Bisnota aan de leden van de Vlaamse Regering - principiële goedkeuring - 27 april 2018

DE VLAAMSE MINISTER VAN ONDERWIJS

DE VLAAMSE MINISTER VAN WELZIJN, VOLKSGEZONDHEID EN GEZIN

 

BISNOTA AAN DE LEDEN VAN DE VLAAMSE REGERING

 

Betreft:    Ontwerp van besluit van de Vlaamse Regering houdende de nadere regels over het toezicht, de nalevingsondersteuning en de handhaving ten aanzien van de burgers en de private uitbetalingsactoren betreffende de toelagen in het kader van het gezinsbeleid.

Principiële goedkeuring

 

Bijlagen:

  • het ontwerp van besluit van de Vlaamse Regering houdende de nadere regels over het toezicht, de nalevingsondersteuning en de handhaving ten aanzien van de burgers en de private uitbetalingsactoren betreffende de toelagen in het kader van het gezinsbeleid;
  • het advies van de Inspectie van Financiën d.d. 12 december 2017;
  • het begrotingsakkoord d.d. 21 maart 2018;
  • het advies bestuurszaken d.d. 26 maart 2018.

 

1. INHOUDELIJK

1.1 Situering van de nota:

Op 31 mei 2016 werd de conceptnota “Voor elk kind en elk gezin een groeipakket op maat” goedgekeurd door de Vlaamse Regering. Het Groeipakket omvat enerzijds de gezinsbijslagen en anderzijds een aantal toelagen in het kader van het gezinsbeleid. Deze laatste toelagen worden onderverdeeld in de selectieve participatietoeslagen, nl. een overheveling van de schooltoelagen vanuit Onderwijs, en andere, nieuwe toelagen (m.b.t. kinderopvang en kleuteronderwijs) in het kader van het gezinsbeleid.

De juiste toekenning van deze toelagen maakt het voorwerp uit van de in het decreet opgenomen handhavingsbepalingen. Burgers die de regelgeving overtreden zullen hierop aangesproken worden en kunnen, naast de terugvordering van de onverschuldigde bedragen, ook andere sancties worden opgelegd.

Ook de private uitbetalingsactoren zijn onderworpen aan toezicht en handhaving voor wat betreft de naleving van de vergunnings-en subsidiëringsvoorwaarden.

Het decreet van 7 juli 2017 tot oprichting van een publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap Vlaams Agentschap voor de Uitbetaling van Toelagen in het kader van het Gezinsbeleid, tot vaststelling van vergunningsnormen voor private uitbetalingsactoren en tot wijziging van het decreet van 30 april 2004 betreffende de oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Kind en Gezin, hierna het “structuurdecreet” genoemd, bevat de oprichting van een Sociale inspectie en begeleidingsdienst. De gezinsinspecteurs toegewezen aan deze dienst zullen de opdrachten opnemen die op heden worden uitgeoefend door de sociale inspecteurs aangesteld bij Famifed.

Het decreet tot regeling van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid voegt een hoofdstuk 6/1 toe aan het structuurdecreet, waarbij de subsidies worden toegekend aan de private uitbetalingsactoren.

Het toezicht op zowel de vergunningsnormen, vermeld in artikel 27 en 28 van het structuurdecreet als op de subsidiëringsnormen, vermeld in hoofdstuk 6/1 van het structuurdecreet wordt uitgeoefend door de zorginspecteurs, nl. deze inspecteurs die zijn aangesteld bij het Departement Welzijn, Volksgezondheid en Gezin.

De naleving van de decretale bepalingen wordt m.a.w. toevertrouwd aan twee verschillende inspectiediensten:

  1. Zorginspectie van het departement Welzijn, Volksgezondheid en Gezin is bevoegd om ten aanzien van de private uitbetalingsactoren het toezicht uit te oefenen op de naleving van de vergunningsbepalingen vermeld in artikel 27 en 28 van het structuurdecreet en de subsidiëringsnormen vermeld in hoofdstuk 6/1 van het structuurdecreet. Daarenboven heeft zorginspectie op basis van artikel 3 van het (ontwerp) van decreet houdende het overheidstoezicht in het kader van Welzijns - en gezondheidsbeleid de bevoegdheid om toezicht te houden op de naleving van de voor de uitbetalingsactoren geldende regelgeving in het kader van het welzijns - , gezondheidheids- en gezinsbeleid. Zorginspectie zal op basis van de gegevens ter beschikking gesteld door de private uitbetalingsactoren ook nagaan of deze de regelgeving met betrekking tot de toekenning van de toelagen gezinsbeleid op een correcte wijze hebben nageleefd. Op die manier zal zorginspectie de naleving nagaan van de vergunningsvoorwaarde zoals opgenomen in artikel 28, 1° van het structuurdecreet;
  2. de gezinsinspecteurs van de sociale inspectie-en begeleidingsdienst bij het agentschap voor de uitbetaling van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid, opgericht bij het structuurdecreet zijn bevoegd om het toezicht uit te oefenen op de naleving van de regelgeving bepaald bij of krachtens dit decreet en geldend voor de burgers. Met het oog op dat toezicht kunnen de gezinsinspecteurs niet enkel ter plaatse bij de burgers het toezicht uitoefenen, doch kunnen ze ook de nodige documenten en informatie opvragen bij de bevoegde uitbetalingsactor.

De bevoegdheden van de zorg- en gezinsinspecteurs en de uitoefening van het toezicht worden bepaald door het (ontwerp) van decreet houdende het overheidstoezicht in het kader van Welzijns-en gezondheidsbeleid. Wel voorziet het decreet tot regeling van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid een aantal bijzondere bepalingen die enkel gelden voor de gezinsinspecteurs. De huidige sociale inspecteurs ontlenen op dit ogenblik hun bevoegdheden aan het sociaal strafwetboek en maken deel uit van het netwerk van sociale inspectie die toezicht houden op de verschillende takken van de sociale zekerheid.

Om de continuïteit van dienstverlening en samenwerking met de diverse bevoegde inspectiediensten te garanderen werden een aantal bepalingen opgenomen die aanvullend of afwijkend zijn van het kader waarbinnen de inspecteurs van het beleidsdomein Welzijn- Gezin en volksgezondheid werken.

Deze afwijkingen en aanvullingen werden zo minimaal mogelijk gehouden om zo weinig mogelijk afbreuk te doen aan de uniformiteit van optreden binnen het beleidsdomein. Het betreft de volgende bepalingen :

  • de bevoegdheid om personen te verhoren;
  • bepalingen met betrekking tot de totstandkoming en bewijskracht van het proces - verbaal van de vaststelling van de inbreuk;
  • bepalingen met betrekking tot de mededeling van de gegevens, waaronder ook een bepaling in verband met de specifieke geheimhoudingsplicht voor gezinsinspecteurs;
  • de verplichting voor de uitbetalingsactoren om op basis van vaststellingen van de gezinsinspecteurs te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van de betaling van de toelagen gezinsbeleid bij ernstige en eensluidende aanwijzingen van fraude.
     

1.2  Context:

Het decreet tot regeling van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid wil een sanctioneringsregeling bieden die een proportionele en doeltreffende beteugeling van inbreuken op de regelgeving betreffende de toelagen gezinsbeleid mogelijk maakt, met respect voor de eigenheid van de beleidsmaterie (waarin gezinsondersteuning en zorg voor het kind centraal staan) en met aandacht voor maatschappelijke zuinigheid (geen vermijdbare lasten bij burger en bestuur).

Daarnaast staan een aantal algemeen geldende doelen zoals transparantie en een optimaal evenwicht tussen rechtszekerheid en discretionaire beleidsruimte centraal.

Ook ten aanzien van de uitbetalingsactoren is in het decreet de handhaving en sanctionering zo uitgewerkt dat op een proportionele wijze kan opgetreden worden. De bedoeling is in eerste instantie de naleving van de bepalingen te bekomen en de sancties slechts in te zetten indien de uitbetalingsactor, ondanks het feit dat hij voldoende geïnformeerd werd over de risico’s of de inbreuken en nadat hij werd aangemaand om de inbreuken weg te werken, de regelgeving alsnog niet naleeft.

1.3 Samenvatting van de inhoud van de nieuwe regelgeving:

Tabel met rechtsgronden

Artikel van voorliggend ontwerpbesluit Rechtsgrond in het decreet van 27 april 2018 tot regeling van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid
Artikel 1 definities
Artikel 2 Artikel 122,§2
Artikel 3 tot en met 8 Artikel 77,§1 en artikel 127, tweede lid
Artikel 9 Artikel 129, laatste lid
Artikel 10 Artikel 133 , laatste lid
Artikel 11 Artikel 129, laatste lid  en 133 laatste lid
Artikel 12 en 13 Artikel 173, §2, tweede lid
Artikel 14 Artikel 174, tweede lid
Artikel 15 inwerkingtreding
Artikel 16 Slotbepaling

Artikel 1 bevat een aantal definities. Omwille van de leesbaarheid worden een aantal definities herhaald met verwijzing naar het decreet.

Artikel 2

Dit artikel geeft uitvoering aan artikel 122, §2 van het decreet van … dat een delegatie bevat aan de Vlaamse Regering om de regels te bepalen voor de gegevens die de private uitbetalingsactoren en de gezinnen moeten ter beschikking stellen van de toezichthouders.

Artikel 122, §1 stelt dat elke uitbetalingsactor en elke burger, op verzoek van een toezichthouder, de nodige inlichtingen geeft en documenten en gegevens ter beschikking stelt voor het toezicht op de naleving van zowel het decreet van 7 juli 2017 als het decreet van …….

Artikel 2 bepaalt dat de minister nadere regels kan bepalen over de aard, de vorm en de termijnen waarbinnen deze gegevens moeten worden overgemaakt. Ten aanzien van de private uitbetalingsactoren zal indien mogelijk een digitale gegevensoverdracht worden voorzien, daar waar bij individuele controles bij de gezinnen mogelijk ook documenten en formulieren zullen worden gebruikt.

Artikel 3

Het decreet voorziet twee vormen van mogelijke preventieve opschorting van de uitbetaling van toelagen. Enerzijds bevat artikel 77, §1 van het decreet een bepaling die een tijdelijke opschorting mogelijk maakt onder de voorwaarden die moeten worden vastgelegd door de Vlaamse Regering. Anderzijds bevat artikel 127, eerste lid van het decreet de verplichting om een betaling preventief op te schorten bij ernstige en eensluidende aanwijzingen van fraude. De decreetgever heeft deze vorm van opschorting reeds voor een groot deel uitgewerkt. Zo wordt reeds aangegeven dat de opschorting voor maximaal 2 maal zes maanden kan worden beslist.

In het eerste lid van artikel 3 wordt , ter uitvoering van artikel 77, §1 bepaald dat een uitbetalingsactor de mogelijkheid heeft om de uitbetaling op te schorten indien:

  • er een vermoeden is (ernstige en eensluidende aanwijzingen) dat niet meer voldaan is aan één van de toekenningsvereisten van de toelagen;
  • er een vermoeden (ernstige en eensluidende aanwijzingen fraude is dat nog niet vastgesteld is door een gezinsinspecteur.

Het derde lid bepaalt dat het agentschap nadere regels kan vaststellen betreffende de situaties vermeld in het eerste lid.

Deze delegatie aan het agentschap heeft een beperkte draagwijdte en is van een zodanig technische aard, dat ervan mag worden uitgegaan dat het agentschap, dat de betrokken reglementering dient toe te passen, ook het best geplaatst is om deze met kennis van zaken uit te werken en de aldus gedelegeerde bevoegdheid uit te oefenen. Deze beperkte technische maatregelen houden in geen geval beleidskeuzes in. Het betreft aangelegenheden die onder de actuele gezinsbijslagreglementering ook in omzendbrieven geregeld worden

Het tweede lid bepaalt dat de termijnen voor deze facultatieve opschorting dezelfde zijn als deze voor de verplichte opschorting vermeld in artikel 127, eerste lid, d.w.z. zes maanden, verlengbaar met maximum zes maanden.

Artikel 4 tot en met 7

Deze artikelen bevatten gemeenschappelijke bepalingen voor de vormen van preventieve schorsing vermeld in artikel 77,§ 1 en artikel 127, eerste lid in het voormelde decreet.

Artikel 4 bevat een bepaling die garanties biedt dat de maatregel proportioneel is ten aanzien van de vaststellingen. Het is met andere woorden niet mogelijk het basisbedrag op te schorten indien er twijfel is of de begunstigden voldoen aan de toekenningsvoorwaarden om een sociale toeslag te bekomen.

Artikel 5 legt een verplichting op aan de uitbetalingsactoren om duidelijk en volledig te communiceren over de opschorting en de wijze waarop aan de een einde kan worden gesteld. Dit laatste is enkel mogelijk indien de begunstigde zich aan het toezicht onttrekt of indien er onvoldoende informatie is over de toekenningsvoorwaarden voor een bepaalde toelage. Bij vermoeden van fraude zal de begunstigde zelf mogelijk ook wel in bepaalde omstandigheden kunnen aantonen dat de aanwijzingen alsnog onterecht zijn.

Artikel 6 bevat een delegatie aan de minister om de begindatum van de schorsing vast te leggen.

Artikel 7 bepaalt dat indien na de maximale termijn de ernstige en eensluidende aanwijzingen vermeld in artikel 3, eerste lid, niet bewezen kunnen worden, het bedrag van de toelagen alsnog moet worden uitbetaald. De maatregel is een preventieve opschorting waarbij de begunstigden hun rechten op de toelagen niet verliezen, maar waarbij vermeden wordt dat bij ernstige aanwijzingen dat er niet meer wordt voldaan aan de toekenningsvoorwaarden of bij ernstige aanwijzingen van fraude, het onverschuldigde bedrag al te zeer oploopt.

Artikel 8 stelt dat wanneer de fraude wordt vastgesteld het onverschuldigde bedrag wordt berekend en teruggevorderd. Op dat ogenblik brengt de uitbetalingsactor het agentschap ook op de hoogte van de terugvordering.

Artikel 9 voert met de aanmaning het zachtste instrument uit de instrumentenwaaier die het decreet ter beschikking stelt, in om de naleving van de bepalingen te kunnen opleggen. In dit artikel wordt uitvoering gegeven aan de delegatie opgenomen in artikel 130 van het decreet en bepaalt de Vlaamse Regering nader welke gegevens de aanmaning moet bevatten.

De begunstigde en de uitbetalingsactor worden door de gezinsinspecteur geïnformeerd over de aanmaning. De aanmaning kan beschouwd worden als de mogelijkheid die de sociale inspecteurs nu hebben om waarschuwingen te geven of de overtreder een termijn te geven om zich in regel te stellen (zie artikel 121 van het Sociaal Strafwetboek, meer bepaald 2° en 3°).

Artikel 10 stelt met de regularisatiemaatregel een nieuw instrument in, in het kader van de handhaving. Een regularisatiemaatregel beoogt het probleem op te lossen door een maatregel op te leggen aan de begunstigde waardoor de legaliteit wordt hersteld. Bij kennelijke onwilligheid kan eveneens een opschorting worden opgelegd, voor maximaal 12 maanden. De niet-naleving van een regularisatiemaatregel kan gesanctioneerd worden. Deze maatregelen worden niet opgelegd door de gezinsinspecteur maar wel door het agentschap. Gelet op de mogelijke gevolgen van de niet naleving van deze maatregel wordt deze formeler uitgevoerd dan de aanmaning.

Artikel 10 bevat de bepalingen die een regularisatiemaatregel moet bevatten en voorziet eveneens dat de begunstigde en de uitbetalingsactor via een kennisgeving (een schriftelijke mededeling met een aangetekende brief of elektronisch , als dat een ontvangstbewijs van de geadresseerde oplevert, of door afgifte tegen een ontvangstbewijs) op de hoogte moeten worden gebracht van de maatregel.

Het laatste lid van dit artikel bevat een delegatie aan de minister om verder praktische maatregelen te nemen met betrekking tot de regularisatiemaatregelen.

Artikel 11 draagt de minister bij delegatie op om het anti-fraudebeleid verder uit te werken door verplichtingen op te leggen aan de uitbetalingsactoren en het agentschap.

Artikel 12 geeft verder uitvoering aan artikel 174 van het decreet waarin aan het bestuursorgaan dat de bevoegdheid heeft gekregen om subsidies te verlenen ook de bevoegdheid toegekend wordt om de subsidies te verminderen of stop te zetten indien decretale en reglementaire bepalingen niet worden nageleefd. Dit bevoegde bestuursorgaan is enerzijds het agentschap wat de werkingssubsidies betreft en anderzijds Kind en Gezin wat de subsidies voor de toelagen in het kader van het gezinsbeleid betreft.

Indien het bevoegde bestuursorgaan ertoe beslist om over te gaan tot het verminderen of stopzetting van de subsidies dient een procedure vastgelegd worden, waarbij minstens de mogelijkheid wordt geboden aan de private uitbetalingsactor om tegen deze maatregelen bezwaar aan te tekenen.

Ook wordt hier bepaald dat het voornemen van Kind en Gezin of het agentschap om een dergelijke maatregel betreffende de subsidies te nemen gepaard kan gaan met het voornemen om een bestuurlijke maatregel te treffen als vermeld in artikel 177 of artikel 178, indien de concrete omstandigheden dit vereisen.

Artikel 13 regelt dat ook voor de handhavingsmaatregelen betreffende de subsidies, de eventuele bezwaarschriften zullen behandeld worden door de Adviescommissie , voor Voorzieningen van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin en (Kandidaat-) pleegzorgers, artikel 13, eerste lid en 15, eerste en tweede lid.

 

2. WEERSLAG VAN HET VOORSTEL OP DE BEGROTING VAN DE VLAAMSE GEMEENSCHAP

2.1    Financiële weerslag van het voorstel

Daar het hier louter gaat om de continuering van het huidige handhavingsbeleid in een Vlaamse context, zoals dit momenteel in de huidige federale context gerealiseerd wordt, heeft voorliggend besluit geen budgettaire impact op de beleidsuitgaven voor de toelagen in het kader van het gezinsbeleid, zoals deze werden vastgelegd binnen de conceptnota.

De personeels- en werkingsuitgaven gerelateerd aan voorliggend handhavingsbeleid kunnen worden opgevangen binnen de beschikbare enveloppe voor betalings- en administratiekosten.

2.2     Inspectie van Financiën:

Het gunstig advies van de Inspectie van Financiën werd verleend op 12 december 2017.

De Inspectie van Financiën stelde dat het begrotingsakkoord vereist is.

2.3     Begrotingsakkoord

Het akkoord van de Minister bevoegd voor begroting werd verleend op 21 maart 2018. In navolging van het begrotingsakkoord wordt de budgettaire impact voor het departement WVG, Kind en Gezin, het Vlaams Agentschap voor de uitbetaling van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid, de private uitbetalingsactoren en de Vlaamse Belastingdienst opgevangen binnen de beschikbare kredieten. De onderbenutting blijft aangehouden en de compensatie voor het extra personeelslid bij het departement WVG is voorzien bij de overheveling van de personeelsleden die momenteel bij FAMIFED worden tewerkgesteld .

 

3. WEERSLAG VAN HET VOORSTEL OP DE LOKALE BESTUREN

Het voorstel heeft geen weerslag op de lokale besturen.

 

4. VAN HET VOORSTEL OP HET PERSONEELSBESTAND EN DE PERSONEELSBUDGETTEN

4.1   Het ontwerp heeft een weerslag op het personeelsbestand van de volgende diensten:

Het Agentschap voor de Uitbetaling van de Toelagen in het kader van het Gezinsbeleid: De personele kosten zijn voorzien en kunnen worden opgevangen binnen de beschikbare enveloppe voor betalings- en administratiekosten.

Het Departement Welzijn, Volksgezondheid en Gezin: De toezicht en inspectieopdrachten met betrekking tot de 4 vergunde uitbetalingsactoren wordt uitgeoefend door inspecteurs aangesteld bij het vermelde departement. Het betreft de naleving van de vergunningsvoorwaarden zoals vermeld in artikel 27 en 28 van het decreet van 7 juli 2017. Gelet op het beperkte aantal uitbetalingsactoren en de aanstelling van een commissaris revisor bij elke private uitbetalingsactor zal de personele impact voor het departement beperkt zijn. De personele impact wordt geschat op 1 VTE.

De Vlaamse belastingdienst wordt belast met de invordering van de niet-fiscale schuldvorderingen en de administratieve geldboeten. Aangezien de geldboeten die naar aanleiding van het decreet van … en huidig ontwerp van besluit slechts zullen worden opgelegd indien geen andere middelen van handhaving effect hebben kunnen ressorteren, zal de impact op het personeelsbestand eerder gering zijn. We kunnen ons hiervoor ook baseren op de huidige praktijk van de gezinsbijslagen waaruit blijkt dat zelden of nooit een administratieve geldboete wordt opgelegd aan de burgers. Gelet op het beperkt aantal bijkomende dossiers die gedwongen dienen te worden ingevorderd voor het Vlaams Agentschap voor de Uitbetaling van Toelagen in het kader van het Gezinsbeleid is een bijkomende werving voor de CIC niet direct noodzakelijk en kan de werklast binnen het huidig personeelsbestand van de CIC worden opgevangen.

Uiteraard zal het personeelsluik opnieuw worden bekeken indien het aantal dossiers voor gedwongen invordering significant zou toenemen. Daarom wordt voorgesteld dat, indien mocht blijken dat het aantal dossiers (en dito werklast) significant groter is dan nu wordt geraamd, het Vlaams Agentschap voor de Uitbetaling van Toelagen in het kader van het Gezinsbeleid, in overleg met IVA VLABEL, ter gelegenheid van de eerstvolgende begrotingsronde de nodige kredieten inzake personeels,- werkings- en investeringskosten kan en zal overhevelen.

4.2   Het akkoord van de minister, bevoegd voor de bestuurszaken

De minister bevoegd voor bestuurszaken verleende haar akkoord op 26 maart 2018 met als referentie TS-2018-19 op voorwaarde dat de personele impact intern diende gecompenseerd te worden. Deze compensatie is voorzien bij de overheveling van de personeelsleden die momenteel bij FAMIFED worden tewerkgesteld.
 

5. KWALITEIT VAN DE REGELGEVING

5.1       Wetgevingstechnisch en taalkundig advies

Het bijgaande ontwerp van besluit van de Vlaamse Regering werd aangepast aan het wetgevingstechnisch en taalkundig advies nr. 2018/34 van 1 februari 2018.

5.2        RIA

Het decreet tot regeling van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid regelt in detail de context en de procedure met betrekking tot het handhavingsbeleid.

De Vlaamse Regering heeft slechts delegatie voor een aantal operationele bepalingen waardoor er dus in voorliggend besluit geen nieuw beleid vervat zit en een RIA niet nodig is.

Het uitgewerkte handhavingsbeleid beoogt een verderzetting van de handhaving die op dit ogenblik federaal werd opgenomen binnen Famifed en werkt een Vlaams kader hiervoor uit.

Wat betreft de handhaving van de werking van de uitbetalingsactoren gezinstoelagen wordt louter een bijkomende bevoegdheid en taak voorzien voor de inspectiedienst bij het departement Welzijn volksgezondheid en Gezin, die past binnen de algemene bevoegdheden van deze dienst.
 

6. VOORSTEL VAN BESLISSING

De Vlaamse Regering beslist:

1° haar principiële goedkeuring te hechten aan het bijgaand ontwerp van besluit van de Vlaamse Regering houdende het toezicht, de nalevingsondersteuning en de handhaving ten aanzien van de burgers en de private uitbetalingsactoren met betrekking tot de toelagen in het kader van het gezinsbeleid.

2° haar akkoord te verlenen aan het verzoek van het Vlaamse Agentschap voor de Uitbetaling van Toelagen in het kader van het Gezinsbeleid opdat de met invordering belaste personeelsleden van het agentschap Vlaamse belastingdienst in naam en voor rekening van het Vlaams Agentschap voor de Uitbetaling Toelagen gezinsbeleid de onbetwiste en opeisbare niet-fiscale schuldvorderingen, de administratieve geldboeten en de toebehoren kunnen invorderen;

3° de Vlaamse minister, bevoegd voor Welzijn, Volksgezondheid en Gezin te gelasten over voornoemd ontwerp van besluit van de Vlaamse Regering, het advies in te winnen van de Raad van State, met verzoek het advies mee te delen binnen een termijn van 30 dagen, met toepassing van artikel 84, §1, eerste lid, 2°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State.

 

De Vlaamse minister bevoegd voor Onderwijs

 

Hilde CREVITS

De Vlaamse minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin,

 

Jo VANDEURZEN

Top