strafwetboek waarin de handelingen met betrekking tot de oplichting in het sociaal strafrecht wordt omschreven.

[38] Zie eveneens de artikelen 13/1-13/3 Decreet houdende sociaalrechtelijk toezicht, inzonderheid artikel 13/1, §2, 5°, artikel 13/2, §3, 5° en artikel 13/3, §4, 4°. Zie tevens de artikelen 13/1-13/3 van hetzelfde decreet, inzonderheid artikel 13/1, §2, 6°, artikel 13/2, §3, 6° en artikel 13/3, §4, 5° en artikel 232 van het sociaal strafwetboek.

Artikel 139

Deze bepaling omschrijft wat als herhaling geldt in het kader van dit decreet. Herhaling is een verzwarende omstandigheid die, zoals verderop blijkt, tot een strengere strafmaat leidt bij bestuurlijke beboeting.

De bewoordingen van het artikel sluiten uit dat er van “herhaling” sprake zou zijn op grond van eerdere schendingen van andere wetten en decreten, bijvoorbeeld een bestuurlijke geldboete opgelegd op grond van het Sociaal Strafwetboek. Ze sluiten tevens “herhaling” uit in het geval van gesanctioneerde inbreuken op de kinderbijslagregeling die bij inwerkingtreding van dit decreet wordt opgeheven.

Afdeling 2. Bestuurlijke transactie

Artikel 140

Paragraaf 1 van dit artikel regelt de bevoegdheid om een transactie voor te stellen.

Belangrijk is dat het om een discretionaire bevoegdheid gaat: het bevoegde bestuursorgaan “kan” een transactievoorstel doen. In dossiers die zwaar zijn, wat betreft de ernst van de feiten en verwijtbaarheid, kan onmiddellijk voor beboeting worden gekozen. In dossiers die niet zwaarwegend zijn, kan ervoor worden gekozen af te zien van monetaire sanctionering (noch transactievoorstel, noch bestuurlijk beboeting).

De voorwaarde dat het bevoegde bestuursorgaan van mening moet zijn dat degene aan wie zij het transactievoorstel doet effectief de overtreder is, beoogt het fenomeen van de vals positieven tegen te gaan (personen die, hoewel onschuldig, op het transactievoorstel ingaan om van alle verdere last verlost te zijn). Zo bv. biedt een bekentenis van de betrokkene doorgaans de nodige zekerheid.

De term ‘transactietermijn’ doelt op de tijd die de overtreder heeft om (al dan niet) op het transactievoorstel in te gaan. De korte transactietermijn van negentig dagen, voorzien in artikel 140, §1, derde lid, ondersteunt het “Lik op stuk – effect“ van een eventuele transactie.

Paragraaf twee preciseert de transactiebedragen.

De transactiebedragen zijn bewust laag gehouden. De transactie is bedoeld als vingertik, niet als zwaar leedtoevoegende straf. Een kleine som volstaat om de boodschap te brengen dat het niet langer zo is dat men niets riskeert door te trachten het toeslagensysteem uit te buiten (bij loutere terugbetaling van onverschuldigd verworven bedragen staat de betrokkene gewoon terug op nul). De vork tussen minimum en maximumbedrag maakt het mogelijk rekening te houden met factoren zoals de gezinssituatie, de ernst van wat is misdaan, de mate aan verwijtbaarheid, …

De minimum- en maximumbedragen bouwen tevens een gradatie in t.o.v. exclusieve en alternatieve bestuurlijke geldboeten. Zowel de minimum- als maximumbedragen liggen lager dan de minimumboeten en de maximumboeten.

Artikel 141

Bij tijdige betaling van de transactiesom, is het bevoegde bestuur niet langer bevoegd om eventueel een bestuurlijke geldboete op te leggen.

Indien, daarentegen, het transactievoorstel impliciet (termijnoverschrijding) of expliciet (schriftelijk) wordt afgewezen, wordt in regel de stap gezet naar het opstarten van een bestuurlijke beboetingsprocedure, die in voorkomend geval tot een bestuurlijke geldboete kan leiden. Wanneer echter de betrokken bestuurde een gegronde verklaring geeft voor het afwijzen van de transactie, bv. aantoont dat hij toch niet de overtreder is of dat de feiten niet zijn wat is aangevoerd, heeft het geen zin de beboetingsprocedure te starten.

Volledigheidshalve: een facet van het sanctioneringsinstrument is dat het rechtsbeschermingsvraagstuk uiterst beperkt is. Er is immers geen sprake van een eenzijdig opgelegde betalingsverplichting waartegen toegang tot de rechter moet mogelijk zijn. De transactie is om deze reden een maatschappelijk zuinig instrument (zijde overheid maar ook zijde bestuurde).

Afdeling 3. De exclusieve bestuurlijke geldboete

Onderafdeling 1. Algemeen

Artikel 142

In het geval van herhaling, is er gekozen voor strengheid via een hogere minimumboete. Het gaat hier om gezinnen, niet om bedrijven.

Anders dan verderop (artikel 151) het geval is voor de alternatieve bestuurlijke geldboeten, wordt niet voorzien in tarieven voor de hypothese van verzachtende omstandigheden. De rechtspraak van het Grondwettelijk Hof die tot een specifieke regeling noopt van de hypothese van verzachtende omstandigheden is gebaseerd op het gelijkheidsbeginsel en discriminatieverbod (gelijkheidscontentieux) en betreft uitsluitend bestuurlijke beboetingsregelingen waar voor gegeven feiten zowel bestuurlijke beboeting als strafrechtelijke afhandeling tot de mogelijkheden behoren. Nu inbreuken van niveau 1 volkomen gedepenaliseerd zijn, ontsnappen zij aan dit contentieux.

Om de beboetingsbesluiten eenvoudig leesbaar te houden, is er niet gekozen voor een muntontwaardingscorrectie via verhoging met de strafrechtelijke opdeciemen. Mocht het in de toekomst ooit aangewezen lijken de bedragen aan te passen aan de muntontwaarding, kan dit via een gerichte decreetwijziging.

Artikel 143

Zoals het geval is voor de strafrechtelijke bestraffing moet ook de bestuurlijke bestraffing een evenwicht betrachten tussen de voor- en nadelen van bestraffing met het oog op de bescherming van de maatschappelijke belangen (rust, orde, …). Vandaar dat ook dit bestuurlijke beboetingsstelsel voorziet in een afbakening van de beboetingsbevoegdheid in de tijd, per analogie met de strafrechtelijke verjaring van de feiten. De termijn bedraagt drie jaar: een inbreuk van niveau 1 die al die tijd niet tot beboeting leidt, moet vermoed worden werkelijk weinig ernstig te zijn.

De bepaling van de aanvang van de termijn, gekoppeld aan de datum van afsluiting van het proces-verbaal van vaststelling van de inbreuk, waarborgt rechtszekerheid en handhaafbaarheid.

Onderafdeling 2. Procedure tot oplegging van een exclusieve bestuurlijke geldboete

Artikel 144

Dit artikel detailleert de beboetingsprocedure.

De beboetingsprocedure gaat van start met een kennisgeving, aan de vermoedelijke overtreder, van de opstart van de procedure. In de gevallen waar eerste een transactievoorstel is gedaan, neemt de desbetreffende kennisgevingstermijn van zestig dagen een aanvang na het verstrijken van de transactietermijn. In de overige gevallen, neemt de kennisgevingstermijn van zestig dagen een aanvang na de kennisgeving van het proces-verbaal tot vaststelling van de inbreuk. Deze laatste kennisgeving is geregeld in artikel 125, §1 van voorliggend decreet en dient te gebeuren binnen een termijn van veertien dagen na de datum van afsluiting van het proces-verbaal.

Bijzondere aandacht gaat naar de hoorplicht, die voortbouwend op artikel 119 van voorliggend decreet, nader gedetailleerd is. Naar aanleiding van de ontvangst van het proces-verbaal van overtreding opent het bevoegde bestuursorgaan, de beboetingsadministratie, een eigen dossier, onderscheiden van dit van de gezinsinspecteur. Het proces-verbaal van overtreding, met zijn eventuele bijlage, vormt doorgaans de enige inhoud van dit dossier wanneer het pas geopend is. Het dossier kan groeien in de loop van het onderzoek van de feiten, bijvoorbeeld wanneer met toepassing van artikel 146 aanvullende inlichtingen worden ingezameld.  De “gegevens waarop het voornemen tot het opleggen van een bestuurlijke geldboete berust” zijn in eerste orde de gepleegde wederrechtelijke feiten en de bepalingen waarmee zij in strijd zijn, die in het proces-verbaal opgenomen zijn (artikel 125, §2, van het decreet). De hoorplicht geldt uitsluitend t.a.v. de vermoedelijke overtreder en verschilt onder meer in dit opzicht grondig met de situatie beoogd door het decreet van 26 maart 2004 betreffende de openbaarheid van bestuur, dat de toegang van bestuursdocumenten voor iedere persoon betreft.

Proceseconomisch gezien, rendeert horen: hoe meer informatie, hoe meer kans op kwalitatief correct geïnformeerde en gemotiveerde beboetingsbesluiten, hoe minder kans op beroepen. In die zin is het ook belangrijk dat het bevoegde bestuursorgaan de regelgevende bepalingen en feiten waarop een beslissing is gebaseerd, voldoende zou toelichten en bestuursjargon tracht te mijden. In de context van bestuurlijke beboeting sluit de hooplicht ook aan bij de mensenrechtenverdragen: wie “vervolgd” wordt in de zin van artikel 6 en 7 EVRM en 14 en 15 BUPO heeft recht op toegang tot zijn dossier (artikel 6, §3, a) EVRM en artikel 14, §3, a) BUPO).

Er is tevens aandacht voor het zwijgrecht en privilege tegen zelfincriminatie die, wat de bestraffende sanctionering betreft, gewaarborgd worden door artikel 6, §1 EVRM en artikel 14, §3, g) BUPO. Deze waarborgen gelden, strikt juridisch-technisch gesproken, enkel op het niveau van de rechterlijke controle op bestuurlijke beboetingsbeslissingen maar zijn, bij het uitvoeren van een dergelijke controle, van aard om de bestuurlijke bestraffing ongedaan te maken. Vandaar dat ervoor is gekozen de waarborg hier reeds mee te nemen.

Artikel 145

Dit artikel sluit aan bij de hoorplicht als een ‘nuttig’ horen.

Artikel 146

Dit artikel behoeft geen nadere commentaar.

De dienst die beboeting overweegt, moet zich kunnen informeren om de bevoegdheid correct toe te passen.

Onderafdeling 3. De beslissing

Artikel 147

De beboetingsprocedure kan leiden tot een beslissing om geen boete op te leggen. Deze beslissing kan gemotiveerd zijn door de bevinding dat er geen illegale feiten werden gepleegd (geen inbreuk) of de bevinding dat de betrokken persoon niet degene was die de illegale feiten pleegde (geen overtreder). Er kan echter ook voor worden gekozen geen boete op te leggen indien bijzondere redenen in het dossier dit verantwoorden, ook al is de betrokkene schuldig aan de vastgestelde inbreuk. Dan functioneert de bestuurlijke beslissing als parallel voor een eenvoudige schuldigverklaring in het strafrecht.

Vermits het opstarten van een bestuurlijke beboetingsprocedure slechts in een zeer geringe fractie dossiers zal gebeuren (probleemoplossing geniet de voorkeur en de bestuurlijke transactiebevoegdheid biedt een zacht alternatief voor beboeting), moet ervan worden uitgegaan dat een beslissing geen boete op te leggen eerder uitzonderlijk zal zijn.

Artikel 148

Verwijtbaarheid omvat het wetens en willens handelen of nalaten te handelen (dolus generalis) en verwijtbare onzorgvuldigheid.

Dit artikel is ingegeven door rechtspraak van het Grondwettelijk Hof die, ook voor bestuurlijke geldboeten, verwijtbaarheid vooropstelt. Inderdaad: het Hof heeft zich meermaals gekant tegen interpretaties van wetsbepalingen die blinde bestuurlijke beboeting mogelijk maken, waar bestraffing ook kan wanneer de betrokkene geen enkele fout zou hebben begaan.

Het Hof oordeelt dat een dergelijke lezing van de wet een miskenning uitmaakt van het beginsel van het persoonlijke karakter van de straffen, een waarborg die eenieder geniet en die zich uitstrekt tot de bestuurlijke geldboeten nu zij te veel overeenkomst vertonen met strafrechtelijke strafsancties om te kunnen stellen dat de waarden die aan dit beginsel in het strafrecht ten grondslag liggen niet toepasselijk zouden zijn voor de bestuurlijke geldboeten.[39] 

Terloops kan worden opgemerkt dat ervoor is gekozen niet over te gaan tot codificatie van het Non bis in idem – beginsel, het verbod op dubbelle berechting en bestraffing dat ook voor bestuurlijke geldboeten geldt. Dit beginsel, bepaald in artikel 4 Zevende EVRM-Protocol en artikel 14, §7 BUPO, heeft rechtstreekse werking in de Belgische rechtsorde. De rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) inzake het beginsel is evenwel nog steeds niet gestabiliseerd. Dit bleek zeer recent met een arrest van de Grote Kamer van 15 november 2016[40]. Aldus is het niet aangewezen zich aan een codificatie te wagen.

[39] Meest recent en bijzonder duidelijk:GwH 9 februari 2017,nr.16/2017.Voorts: GwH 30 oktober 2001, nr. 132/2001; GwH24 september 2003, nr. 125/2003; GwH 28 maart 2013, nr. 47/2013.

[40] EHRM (Grote Kamer) 15 november 2016, A. en B. tegen Noorwegen.

Artikel 149

Dit artikel voorziet in criteria voor de straftoemeting. Hierbij zal de financiële draagkracht van de beboete persoon eveneens mee in aanmerking genomen worden.

Het artikel behelst een verbijzondering van het evenredigheidsbeginsel vervat in artikel 118 van voorliggend decreet. Het is specifiek afgestemd op het bestraffende karakter van de bestuurlijke geldboeten.

Het spreekt voor zich dat de financiële draagkracht van de beboete persoon aan de hand van bewijsstukken te onderzoeken is. Vandaar onder meer de mogelijkheid om, met toepassing van artikel 144, §2, van dit decreet, de vermoedelijke overtreder om stukken te vragen die zijn financiële draagkracht toelichten. Recente belastingaangiften vormen een relevant, zij het niet onversneden afdoende, bewijsstuk om de financiële draagkracht toe te lichten. Andere bewijsstukken die kunnen bijdragen tot een beoordeling va de financiële draagkracht  betreffen onder meer de gezinssamenstelling, loonstrookjes, officiële statuten met vervangingsinkomsten (werkzoekende, invalide …), woonlasten, …

Artikel 150

Dit artikel gaat in op de inhoud van het beboetingsbesluit.

De motiveringsverplichting betreft niet enkel de stap naar het opleggen van een boete maar ook de straftoemeting. Uiteraard is voorgaand artikel rechtstreeks relevant voor de motivering van het boetebedrag. De bepaling in haar geheel beoogt de informatieverstrekking naar de beboete persoon te ondersteunen.

Artikel 151

De beslissings- en kennisgevingstermijn van negentig dagen is een termijn van orde. Het is wel degelijk zo dat zowel beslissen als kennisgeven binnen deze termijn dienen te gebeuren. Niet naleving van de termijn is gesanctioneerd door de redelijke termijneis.

Afdeling 4. De alternatieve bestuurlijke beboeting

Onderafdeling 1. Algemeen

Artikel 152

Wat alternatieve bestuurlijke beboetingsstelsels betreft, bestaat er uitgebreide rechtspraak van het Grondwettelijk Hof in het kader van het zogenaamde gelijkheidscontentieux (grondwettelijk verankerde gelijkheidsbeginsel en discriminatieverbod).

Op grond van dit contentieux moet in alternatieve bestuurlijke beboetingsstelsels de mogelijkheid worden voorzien om bij verzachtende omstandigheden onder de wettelijk bepaalde minimumboete te gaan bij het bepalen van de strafmaat. Dit per analogie met artikel 85 Strafwetboek.

Wat verzachtende omstandigheden zijn, is niet gedefinieerd in het Strafwetboek. De praktijk heeft het begrip ingevuld. Het is aangewezen het begrip ook open te laten in dit decreet.

Artikel 153

Ook voor de alternatieve bestuurlijke geldboete verhoogt herhaling de minimumboete.

Artikel 154

We verwijzen per analogie naar de toelichting bij artikel 143, de parallel-bepaling inzake exclusieve bestuurlijke beboeting.

Onderafdeling 2. Procedure tot oplegging van een alternatieve bestuurlijke geldboete

Artikel 155

Zoals hogerop uiteengezet, zijn de inbreuken van niveau 2 strafrechtelijk beteugelde misdrijven die ook middels bestuurlijke geldboeten kunnen worden afgedaan.

Dit artikel organiseert het samen bestaan van de twee afhandelingsmogelijkheden (strafrechtelijke en bestuurlijke straffen) door prioriteit te geven aan het strafrechtelijke afhandelingsspoor. Het openbaar ministerie beslist over strafrechtelijke afhandeling dan wel een verwijzing naar de administratie met het oog op bestuurlijke bestraffing. Met de Zesde Staatshervorming bestaan er thans nieuwe kansen om het sorteerbeleid van het parket richting te geven[41]. Het systeem is gekend in de beleidssector. Zo bv. voorziet het Sociaal Strafwetboek (SSw) in een gelijkaardig regeling.

De inbreuken die onder deze regelgeving een sanctieniveau 1 hebben, genieten een harde depenalisering; de overige een zachte depenalisering. Wat deze laatste aangaat, kiest ook het SSw voor een scenario waarin het openbaar ministerie de rol krijgt van spelverdeler tussen de penale en de bestuurlijke sanctionering.

Zoals hogerop toegelicht, voorziet artikel 129 van voorliggend decreet in een uitzondering op de ambtshalve aangifteplicht bepaald in artikel 29, eerste lid, Wetboek van Strafvordering. Wanneer dan wel een proces-verbaal van overtreding wordt opgesteld, wordt dit meegedeeld aan het openbaar ministerie met toepassing van artikel 125, §1, van het decreet. In dezelfde zending, bezorgt de gezinsinspecteur het Openbaar Ministerie een schriftelijk verzoek om zich uit te spreken over de al dan niet strafrechtelijke afhandeling van de inbreuk.

Het openbaar ministerie beschikt over een zogenaamde ‘sorteertermijn’ van honderdtachtig dagen om de instroom aan dossiers te sorteren zaken die het een strafrechtelijke afhandeling waard acht te onderscheiden van zaken die het geen strafrechtelijke afhandeling waard acht en die dan ook kunnen terugvloeien naar de administratie. Zoals in analoge bestuurlijke beboetingsstelsels meest gebruikelijk voorkomt, neemt het openbaar ministerie zijn sorteerbeslissingen uitdrukkelijk of stilzwijgend, door het laten verstrijken van de sorteertermijn van honderdtachtig dagen.

Indien de zaak na uitdrukkelijke of stilzwijgende sorteerbeslissing terugvloeit naar de administratie, wordt het bevoegde bestuursorgaan bevoegd om het dossier te behandelen door bestuurlijke transactie of alternatieve bestuurlijke beboeting. De bevoegdheidsuitoefening is facultatief: het bevoegde bestuursorgaan “kan” een transactievoorstel doen of een beboetingsprocedure starten. Indien het in een gegeven dossier punitieve sanctionering inopportuun acht, kan het bevoegde bestuursorgaan ook beslissen geen verdere stappen te ondernemen en aldus de keuze maken voor een bestuurlijke opportuniteitssepot.

[41] Samenwerkingsakkoord 7 januari 2014 tussen de Federale Staat, de Gemeenschappen en de Gewesten betreffende het strafrechtelijk beleid en het veiligheidsbeleid (BS 17 juni 2014).

Artikel 156

Voor toelichting bij dit artikel wordt verwezen naar de parallelbepaling in de exclusieve bestuurlijke beboeting (artikel 144).

Artikel 157

Voor toelichting bij dit artikel wordt verwezen naar de parallelbepaling in de exclusieve bestuurlijke beboeting (artikel 145).

Artikel 158

Ook voor dit artikel kan worden verwezen naar de toelichting bij de parallelbepaling inzake exclusieve bestuurlijke beboeting (artikel 146).

Onderafdeling 3. De beslissing

Artikel  159

Anders dan de exclusieve bestuurlijke geldboete, kan de alternatieve bestuurlijke geldboete worden opgelegd met geheel of gedeeltelijk uitstel van uitvoering van betaling. Zoals de mogelijkheid om verzachtende omstandigheden in aanmerking te nemen, vloeit ook deze bestraffingsmodaliteit voort uit de hogerop vermelde rechtspraak van het Grondwettelijk Hof inzake alternatieve bestuurlijke beboetingsstelsels (toetsing aan gelijkheidsbeginsel en discriminatieverbod). Uitstel maakt het bestuurlijke beboetingsstelsel complexer maar kent naast deze last ook voordelen: zoals hierna blijkt, vormt de mogelijkheid tot uitstel een sterk instrument voor individuele preventie.

Het verlenen van uitstel is een straftoemetingsmodaliteit waarover het bevoegde bestuursorgaan vrij beslist. Ambtshalve toepassing (of niet-toepassing) is dus normaal. De overtreder kan uitstel vragen maar een verzoek van zijnentwege is niet vereist voor toekenning ervan.

Voor toelichting bij de rest van het artikel kan worden verwezen naar de toelichting bij de parallelbepaling inzake exclusieve bestuurlijke beboeting (artikel  147).

Artikel 160

Zie de toelichting bij de parallelbepaling inzake exclusieve bestuurlijke beboeting (artikel 148).

Artikel 161

Nogmaals kan worden verwezen naar de toelichting bij de parallelbepaling inzake exclusieve bestuurlijke beboeting (artikel 149).

Artikel 162

Het uitstel van uitvoering van betaling wordt verleend voor proefperiode van minstens één en hoogstens drie jaar.

De beboete overtreder die niet hervalt gedurende de proefperiode is blijvend vrijgesteld van betaling van, al naar gelang het geval, de volledige opgelegde boete of dat deel ervan dat onder uitstel is opgelegd.

Onderzoek aangaande de strafrechtelijke praktijk van het uitstel wijst uit dat strafrechters overtreders met een zwaar risicoprofiel op tweeërlei manieren in hun gedrag trachten te beïnvloeden: door het effectief te betalen luik van de boete voldoende hoog te leggen opdat de overtreder zou ‘voelen’ dat zijn gedrag niet door de beugel kan en door, daarenboven, een luik onder uitstel op te leggen dat voldoende hoog is om daadwerkelijke preventieve werking te hebben naar de toekomst toe (cumulatieve werking deel effectief en deel onder uitstel).

Artikel 163

Wat dit artikel aangaat, kan nogmaals worden verwezen naar de toelichting bij de parallelbepaling inzake exclusieve bestuurlijke beboeting (artikel 150). Weliswaar is het artikel meer complex omdat rekening is gehouden met de mogelijkheid tot uitstel.

Artikel 164

Nogmaals kan worden verwezen naar de toelichting bij de parallelbepaling inzake exclusieve bestuurlijke beboeting (artikel 151). Gelet op de grotere complexiteit van de procedure tot het opleggen van een alternatieve geldboete bedraagt de termijn hier echter 120 dagen in de plaats van 90 dagen bij de procedure tot het opleggen van een exclusieve geldboete.

Artikel 165

Dit artikel heeft betrekking op de hypothese dat de beboete overtreder gedurende de proefperiode een nieuwe inbreuk pleegt. Een regeling van deze hypothese is noodzakelijk.

Afdeling 5. Beroep tegen de bestuurlijke geldboete

Artikel 166

Toelichting bij deze bepaling is reeds hogerop gegeven, in de toelichting van de beroepsmogelijkheid voor bestuurlijke maatregelen (regularisatiemaatregelen) bij de arbeidsrechtbank (artikel 134).

De schorsende werking van het beroep zorgt voor een erg effectieve rechtsbescherming, passend voor punitieve sanctionering.

Ingevolge het advies van de Raad van State (randnummer 6.1) wordt de term “met een verzoekschrift” geschrapt. Na het advies van de Raad van State werd de terminologie van artikel 166 in overeenstemming gebracht met de terminologie van artikel 134 (negentig dagen, in plaats van 3 maanden).

Afdeling 6. Betaling van de bestuurlijke geldboete

Artikel 167

Dit artikel voorziet in een vaste betalingstermijn.

Ingevolge het advies van de Raad van State van 8 december 2017  (randnummer 76) werden in dit artikel de ontbrekende woorden “van het bevoegde bestuursorgaan” toegevoegd tussen de woorden “herroepingsbeslissing” en “of” .

Artikel 168

Het is mogelijk betalingsfaciliteiten te bekomen. Toekenning ervan gaat gepaard met een afbetalingsplan, ten einde de afbetaling omkadering te geven.

Artikel 169

Bij wanbetaling bestaat de mogelijkheid tot invordering bij dwangbevel.

Artikel 170

De rechtsvordering tot invordering van het boetebedrag verjaart na vijf jaar. De verjaring wordt gestuit op de wijze en onder de voorwaarden die gebruikelijk gelden op grond van artikel 2244 en volgende van het Burgerlijk Wetboek.

Artikel 171

Dit artikel behoeft geen commentaar.

Titel 4. Nalevingsondersteuning en handhaving ten aanzien van de private uitbetalingsactoren

Hoofdstuk 1. Aanmaning

Artikel 172

De aanmaning is een verplichte stap alvorens een bestuurlijke maatregel te kunnen nemen. Deze stap kan enkel overgeslagen worden indien een maatregel zich opdringt bij hoogdringendheid of indien de vastgestelde inbreuk (bv vastgestelde fraude zoals de vaststelling dat subsidies worden gebruikt voor andere doeleinden) niet kan verholpen worden door de uitbetalingsactor.

In die gevallen heeft een aanmaning geen zin. Dit zijn uitzonderlijke situaties die steeds gemotiveerd zullen worden en die beperkend moeten geïnterpreteerd worden.

Zo kan bij dringende noodzakelijkheid vaak nog wel een aanmaning gestuurd worden waarbij verzocht wordt om op zeer korte termijn te reageren of waarbij de uitbetalingsactor uitgenodigd wordt om mondeling zijn verweer te formuleren alvorens een maatregel te nemen.

Dringende noodzakelijkheid kan bv. betrekking hebben op het feit dat de tijdige en correcte betaling van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid in het gevaar komt.

De aanmaning bepaalt de termijn waar binnen de inbreuk moet hersteld zijn of kan verschillende termijnen bepalen indien er verschillende inbreuken zijn. Hierbij wordt rekening gehouden met de aard van de inbreuk en de tijd die nodig is om hieraan gevolg te geven.

De aanmaning kan de te nemen maatregelen preciseren.

Belangrijk om een efficiënte naleving te realiseren is de tijdige en effectieve opvolging door de overheid van deze aanmaningen.

De aanmaning is geen sanctie maar een uitnodiging om zich na het vaststellen van een inbreuk in regel te stellen.

Indien de aanmaning werd ingewilligd dan kan geen bestuurlijke maatregel voor dezelfde inbreuk worden opgelegd.

Hoofdstuk 2. Bestuurlijke maatregelen

Afdeling 1. Terugvordering, opschorting en stopzetting van de subsidies

Artikel 173

Dit artikel voorziet de mogelijkheid dat het bestuursorgaan dat bevoegd is om de subsidies te verlenen ook de subsidies kan verminderen of stopzetten indien de decretale en reglementaire bepalingen niet worden nageleefd. Het bevoegde bestuursorgaan is ofwel Kind en Gezin ofwel het agentschap al naar gelang de aard van de toegekende subsidies.

Artikel 174

Subsidies zijn door de overheid toegekende middelen om een bepaald doel te realiseren en gebonden aan de naleving van de vastgelegde subsidiëringsvoorwaarden. Voor het algemeen regelgevend kader voor de controle en opvolging van subsidies zijn de artikelen 11 tot en met 14 van de wet van 16 mei 2003 tot vaststelling van de algemene bepalingen die gelden voor de begrotingen, de controle op de subsidies en voor de boekhouding van de gemeenschappen en de gewesten, alsook voor de organisatie van de controle door het Rekenhof (hierna: Algemene bepalingen wet) van toepassing.

Iedere subsidie moet worden aangewend voor de doeleinden waarvoor zij werd verleend (artikel 11 eerste lid). Ook is iedere begunstigde verplicht verantwoording te geven, tenzij een decreet anders bepaalt (artikel 11, derde lid).

De begunstigde verleent de overheid eveneens een controlerecht (artikel 12). Artikel 13 eerste lid voorziet de onmiddellijke terugvordering van de subsidie indien de subsidievoorwaarden niet werden nageleefd, indien de subsidies niet werden aangewend voor de doeleinden waarvoor ze werden verleend of indien de controle wordt verhinderd. Indien geen verantwoording wordt verleend, dan dient het niet -verantwoorde deel te worden terugbetaald (artikel 13 tweede lid). Artikel 14 voorziet de opschorting van de subsidies zolang de begunstigde voor soortgelijke subsidies die hij voordien heeft ontvangen de gevraagde verantwoording niet geeft of zich onttrekt aan de voorziene controle.

De overheid heeft geen discretionaire bevoegdheid. Indien deze inbreuken worden vastgesteld, dan dient de subsidie te worden teruggevorderd.

Artikel 175

Dit artikel geeft de mogelijkheid aan de Agentschappen die bevoegd zijn om de subsidies te verlenen om te beslissen tot de opschorting van de subsidies indien een gesubsidieerde uitbetalingsactor niet de gevraagde verantwoording geeft of zich aan de controle op de aanwending van de subsidies onttrekt.

Afdeling 2. Bestuurlijke maatregelen

Artikel 176

Artikel 176 bevat de bestuurlijke maatregelen die Kind en Gezin kan nemen ten aanzien van de een private uitbetalingsactor.

Artikel 177

Artikel 177 legt de procedure vast voor het voornemen tot het opleggen van een bestuurlijke maatregel ten aanzien van de private uitbetalingsactor. Dit artikel legt ook de bepalingen vast die het voornemen tot het opleggen van een bestuurlijke maatregel minstens moet bevatten.

In de tweede paragraaf wordt de mogelijkheid geboden om bij hoogdringendheid onmiddellijk over te gaan tot de beslissing zonder eerst een voorgenomen beslissing aan de private uitbetalingsactor te betekenen. 

Artikel 178

Artikel 178 verduidelijkt dat ook deze beslissing minstens een aantal bepalingen bevat om de private uitbetalingsactoren te informeren over de modaliteiten en gevolgen van de beslissing en de mogelijkheid om bezwaar in te dienen.

Artikelen 179 tot en met 182

Deze artikelen hebben betrekking op de bezwaarprocedure met betrekking tot de maatregelen ten aanzien van de vergunning.

Gelet op artikel 2, 5° en artikel 12, tweede lid van het Decreet van 7 december 2007 houdende de oprichting van de Strategische Adviesraad voor het Vlaamse Welzijns-, Gezondheids- en Gezinsbeleid en van een Adviescommissie voor Voorzieningen van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin en (Kandidaat-pleegzorgers) is de adviescommissie bevoegd om adviezen te verlenen betreffende negatieve beslissingen met betrekking tot de gedwongen wijziging, de schorsing, de opheffing of de intrekking van een toelating, een vergunning of een erkenning.

Hoofdstuk 3. Bestuurlijke geldboete

Afdeling 1. De exclusieve bestuurlijke geldboete

Artikel 183

Artikel 183, § 1 voorziet een bestuurlijke geldboete bij het niet naleven van de vergunningsvoorwaarden of indien onjuiste of onvolledige verklaringen worden afgelegd om een subsidie te bekomen of behouden. Aangezien de opheffing van de vergunning zware gevolgen heeft voor de dienstverlening aan de burgers en een grote groep gezinnen kan treffen is het noodzakelijk om voldoende krachtige instrumenten te hebben om de naleving van de vergunningsvoorwaarden te realiseren.

Artikel 183, §2 voorziet de procedure voor het opleggen van de exclusieve bestuurlijke geldboete.

Afdeling 2. De alternatieve bestuurlijke geldboete

Artikel 184

Dit artikel voert een bestuurlijke geldboete in voor inbreuken die ook strafrechtelijk kunnen gesanctioneerd worden.

De paragrafen 2 en 3 voorzien de procedure waarbij de vaststelling van de inbreuk door de zorginspecteur aan het openbaar ministerie bezorgd wordt. Het openbaar ministerie kan zich binnen de sorteertermijn al dan niet uitspreken over een strafrechtelijke vervolging. Na die beslissing of na het verlopen van deze sorteertermijn kan Kind en Gezin een bestuurlijke geldboete opleggen. Indien Kind en Gezin een bestuurlijke beboetingsprocedure opstart, dient de hoorplicht bepaald in artikel 119 van voorliggend decreet nageleefd te worden.

Paragraaf 4 voorziet welke gegevens op de kennisgeving van de bestuurlijke gelboete worden vermeld, de motivering en de wijze waarop beroep kan worden ingesteld tegen de beslissing tot het opleggen van een geldboete.

Afdeling 3. Algemene bepalingen 

Artikel 185

Artikel 185 voorziet dat de boete evenredig moet zijn met de ernst van de feiten. Hierbij kan verwezen worden naar de gelijklopende bepalingen bij het opleggen van geldboeten ten aanzien van de burgers (artikelen 149 en 161) en naar de bijbehorende toelichting. 

Bij herhaling wordt de minimumboete verdubbeld.

Artikel 186

Aangezien het om administratieve sancties gaat die door een administratieve overheid worden uitgesproken, doet de Raad van State, met volle rechtsmacht in de zin van artikel 6 EVRM, in beroep uitspraak over de geldboetes. Hij kan de maatregel toetsen op zijn evenredigheid met de vastgestelde feiten en omstandigheden van het dossier en kan de maatregel vervolgens vernietigen.

Ingevolge de opmerking van de Raad van State (randnummer 6.2) wordt de bepaling dat schorsende werking wordt voorzien, geschrapt.

Artikel 187

Dit artikel bepaalt de wijze waarop wordt opgetreden wanneer een betrokkene weigert de boete te betalen. De invordering van de administratieve geldboete kan door de Vlaamse Regering toevertrouwd worden aan de Centrale invorderingscel van de Vlaamse Belastingdienst. Deze cel is daartoe bevoegd ingevolge het decreet van 22 februari 1995 tot regeling van de invordering van niet-fiscale schuldvorderingen voor de Vlaamse Gemeenschap en de instellingen die eronder ressorteren. Deze dienst heeft hiervoor de nodige expertise.

Het dwangbevel wordt vervolgens betekend bij deurwaardersexploot met bevel tot betaling.

Artikel 188

De inning van de geldboete verjaart in elk geval na verloop van vijf jaar. Dergelijke verjaringstermijn levert enerzijds voldoende tijd voor de administratie om tot inning over te kunnen gaan. Anderzijds biedt het aan de rechtsonderhorige voldoende rechtszekerheid.

De verjaring begint te lopen vanaf de datum van de beslissing van Kind en Gezin. Wanneer beroep aangetekend wordt, begint de termijn pas te lopen vanaf de datum van in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing.

De nadere voorwaarden met betrekking tot het opleggen en het innen van deze bestuurlijke geldboetes, worden door de Vlaamse Regering bepaald.

Titel 5. Strafbepalingen

Artikelen 189 en 190

Deze artikelen stellen de inbreuken van niveau 2, bepaald in artikel 138, strafbaar met een gevangenisstraf en een geldboete, of één van deze straffen alleen. Beide artikelen zijn echter niet alleen van toepassing ten aanzien van burgers maar ook ten aanzien van de uitbetalingsactoren. De term ‘persoon’ in beider aanhef  omvat, zoals gebruikelijk, zowel natuurlijke als rechtspersonen. De strafbaarstelling viseert immers ook de onjuiste of onvolledige verklaringen of het nalaten om de noodzakelijke verklaringen af te leggen alsook de valsheid in geschrifte en valsheid in informatica met het oog op ten onrechte ‘doen verkrijgen’ en ‘doen behouden’ van toelagen in het kader van het gezinsbeleid of met het oog op het bekomen van subsidies, inbreuken die door uitbetalingsactoren kunnen worden gepleegd.

Artikel 191

Georganiseerde criminaliteit die toelagen in het kader van het gezinsbeleid tot voorwerp heeft is uiteraard uitzonderlijk. Recente actualiteit (Nederland) wijst echter uit dat ze niet denkbeeldig is.

Dit artikel voorziet in de beteugeling van dit uitzonderlijke type criminaliteit. De omschrijving ervan als misdrijven gepleegd in het kader van een “gestructureerde criminele vereniging” die aan specifieke voorwaarden voldoet, is ontleend aan artikel 1 van het Europese Kaderbesluit 2008/841/JBZ van 24 oktober 2008 tot bestrijding van georganiseerde criminaliteit. Georganiseerde criminaliteit tendeert ertoe grensoverschrijdend te werken. Om deze reden is voor het onderwerp aansluiting bij het Europese begrippenkader aangewezen.

De misdrijven die strafbaar zijn op grond van de artikelen 189 en 190, zijn daar strafbaar gesteld met een vrijheidsstraf die maximaal drie jaar bedraagt. Een vrijheidsstraf van drie jaar behoort dus tot de mogelijkheden. Aldus vallen die misdrijven binnen het bereik van deze bepaling, waarvoor een vrijheidsstraf van drie jaar of een zwaardere straf mogelijk moet zijn.

Ingevolge het advies van de Raad van State (randnummer 77) wordt in het tweede lid, de tekst aangepast om beter aan te sluiten bij de bewoordingen van het Kaderbesluit 2008/841/JBZ van de Raad van 24 oktober 2008 ‘ter bestrijding van georganiseerde criminaliteit’

Titel 6. Nalevingsondersteuning en handhaving ten aanzien van de organisatoren bedoeld in artikel 51, eerste lid, 3°

Artikel 192

Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.

Ingevolge het advies van de Raad van State (randnummer 78) worden procedurele bepalingen opgenomen in het artikel. Daarbij worden dezelfde procedurele voorwaarden hernomen als in art. 183, §2 van dit decreet.

Naar aanleiding van het advies van de Raad van State wordt verduidelijkt dat deze sanctie kan worden opgelegd door Kind en Gezin.

BOEK 4: WIJZIGINGSBEPALINGEN

DEEL 1. WIJZIGINGEN AAN HET GERECHTELIJK WETBOEK

Algemene toelichting bij de artikelen 193 tot 199

In deze artikelen worden een aantal noodzakelijke aanpassingen in het Gerechtelijk Wetboek uitgevoerd. Het gaat hoofdzakelijk om aanpassingen in artikelen die de bevoegdheden regelen van de familierechtbank, vrederechter en arbeidsrechtbank. In deze artikelen worden een aantal noodzakelijke aanpassingen in het Gerechtelijk Wetboek uitgevoerd. Het gaat hoofdzakelijk om aanpassingen in artikelen die de bevoegdheden regelen van de familierechtbank, vrederechter en arbeidsrechtbank.

De rechtsbedeling, met inbegrip van het bepalen van de bevoegdheden van de rechtbanken, in beginsel een federale bevoegdheid. De decreetgever kan niettemin, met toepassing van artikel 10 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, in uitzonderlijke gevallen de bevoegdheden van een andere overheid uitoefenen. Het optreden van de decreetgever moet dan noodzakelijk zijn voor het uitoefenen van de eigen bevoegdheid. Het mag slechts een marginale weerslag hebben op de bevoegdheid van de federale wetgever. Tot slot moet de materie zich lenen tot een gedifferentieerde regeling.

De motieven aan de basis van de aanpassingen zijn, enerzijds, terminologisch van aard. Waar in de vroegere federale regeling sprake was van de kinder- of (gewaarborgde) gezinsbijslag, handelt dit decreet over toelagen in het kader van het gezinsbeleid. Dergelijke aanpassingen zijn noodzakelijk in het kader van de rechtszekerheid en hebben, alleszins wat betreft de vroegere kinder- of (gewaarborgde) gezinsbijslag, uiteraard slechts een marginale weerslag op de bevoegdheid van de federale wetgever. Het spreekt ook voor zich dat deze aangelegenheid zich leent tot een gedifferentieerde regeling.

De noodzakelijkheid, anderzijds, om de bevoegdheid voor de selectieve participatietoeslagen en de kinderopvang- en kleutertoeslagen toe te kennen aan de betrokken rechtbanken, wordt verantwoord door de zorg om te komen tot rechtbanken die in een bepaalde materie een bijzondere ervaring, expertise en specialisatie hebben. 

Voor een goede bevoegdheidsuitoefening inzake de betwistingen over de toelagen in het kader van het gezinsbeleid is het noodzakelijk dat de familierechtbank, vrederechter en arbeidsrechtbank, die een bijzondere ervaring, expertise en specialisatie hebben opgebouwd, die bevoegdheid behouden.

Het is bovendien evenzeer noodzakelijk om de bevoegdheid voor de geschillen betreffende de selectieve participatietoeslagen en de kinderopvang- en kleutertoeslagen toe te wijzen aan diezelfde rechtbanken zodat een geïntegreerd gezinsbeleid, waarbij gezinsbijslagen en de participatie aan kinderopvang en onderwijs hand in hand gaan, tot stand kan komen. Zoals gezegd worden de schooltoelagen, waarvoor momenteel de rechtbank van eerste aanleg bevoegd is, immers geïntegreerd in hetzelfde beleidskader.

Dat logische verband werd reeds erkend bij het totstandkomen van het decreet van 8 juni 2007 betreffende de studiefinanciering van de Vlaamse Gemeenschap, waarbij werd gesteld dat “het studiefinancieringsstelsel een belangrijke selectieve tegemoetkoming is voor personen die het financieel minder gemakkelijk hebben”. Ook de kinderopvang- en kleutertoeslagen maken inhoudelijk deel uit van dit beleidskader en vertonen een logische samenhang met de gezinsbijslagen en selectieve participatietoeslagen. Het is in het kader van het opbouwen van ervaring, expertise en specialisatie voor de toekomst noodzakelijk dat geschillen over de in dit decreet geïntegreerde elementen van het gezinsbeleid, aan dezelfde rechtbanken kunnen worden voorgelegd.

Het optreden van de decreetgever mag voorts slechts een marginale weerslag hebben op de bevoegdheid van de overheid wier bevoegdheid in wezen wordt uitgeoefend. Nu de geschillen over de toelagen in het kader van het gezinsbeleid worden toevertrouwd aan de hoven en rechtbanken die daar op heden ook al grotendeels voor bevoegd zijn, blijft de weerslag op de federale bevoegdheid effectief marginaal. De toevoeging van het contentieux inzake de selectieve participatietoeslagen en de kinderopvang- en kleutertoeslagen aan het takenpakket van de familierechtbank, vrederechter en arbeidsrechtbank blijft alleszins beperkt, aangezien de verwante beoordeling die zij in dat verband zullen uitvoeren, nu ook al uitvoeren wat betreft de kinder- of (gewaarborgde) gezinsbijslag.

Tot slot moet ook worden voldaan aan de voorwaarde dat de materie zich leent tot een gedifferentieerde regeling. Gelet op het feit dat de federale wetgever zelf had voorzien in afwijkingen van de algemene bevoegdheid van de rechtbank van eerste aanleg en de vrederechter, waardoor deze volgens het Grondwettelijk Hof zelf heeft aangenomen dat deze materie zich leent tot een gedifferentieerde regeling , is ook aan deze voorwaarde voldaan. Er is geen reden om aan te nemen dat de toevoeging van de bedoelde beoordeling van de selectieve participatietoeslagen en van de kinderopvang- en kleutertoeslagen aan de bevoegdheid van de vrederechter, familie- of arbeidsrechtbank een gedifferentieerde regeling onmogelijk maakt.

Artikel 193

De magistraten van de rechterlijke orde komen in aanmerking voor de toelagen in het kader van het gezinsbeleid, zoals geregeld in het decreet. Bijgevolg wordt de specifieke bepaling van artikel 363 van het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot kraamgeld en kinderbijslagen voor de magistraten van de rechterlijke orde opgeheven.

Deze gedeeltelijke opheffing van artikel 363, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek is logisch, nu de erin geregelde materie geheel behoort tot de bevoegdheid van de Vlaamse Gemeenschap. Anders dan tot voorheen het geval was, is er voortaan, voor zover hun kinderen binnen het toepassingsgebied van dit decreet vallen, geen noodzaak meer om te bepalen dat ook de magistraten in aanmerking komen voor de toelagen in het kader van het gezinsbeleid.

Artikel 194

De wijziging van artikel 572bis, 8° van het Gerechtelijk Wetboek beoogt de familierechtbank bevoegd te maken voor in beginsel alle geschillen met betrekking tot de aanwijzing van de begunstigde van een toelage in het kader van het gezinsbeleid. Hier wordt de begunstigde in de zin van Boek 3 (d.i. de natuurlijke of rechtspersoon aan wie een toelage in het kader van het gezinsbeleid wordt toegekend of uitbetaald: zie toelichting bij artikel 3, § 3, 1°) bedoeld. Een eerste uitzondering betreft het geval dat een vordering aanhangig werd gemaakt bij de jeugdrechtbank op grond van artikel 29 van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming of op grond van het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade. Een tweede uitzondering betreft de situatie van voogdij, waarvoor de vrederechter bevoegd is.

Ook een meerderjarig kind kan zijn belang inroepen om de aanwijzing van de begunstigde te betwisten.

De familierechtbank oordeelt in het belang van het kind.

De bepalingen van artikel 572bis, 14° en 15° van het Gerechtelijk Wetboek worden opgeheven vermits dit wordt geregeld in het gewijzigde artikel 572bis, 8°. 

Artikel 195

De wijzigingen aan artikel 580 van het Gerechtelijk Wetboek maakt de arbeidsrechtbank bevoegd voor de geschillen betreffende de toelagen in het kader van het gezinsbeleid. De familierechtbank (of uitzonderlijk de jeugdrechtbank of vrederechter) is enkel bevoegd om te bepalen wie de begunstigde(n) is/zijn van een toelage in het kader van het gezinsbeleid. Alle andere geschillen betreffende de toelagen in het kader van het gezinsbeleid behoren tot de bevoegdheid van de arbeidsrechtbank.

Artikel 104 bepaalt wel dat tegen de beslissing van de uitbetalingsactor met betrekking tot de toelagen in het kader van het gezinsbeleid (met uitzondering van geschillen m.b.t. de aanwijzing van de begunstigde(n) en geschillen m.b.t. de kwalificatie van de ernst van de ondersteuningsbehoefte in het kader van de zorgtoeslag voor kinderen met een specifieke ondersteuningsbehoefte) eerst beroep moet worden ingesteld bij de geschillencommissie.

Artikel 112, § 1, laatste lid bepaalt dat tegen de beslissing van de geschillencommissie beroep kan worden ingesteld bij de arbeidsrechtbank. Artikel 196 doet geen afbreuk aan artikel 104.

Enkel de geschillen m.b.t. de kwalificatie van de ernst van de ondersteuningsbehoefte in het kader van de zorgtoeslag voor kinderen met een specifieke ondersteuningsbehoefte, waarvoor de geschillencommissie niet bevoegd is, komen rechtstreeks voor de arbeidsrechtbank. 

Artikel 196

Er kan worden verwezen naar de toelichting bij artikel 194.

Artikel 197

Artikel 628 van het Gerechtelijk Wetboek wijst de territoriaal bevoegde arbeidsrechtbank aan. De wijziging beoogt de arbeidsrechtbank van de woonplaats van de begunstigde van een toelage in het kader van het gezinsbeleid als territoriaal bevoegde rechtbank aan te wijzen.

Artikel 198

De wijziging van artikel 1321 van het Gerechtelijk Wetboek beoogt dit artikel aan te passen aan de terminologie gebruikt in het decreet. Elke rechterlijke beslissing die de onderhoudsbijdrage vaststelt op grond van artikel 203, §1, van het Burgerlijk Wetboek, zal het bedrag van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid moeten vermelden.

Artikel 199

De wijzigingen aan artikel 1410 van het Gerechtelijk Wetboek betreffen in de eerste plaats een aanpassing aan de door het decreet gehanteerde terminologie (begunstigde, toelagen in het kader van het gezinsbeleid).  Na het advies van de Raad van State werd in een technische wijziging de bijslagtrekkende toegevoegd, omdat deze overeenkomstig het bepaalde voor de begunstigde dient te worden toegevoegd.

De wijziging aan artikel 1410, §4, derde lid van het Gerechtelijk Wetboek beoogt duidelijk te maken dat onverschuldigd betaalde toelagen in het kader van het gezinsbeleid, gelet op de bevoegdheidsverdeling, niet kunnen worden teruggevorderd door inhouding op de prestaties bedoeld in §1, 2°, 3°, 4°,5° en 8° die behoren tot de bevoegdheid van de federale overheid.

Het verticaliteitsbeginsel, op grond waarvan de overheid die voor een regelgeving bevoegd is (te dezen de toelagen in het kader van het gezinsbeleid, daarin begrepen de gezinsbijslagen), ook belast is met de zorg van de tenuitvoerlegging,[42] verzet zich daartegen.

Een regeling waarbij bepaald wordt hoe te veel betaalde toelagen in het kader van het gezinsbeleid (kunnen) worden terugbetaald of gecompenseerd, behoort essentieel tot de uitvoering van die regeling zelf. Hetzelfde geldt voor de wijziging aan artikel 1410, §4, vijfde lid van het Gerechtelijk Wetboek.

[42] Zie bijvoorbeeld het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State over het wetsvoorstel betreffende het beheer van het Rijksonderwijs, Parl.St. Kamer 1985-86, nr. 287/2, 2.

DEEL 2. WIJZIGINGEN AAN HET DECREET VAN 7 JULI 2017

Artikel 200

Dit artikel voegt een hoofdstuk 6/1 (artikelen 200 - 204) toe aan het decreet van  … om de nodige rechtsgrond in dit decreet te voorzien met betrekking tot de subsidies die de private uitbetalingsactoren ontvangen om te kunnen instaan voor de uitbetaling van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid.

Dit hoofdstuk bepaalt op welke wijze deze subsidies vastgesteld worden.

Artikel 201

Dit artikel bepaalt dat de private uitbetalingsactoren een subsidie ontvangen vanwege Kind en Gezin om de toelagen in het kader van het gezinsbeleid uit te betalen overeenkomstig de bepalingen van dit decreet.

Artikel 202-204

In deze artikelen wordt de subsidiëringswijze  voor de werkingskosten van de private uitbetalingsactoren vastgelegd. De private uitbetalingsactoren ontvangen van het agentschap naast een subsidie voor de uitbetaling van de toelagen eveneens een subsidie voor werkingskosten. Deze subsidie voor werkingskosten moet de private uitbetalingsactoren toelaten hun opdracht tot uitbetaling van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid optimaal te kunnen uitvoeren.

Het staat de private uitbetalingsactoren vrij te bepalen hoe zij deze middelen wensen aan te wenden binnen de context van de activiteiten waarvoor zij in uitvoering van artikel 29 van het decreet van 7 juli 2017 een vergunning verkregen en van de vergunningsnormen vermeld in artikel 27 en 28 van het decreet van … die betrekking hebben op het gevoerde financieel beleid.

Het huidig financieringsmechanisme, gebaseerd op een combinatie van werklast- en responsabiliseringscriteria is niet meer bruikbaar omdat de architectuur van de kinderbijslag grondig gewijzigd werd. Zo is de impact van de hervorming op de zwaarte van de dossiers niet goed in te schatten omdat het systeem van de uitbetaling grondig wijzigt en er veel onbekenden zijn. Nochtans is het voor de transitie belangrijk om de private uitbetalingsactoren een zicht te geven op de financiering in de toekomst.

Bij de start van de nieuwe regeling wordt de enveloppe bepaald op basis van de enveloppe van 2017. Vanaf het tweede jaar na de inwerkingtreding van dit decreet worden de berekeningswijze en de toekenningsvoorwaarden van die enveloppe bepaald door de Vlaamse Regering.

Een private uitbetalingsactor ontvangt een gedeelte van de enveloppe aan werkingsmiddelen op basis van het gedeelte aan toelagen deze uitbetaalt. Daarnaast ontvangen zij 1,5% van de onterecht uitbetaalde gezinsbijslagen die zij kunnen terugvorderen. De Vlaamse Regering kan criteria bepalen die tot doel hebben het bedrag van de onterecht betaalde gezinsbijslagen zo laag mogelijk te houden.

De Vlaamse Regering kan op zijn vroegst 2 jaar na de inwerkingtreding van dit decreet, na een grondige evaluatie van de werking van de private uitbetalingsactoren, criteria bepalen om de goede werking van de private uitbetalingsactoren te garanderen.

Artikel 205

Dit artikel behoeft geen verdere toelichting.

DEEL 3. WIJZIGINGEN AAN HET DECREET VAN 30 APRIL 2004

Artikel 206

In het kader van de preventieve gezinsondersteuning, is het opportuun dat Kind en Gezin de persoonsgegevens kan verwerken in verband met het voorafbetaald kraamgeld, het startbedrag geboorte dat ook in toepassing van dit decreet zal kunnen worden voorafbetaald, om zwangere vrouwen zo snel mogelijk te kunnen contacteren.

Daarom wordt in artikel 10, vijfde lid, van het decreet van 30 april 2004 betreffende de oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Kind en Gezin een rechtsgrond opgenomen om in het kader van preventieve gezinsondersteuning persoonsgegevens te kunnen verwerken van toekomstige ouders.

BOEK 5. OPHEFFINGS-, OVERGANGS- EN INWERKINGTREDINGSBEPALINGEN  

DEEL 1. OPHEFFINGSBEPALINGEN

Artikel 207

Dit artikel behoeft geen verdere toelichting.

DEEL 2. OVERGANGSBEPALINGEN VOOR DE TOEPASSING VAN DE GEZINSBIJSLAGEN

Titel 1. Basisbedragen

Hoofdstuk 1. Kinderbijslag

Artikel 208

Artikel 208, § 1 bepaalt dat kinderen die reeds voor de datum van inwerkingtreding van het decreet, met name op 31 december 2018 om 23u59, recht geven op kinderbijslag op grond van de kinderbijslagreglementering en die voldoen aan de toepassingsvoorwaarden van de gezinsbijslagen, bedoeld in artikel 8 (waardoor ze bijgevolg kwalificeren als rechtgevend kind), ook vanaf 1 januari 2019, recht blijven geven op kinderbijslag en dit, in beginsel, totdat deze kinderen niet langer voldoen aan de toepassingsvoorwaarden van de gezinsbijslagen, bedoeld in artikel 8 en uitstromen uit de gezinsbijslagen.

Om recht te blijven geven op kinderbijslag van de kinderbijslagreglementering zijn er dus drie cumulatieve voorwaarden:

  1. het kind is geboren vóór 1 januari 2019;

  2. ten aanzien van dit kind is op 31 december 2018 een recht geopend op kinderbijslag, op grond van de (toenmalige) toepassingsvoorwaarden van de kinderbijslagreglementering; en

  3. het gaat om een “rechtgevend kind”, dat voldoet aan de toepassingsvoorwaarden, bedoeld in artikel 8.

Het bedrag van kinderbijslag waarop het rechtgevend kind recht geeft wordt nader bepaald in paragraaf 2.

Het begrip “recht geopend hebben” op de kinderbijslagreglementering op 31 december 2018 wordt verduidelijkt in die zin dat het volstaat dat op datum van 31 december 2018 ten aanzien van het kind de toepassingsvoorwaarden van de kinderbijslagreglementering zijn vervuld.

Voor de vraag of de bedragen van de kinderbijslag van de overgangsbepalingen, dan wel de bedragen van de gezinsbijslagen van het decreet toepassing vinden is het dus niet relevant of op 31 december 2018 de aanvraag tot toekenning op grond van de kinderbijslagreglementering effectief reeds is geformaliseerd. Dit betekent, bijvoorbeeld, dat een vrouw die in het Nederlandse taalgebied woont en werkt en eind augustus 2018 van een eerste kind bevalt, voor de toekenning van kinderbijslag vanaf 1 januari 2019 binnen de toepassing van artikel 209 zal vallen, ongeacht of ze voor 31 december 2018 dan wel na 1 januari 2019 kraamgeld/startbedrag geboorte aanvraagt.

Onder de toepassing van artikel 208, § 1 worden ook de kinderen inbegrepen die geboren zijn vóór 1 januari 2019 en voor wie, op grond van hun woonplaats in het Franse of Duitse taalgebied of in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, een recht op kinderbijslag is geopend op 31 december 2018 overeenkomstig de kinderbijslagreglementering, en die na de inwerkingtreding van het decreet (vanaf 1 januari 2019 of op een later tijdstip) verhuizen naar het Nederlandse taalgebied (en dus voldoen aan de toepassingsvoorwaarden van de gezinsbijslagen, bedoeld in artikel 8). Ze vallen dus onder het overgangsregime, waarbij ze recht blijven geven op de kinderbijslag, waarop ze op grond van de (Belgische) kinderbijslagreglementering recht hadden.

Artikel 208, § 2 bepaalt de wijze om het bedrag van de kinderbijslag te bepalen waarop een kind, bedoeld in § 1, recht geeft.

Artikel 208, § 2 verduidelijkt hierbij ook dat de groepering rond de bijslagtrekkende zoals deze bestond op datum van 31 december 2018, overeenkomstig artikel 42 van de Algemene kinderbijslagwet en zoals die samengesteld is, of had kunnen samen gesteld zijn, op 31 december 2018 (om 23.59 uur) een ijkpunt is.

Immers, de bedragen van de kinderbijslag van artikel 40 van de Algemene kinderbijslagwet worden als het ware “bevroren” op dit ogenblik. Deze “bevriezing” moet in die zin begrepen worden dat wanneer, na de inwerkingtreding van het decreet, de samenstelling van dit gezin – zoals gevormd op 31 december 2018 - wijzigt, deze wijziging geen invloed (meer) heeft op het bedrag van de kinderbijslag waar het kind recht op zal geven.

Indien de groepering rond de bijslagtrekkende zoals deze bestond op 31 december 2018 uit slechts één rechtgevend kind bestaat, zoals bedoeld in paragraaf 1, geeft het kind recht op het bedrag van kinderbijslag zoals van toepassing in de kinderbijslagreglementering.

Indien de groepering rond de bijslagtrekkende zoals deze bestond op datum van 31 december 2018 uit meerdere rechtgevende kinderen bestaat, bepaalt dit artikel dat de bedragen van de kinderbijslag waarop een rechtgevend kind recht geeft worden aangepast, in aflopende zin, in functie van de leeftijd van de rechtgevende kinderen binnen deze groepering rond de bijslagtrekkende, zodat het jongste kind de laagste kinderbijslag ontvangt, het tweede jongste kind de tweede laagste kinderbijslag ontvangt, en het derde jongste of oudere kinderen de hoogste kinderbijslag ontvangen.

Deze kinderbijslag wordt aan het rechtgevend kind “vastgeklikt” (cf. paragraaf 3). Dit is een omkering van het in de kinderbijslagreglementering toegepaste systeem, dat in een oplopend systeem voorziet (oudste kind geeft recht op de laagste kinderbijslag, tweede oudste kind geeft recht op tweede laagste kinderbijslag, jongste kinderen geven recht op de hoogste bedragen aan kinderbijslag).

Enkele voorbeelden verduidelijken deze regel van artikel 208, § 2.

Het gezin De Smit bestaat op 31 december 2018 uit een gescheiden moeder met twee jonge kinderen van 9 jaar (Billie) en 6 jaar (Bob).

Voor de inwerkingtreding van het decreet, heeft moeder De Smit recht op kinderbijslag voor Billie (oudste) van 92,09 euro en 170,39 euro voor Bob (jongste). Vanaf 1 januari 2019 wordt het hoogste bedrag gekoppeld aan de oudste, het tweede hoogste bedrag aan de tweede jongste en laagste bedrag aan de jongste, etc. Om die reden geeft vanaf 1 januari 2019 het oudste kind Billie recht op de hoogste maandelijkse kinderbijslag, met name 170,39 euro, met name het bedrag zoals op grond van de kinderbijslagreglementering werd toegekend aan een kind van rang 2 overeenkomstig artikel 40, 2° Algemene kinderbijslagwet. De jongste Bob geeft vanaf 1 januari 2019 recht op de maandelijkse kinderbijslag van 92,09 euro, wat opnieuw overeenkomt met eenzelfde bedrag als voorheen werd toegekend op grond van artikel 40, 1° Algemene kinderbijslagwet aan het oudste kind.

Het gezin Peeters bestaat op 31 december 2018 uit een getrouwd koppel met drie kinderen van 15 jaar (Anne), 13 jaar (Victor) en 7 jaar (Lisa). Elk van deze kinderen blijven, overeenkomstig artikel 209, §§ 1 en 2, vanaf 1 januari 2019 recht geven op de kinderbijslagbedragen dewelke hen toegekend werden overeenkomstig de kinderbijslagreglementering, maar de oudste ontvangen de hoogste bedragen en het jongste het laagste bedrag, met name Anne, de oudste, geeft recht op 254,40 euro; Victor, de tweede oudste, geeft recht 170,39 euro en Lisa, de jongste, geeft recht op 92,09 euro (cf. artikel 208, §§ 1 en 2). Het gezin Peeters blijft aldus vanaf 1 januari 2019 eenzelfde totaalbedrag aan kinderbijslag ontvangen, doch de specifieke toewijzing per kind wordt gewijzigd in aflopende zin: de oudste kinderen ontvangen de hoogste bedragen en het jongste kind het laagste bedrag.

Het vormen van een nieuw samengesteld gezin na 1 januari 2019 heeft geen invloed op de kinderbijslag.

Ook wanneer in 2020 een nieuw samengesteld gezin wordt gevormd (bv. na scheiding van mevrouw Peeters in 2019) tussen moeder De Smit en vader Peeters, met vijf kinderen Anne, Victor, Billie, Lisa en Bob blijft elk kind recht geven op diezelfde kinderbijslagbedragen, zoals toegekend op grond van het oorspronkelijke gezin zoals “bevroren” op 31 december 2018.  Anne Peeters, oudste Peeters, blijft recht geven op 254,40 euro; Billie De Smit, oudste, blijft recht geven op 170,39 euro; Victor Peeters, tweede oudste Peeters, blijft recht geven op 170,39 euro;  en Bob De Smit en Lisa Peeters, telkens de jongsten, blijven recht geven op 92,09 euro (cf. artikel 208, § 2).

De geboorte van een rechtgevend kind vanaf 1 januari 2019 heeft geen invloed op de kinderbijslag van de rechtgevende kinderen van het gezin, zoals gegroepeerd rond de bijslagtrekkende op het ijkpunt van 31 december 2018.

Wanneer in 2021 een kind Ada geboren wordt in het nieuw samengesteld gezin De Smit - Peeters zal Ada recht geven op de gezinsbijslagen vastgesteld overeenkomstig Boek 2, Deel 1, Titels 3-5, met name een basisbedrag van 160 euro (met eventuele toeslagen, zo toepasselijk). Anne, Victor, Billie, Lisa en Bob behouden hun kinderbijslag, vastgesteld overeenkomstig artikel 208, § 2.

De vaststelling van de bedragen van de kinderbijslag bij een nieuw samengesteld gezin, zoals dit feitelijk gevormd was uiterlijk op 31 december 2018, gebeurt in functie van de rechtgevende kinderen van de groepering van (elk van de) bijslagtrekkende(n).

Een voorbeeld brengt verduidelijking.

Een nieuw samengesteld gezin moeder Vermeer - vader Maes heeft op 31 december 2018 samen vijf kinderen:

  • Maxim Maes (18 jaar); Lara Maes (16 jaar) en Amina Maes (15 jaar), waarvoor vader Maes bijslagtrekkende is

  • Nora Vermeer (13 jaar) en Senne Vermeer Maes (10 jaar), waarvoor moeder Vermeer bijslagtrekkende is

Voor de inwerkingtreding van het decreet, vermits één nieuw samengesteld gezin is gevormd, geeft Maxim Maes recht op 92,09 euro; Lara Maes recht op 170,39 euro, terwijl Amina Maes, Nora Vermeer en Senne Vermeer elk recht geven op 254,40 euro.

Vanaf 1 januari 2019 dient, overeenkomstig artikel 209, § 2, gekeken te worden naar de groepering rond de bijslagtrekkende op 31 december 2018.  Wanneer het gezin van de bijslagtrekkende uit meerdere rechtgevende kinderen, bedoeld in paragraaf 1, bestaat, wordt het bedrag van de kinderbijslag op aflopende wijze aangepast in functie van de leeftijd van de kinderen, waarbij het oudste kind het hoogste bedrag aan kinderbijslag van de groepering verkrijgt en het jongste kind het laagste bedrag.

Het totaalbedrag aan kinderbijslag in het nieuw samengestelde gezin Vermeer - Maes kan echter niet minder zijn na de inwerkingtreding van het decreet. Dit houdt in dat op 31 december 2018 de groepering rond bijslagtrekkende moeder Vermeer, enerzijds, en rond bijslagtrekkende moeder Maes, anderzijds, als ijkpunt wordt genomen om de bedragen van de kinderbijslag te bepalen in functie van de leeftijd die ze binnen elke groepering innemen, overeenkomstig paragraaf 2.

Dit betekent concreet dat Maxim Maes, als oudste, recht geeft op 254,40 euro, Lara Maes tweede oudste, recht geeft op 170,39 euro en Amina Maes als jongste, recht geeft op 92,09 euro. Dit betekent ook dat Nora Vermeer, als oudste, en Senne Vermeer, als tweede oudste, elk recht blijven geven op 254,40 euro, vermits de bedragen even hoog zijn (en er bijgevolg geen hoogste bedrag aan de oudste en laagste bedrag aan de jongste, kan worden toegekend).

Deze bedragen per rechtgevend kind worden “vastgeklikt” op 31 december 2018 om 23u59u.

Het uiteenvallen van een nieuw samengesteld gezin vanaf of na 1 januari 2019 heeft geen invloed op de vaststelling van de kinderbijslag van de rechtgevende kinderen uit het gezin.

Wanneer het na de inwerkingtreding van het decreet tot een breuk komt tussen de partners van het nieuw samengesteld gezin Vermeer - Maes, behouden de respectieve rechtgevende kinderen de kinderbijslag zoals die hen op het ijkpunt 31 december 2018 is toegekend, overeenkomstig artikel 208, § 2, op voorwaarde dat ze nog niet zijn uitgestroomd uit de kinderbijslag. In het nieuwe gezin moeder Vermeer blijven Nora en Senne dus elk recht geven op 254,40 euro; terwijl in het gezin vader Maes Maxim, Lara en Senne respectievelijk 254,40 euro; 170,39 euro en 92,09 euro kinderbijslag behouden.

Het gegeven dat op 31 december 2018 één (of meerdere) kind(eren) van een gezin geplaatst (is)zijn in een instelling en, voor de kinderbijslag van de rechtgevende kinderen van dit gezin een proportionele verdeling is gemaakt, heeft geen invloed.

De proportionele verdeling van de kinderbijslag, vastgesteld op 31 december 2018, blijft ten aanzien van elk rechtgevend kind behouden, althans totdat een einde komt aan de vanaf of na 1 januari 2019 plaatsing in een instelling of totdat één van deze kinderen van het gezin uitstroomt uit de kinderbijslag (cf. zie verder, onder artikel 208, § 5).

De bedragen van de kinderbijslag bedoeld in artikel 208, § 2 en §3 worden overeenkomstig artikel 4 geïndexeerd.

De derde paragraaf specifieert dat kinderen geboren voor 1 juli 1966 en recht hebben op kinderbijslag volgens de kinderbijslagreglementering, hun bedrag behouden en dus aan hen vastgeklikt wordt, in tegenstelling tot kinderen jonger dan 25 jaar, waar er op niveau van bijslagtrekkende een omkering van de rangbedragen gebeurt, zoals bepaald in paragraaf 2. Het kan immers niet de bedoeling zijn dat deze rechtgevende kinderen plotseling de hoogste rangbedragen zouden meedragen gedurende onbepaalde tijd.

Artikel 208, § 4 verduidelijkt dat de kinderbijslag, vastgesteld overeenkomstig artikel 208, § 2, wordt vastgeklikt in hoofde van het rechtgevend kind.

Wanneer binnen een gezin vanaf de inwerkingtreding van het decreet het aantal rechtgevende kinderen vermindert, doordat één van hen niet langer voldoet aan de toepassingsvoorwaarden van rechtgevend kind, bedoeld in artikel 8, en bijgevolg uitstroomt uit de kinderbijslag, behouden de overige kinderen de kinderbijslag zoals die in hun hoofd is “vastgeklikt” op grond van artikel 209, § 2. Dit betekent dat wanneer het oudste kind vanaf of na 1 januari 2019 uit de kinderbijslag uitstroomt, het hoogste bedrag aan kinderbijslag, dat overeenkomstig artikel 208, § 2 in zijn hoofde is vastgeklikt, komt te vervallen en wordt geschrapt. Treedt het tweede jongste kind vanaf of na 1 januari 2019 uit de kinderbijslag, vervalt het tweede hoogste bedrag aan kinderbijslag. De kinderbijslagbedragen van de resterende kinderen in dat gezin, zoals bedoeld in artikel 208, § 2, worden dus niet meer aangepast in functie van deze uitstroom, wat een aanzienlijke administratieve vereenvoudiging betekent.

Artikel 208, § 4, derde lid, regelt ook de situatie waarbij het recht op gezinsbijslag, na de inwerkingtreding van dit decreet, tijdelijk wordt onderbroken (bv. doordat het gezin is uitgeweken naar het buitenland, naar een ander gewest of doordat een kind stopt met studeren). Wanneer dit kind of deze kinderen bij zijn/haar of hun terugkeer opnieuw een recht op gezinsbijslagen kan/kunnen doen gelden overeenkomstig artikel 8, zal hij/zij of zij opnieuw recht geven op de kinderbijslag, zoals vastgeklikt in zijn/haar of hun hoofde onder de toepassing van artikel 208, § 2.

Artikel 208, § 5, eerste lid verduidelijkt dat wanneer een rechtgevend kind dat op 31 december 2018 geplaatst was in een instelling en vanaf of na 1 januari 2019 niet langer geplaatst is, het kind recht zal openen op de kinderbijslag alsof het kind niet geplaatst zou zijn geweest op 31 december 2018. Vermits echter op 1 januari 2019, overeenkomstig artikel 208, §§ 1 en 2, voor elk van de kinderen van het gezin de kinderbijslag overeenkomstig de proportionele verdeling was bevroren, dient – zo toepasselijk - voor elk van de rechtgevende kinderen deze kinderbijslag aangepast aan genoemde fictie.

Hierbij wordt dus uitgegaan van de (fictieve) situatie alsof er voor de rechtgevende kinderen op 31 december 2018 geen proportionele verdeling was en er geen kind geplaatst was in een instelling op 31 december 2018.

Artikel 208, § 5, tweede lid bepaalt dat de kinderbijslag, vastgesteld op grond van een proportionele verdeelsleutel omwille van de plaatsing van een rechtgevend kind op 31 december 2018, ook beëindigd wordt indien één van de kinderen van het gezin voor wie deze verdeling geldt, vanaf of na 1 januari 2019 niet langer recht opent op de kinderbijslag. Dit kan bv. zowel het geplaatst kind of bv. een ander, niet-geplaatst, kind van het betreffende gezin zijn.

In dit geval geldt opnieuw dat voor elk van deze kinderen (inclusief het geplaatst kind) het bedrag van de kinderbijslag moet worden vastgesteld, abstractie makend van de plaatsing op 31 december 2018, overeenkomstig artikel 208, § 2.

Artikel 208, § 5, derde lid bepaalt het specifiek geval dat de kinderbijslag, vastgesteld op grond van een proportionele verdeelsleutel, ook wordt beëindigd wanneer in het gezin waartoe het geplaatst kind behoort, een nieuw rechtgevend kind instroomt (bv. uit een pleeggezin), dat valt onder toepassing van paragraaf 1, en voor wie bijgevolg op 31 december 2018 een recht op de kinderbijslag was geopend.

In dit geval geldt ook dat voor alle rechtgevende kinderen die behoorden tot het gezin van het geplaatst kind op 31 december 2018 en ten aanzien van wie de proportionele verdeelsleutel is vastgesteld, het bedrag van de kinderbijslag opnieuw moet worden vastgesteld, abstractie makend van de plaatsing op 31 december 2018, overeenkomstig artikel 208, § 2. Het nieuw rechtgevend kind dat vanaf of na 1 januari 2019 instroomt in het gezin van het geplaatste kind, behoudt ook de kinderbijslag, zoals die in zijn hoofde werd vastgeklikt op het ijkpunt van 31 december 2018 om 23u59 zoals bedoeld in paragraaf 1. Er is hiervan geen aanpassing nodig, vermits deze kinderbijslag niet was opgenomen in de op 31 december 2018 van toepassing zijnde verdeelsleutel op het gezin van het geplaatste kind. Deze situatie vindt geen toepassing indien in het gezin een kind geboren wordt na 1 januari 2019 dat niet valt onder de toepassing van deze overgangsbepalingen.

In deze gevallen zal ook enkel voor het rechtgevend kind, bedoeld in paragraaf 1 dat op 31 december 2018 geplaatst was in een instelling en vanaf of na 1 januari 2019 geplaatst blijft, opnieuw een verdeelsleutel van de kinderbijslag worden bepaald, ditmaal overeenkomstig de nieuwe regeling, zoals voorzien in artikel 68.

Deze regel is voorzien in artikel 224.

Het laatste lid van paragraaf 5 voorziet een afwijking voor het geplaatst kind op 31 december 2018 aan wie een derde van de kinderbijslag wordt uitbetaald op een bankrekening op zijn of haar naam, overeenkomstig artikel 70bis, § 4 van de Algemene kinderbijslagwet, wanneer dit kind vanaf of na 1 januari 2019 de plaatsing beëindigd ziet. De verwijzing naar art. 70bis werd gecorrigeerd naar aanleiding van het advies van de Raad van State (randnummer 79).

Aangezien ten aanzien van deze categorie van geplaatste kinderen op vandaag enkel een rechthebbende is vastgesteld en geen bijslagtrekkende, zou de toepassing van het eerste lid van § 5 betekenen dat deze kinderen recht geven op de kinderbijslag voor een eerste kind (zijnde 92,09 euro).

De decreetgever vindt dit bedrag, gelet op de kwetsbaarheid van deze groep kinderen, niet opportuun en opteert er aldus voor om ten aanzien van deze kinderen, bij beëindiging van de plaatsing, te bepalen dat dit kind integraal recht zal geven op de gezinsbijslagen, bedoeld in Boek 2, Deel 1, Titels 3-5.

Artikel 209

Artikel 209 heeft eerbiedigende werking voor de afwijkingen op de kinderbijslagreglementering zoals die golden op 31 december 2018. Het gaat bijvoorbeeld om algemene afwijkingen die zijn opgenomen in de Ministeriële omzendbrief 599 van 16 juli 2007 (Algemene afwijkingen in de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders en in de wet van 20 juli 1971). Deze afwijkingen volgen het mechanisme van artikel 208, met uitzondering van de verwijzing naar artikel 8.

Indien na het einde van deze afwijking het kind aansluitend recht geeft overeenkomstig artikel 8 behoudt het de bedragen overeenkomstig artikel 208.

Hoofdstuk 2. Leeftijdsbijslag

Artikel 210

Paragraaf 1 van dit artikel bepaalt dat deze kinderen, die op 31 december 2018 recht gaven op de kinderbijslag op grond van de kinderbijslagreglementering, ook na 1 januari 2019, recht geven op de leeftijdsbijslagen, zoals vastgesteld door artikel 44, § 2 Algemene kinderbijslagwet in de kinderbijslagreglementering.

Artikel 210, § 2 heeft specifiek betrekking op de leeftijdsbijslag voor het eerste (oudste) rechtgevend kind in het gezin zoals dit gevormd was op 31 december 2018 rond de bijslagtrekkende. Deze paragraaf bepaalt dat zo’n eerste kind, dat op 31 december 2018 recht gaf op kinderbijslag op grond van de kinderbijslagreglementering, ook vanaf 1 januari 2019, recht blijft geven op dezelfde leeftijdsbijslag.

Aangezien overeenkomstig de kinderbijslagreglementering op grond van artikel 44, § 1 Algemene kinderbijslagwet voor het eerste kind een aangepaste leeftijdsbijslag was voorzien, wordt het principe van deze gehalveerde leeftijdsbijslag voor de betrokken kinderen ook behouden. De gehalveerde leeftijdsbijslag blijft van toepassing voor rechtgevende kinderen, bedoeld in paragraaf 2, die op 31 december 2018 nog geen zes jaar geworden zijn en is, bijgevolg, toepasselijk vanaf het moment dat ze de met de leeftijdsbijslag corresponderende leeftijd bereiken.

De bestaande leeftijdsbijslag bedoeld in paragraaf 2 wordt gekoppeld aan het eerste kind van het gezin. Indien er een nieuw-samengesteld gezin wordt gevormd vanaf 2019, dan wordt deze leeftijdsbijslag enkel gekoppeld aan het oudste kind. Dit betekent dat een gezin dat samenwoont op een bepaald adres maar één maal de leeftijdsbijslag bedoeld in paragraaf 2 kan ontvangen, conform de huidige toepassing van de kinderbijslagreglementering. De andere kinderen ontvangen de leeftijdsbijslag zoals bedoeld in paragraaf 1.

Artikel 210, § 3 verduidelijkt dat enkel een eerste kind van het gezin van de bijslagtrekkende, begunstigde of begunstigden de aangepaste leeftijdsbijslag kent. Stroomt het eerste (oudste) kind na de inwerkingtreding van het decreet, dus vanaf 1 januari 2019, uit de gezinsbijslagen, dan verkrijgt het tweede oudste kind deze aangepaste leeftijdsbijslag in plaats van de gewone leeftijdsbijslag overeenkomstig artikel 208. Eenzelfde regeling is vandaag voorzien in de kinderbijslagreglementering.

In de situatie dat het eerste (oudste) rechtgevend kind slechts tijdelijk uitstroomt uit de kinderbijslag en, vervolgens, terugkeert en opnieuw recht opent, verkrijgt dit kind opnieuw de aangepaste leeftijdsbijslag als bedoeld in paragraaf 2. Het tweede oudste kind van het gezin verkrijgt op zijn beurt opnieuw, in plaats van de aangepaste leeftijdsbijslag bedoeld in paragraaf 2, de (gewone) leeftijdsbijslag zoals bedoeld in paragraaf 1.

Artikel 210, § 4, eerste lid behoudt de in de kinderbijslagreglementering voorziene uitzonderingsregeling voor de oudste kinderen van het gezin die alsnog recht geven op een volledige leeftijdsbijslag omdat het kinderen betreffen met specifieke zorgnoden, dan wel omdat ze behoren tot een gezin dat recht heeft op sociale toeslagen.

Artikel 211

Dit artikel behoudt ook de in de kinderbijslagreglementering voorziene uitzonderingsregeling voor kinderen bedoeld in artikel 8, § 2, lid 1, 4° die recht geven op een verhoogde sociale toeslag voor eenoudergezinnen, bedoeld in artikel 41, eerste en tweede streepje van de Algemene kinderbijslagwet.

Titel 2. Kinderbijslag voor wezen

Artikel 212

Artikel 212, § 1 bepaalt dat een kind dat recht gaf op een verhoogde kinderbijslag voor wezen op 31 december 2018 overeenkomstig de kinderbijslagreglementering, recht blijft geven op deze verhoogde kinderbijslag voor wezen.

Het kind dat reeds vóór 1 januari 2019 recht gaf op een verhoogde kinderbijslag voor wezen om reden van overlijden van één ouder (halfwees), behoudt deze verhoogde kinderbijslag voor wezen wanneer ook de overlevende ouder komt te overlijden en hij (volle) wees wordt.

De verlaten halfwezen waarvan de ouder wel een nieuw gezin heeft gevormd, vallen eveneens binnen het toepassingsgebied van deze bepaling en hebben dus steeds recht op een verhoogde kinderbijslag voor wezen (cf. infra, § 2).

De verhoogde kinderbijslag voor wezen blijft ook toegekend aan het rechtgevend kind totdat het uitstroomt uit de gezinsbijslagen, althans voor zover ook na de inwerkingtreding van het decreet de (gebeurlijk) overlevende ouder geen gezin vormt met een persoon die geen bloed- of aanverwant is tot en met de derde graad (behoudens indien het een verlaten halfwees betreft die het recht op een verhoogde kinderbijslag voor wezen blijft behouden, zie artikel 212, § 2, laatste lid).

Artikel 212, § 2 bepaalt immers dat wanneer na 1 januari 2019 de overlevende ouder van een wees een gezin vormt met een persoon die geen bloed- of aanverwant is tot en met de derde graad, het rechtgevend kind niet langer recht geeft op de verhoogde kinderbijslag voor wezen, maar recht zal geven op de gewone wezenbijslag, overeenkomstig artikel 56bis, § 2 van de Algemene Kinderbijslagwet, hetgeen betekent dat deze halfwees recht zal geven op maandelijkse gewone wezenbijslag die overeenkomt met dezelfde bedragen als de (gewone) kinderbijslag, overeenkomstig artikel 40 van de Algemene kinderbijslagwet, met name in principe 92,09 euro voor het oudste kind, 170,39 euro voor een tweede oudste kind en 254,40 euro voor het derde oudste of elk navolgende kind, zoals ook de regeling was zoals die gold in de kinderbijslagreglementering.

Niettemin, op dezelfde wijze als voorzien is op grond van artikel 208, § 2, zal – wanneer er meerdere rechtgevende kinderen zijn in de groepering van de bijslagtrekkende – het bedrag van de gewone wezenbijslag in aflopende zin worden aangepast in functie van de leeftijd, waarbij het jongste kind het laagste bedrag aan kinderbijslag ontvangt, het tweede jongste kind de tweede laagste wezenbijslag en de derde jongste en oudere kinderen het hoogste.

Het bedrag van de gewone wezenbijslag wordt dan “vastgeklikt” in hoofde van het rechtgevend kind op dezelfde wijze als bij de kinderbijslag, zoals bedoeld in artikel 208, § 4. Dit is een omkering van het in de kinderbijslagreglementering toegepaste systeem.

Er kan in dit verband ook verwezen worden naar de toelichting bij artikel 208, §§ 2 en 4.

Een voorbeeld verduidelijkt het systeem.

Het gezin Jansens bestaat op 31 december 2018 uit een alleenstaande weduwe, mevrouw Janssens, met twee jonge kinderen (halfwezen) van 9 jaar (Sam) en 6 jaar (Eline).

De alleenstaande weduwe krijgt voor beide kinderen de verhoogde kinderbijslag voor wezen op 1 januari 2019. Wanneer de weduwe Janssens in mei 2020 hertrouwt met de heer Vermeersch, geven de twee kinderen Sam en Eline recht op de gewone wezenbijslag, dewelke dan op dezelfde wijze wordt “omgekeerd” als bedoeld in artikel 208, § 4. Vóór de inwerkingtreding van het decreet, zou moeder Janssens vanaf het ogenblik dat zij is hertrouwd maandelijks een gewone wezenbijslag voor Sam (oudste) van 92,09 euro en 170,39 euro voor Eline (jongste) uitbetaald worden. Vanaf 1 januari 2019 wordt de omkering toegepast.

Om die reden geeft vanaf het ogenblik dat moeder Janssens is hertrouwd in mei 2020 het oudste kind Sam recht op de hoogste maandelijkse gewone wezenbijslag, met name 170,39 euro, terwijl het jongste kind Eline recht geeft op de maandelijkse wezenbijslag van 92,09 euro.

Wanneer moeder Janssens na verloop van tijd opnieuw alleenstaande wordt (bv. door het overlijden van of door scheiding van de heer Vermeersch), zullen Sam en Eline opnieuw recht geven op de verhoogde kinderbijslag voor wezen.

Daarnaast wordt een regeling uitgewerkt voor gemengde gezinnen waarbij sommige kinderen wel recht hebben op de gewone wezenbijslag en andere kinderen op de gewone kinderbijslag. Indien dergelijke situatie na 1 januari 2019 ontstaat, wordt het ijkpunt 31 december 2018 gehanteerd.

De groepering die op dat moment gold wordt toegepast op alle kinderen samen zoals dat nu ook het geval is (de kinderen die de verhoogde wezenbijslag ontvingen schuiven in, in de groepering van de kinderen die gewone kinderbijslag ontvingen), waardoor hetjongste kind het laagste bedrag ontvangt (ongeacht of dit de gewone wezenbijslag of de kinderbijslag is), het tweede jongste kind het tweede laagste en het derde jongste en oudere kinderen het hoogste.

Deze wijziging van groepering heeft enkel effect in een gezin waar dergelijk weeskind nog steeds verblijft en waar ook kinderen uit die groepering op 31 december 2018 aanwezig zijn. Het is immers niet de bedoeling om kinderen die niet langer tot de groepering van het weeskind behoren nog de gevolgen te laten dragen van wijzigingen in de situatie van een weeskind waar ze geen onderlinge band meer mee hebben. Zij behouden het bedrag zoals dat werd vastgesteld op 31 december 2018, waarbij geen rekening gehouden werd met deze wezen die de verhoogde kinderbijslag voor wezen ontvingen.

Het laatste lid van deze paragraaf voorziet een uitzondering voor de verlaten halfwezen, in dezelfde zin zoals in de kinderbijslagreglementering is ingeschreven. Het is immers wenselijk dat verlaten halfwezen steeds de verhoogde kinderbijslag voor wezen behouden, ook als de overlevende ouder een gezin vormt.

Er wordt een machtiging verleend aan de Vlaamse Regering om het begrip verlaten wees nader te bepalen.

Ingevolge het advies van de Raad van State (randnummer 80) werd een technische correctie in het vierde lid doorgevoerd.

Artikel 212, § 3, voorziet dat wanneer de overlevende ouder vanaf of na 1 januari 2019 komt te overlijden of opnieuw alleen valt, het rechtgevend kind opnieuw recht geeft op de verhoogde kinderbijslag voor wezen, zolang dat in dat laatste geval de overlevende ouder geen gezin vormt met een persoon die geen bloed- of aanverwante is tot de derde graad, overeenkomstig artikel 212, § 1. In die zin is de “vastklikking” van de gewone wezenbijslag “relatief”.

Het verhindert niet dat het rechtgevend kind opnieuw recht kan geven op een verhoogde kinderbijslag voor wezen als de toepassingsvoorwaarden hiervoor zijn vervuld.

Artikel 213

Dit artikel bepaalt dat een rechtgevend kind dat op 31 december 2018 wees is en voor wie op 31 december 2018 op grond van de kinderbijslagreglementering geen recht op een verhoogde kinderbijslag voor wezen is toegekend om reden dat de overlevende ouder een gezin vormt met een persoon die geen bloed- of aanverwant is tot en met de derde graad, recht blijft geven op de gewone wezenbijslag, dewelke feitelijk overeenkomt met de (gewone) kinderbijslag overeenkomstig artikel 40 van de Algemene kinderbijslagwet (cf. zie hoger, onder de toelichting van artikel 212).

Op dezelfde wijze als voorzien is op grond van artikel 208, § 2, zal echter opnieuw – wanneer er meerdere rechtgevende kinderen zijn in de groepering rond de bijslagtrekkende – het bedrag van de gewone wezenbijslag in aflopende zin worden aangepast in functie van de leeftijd, waarbij het jongste kind het laagste bedrag van gewone wezenbijslag ontvangt, het tweede jongste het tweede laagste en het derde jongste en oudere kinderen het hoogste bedrag. Het bedrag van de gewone wezenbijslag wordt ook “vastgeklikt” in hoofde van het rechtgevend kind op dezelfde wijze als bij de kinderbijslag, zoals bedoeld in artikel 208, § 4.

Er wordt naar analogie met de redenering in art. 212 een passage opgenomen om de bedragen te kunnen bepalen voor gezinnen waar kinderen met gewone wezenbijslag en kinderbijslag samen aanwezig zijn op 31 december 2018.

In afwijking van art. 208, §2 moeten zowel de kinderen met kinderbijslag en kinderen met gewone wezenbijslag samen genomen worden bij de omkering van de rangen, aangezien deze laatsten wel degelijk deel uitmaken van de groepering rond de bijslagtrekkende. Zij mogen immers niet apart in deze groepering worden beschouwd en afzonderlijk onderworpen worden aan de omkering van de rangen.

Artikel 213, § 2 bepaalt de situaties wanneer een wees die de gewone wezenbijslag ontvangt, alsnog recht opent op de verhoogde kinderbijslag voor wezen. Dit is niet alleen het geval wanneer zijn overlevende ouder vanaf of na 1 januari 2019 komt te overlijden, maar ook wanneer de overlevende ouder vanaf of na 1 januari 2019 niet langer een gezin vormt met een persoon die geen bloed- of aanverwant is in de derde graad. Artikel 213, § 2, tweede lid, regelt de situatie waar de verhoogde kinderbijslag voor wezen, bedoeld in paragraaf 2, eerste lid, opnieuw “vervalt”, om reden dat de overlevende ouder later opnieuw een feitelijk gezin vormt, zoals bedoeld in artikel 212, § 2.

Ingevolge het advies van de Raad van State werd een technische correctie doorgevoerd (randnummer 81).

Artikel 214

Dit artikel voorziet dat een rechtgevend kind dat pas na 1 januari 2019 wees wordt, om reden dat één of beide van zijn ouders komen te overlijden, recht zal geven op de gezinsbijslagen, zoals bedoeld in Boek 2, Deel 1, Titels 3-5, waaronder de wezentoeslag.

Artikel 215

Kinderen met een verhoogde kinderbijslag voor wezen kunnen geen gehalveerde leeftijdsbijslag ontvangen, de eerste kinderen met een gewone kinderbijslag voor wezen wel.

Titel 3. Zorgtoeslagen

Hoofdstuk 1. Zorgtoeslag voor kinderen met een specifieke ondersteuningsbehoefte

Artikel 216

Dit artikel is geen werkelijke overgangsbepaling, maar wordt met het oog op transparantie en duidelijkheid opgenomen in dit Deel.

Een rechtgevend kind dat vóór 1 januari 2019 geboren is, voor wie het recht op kinderbijslag overeenkomstig de kinderbijslagreglementering is geopend op 31 december 2018 en dat vanaf 1 januari 2019 een specifieke ondersteuningsbehoefte heeft die voortvloeit uit een aandoening die gevolgen heeft voor hemzelf, op het vlak van de lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid of op het vlak van de activiteit en de participatie, of voor zijn familiale omgeving, geeft recht op eenzelfde zorgtoeslag voor kinderen met een specifieke ondersteuningsbehoefte, zoals voorzien in artikel 16, paragraaf 1, naargelang de ernst van de ondersteuningsbehoefte. Er wordt bijgevolg, wat de toekenning van deze zorgtoeslag betreft, geen onderscheid gemaakt naargelang het tijdstip van geboorte van het kind voor dan wel na de inwerkingtreding van het decreet.

Hoofdstuk 2. Pleegzorgtoeslag

Artikel 217

Dit artikel bepaalt dat een kind dat geboren is vóór 1 januari 2019 en vóór 1 januari van dat jaar geplaatst is bij een particulier door bemiddeling van of ten laste van een overheidsinstantie, recht geeft op de forfaitaire pleegzorgbijslag toegekend overeenkomstig de kinderbijslagreglementering. Deze bepaling geldt zolang er geen wijziging in de opvangsituatie bestaat.

Na advies van de Raad van State werd een delegatie voorzien voor de Vlaamse Regering die de nadere regels bepaalt voor het geval de bijslagtrekkende zich niet meer om het kind bekommert.

Er is geen cumulatie mogelijk van pleegzorgbijslag met pleegzorgtoeslag, bedoeld in artikel 17.

Artikel 218

Wordt een rechtgevend kind zoals bedoeld in artikel 209, § 2 slechts na de inwerkingtreding van het decreet en dus vanaf 1 januari 2019 geplaatst door bemiddeling of ten laste van een openbare overheid in een pleeggezin zoals bedoeld in artikel 2, 12° van het decreet van 29 juni 2012 houdende de organisatie van pleegzorg, geeft dit recht kind op een forfaitaire pleegzorgtoeslag, zoals bedoeld in artikel 17.

Deze regeling is ook van toepassing indien er zich een wijziging in de plaatsing voordoet na 1 januari 2019 voor een reeds voor 31 december 2018 geplaatst kind. Een wijziging in de plaatsing moet ruim worden geïnterpreteerd. Het kan gaan om een wijziging van het pleeggezin, maar bijvoorbeeld ook om een wijziging in de uitbetaling van de forfaitaire pleegzorgtoeslag. Enkele voorbeelden zijn:

  • Voorbeeld 1: een kind dat na 1 januari 2019 wordt herplaatst in een nieuw pleeggezin, al dan niet na een (tijdelijke) onderbreking van deze plaatsing;

  • Voorbeeld 2: herroeping uitbetaling forfaitaire pleegzorgtoeslag op basis van artikel 223, § 1, derde lid (bv. door ontzetting uit het ouderlijke gezag);

  • Voorbeeld 3: stopzetting uitbetaling forfaitaire pleegzorgtoeslag door overlijden bijslagtrekkende.

Een wijziging in de plaatsing na 1 januari 2019 heeft dus tot gevolg dat de plaatsing valt onder artikel 17 van het decreet en aan dit artikel moet worden afgetoetst.  

Hoofdstuk 3. Forfaitaire bijslag voor het in een instelling geplaatste kind

Artikel 219

Ter verduidelijking wordt gesteld dat het deze forfaitaire bijslag nooit kan worden gecombineerd met een recht op een basisbedrag, overeenkomstig art. 8 van dit decreet. Indien er toch een dergelijk recht zou ontstaan, vervalt het recht op het basisbedrag.

Titel 4. Sociale toeslagen

Artikel 220

Dit artikel regelt de sociale toeslag ten behoeve van rechtgevende kinderen die geboren zijn vóór 1 januari 2019 en aan wie het recht op kinderbijslag overeenkomstig de kinderbijslagreglementering is toegekend op 31 december 2018.

Met het oog op het uitwerken van een overgangsregeling is het niet wenselijk om het onder de kinderbijslagreglementering bestaande systeem van inkomensselectiviteit te behouden (één inkomensgrens en koppeling aan het socio-professionele statuut), zoals dat werd toegepast in het kader van de toeslag voor langdurig werklozen of de toeslag voor langdurige zieken en arbeidsongeschikten, en tegelijk voor andere kinderen van eenzelfde gezin, die zijn geboren na 1 januari 2019, een ander systeem toe te passen (met twee inkomensgrenzen en los van het socio-professionele statuut). De toekenning van de sociale toeslag wordt daarom voor ieder kind afhankelijk gesteld van de in artikel 18 opgenomen inkomensgrenzen, zonder dat er voor de toekenning van deze toeslag dus nog rekening wordt gehouden met het socio-professionele statuut.

Zoals blijkt uit wat volgt, kan het socio-professioneel statuut in een beperkt aantal gevallen wel nog een rol spelen bij het bepalen van het uiteindelijke bedrag kinderbijslag dat wordt toegekend.

Voor de berekening van de inkomsten van het gezin moet worden teruggegrepen naar het in dit decreet gehanteerde inkomensbegrip. De regels inzake gelijkmatig verdeelde huisvesting, zoals bedoeld in artikel 18, zijn eveneens van toepassing.

Concreet betekent dit dat alle rechtgevende kinderen uit gezinnen met een inkomen onder 30.386,52 euro vanaf 1 januari 2019 recht zullen hebben op een sociale toeslag. Deze keuze heeft tot gevolg dat de groep gezinnen die een sociale toeslag krijgt, wordt uitgebreid.

Het gaat meer bepaald om gezinnen die vóór 1 januari 2019 een inkomen hadden dat lager was dan de in artikel 18, 1° en 2° opgenomen inkomensgrenzen, maar toen geen recht hadden of zouden gehad hebben op een bijkomende toeslag, omdat ze niet binnen een socio-professioneel statuut vielen dat recht gaf op een dergelijke toeslag.

Daarnaast betekent dit dat rechtgevende kinderen die recht geven op kinderbijslag overeenkomstig artikel 208, § 1 of op de gewone wezenbijslag zoals bedoeld in artikelen 212, § 2 en 213, § 1 recht geven op een maandelijkse sociale toeslag wanneer ze behoren tot een gezin die voldoet aan de voorwaarden van artikel 18, lid 2, 3°, althans enkel op voorwaarde dat er in het gezin van zijn of haar bijslagtrekkende, begunstigde of begunstigden een derde of navolgend rechtgevend kind bijkomt vanaf of na 1 januari 2019 dat recht geeft op de gezinsbijslagen van het nieuwe systeem, vastgesteld door dit decreet.

Gezinnen met minstens twee kinderen die recht gaven op de kinderbijslag op grond van de kinderbijslagreglementering, waarin aldus een derde of navolgend kind bijkomt na 1 januari 2019 (dat dus recht geeft op de gezinsbijslagen van het nieuwe systeem), en welke een inkomen hebben tussen 30.386,52 euro en 60.000 euro maken dus de overstap naar het nieuwe inkomensgerelateerde systeem.

Omdat als uitgangspunt geldt dat gezinnen met kinderen die recht hadden op kinderbijslag vóór 1 januari 2019 er financieel niet op achteruit mogen gaan, maar het ook niet de bedoeling is dat deze gezinnen een hoger bedrag aan bijslagen zouden ontvangen dan waar ze vroeger recht op zouden hebben gehad, wordt voor de bedragen van de sociale toeslag voor de kinderen die zijn geboren vóór 1 januari 2019 en op datum van 31 december 2018 recht hadden op kinderbijslag onder de kinderbijslagreglementering teruggegrepen naar de geïndexeerde bedragen van de toeslag voor langdurig werklozen uit de kinderbijslagreglementering, zoals bedoeld in artikel 42bis van de Algemene kinderbijslagwet.

Deze bedragen gelden enkel voor de kinderen van het gezin die zijn geboren vóór 1 januari 2019 en aan wie het recht op kinderbijslag overeenkomstig de kinderbijslagreglementering is toegekend op 31 december 2018.

Indien er na 31 december 2018 in deze gezinnen een kind bijkomt, zullen zij voor dit kind het in artikel 18 opgenomen bedrag van de sociale toeslag ontvangen.

Voorbeelden:

Een gezin met 3 kinderen op 31 december 2018 die recht geven op kinderbijslag overeenkomstig artikel 208, § 1, waarvan de gezinsinkomsten bedragen tussen 30.386,52 en 60.000 euro, heeft geen recht op sociale toeslag.

Een gezin met 2 kinderen op 31 december 2018, waarvan de gezinsinkomsten niet meer bedragen dan 30.386,52 euro:

  • Kind 1 werd geboren op 5 november 2011: dit kind ontvangt bovenop het maandelijks basisbedrag van 170,39 euro (cf. artikel 208, §§ 1 en 2) een sociale toeslag van 29,06 euro (cf. artikel 220, § 1, derde lid, 2°);
  • Kind 2 werd geboren op 3 maart 2013: dit kind ontvangt bovenop het maandelijks basisbedrag van 92,09 euro (cf. artikel 208, §§ 1 en 2) een sociale toeslag van 46,88 euro (cf. artikel 220, § 1, derde lid, 1°).

Een gezin met 3 kinderen, waarvan één kind is geboren na 31 december 2018, waarvan de gezinsinkomsten tussen 30.386,52 en 60.000 euro bedragen:

  • Kind 1 werd geboren op 5 november 2011: dit kind ontvangt bovenop het maandelijks basisbedrag van 170,39 euro (cf. artikel 208, §§ 1 en 2) een sociale toeslag van 29,06 euro (cf. artikel 220, § 1, derde lid, 2°);
  • Kind 2 werd geboren op 3 maart 2013: dit kind ontvangt bovenop het maandelijks basisbedrag van 92,09 euro (cf. artikel 208, § 1, 2°) een sociale toeslag van 46,88 euro (cf. artikel 220, § 1, derde lid, 1°);
  • Kind 3 werd geboren op 7 april 2019: dit kind, dat na 1 januari 2019 is geboren, ontvangt bovenop het maandelijks basisbedrag van 160 euro (cf. artikel 13) een sociale toeslag van 60 euro (cf. artikel 18, tweede lid, 3°).

Op de hierboven uiteengezette principes bestaan enkele uitzonderingen, die enkel van toepassing zijn op situaties waarin de gezinsinkomsten niet meer bedragen dan 30.386,52 euro:

(1) De bijslagtrekkende, begunstigde of de begunstigden van het kind in het gezin dat in aanmerking komt voor de in artikel 50ter juncto artikel 56bis, § 2, artikel 56quinquies, § 1 en artikel 57, lid 1 van de Algemene kinderbijslagwet bedoelde toeslag voor langdurig zieken, arbeidsongeschikten en mindervaliden, behoudt het in die artikelen toegekende hogere bedrag van 100,86 euro, maar nu voor het jongste kind in plaats van voor het oudste kind.

Een delegatie wordt voorzien opdat de Vlaamse Regering de toepassing van de eerste uitzondering uitbreidt tot andere personen dan de bijslagtrekkende of begunstigde(n), op voorwaarde dat deze andere personen een gezin vormen met het rechtgevend kind. Te denken is bijvoorbeeld aan de verhoging van de sociale toeslag bij de inwoonst van een langdurige zieke partner. Een verruimde toepassing is op vandaag opgenomen in de Ministeriële omzendbrief 599.

(2) De bijslagtrekkende of begunstigde van het kind in het gezin dat voldoet aan de vereiste van de in artikel 56quater, vierde lid, van de Algemene kinderbijslagwet bedoelde toeslag voor personen die een overlevingsuitkering genieten, behoudt het in dat artikel toegekende hogere bedrag van 100,86 euro, maar nu voor het jongste kind in plaats van voor het oudste kind.

(3) De bijslagtrekkende of begunstigde van het kind in het gezin waarvan het betrokken kind onder de toepassing valt van artikel 56septies van de Algemene kinderbijslagwet op 31 december 2018 en op die manier de toeslag uit artikel 50ter van de Algemene kinderbijslagwet ontving. Het betrokken rechtgevend kind blijft recht houden op deze toeslag van 100,86 euro zolang dit het gezin van de natuurlijke persoon die op 31 december 2018 ten minste 66 percent arbeidsongeschikt was sedert tenminste 6 maanden, niet verlaat.  Deze regeling behoudt de regeling op dit punt zoals die vandaag is voorzien in het koninklijk besluit van 4 juli 1969 betreffende de toekenning van gezinsbijslag ten behoeve van het gehandicapte kind, bedoeld bij artikel 56septies van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders.

(4) De bijslagtrekkende of begunstigde van het derde en elk volgend kind in het gezin dat in aanmerking komt voor de in artikel 41 van de Algemene kinderbijslagwet bedoelde toeslag voor eenoudergezinnen behoudt het in dat artikel toegekende hogere bedrag van 23,43 euro, maar nu voor de oudste in plaats van voor de jongste.

In voorkomend gevallen heeft/hebben de bijslagtrekkende, begunstigde of begunstigden recht op een verhoogde sociale toeslag. Dit geldt ook wanneer het statuut “eenoudergezin” of “langdurig zieken, arbeidsongeschikten en mindervaliden” of “overlevingsuitkering” pas na 1 januari 2019 komt vast te staan. Ook deze gezinnen zullen recht hebben op de verhoogde bedragen volgens de kinderbijslagreglementering.

Dit gegeven vereist wel dat het statuut van “eenoudergezinnen” of “langdurig zieken, arbeidsongeschikten en mindervaliden” of “overlevingsuitkering” verder moet worden opgevolgd door Kind en Gezin als regulator om te kunnen bepalen of de bijslagtrekkende of begunstigde nog steeds in aanmerking komt voor de verhoogde sociale toeslag. Er wordt dan ook telkens een delegatie verleend aan de Vlaamse Regering om de nadere uitvoeringsmodaliteiten te bepalen, waarin dan ook in de goede opvolging kan worden voorzien.

Indien blijkt dat de bijslagtrekkende of de begunstigde(n) niet langer voldoet(n) aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor de verhoogde toeslag, kan hij of kunnen ze enkel nog aanspraak maken op de in paragraaf 1 bedoelde bedragen, althans voor zover de gezinsinkomsten onder de in artikel 18 bepaalde drempels blijven.

Artikel 220, § 4 voorziet dat voor de toepassing van dit artikel het alleenwonend rechtgevend kind als een gezin wordt aanzien. Voor het overige valt het begrip “gezin” in artikel 41 van de Algemene kinderbijslagwet volledig onder het begrip “gezin”, zoals gedefinieerd in artikel 3, § 1, 17°.

Artikel 221

Artikel 212, § 1 en artikel 213, § 2 bepalen dat een kind dat recht gaf op een verhoogde kinderbijslag voor wezen overeenkomstig de kinderbijslagreglementering, recht blijft geven op deze verhoogde kinderbijslag voor wezen. Artikel 212, § 3 voorziet dat een kind dat recht gaf op een gewone wezenbijslag omdat de overlevende ouder een gezin had gevormd met een persoon, opnieuw recht geeft op een verhoogde kinderbijslag voor wezen, wanneer de overlevende ouder komt te overlijden of geen gezin meer vormt. 

Dit artikel voorziet dat deze kinderen niet in aanmerking komen voor een sociale toeslag. Dat is niet meer dan een bevestiging van de situatie, zoals die gold vóór de inwerkingtreding van dit decreet. De (volle) wees of alleenstaande ouder die de verhoogde kinderbijslag voor wezen ontvangt, verkrijgt reeds een vast (verhoogd) maandelijks bedrag. Dit bedrag ligt steeds hoger dan de gewone en de verhoogde kinderbijslag (voor langdurig werklozen, eenoudergezinnen, langdurig zieken en arbeidsongeschikten). Wie een verhoogde kinderbijslag voor wezen geniet, krijgt dus geen bijkomende sociale toeslag.

Artikel 222

Een rechtgevend kind bedoeld in artikel 8, § 2, lid 1, 4° heeft enkel recht op de sociale toeslag bedoeld in artikel 220, § 1, lid 3, indien het kind voldoet aan de voorwaarden uit artikel 41 van de Algemene Kinderbijslagwet, eerste en tweede streepje, met name:

  • De bijslagtrekkende vormt geen feitelijk gezin in de zin van artikel 56bis, § 2 van de Algemene kinderbijslagwet, en is niet gehuwd, behalve indien een feitelijke scheiding zich na het huwelijk heeft voorgedaan;
  • De bijslagtrekkende geniet geen beroeps- en/of vervangingsinkomsten waarvan het bedrag het maximaal dagbedrag van de invaliditeitsuitkering voor een werknemer met een persoon ten laste, overschrijdt.

Titel  5. Begunstigden

Artikel 223

Artikel 223, § 1 voorziet dat de bijslagtrekkende voor het rechtgevend kind op 31 december 2018 de bijslagtrekkende voor dit kind blijft, tenzij een wijziging in het ouderlijk gezag of in de opvoedingssituatie van het kind zich voordoet.

Een wijziging in de opvoedingssituatie omvat een wijziging in de gezinssituatie doordat een nieuw kind in het gezin bijkomt, een wijziging door plaatsing in een instelling dan wel pleeggezin of een kind dat 18 jaar wordt en verhuisd van de ene ouder naar de andere.

In dit geval worden de bepalingen van aanwijzing van begunstigden en modaliteiten van uitbetalingen overeenkomstig Boek 2, Deel 4, Titel 1, Hoofdstuk 1 en Boek 2, Deel 4, Titel 2, Hoofdstuk 1 toegepast.

De bepalingen van boek 2, deel 4, titel 2, hoofdstuk 3 zijn algemene bepalingen en zijn steeds van toepassing zowel op de bijslagtrekkende als de begunstigde.

Artikel 223, § 1, derde lid voorziet ook dat de bijslagtrekkende die de forfaitaire pleegzorgbijslag uit artikel 218 ontving op 31 december 2018, deze pleegzorgbijslag blijft ontvangen, zolang de toekenning ervan niet wordt herroepen onder de voorwaarden hiertoe door de Vlaamse Regering bepaald.

Artikel 223, § 2, eerste lid voorziet de mogelijkheid dat, anders dan in paragraaf 4, onmiddellijk toepassing kan worden gemaakt van de verhoogde bijslag voor langdurig zieken, arbeidsongeschikten en mindervaliden, zoals bedoeld in artikel 220, § 2. Het is immers niet de bedoeling dat wanneer in het gezin de moeder als bijslagtrekkende is aangeduid en, in de loop van 2019, bij de vader van het gezin een langdurige ziekte wordt vastgesteld, de kinderen van het betreffende gezin niet zouden vallen onder deze verhoogde bijslag.

De Vlaamse Regering kan het eerste lid van paragraaf 2 uitbreiden tot andere personen dan de bijslagtrekkende. Hierbij kan bv. gedacht worden aan de volgende situatie: vader, moeder met invaliditeitsuitkering en kind: in geval van een scheiding waarbij er een niet gelijk verdeelde huisvesting is en het zwaartepunt van verblijf bij de vader is, vervalt de verhoogde bijslag. Hierbij kan bv. ook gedacht worden aan de langdurige zieke oma die inwoont in het gezin van het rechtgevend kind.

Na het advies van de Raad van State werd vastgesteld dat de derde paragraaf een dubbele bepaling was van hetgeen was opgenomen in het laatste lid van de eerste paragraaf. De derde paragraaf werd geschrapt.

Artikel 223, § 3 bepaalt dat vanaf 1 januari 2020 de bijslagtrekkende of mogelijke begunstigde die dit wenst, op schriftelijk verzoek, de toepassing van de bepalingen inzake aanwijzing van begunstigde en inzake modaliteiten van uitbetaling, zoals bedoeld in Boek 2, Deel 4, Titel 1, Hoofdstuk 1 en Boek 2, Deel 4, Titel 2, Hoofdstuk 1, kan vragen.

Wanneer de bijslagtrekkende of mogelijke begunstigde om dergelijke aanpassing verzoekt, dienen de uitbetalingsactoren vanuit hun raadgevingsverplichting de bijslagtrekkende ook te verwittigen dat deze omschakeling naar het systeem van begunstigden implicaties kan hebben wat de berekening van de inkomensmodaliteiten betreft van de sociale toeslag, zoals bedoeld in artikel 18.

Immers, ingevolge artikel 58 zal, bij een gelijkmatig verdeelde huisvesting van het rechtgevend kind bij beide ouders, de helft van de sociale toeslag in het kader van de gezinsbijslagen, toegekend worden aan elk van de ouders die een gezin vormt met het rechtgevend kind dat aan de toekenningsvoorwaarden van de sociale toeslag voldoet. Bij een ongelijkmatig verdeelde huisvesting van het rechtgevend kind bij beide ouders wordt de sociale toeslag, zo toepasselijk, volledig toegewezen aan de ouder waar het rechtgevend kind voor meer dan de helft van de tijd verblijft en dat een gezin vormt dat aan de toekenningvoorwaarden van de sociale toeslag voldoet.

Om te vermijden dat een bijslagtrekkende zich door toepassing van het keuzemechanisme inzake de begunstigde in het eerste lid zou kunnen onttrekken aan de toepassing van de proportionele verdeling zoals deze bestond op 31 december 2018, wordt, na het advies van de Raad van State, dit mechanisme uitgesloten voor de bijslagtrekkende voor wie deze proportionele verdeling onder toepassing van artikel 208, 5 van dit decreet nog van toepassing is.

Artikel 224

Het artikel 224 bepaalt de wijze van uitbetaling en verdeling indien er een kind, bedoeld in artikel 208, § 1, op 31 december 2018 geplaatst is in een instelling.

Het artikel 224 dient samen gelezen te worden met artikel 208, § 5, wat de vaststelling van het bedrag van de kinderbijslag betreft.

Artikel 224, § 1 bepaalt het principe: wanneer een rechtgevend kind dat recht geeft op kinderbijslag overeenkomstig artikel 208, § 1, op 31 december 2018 reeds door bemiddeling of ten laste van een openbare overheid geplaatst is, blijft de wijze van uitbetaling van de op 31 december 2018 vastgestelde bedragen, dewelke “bevroren” zijn overeenkomstig artikel 208, § 1, verder bepaald op grond van de verdeelsleutel zoals die was vastgesteld op grond van de kinderbijslagreglementering, inzonderheid door artikel 70 respectievelijk artikel 70bis van de Algemene kinderbijslagwet.

Op te merken is dat deze verdeling behouden blijft niet enkel ten aanzien van het geplaatst kind, maar ook ten aanzien van de desgevallend overige rechtgevende kinderen van het gezin, bedoeld in artikel 208, § 1, op wie de verdeelsleutel toepassing vindt.

Een afwijking is mogelijk in het belang van het geplaatst kind door de bevoegde rechtbank.

Artikel 224, §§ 2 en 3 voorzien de situaties wanneer de verdeling van de kinderbijslag gebeurt volgens de verdeelsleutel zoals bepaald door Boek 2, Deel 4, Titel 2, Hoofdstuk 1, inzonderheid artikel 68.

Wanneer er vanaf of na 1 januari 2019 voor het op 31 december 2018 geplaatste kind in een instelling een wijziging in de plaatsing is, bv. het kind wordt tijdelijk niet meer geplaatst en, nadien, herplaatst in een andere instelling, zal de verdeling van de uitbetaling tussen de instelling en de bijslagtrekkende, begunstigde of begunstigden gebeuren overeenkomstig de bepalingen van Deel 4, Titel 2, Hoofdstuk 1, inzonderheid artikel 69. De (nieuwe) verdeling gebeurt enkel ten aanzien van het geplaatst kind, niet ten aanzien van mogelijk andere rechtgevende kinderen van het gezin.

Artikel 224, § 3 voorziet in een afwijking op paragraaf 1, waarbij er ook een nieuwe verdeling gebeurt op grond van de bepalingen van Boek 2, Deel 4, Titel 2, Hoofdstuk 1, artikel 68, hoewel er geen wijziging in de plaatsing is gebeurd. Dit zal het geval zijn wanneer één van de toepassingsgevallen voorzien in artikel 208, § 4, tweede of derde lid voorvallen, dit is hetzij het gegeven dat één van de andere rechtgevende kinderen van het gezin, waartoe ook het geplaatst kind behoort, en voor wie op grond van de kinderbijslagreglementering aldus een proportionele verdeelsleutel van de kinderbijslag werd bepaald, uitstroomt uit de kinderbijslag, overeenkomstig artikel 208, § 5, tweede lid; hetzij het gegeven dat, overeenkomstig artikel 208, § 5, derde lid, een nieuw rechtgevend kind, dat voldoet aan artikel 208, § 1, in het gezin “instroomt” na 1 januari 2019. In beide gevallen zal dan, opnieuw enkel ten aanzien van het geplaatst kind, een verdeelsleutel worden vastgesteld op grond van artikel 68 tussen de instelling en de bijslagtrekkende, begunstigde of begunstigden voor het (overeenkomstig artikel 208, § 5 aangepaste) bedrag van de kinderbijslag.

In gevolge het advies van de Raad van State (randnummer 82) werd een technische correctie doorgevoerd.

Titel 6. Keuze van de uitbetalingsactor

Artikel 225

Dit artikel regelt de keuze van de uitbetalingsactor die zal instaan voor de uitbetaling van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid van een rechtgevend kind dat geboren is vóór 1 januari 2019 en aan wie het recht op kinderbijslag overeenkomstig de kinderbijslagreglementering is geopend op datum van 31 december 2018.

Als principe geldt dat de rechtsopvolger van het kinderbijslagfonds dat instond voor de uitbetaling van de kinderbijslag overeenkomstig de kinderbijslagreglementering ook na de inwerkingtreding van dit decreet blijft instaan voor de uitbetaling van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid voor deze kinderen.

De bijslagtrekkende aan wie de toelagen worden uitbetaald in het kader van het gezinsbeleid, kan wel een andere uitbetalingsactor aanwijzen. Om de continuïteit en de stabiliteit van de dienstverlening te verzekeren tijdens de beginperiode na de inwerkingtreding van het decreet, is er wel gepreciseerd dat deze keuze pas ten vroegste kan ingaan na het verstrijken van een periode van één jaar na de inwerkingtreding van dit decreet.

In gevolge het advies van de Raad van State (randnummer 83) werd een taalkundige correctie doorgevoerd.

Om te vermijden dat personen die wel onder het nieuwe begunstigdenregime zouden vallen in gevolge van de toepassing van artikel 223, §1, eerste lid en §2, niet vanuit deze nieuwe realiteit reeds een nieuwe uitbetalingsactor zouden kunnen kiezen voorafgaand aan het verstrijken van de termijn van 1 jaar uit artikel 225, §2 wordt hierop een uitzondering voorzien, na advies van de Raad van State.

DEEL 3. INWERKINGTREDINGSBEPALINGEN

Artikel 226

Dit artikel regelt de inwerkingtreding van dit decreet.

Het tweede lid van dit artikel bevestigt het principe dat rechtgevende kinderen die geboren worden na 31 december 2018 recht geven op de gezinsbijslagen, zoals bedoeld in Boek 2, Deel 1.

Het derde lid van dit artikel bepaalt het regime dat van toepassing is op rechtgevende kinderen die geboren zijn vóór 1 januari 2019, en voor wie op datum van 31 december 2018 geen recht is geopend op kinderbijslag overeenkomstig de kinderbijslagreglementering (bv. omdat voor deze kinderen op 31 december 2018 een recht op gezinsbijslag is geopend overeenkomstig de regelgeving van een ander land). Het preciseert dat deze rechtgevende kinderen niet vallen onder het overgangsregime en dus, bij opening van een recht op gezinsbijslagen na 31 december 2018, integraal recht zullen geven op de gezinsbijslagen, zoals bedoeld in Boek 2, Deel 1.

Het vierde lid van dit artikel bepaalt dat de bepalingen inzake de selectieve participatietoeslagen, zoals bedoeld in Boek 2, Deel 2, in werking treden vanaf het schooljaar 2019-2020.

De bijslagtrekkende aan wie de toelagen worden uitbetaald in het kader van het gezinsbeleid, kan wel een andere uitbetalingsactor aanwijzen. Om de continuïteit en de stabiliteit van de dienstverlening te verzekeren tijdens de beginperiode na de inwerkingtreding van het decreet, is er wel gepreciseerd dat deze keuze pas ten vroegste kan ingaan na het verstrijken van een periode van één jaar na de inwerkingtreding van dit decreet.

In gevolge het advies van de Raad van State (randnummer 83) werd een taalkundige correctie doorgevoerd.

Om te vermijden dat personen die wel onder het nieuwe begunstigdenregime zouden vallen in gevolge van de toepassing van artikel 223, §1, eerste lid en §2, niet vanuit deze nieuwe realiteit reeds een nieuwe uitbetalingsactor zouden kunnen kiezen voorafgaand aan het verstrijken van de termijn van 1 jaar uit artikel 225, §2 wordt hierop een uitzondering voorzien, na advies van de Raad van State.

 
Top