Vlaanderen

Bisnota aan de Vlaamse Regering - principiële goedkeuring

DE VLAAMSE MINISTER VAN ONDERWIJS

DE VLAAMSE MINISTER VAN WELZIJN, VOLKSGEZONDHEID EN GEZIN

 

BISNOTA AAN DE VLAAMSE REGERING

 

Betreft:  Ontwerp van besluit van de Vlaamse Regering houdende nadere regels betreffende de aanwijzing van begunstigden en de uitbetaling van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid

Principiële goedkeuring

 

Bijlagen:

  • het ontwerp van besluit van de Vlaamse Regering houdende nadere regels betreffende de aanwijzing van begunstigden en de uitbetaling van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid;
  • het advies van de Inspectie van Financiën.

 

1.INHOUDELIJK

1. Situering

Op 18 april 2018 werd het nieuwe decreet tot regeling van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid aangenomen in het Vlaams parlement. Op 27 april 2018 werd het bekrachtigd en afgekondigd door de Vlaamse Regering.

Met de zesde staatshervorming werd de bevoegdheid inzake de kinderbijslagen overgeheveld naar de gemeenschappen en gewesten. Vlaanderen wil het bestaande systeem vereenvoudigen. Zo wordt de koppeling met het socio-professioneel statuut als voorwaarde voor het toekennen van de gezinsbijslagen verlaten en geldt voortaan als uitgangspunt dat de gezinsbijslagen worden toegekend aan gezinnen van kinderen die in Vlaanderen wonen en die hun uitbetalingsactor vrij hebben gekozen.

Vanuit deze visie bepaalt het decreet de voorwaarden voor de uitbetaling van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid, evenals voor de vrije keuze van een uitbetalingsactor door de begunstigden. Deze voorwaarden worden in het voorliggend ontwerp van besluit verder uitgewerkt, overeenkomstig de delegaties die daartoe aan de Vlaamse Regering werden gegeven.

 

1.2.Samenvatting en artikelsgewijze toelichting

Tabel met rechtsgronden

Artikel van voorliggend ontwerpbesluit

Rechtsgrond in het decreet van (datum) tot regeling van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid

Artikel 1

definities

Artikel 2

Artikel 57, §3, derde lid

Artikel 3

Artikel 59, §2, tweede lid

Artikel 4

Artikel 64 §6, Artikel 65§6

Artikel 5

Artikel 64, §6, Artikel 65§6

Artikel 6

Artikel 65, §6

Artikel 7

Artikel 64 §6, Artikel 65§6

Artikel 8

Artikel 68, §2

Artikel 9

Artikel 69, §3

Artikel 10

Artikel 70, §4

Artikel 11

Artikel 69, §3; Artikel 70, §4, Artikel 71, §6

Artikel 12

Artikel 75, eerste lid

Artikel 13

Artikel 75, eerste en vierde lid

Artikel 14

Artikel 76, tweede lid

Artikel 15

Artikel 76, tweede lid

Artikel 16

Artikel 77, §2, tweede lid

Artikel 17

Artikel 20 BWHI

Artikel 18

Artikel 78, vierde lid

 

De bepalingen van de artikelen 223, §1 en 225, §2 verwijzen naar bepaalde artikelen die in deze tabel werden opgenomen. De bepalingen uit voorliggend Besluit van de Vlaamse Regering zijn dan ook van toepassing op de bijslagtrekkenden/begunstigden die onder betrokken artikelen vallen.  

Hoofdstuk 1. Definities

Artikel 1

Dit artikel bevat definities die nog niet gedefinieerd zijn in het decreet. Deze definities behoeven geen verdere toelichting.

Definities die reeds opgenomen zijn in het decreet dat de rechtsgrond biedt voor dit besluit, hoeven niet herhaald te worden in de uitvoeringsbesluiten.  

Hoofdstuk 2. Nadere regels betreffende de aanwijzing van de begunstigden van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid

Artikel 2

Artikel 57, §3, derde lid, van het decreet bepaalt dat de Vlaamse Regering de wijze kan bepalen waarop het rechtgevende kind, zoals vermeld in artikel 57, §3, tweede lid, van hetzelfde decreet, een andere persoon als begunstigde kan aanwijzen.

Artikel 2 van het voorliggend ontwerp van besluit bepaalt hoe dit verzoek moet worden ingediend en wanneer het uitwerking heeft. Indien de datum van ondertekening van het verzoek door het rechtgevend kind en de datum van ontvangst van het verzoek door de uitbetalingsactor in een verschillende maand gelegen zijn, wordt de datum van de poststempel in aanmerking genomen. 

 

Bij gebreke hieraan mag de datum van ondertekening weerhouden worden, wanneer het formulier binnen een redelijke termijn na ondertekening aankomt bij de uitbetalingsactor. Met een redelijke termijn wordt een termijn van 14 opeenvolgende dagen bedoeld. De dag van ondertekening en die van ontvangst zijn in dit tijdvak begrepen. Met deze werkwijze wordt de bestaande administratieve praktijk zoals deze bestond in uitvoering van de Algemene Kinderbijslagwet (AKBW) bestendigd.

Als voorbeeld kunnen we stellen dat een door de begunstigde ondertekend verzoek tot wijziging, ondertekend op 31 januari en door de uitbetalingsactor op 9 februari geregistreerd, uitwerking zal hebben op 1 februari. De betaling van de gezinstoeslagen aan de nieuwe begunstigde zal ten laatste gebeuren op 8 maart.

Artikel 3

In artikel 3 wordt een verplichte toevoeging van een begunstigde voorzien in het geval een pleegzorger begunstigde wordt van een pleegkind en reeds begunstigde is van kinderen binnen zijn gezin, voor een of meerdere andere kinderen binnen zijn gezin.

Indien er meerdere begunstigden zijn in dat geval, dient de pleegzorger een keuze te maken. Een factultatieve mogelijkheid wordt voorzien voor een pleegzorger die niet begunstigde is voor andere kinderen binnen zijn gezin samen met de andere persoon binnen zijn gezin die hij aanduidt als begunstigde.

Hierdoor worden er twee personen begunstigde voor het pleegkind. Daarbij worden de algemene regels gevolgd waarbij de uitbetalingsactoren voor de pleegkinderen dezelfde zijn als deze voor de andere kinderen van beide begunstigden. Dit om te vermijden dat een pleegzorger zowel voor zijn (eventueel verschillende) pleegkind(eren) en zijn eigen kind(eren) beroep zou doen op meerdere uitbetalingsactoren, wat onwenselijk is vanuit administratief oogpunt.

Ook de algemene regels van herroeping van keuze gelden, alsook de regels waarbij de jongste een andere uitbetalingsactor kan aanduiden voor alle kinderen van deze begunstigden samen. Regelgevend is wel voorzien dat de pleegzorger wel steeds de bestemmeling blijft van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid die toekomen aan zijn pleegkind.

Bij de controle van het bankrekeningnummer zal het dan ook steeds minstens de pleegzorger moeten zijn, die titularis is van de bankrekening.  

Hoofdstuk 3. Nadere regels betreffende de voorwaarden van uitbetaling van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid

Afdeling 1. De gezinsbijslagen

Onderafdeling 1. Eerste aanduiding

Artikel 4

De artikelen 64, §6, en 65, §6, van het decreet bepalen dat de Vlaamse Regering de nadere regels vastlegt voor de eerste keuze van de bankrekening en de voorwaarden bepaalt voor de eerste keuze van de uitbetalingsactor, in geval er respectievelijk één persoon als begunstigde van de gezinsbijslagen wordt aangewezen, dan wel twee begunstigden zijn aangewezen. 

In artikel 4 van voorliggend ontwerp van besluit wordt bepaald op welke wijze de keuze van de uitbetalingsactor en de opgave van het rekeningnummer moeten gebeuren, zowel in het geval waar er een begunstigde is (idem voor het geval waar er 1 betaalbestemmeling is, wanneer 2 begunstigden niet een gemeenschappelijke keuze kunnen maken), als waar er twee begunstigden zijn.

Er wordt onder meer gespecifieerd dat de begunstigde, indien er slechts één begunstigde is, of minstens één van de begunstigden, indien er twee begunstigden zijn, titularis moet zijn van de opgegeven bankrekening. In toepassing van de privacywetgeving moet de toestemming van de betrokkene(n) om dit door de kredietinstelling te laten controleren uitdrukkelijk door de uitbetalingsactor worden gevraagd.

Er wordt ook geregeld wat er moet gebeuren indien de controle van het rekeningnummer laattijdig gebeurt of technisch gezien niet kan worden uitgevoerd. In het laatste geval kan de opgegeven bankrekening enkel worden aanvaard op basis van een daartoe opgesteld formulier. Hiermee wordt het model W bedoeld, dat in de huidige administratieve praktijk ter uitvoering van de AKWB gebruikt wordt. Het is een duidelijk formulier dat zijn deugdelijkheid reeds heeft bewezen.

Ten slotte wordt gepreciseerd dat de aanvangsdatum van de verplichte aansluitingsperiode van één jaar bij de gekozen uitbetalingsactor, aanvangt vanaf de datum van de laatst ontvangen aanvraag tot aansluiting.  

Onderafdeling 2. Wijziging van uitbetalingsactor of bankrekening

Artikel 5

De begunstigde of begunstigden die aangesloten zijn bij een uitbetalingsactor kunnen ervoor opteren om zich na verloop van tijd aan te sluiten bij een andere uitbetalingsactor. Hiertoe moeten zij een verzoek tot wijziging van uitbetalingsactor indienen. Dit verzoek kan zowel bij de actieve als bij de nieuw gekozen uitbetalingsactor worden ingediend.

Dit artikel bepaalt hoe een uitbetalingsactor te werk moet gaan wanneer hij een verzoek tot wijziging van uitbetalingsactor ontvangt en regelt ook de uitwerking ervan. Eens de begunstigden of begunstigden aangesloten zijn bij de nieuwe uitbetalingsactor begint opnieuw een verplichte aansluitingsperiode van één jaar te lopen. Deze termijn vangt aan vanaf de datum van uitwerking van het laatst ontvangen verzoek tot wijziging van uitbetalingsactor.

Indien de actieve uitbetalingsactor door omstandigheden, o.a. door technische problemen, niet in slaagt om tijdig de overdracht naar de nieuwe actor te verzekeren, moet de actieve uitbetalingsactor de gezinsbijslagen verder betalen tot op het moment van overdracht van het dossier aan de nieuwe uitbetalingsactor ten einde de continuïteit in de betaling te waarborgen.  

Onderafdeling 3. Intrekking toestemming

Artikel 6

Artikel 65, §3, van het decreet bepaalt dat, in geval er twee begunstigden zijn, elk van hen zijn toestemming voor de gekozen uitbetalingsactor of de gekozen bankrekening met een schriftelijk verzoek kan intrekken. 

Artikel 6 van voorliggend ontwerp van besluit regelt de manier waarop de betrokken begunstigde zijn toestemming ter zake moet intrekken, de wijze waarop de uitbetalingsactor te werk moet gaan wanneer hij een dergelijk verzoek ontvangt, alsook de gevolgen en uitwerking van de intrekking.

Als een uitbetalingsactor het verzoek ontvangt van de oudste begunstigde dat hij zijn keuze van uitbetalingsactor intrekt en een andere uitbetalingsactor wil kiezen zal de huidige uitbetalingsactor een ontvangstbevestiging versturen en de jongste begunstigde op de hoogte te brengen van deze intrekking en vragen of hij akkoord is met deze wijziging.

Indien de jongste begunstigde akkoord is met het "voorstel" van de oudste begunstigde is er geen probleem en hebben ze samen een verzoek tot wijziging van uitbetalingsactor doorgevoerd.

Indien de jongste begunstigde niet akkoord is, zijn de volgende scenario’s mogelijk:

  • De jongste begunstigde meldt dat hij niet akkoord is en kiest om te blijven bij de huidige uitbetalingsactor of duidt een andere uitbetalingsactor aan. Zijn keuze zal worden gevolgd;
  • De jongste reageert niet. Dit houdt in dat de huidige uitbetalingsactor bevoegd blijft. De jongste begunstigde heeft immers op een bepaald moment een keuze gemaakt en wijzigt deze niet;
  • Indien de jongste begunstigde in de onmogelijkheid is om te reageren (woont in buitenland/adres ongekend - niet bewust (ongeval) – palliatieve zorg – enzovoort) kan, mits bewijs van deze toestand, het verzoek van de oudste begunstigde gevolgd worden zonder dat deze hiervoor naar de rechtbank moet. In geval van twijfel kan een gezinsinspectie uitsluitsel brengen.  

Onderafdeling 4. Toeleiding

Artikel 7

Artikel 64, §6, en 65, §6, van het decreet bepaalt dat de Vlaamse Regering de voorwaarden vastlegt voor de mogelijke aansluiting van rechtswege bij het agentschap.

Dit artikel legt de procedure vast die zal worden gevolgd in geval het agentschap vaststelt dat er voor kinderen die recht geven op gezinsbijslagen geen toelagen worden uitbetaald. In voorkomend geval informeert het agentschap de begunstigde of beide begunstigden over het feit dat zij een uitbetalingsactor kunnen kiezen vanaf de opening van het onderzoek van het betreffende recht. Indien de begunstigde of beide begunstigden binnen de drie maanden een uitbetalingsactor kiezen, neemt deze uitbetalingsactor dit dossier van het agentschap over en dit ongeacht de stand van zaken van het dossier. Wanneer de begunstigde of begunstigden geen keuze maken binnen de voormelde termijn worden zij van rechtswege bij het agentschap aangesloten.

 

Onderafdeling 5. Plaatsing

Artikel 8

Artikel 68, §2, van het decreet bepaalt dat de Vlaamse Regering de toekennings- en verdelingsregels van de uitbetaling van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid vastlegt tussen de instelling en de begunstigden in geval een rechtgevend kind door bemiddeling of ten laste van een openbare overheid wordt geplaatst. 

Het betreffende artikel van voorliggend ontwerp van besluit herneemt ter zake de regeling zoals die bestond binnen de AKBW en behoeft geen verdere uitleg.

Aan de minister wordt delegatie gegeven om de nadere regels betreffende de verdeelsleutel vermeld in paragraaf 1 van dit artikel verder uit te werken.

 

Afdeling 2. Selectieve participatietoeslagen en andere toeslagen

Artikel 9

Dit artikel behoeft geen verdere uitleg.

Artikel 10

Dit artikel behoeft geen verdere uitleg.

Artikel 11

Dit artikel is in overeenstemming met artikel 56 en 56/1 van het decreet van 8 juni 2007 betreffende de studiefinanciering van de Vlaamse Gemeenschap (B.S.19/07/2007) en artikel 17 van het BVR van 7 september 2007 betreffende de studiefinanciering van de Vlaamse Gemeenschap, (B.S. 17/10/2007).

Afdeling 3. Gemeenschappelijke bepalingen

Artikel 12

Dit artikel legt de betaaldata vast die in het kader van de betaling van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid moeten worden gerespecteerd.

Artikel 13

Wanneer de vaste betaaldata niet kunnen worden gerespecteerd, omdat het dossier op dat moment nog in onderzoek is, dienen de toelagen in het kader van het gezinsbeleid te worden betaald op tussentijdse betaaldata van zodra het recht is vastgesteld.

Tussentijdse betalingen zijn noodzakelijk om in het kader van de armoedebestrijding, snel tegemoet te kunnen komen aan de noden van de gezinnen. De minister wordt ermee belast om de agenda met de tussentijdse betaaldata op te stellen.

Artikel 14

De betalingsmodaliteiten vereisen dat de begunstigde stappen onderneemt bij een kredietinstelling, die op haar beurt een identiteitsbewijs vraagt aan de persoon aan wie het verschuldigde bedrag betaald moet worden.

Sommige begunstigden, meestal zij die voor, tijdens of na een regularisatieprocedure in België verblijven, kunnen hun identiteit niet bewijzen waardoor de gezinsbijslag niet aan hen kan worden uitbetaald. 

Om die situatie te verhelpen, is het nodig dat de gezinsbijslag die niet betaald kan worden aan de begunstigde, voor zijn rekening betaald kan worden op de bankrekening van een natuurlijk , vzw of een openbare instelling door hem aangeduid, in afwachting dat deze begunstigde effectief zijn identiteit bewijst. Betalingen die op die basis gebeuren, zijn tijdelijk en bevrijdend in hoofde van de uitbetalingsactor.

Aan de minister wordt de mogelijkheid gegeven om de nadere regels te bepalen volgens welke de begunstigde(n) zijn/hun gezinsbijslagen kan/kunnen laten storten op de bankrekening van een andere natuurlijke persoon, van een vereniging met sociaal oogmerk of van een openbare instelling en bepaalt de termijn vanaf en tot wanneer deze maatregel uitwerking heeft.

Artikel 15

In geval de betaling van de gezinsbijslagen om technische of sociale redenen niet mogelijk is per overschrijving, worden zij betaald per circulaire cheque. Artikel 76, tweede lid van het decreet bepaalt dat de Vlaamse Regering hiertoe de regels vastlegt.

Artikel 15 van het voorliggende ontwerp van besluit specifieert ter zake dat, in geval er twee begunstigden zijn, zij in onderling akkoord beslissen aan wie van hen de circulaire cheque moet worden uitbetaald, overeenkomstig de modaliteiten uit artikel 4, §2. Deze toestemming kan worden ingetrokken overeenkomstig de modaliteiten uit artikel 6. Bij gebrek aan een akkoord wordt de cheque uitbetaald aan de jongste onder hen.

Daarnaast worden de principes vastgelegd voor het geval een uitgegeven cheque ongeïnd zou blijven. De minister wordt belast om de nodige procedure uit te werken.

Artikel 16

Artikel 77, §2, tweede lid, van het decreet voorziet dat de Vlaamse Regering de procedure kan bepalen in het geval de begunstigden geheel of gedeeltelijk afstand doen van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid. In artikel 16 van het voorliggend ontwerp van besluit wordt gestipuleerd dat deze afstand elektronisch of schriftelijk kan gebeuren.

Artikel 17

Dit artikel verduidelijkt op welke wijze gerechtelijke uitspraken over de toelagen in het kader van het gezinsbeleid ter kennis moeten worden gebracht aan de uitbetalingsactoren.

Daarnaast wordt in enkele specifieke gevallen bepaald wanneer deze gerechtelijke uitspraken uitwerking hebben.

Met betrekking tot de gerechtelijke uitspraken waarin de modaliteiten van betaling worden geregeld en niet de aanduiding van een begunstigde, wordt gespecifieerd dat deze uitwerking hebben vanaf de datum waarop de uitbetalingsactor de uitspraak ontvangt.

Natuurlijk blijft het zo dat als een rechter zich uitspreekt over een geschil over de toelagen in het kader van het gezinsbeleid an sich, deze uitspraak betrekking heeft voor de periode die in het vonnis behandelt wordt. 

Artikel 18

Artikel 78, laatste lid, van het decreet van.. bepaalt dat de Vlaamse Regering de verdere regels inzake de terugbetaling van de door het OCMW betaalde voorschotten op de toelagen in het kader van gezinsbeleid, nader kan bepalen.

Voor de terugbetaling van deze voorschotten aan het OCMW wordt in artikel 18 van voorliggend ontwerp van besluit de procedure uitgewerkt die in voorkomend geval moet worden gevolgd. De voorziene procedure is een herneming van de procedure die ter zake in het kader van de AKBW werd gehanteerd.

 

2.WEERSLAG VAN HET VOORSTEL OP DE BEGROTING VAN DE VLAAMSE GEMEENSCHAP

2.1 Financiële weerslag van het voorstel

Dit besluit betreft enkel de procedures en werkwijzen betreffende de aanwijzing van begunstigden en de uitbetaling van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid en gaat niet over de toelagen zelf.

De personeels- en werkingsuitgaven gerelateerd aan de uitvoering van voorliggend besluit kunnen worden opgevangen binnen de voorziene beschikbare enveloppe voor betalings- en administratiekosten.

2.2 Inspectie van Financiën

Het gunstig advies van de Inspectie van Financiën met referentie JVE/AVP/18/0066 werd verleend op 13 februari 2018. Het akkoord van de minister bevoegd voor begroting is niet vereist.

 

3.WEERSLAG VAN HET VOORSTEL OP DE LOKALE BESTUREN

Dit voorstel heeft geen weerslag op de lokale besturen.

 

4.WEERSLAG VAN HET VOORSTEL OP HET PERSONEELSBESTAND EN DE PERSONEELSBUDGETTEN

Dit voorstel heeft geen weerslag op het personeelsbestand of de personeelsbudgetten.

 

 

5.KWALITEIT VAN DE REGELGEVING

Het bijgaande ontwerp van besluit van de Vlaamse Regering werd aangepast aan het wetgevingstechnisch en taalkundig advies nr. 2018/43 van 2 februari 2018.

 

6.VOORSTEL VAN BESLISSING

De Vlaamse Regering beslist:

1°       haar principiële goedkeuring te hechten aan het bijgaande ontwerp van besluit van de Vlaamse Regering houdende nadere regels betreffende de aanwijzing van begunstigden en de uitbetaling van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid;

 

2°       de Vlaamse minister, bevoegd voor Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, te gelasten over voornoemd ontwerp van besluit van de Vlaamse Regering, het advies in te winnen van de Raad van State, met verzoek het advies mee te delen binnen een termijn van 30 dagen, met toepassing van artikel 84, §1, eerste lid, 2°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State.

 

De Vlaamse minister van Onderwijs

 

Hilde CREVITS

 

De Vlaamse minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin,

 

Jo VANDEURZEN

Datum van afkondiging
Datum einde geldigheid
Top