Vlaanderen

Bisnota aan de Vlaamse Regering - principiële goedkeuring

DE VLAAMSE MINISTER VAN ONDERWIJS  
EN DE VLAAMSE MINISTER VAN WELZIJN, VOLKSGEZONDHEID EN GEZIN  
BISNOTA AAN DE LEDEN VAN DE VLAAMSE REGERING  
Betreft: Ontwerpbesluit van de Vlaamse Regering tot vaststelling van de diverse hoedanigheden van het rechtgevend kind en betreffende de vrijstellingen op de toekenningsvoorwaarden van de gezinsbijslagen en de startbedragen geboorte en adoptie  
Principiële goedkeuring  
Bijlagen:
  • het ontwerpbesluit;
  • het advies van de Inspectie van Financiën d.d. 19 april 2018;
  • het begrotingsakkoord d.d. 12 juni 2018.

1. INHOUDELIJK

1.1 Situering en context  
Op 18 april 2018 werd het decreet tot regeling van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid goedgekeurd, aangenomen door het Vlaams Parlement en op 27 april 2018 werd dit decreet, hierna het groeipakketdecreet genoemd, door de Vlaamse Regering afgekondigd en bekrachtigd.  
Met dit decreet, dat tot stand gekomen is als gevolg van de overheveling van de gezinsbijslagen naar de bevoegde deelentiteiten door de zesde staatshervorming, wordt er expliciet voor gekozen om werk te maken van een geïntegreerd gezinsbeleid, waarbij alle kinderen en gezinnen maximaal versterkt en ondersteund worden doorheen hun ontwikkeling. De Vlaamse Regering keurde op 31 mei 2016 de conceptnota “Voor elk kind een Groeipakket op maat” (ref. VR 2016 3105 DOC.0540/1) goed dat de basis vormt voor het groeipakketdecreet.
 
Het groeipakketdecreet bevat regels voor de toekenning van de gezinsbijslagen en een aantal toelagen in het kader van het gezinsbeleid. Deze laatste toelagen worden onderverdeeld in de selectieve participatietoeslagen, nl. een overheveling van de schooltoelagen vanuit Onderwijs, en andere, nieuwe toelagen (m.b.t. de deelname aan kinderopvang en kleuteronderwijs) in het kader van het gezinsbeleid.
 
Voorliggend ontwerpbesluit geeft invulling aan de delegaties die in het voormelde decreet aan de Vlaamse Regering toegekend werden om met betrekking tot het personeel toepassingsgebied (artikel 8), vast te leggen wanneer mag afgeweken worden van de in dit artikel vastgelegde voorwaarden, om met betrekking tot de startbedragen geboorte en adoptie (artikel 12) vrijstellingen te voorzien aan bepaalde voorwaarden en om wat betreft de universele participatietoeslagen (artikel 19-20-21), het uitbetalingstijdstip en andere uitvoeringsvoorwaarden nader te bepalen.
 
Opgemerkt dient te worden dat de meeste bepalingen van voorliggend ontwerpbesluit van toepassing zijn op kinderen die 18 jaar of ouder zijn. De bepalingen over schoolgaan of schoolverlater zijn immers niet van toepassing voor kinderen jonger dan 18 jaar die een onvoorwaardelijk recht op gezinsbijslagen genieten, en respectievelijk voor kinderen jongeren dan 21 jaar die als kind met een specifieke ondersteuningsbehoefte tot die leeftijd van een onvoorwaardelijk recht kunnen genieten. Er zal per hoofdstuk geduid worden of het van toepassing is op alle kinderen of enkel op kinderen die 18 jaar of ouder zijn.
 
Dit besluit hanteert daarnaast op verschillende plaatsen generieke termen die binnen de Vlaamse reglementering een andere, meer specifieke aanduiding krijgen. De bepalingen van dit ontwerpbesluit moeten echter meer generiek van toepassing zijn op verschillende vormen van onderwijs in de andere gemeenschappen, of eveneens op types van onderwijs in het buitenland. Waar mogelijk werd echter zo nauw mogelijk aangesloten bij de Vlaamse regelgeving.
 
1.2. Samenvatting en artikelsgewijze toelichting
 
Tabel met rechtsgronden
 
Artikel ontwerpbesluit Rechtsgrond in het decreet van (datum) tot regeling van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid
Artikel 2

Art. 8, §1, tweede lid

Artikel 3 tot en met 13 Art. 8, §1, vierde lid en art. 18, achtste lid  
Artikel 14 tot en met 44 Art. 8, §2, tweede lid  
Artikel 45

Art. 8, §2, tweede lid

Artikel 46

Art. 8, §2, derde lid

Artikel 47 tot en met 49 Art. 8, §3, tweede lid  
Artikel 50 tot en met 52 Art. 12  

Artikel 53

Art. 8 §3, tweede lid en art. 12

Artikel 54

Art. 210

Artikel 55

 
Art. 19, 20, 21 en 22, telkens tweede en derde lid
 
Artikel 1
Dit artikel bevat een aantal definities, die geen verdere toelichting nodig hebben.
 
Hoofdstuk 2. Het kind dat toegelaten of gemachtigd is in België te verblijven of er zich te vestigen
 
Dit hoofdstuk richt zich op alle kinderen die recht zouden kunnen geven op gezinsbijslagen.
 
Artikel 2
Dit artikel bepaalt nadere voorwaarden betreffende artikel 8,§1, 1° van het groeipakketdecreet dat bepaalt dat een kind dat niet over de Belgische nationaliteit beschikt, recht geeft op gezinsbijslagen indien het toegelaten of gemachtigd is in België te verblijven of er zich te vestigen overeenkomstig de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen.
 
Indien in hoofde van het kind niet kan bewezen worden dat het toegelaten of gemachtigd is in België te verblijven of er zich te vestigen wordt deze voorwaarde gecontroleerd in hoofde van de persoon die het verblijfsrecht voor het kind opent. De persoon die het verblijfsrecht voor het kind opent, is de persoon die als dusdanig in het Rijksregister staat genoteerd. Deze praktijk vloeit uit de ervaring die men met dergelijke dossiers heeft in het kader van de gewaarborgde gezinsbijslag. Het blijkt dat voor kinderen onder twaalf jaar het moeilijk is een geactualiseerde verblijfsstatus te vinden in het rijksregister, die men wel vindt voor een ouder van het kind. Voldoet deze persoon aan de gestelde voorwaarde, dan is deze ook in hoofde van het kind vervuld.
 
Er wordt een delegatie verleent aan de minister om te bepalen wat er gelijkgesteld wordt met de voorwaarde van toegelaten of gemachtigd verblijf. Deze delegatie richt zich op maatregelen die kunnen ontstaan uit wijzigende praktijken in het kader van de federale regelgeving, of de toepassing ervan door de dienst Vreemdelingenzaken, inzake toelating en verblijf.
 
Hoofdstuk 3. Het kind dat het voorwerp uitmaakt van een ontvoering
 
Dit hoofdstuk richt zich op alle kinderen die recht zouden kunnen geven op gezinsbijslagen.
 
Artikel 3
Dit artikel bepaalt dat het kind dat ontvoerd werd, recht heeft op het basisbedrag bedoeld in artikel 13 van het groeipakketdecreet, een recht heeft op een sociale toeslag bedoeld in artikel 18 van dit decreet als de inkomsten van het gezin van de begunstigden bepaalde grenzen niet overschrijden en een eventueel recht op wezentoeslag heeft, volgens de modaliteiten beschreven in het ontwerpbesluit van de Vlaamse Regering betreffende de nadere regels voor het verkrijgen van een zorgtoeslag. De zorgtoeslag voor kinderen met een specifieke ondersteuningsbehoefte op grond van artikel 16 van het groeipakketdecreet kan verder worden betaald zolang de beslissing over de specifieke ondersteuningsnood van voor de ontvoering geldig is.
 
Het ontvoerde kind telt eveneens mee voor de bepaling van de gezinsgrootte in het kader van de sociale toeslagen. Artikel 18, achtste lid, geeft de Vlaamse Regering immers delegatie om de gezinsgrootte nader te bepalen.
 
Artikel 4
Het eerste lid van dit artikel bepaalt de periode dat de gezinsbijslag wordt toegekend voor het ontvoerde kind. Net zoals in de huidige regelgeving wordt dit recht toegekend tot de leeftijd van 18 jaar. Het tweede lid bepaalt het residuair karakter van het recht, wat er op neer komt dat er geen recht is op gezinsbijslagen indien geweten is dat er recht is voor het kind onder toepassing van andere Belgische of buitenlandse wets- of reglementsbepalingen of krachtens regels die van toepassing zijn op het personeel van een volkenrechtelijke instelling.
 
Artikel 5
Dit artikel bepaalt dat de persoon of personen die begunstigde of begunstigden waren op de gezinsbijslag voor het ontvoerde kind, voorafgaand aan de ontvoering, ook begunstigde blijft tijdens de ontvoering. Bij overlijden van de begunstigde of begunstigden kan het recht op de gezinsbijslagen over gaan naar de persoon die het ouderlijk gezag krijgt, bij vonnis.
 
Artikel 6
Dit artikel is opgenomen om te verduidelijken dat voor kinderen die reeds ontvoerd zijn op 31 december 2018 en waarvoor een bijslagtrekkende is vastgesteld in toepassing van het koninklijk besluit van 19 april 2005 tot uitvoering van artikel 69, §2bis van de Algemene Kinderbijslagwet, deze bijslagtrekkende de gezinsbijslagen zal blijven ontvangen na 1 januari 2019 tot er zich een wijziging voordoet op het vlak van de ontvoering.
In dergelijk geval worden de bepalingen met betrekking tot de aanduiding van begunstigde(n) uit het decreet en de bijhorende besluiten toegepast om te bepalen aan wie de gezinsbijslagen verder moeten worden toegekend.
 
Artikel 7
Dit artikel bepaalt welke de Belgische overheden zijn die bevoegd zijn voor de klachten of aangiftes inzake de ontvoering van kinderen.
Tevens wordt gepreciseerd dat er eveneens rekening gehouden wordt met een aangifte in het kader van een burgerlijke procedure, omdat in bepaalde gevallen de ouder die slechtoffer is van de ontvoering van het kind geen strafrechtelijke procedure in gang wil zetten om makkelijker tot een vergelijk te komen met de ontvoerder en de snelle terugkeer van het kind te bewerkstelligen.
 
Artikel 8
Dit artikel bepaalt dat de ontvoering een einde neemt zodra het kind is teruggekeerd naar de persoon, de personen of de instelling die het gezag hadden over het kind voor de ontvoering of indien deze personen ermee instemmen dat het kind bij een derde verblijft.
Tevens worden in dit artikel de bepalingen uit het verdrag van 's-Gravenhage van 25 oktober 1980 betreffende burgerrechtelijke aspecten van internationale kinderontvoering en van verordening (EG) Nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, die betrekking hebben op het einde van de ontvoering geïntegreerd.
 
Hoofdstuk 4. Het kind dat verdwenen is
 
Dit hoofdstuk richt zich op alle kinderen die recht zouden kunnen geven op gezinsbijslagen.
 
Artikel 9
Dit artikel bepaalt de voorwaarden waaronder kinderbijslag toegekend wordt voor een kind dat verdwenen is.
 
Dit artikel bepaalt dat het kind dat verdwenen is, recht heeft op het basisbedrag bedoeld in artikel 13 van het groeipakketdecreet, een recht heeft op een sociale toeslag bedoeld in artikel 18 van dit decreet als de inkomsten van het gezin van de begunstigden bepaalde grenzen niet overschrijden en een eventueel recht op wezentoeslag heeft, volgens de modaliteiten beschreven in het ontwerpbesluit van de Vlaamse Regering betreffende de nadere regels voor het verkrijgen van een zorgtoeslag. De zorgtoeslag voor kinderen met een specifieke ondersteuningsbehoefte op grond van artikel 16 van het groeipakketdecreet kan verder worden betaald zolang de beslissing over de specifieke ondersteuningsnood van voor de verdwijning geldig is.
 
Het verdwenen kind telt eveneens mee voor de bepaling van de gezinsgrootte in het kader van de sociale toeslagen. Artikel 18, achtste lid, geeft de Vlaamse Regering immers delegatie om de gezinsgrootte nader te bepalen.
 
Artikel 10
Dit artikel bepaalt dat het kind dat verdwenen is enkel recht geeft op gezinsbijslagen indien het op het ogenblik van de verdwijning een recht op gezinsbijslag heeft op basis van artikel 8, §2, 1° tot en met 3°, namelijk tot en met de maand waarin het 18 jaar wordt, tot en met de maand waarin het 21 jaar wordt als het een specifieke ondersteuningsbehoefte heeft als vermeld in artikel 16 en tot en met de maand waarin het kind 25 jaar wordt als het leerling, student, stagiair of schoolverlater is, overeenkomstig de door de Vlaamse regering bepaalde voorwaarden, of indien het op het ogenblik van de verdwijning recht geeft op gezinsbijslag krachtens de regelgeving van een andere deelentiteit, buitenlandse wets- of reglementsbepalingen of regels die van toepassing zijn op het personeel van een volkenrechtelijke instelling.
 
Er is maximaal 5 jaar recht op gezinsbijslag vanaf de eerste dag van de maand van de verdwijning van het kind, voor zover het niet de leeftijd van 25 jaar of van 21 jaar bereikt heeft.
 
Artikel 11
Dit artikel bepaalt dat de begunstigde of begunstigden voor de gezinsbijslagen voor het kind dat verdwenen is, de persoon of personen zijn die deze hoedanigheid hadden vlak voor de verdwijning van het kind.
 
In het geval van overlijden van de begunstigde of begunstigden voor het verdwenen kind, worden de gezinsbijslagen verder toegekend aan de persoon of personen die bij vonnis het ouderlijk gezag verkrijgen.
 
Artikel 12
Dit artikel bepaalt dat het recht op gezinsbijslag ten gunste van het verdwenen kind uitdooft op het einde van de maand waarin het kind werd teruggevonden, tenzij er voor dit kind nog verder een recht op gezinsbijslagen is op basis van artikel 8, §2, 1° tot en met 3° van het decreet van 27 april 2018, namelijk tot en met de maand waarin het 18 jaar wordt, tot en met de maand waarin het 21 jaar wordt als het een specifieke ondersteuningsbehoefte heeft als vermeld in artikel 16 en tot en met de maand waarin het kind 25 jaar wordt als het leerling, student, stagiair of schoolverlater is, overeenkomstig de door de Vlaamse regering bepaalde voorwaarden.
 
Artikel 13
Artikel 8, §1, 2° bepaalt dat "onder het kind dat verdwenen is, moet worden verstaan het kind dat onvrijwillig niet langer op zijn woonplaats verblijft, en over wie er geen nieuws is, behalve als blijkt dat het kind, naar alle waarschijnlijkheid, overleden is in omstandigheden zoals een ongeval of een ramp, zelfs als het lichaam niet is teruggevonden." Hieruit volgt dat weggelopen kinderen en kinderen waarvan is vastgesteld dat ze in het buitenland verblijven in dit kader niet rechtgevend kunnen zijn.
 
Hoofdstuk 5. Het kind met een specifieke ondersteuningsbehoefte
 
Dit hoofdstuk richt zich specifiek op kinderen met een specifieke ondersteuningsbehoefte.
 
Artikel 14
Dit artikel bepaalt dat de zorgtoeslag voor kinderen met een specifieke ondersteuningsbehoefte wordt toegekend tot de leeftijd van 21 jaar.
 
Daarnaast worden ook de voorwaarden bepaald waaronder een winstgevende activiteit mag worden uitgeoefend. Met betrekking tot de voorwaarden rond winstgevende activiteiten wordt doorheen heel dit ontwerpbesluit een afstemming gezocht waar in de huidige regelgeving er nu verschillende voorwaarden van toepassing zijn voor bijvoorbeeld studenten (240-uurnorm) en werkzoekend schoolverlaters (een loonnorm per maand). Voor de uiteenzetting over de concrete voorwaarden verwijzen we graag naar hetgeen wordt opgenomen onder artikel 29 (cf. infra).
 
Natuurlijk worden waar nodig wel specifieke bepalingen opgenomen, zoals hier met betrekking tot de tewerkstelling in een maatwerkbedrijf. Deze activiteit blijft net zoals in de huidige regelgeving mogelijk voor het rechtgevend kind met een specifieke ondersteuningsbehoefte. Een sociale uitkering op basis van een activiteit in een maatwerkbedrijf, vormt eveneens geen beletsel voor de toekenning van de zorgtoeslag.
 
Daarnaast wordt ook gespecifieerd dat de tewerkstelling in het kader van een systeem van alternerend leren, van een bezoldigde stageovereenkomst en van een leerovereenkomst niet beschouwd worden als een winstgevende activiteit. Ook de sociale uitkering die voortvloeit uit deze types tewerkstelling vormen geen belemmering om de gezinsbijslagen te ontvangen.
 
Artikel 15
Dit artikel delegeert aan de minister de bevoegdheid om de procedure voor de verificatieprocedure van de winstgevende activiteit en het ontvangen van sociale uitkeringen voor het kind met een specifieke ondersteuningsbehoefte te bepalen.
 
Hoofdstuk 6. Het kind dat onderwijs volgt of een vorming doorloopt
 
Dit hoofdstuk is enkel van toepassing op kinderen die 18 jaar zijn of ouder, respectievelijk 21 jaar of ouder waar het een kind met een specifieke ondersteuningsbehoefte betreft, en geen onvoorwaardelijk recht op gezinsbijslagen meer genieten.
 
Afdeling 1. Niet-hoger onderwijs
 
Artikel 16
Dit artikel bepaalt dat de gezinsbijslagen verleend worden voor het kind dat in één of meerdere onderwijsinstellingen, waaronder de centra voor volwassenonderwijs, lessen volgt of in één of meerdere vormingscentra een leertijd doorloopt of een ondernemerschapstraject volgt. De lessen moeten minstens 17 uren per week beslaan. Een lestijd van 50 minuten wordt gelijkgesteld met een uur. Als voorbeeld kan gesteld worden dat de opleiding HBO 5 Verpleegkunde ook onder het systeem van de lestijden valt.
 
Artikel 17
Dit artikel bepaalt welke uren gelijkgesteld worden met lesuren.
 
Artikel 18
Dit artikel bepaalt dat de gezinsbijslagen ook worden toegekend voor het niet meer leerplichtige kind dat een systeem van alternerend leren en werken volgt of één van de types van deeltijds gewoon of buitengewoon secundair onderwijs volgt of een erkende opleiding volgt.
 
Artikel 19
Dit artikel bepaalt dat het onderwijs gevolgd in een instelling voor buitengewoon onderwijs en het buiten België gevolgd onderwijs waarvan het programma erkend is door de buitenlandse overheid of overeenstemt met een programma erkend door die overheid, geacht wordt te voldoen aan de voorwaarden van artikel 16.
 
Artikel 20
Reeds bij de Conceptnota “Voor elk kind en elk gezin een groeipakket op maat” (VR 2016 3105 DOC.0540/1) werd bepaald dat in een uitzondering zou worden voorzien indien de scholier zich niet zou kunnen inschrijven wegens ziekte. Dit vanuit de kwetsbaarheid van deze groep kinderen. Dit artikel geef uitvoering aan dit principe.
 
Daarbij werd de huidige regeling die geldt inzake kinderbijslag in het niet-hoger onderwijs overgenomen voor een kind dat ziek wordt tijdens het schooljaar.
 
Daarbij worden bijkomend specifieke bepalingen voorzien voor volgende gevallen:
  • Het kind schrijft zich in voor minder dan 17 lesuren ten gevolge van ziekte, omdat het niet meer inspanning aankan ten gevolge van die ziekte. Een arts levert hiertoe de nodige attesten aan;
  • Het kind kan zich niet inschrijven, terwijl het de lessen het vorige schooljaar wel volgde.;
  • Het kind dat al 21 is op het moment dat het zich niet kan inschrijven wegens ziekte, terwijl het niet ziek was gedurende het vorige schooljaar.
In dit laatste geval wordt in een specifieke regeling voorzien, waarbij rekening wordt gehouden dat er voor kinderen met een specifieke ondersteuningsbehoefte reeds een inkomensvervangende tegemoetkoming zou kunnen bestaan.
 
Voor kinderen die zich tijdens het schooljaar inschrijven, na een ziekte wordt voorzien dat een arts kan attesteren dat het kind niet in staat is meer dan 17 lesuren te volgen.
 
Artikel 21
Dit artikel bepaalt dat de gezinsbijslagen behouden blijven tijdens de kerst-, de paas- en de zomervakantie, rekening houdende met de definitie van zomervakantie in het eerste artikel van dit besluit. Er werd eveneens toegevoegd dat indien de periode tussen 2 school-of academiejaren meer dan 4 maanden bedraagt, de resterende periode gedekt wordt door en afgetrokken van de 12 maanden recht op gezinsbijslagen als schoolverlater, met dien verstande dat enkel de periode voorafgaand aan 1 oktober, wat overeenkomt met het begin van het academiejaar in Vlaanderen, wordt bedoeld. De overgrote meerderheid van de gevallen zal gedekt zijn door de 4 maanden en de paar uitzonderingen zullen aansluitend recht hebben door gebruik te maken van hun de periode van 12 maanden waar ze recht op hebben als schoolverlater.
 
Artikel 22
Dit artikel bepaalt dat de laatste zomervakantie in het niet-hoger onderwijs eindigt uiterlijk op 31 augustus.
 
Afdeling 2. Hoger onderwijs
 
Artikel 23
Dit artikel bepaalt welke onderwijsvormen beschouwd worden als hoger onderwijs.
 
Artikel 24
Dit artikel bepaalt onder welke voorwaarden er recht kan zijn op gezinsbijslagen voor kinderen die hoger onderwijs volgen. Globaal komt het er op neer dat een student moet ingeschreven zijn voor minstens 27 studiepunten om een recht op kinderbijslag te kunnen openen, met een uitzondering voor een diplomajaar.
 
Artikel 25
Dit artikel bepaalt dat indien het kind in de loop van het academiejaar zijn inschrijving(en) terugbrengt onder de norm van 27 studiepunten of de vorming(en) waarvoor het ingeschreven was in de loop van het academiejaar beëindigt, de gezinsbijslagen niet langer verschuldigd zijn.
 
Artikel 26
Dit artikel regelt de gezinsbijslagen voor het kind dat hoger onderwijs volgt en ziek is. Hiermee vullen we een lacune op in de huidige regelgeving inzake kinderbijslag waarbij er geen specifieke regelgeving werd voorzien voor kinderen die les volgden in het hoger onderwijs en ziek werden waardoor zij zich niet meer, of voor onvoldoende studiepunten, konden inschrijven.
 
Deze nieuwe toepassing wordt afgestemd op hetgeen bepaald is in artikel 20 inzake de ziekte van de scholier. Beide systemen zijn gelijklopend.
 
Naar analogie kan verwezen worden naar de uiteenzetting onder artikel 20.
 
Artikel 27
Dit artikel bepaalt dat de gezinsbijslagen behouden blijven tijdens de periode tussen twee opeenvolgende academiejaren. Er werd eveneens toegevoegd dat indien de periode tussen 2 academiejaren meer dan 4 maanden bedraagt, de resterende periode gedekt wordt door en afgetrokken wordt van de 12 maanden recht op gezinsbijslagen als schoolverlater, met dien verstande dat enkel de periode voorafgaand aan 1 oktober, wat overeenkomt met het begin van het academiejaar in Vlaanderen, wordt bedoeld. De overgrote meerderheid van de gevallen zal gedekt zijn door de 4 maanden en de paar uitzonderingen zullen aansluitend recht hebben door gebruik te maken van deze periode van 12 maanden.
 
Artikel 28
Dit artikel bepaalt dat de laatste zomervakantie in het hoger onderwijs eindigt uiterlijk op 30 september.
 
Afdeling 3. Gemeenschappelijke bepalingen voor afdeling 1 en 2
 
Artikel 29
Dit artikel bepaalt onder welke voorwaarden een winstgevende activiteit kan worden uitgeoefend door een kind dat niet-hoger en/of hoger onderwijs volgt.
 
Een van de voornaamste knelpunten in de huidige toepassing is het feit dat er onvoldoende afstemming is met de regelgeving inzake studentenarbeid. De verschillende toepassing waarbij voor het jobstudentenstatuut er een tewerkstelling van 475 uur per jaar wordt aanvaard, die soms tot problemen leidde voor de toepassing van de 240-uurnorm per kwartaal, wordt opgeheven. Zo kunnen ouders niet langer geconfronteerd worden met terugvordering wanneer hun kinderen wel in orde waren voor de RSZ – regelgeving, maar niet voor de kinderbijslagregelgeving, wat tot veel onbegrip leidt.
 
Er wordt evenwel geen onbeperkte arbeid toegelaten naast deze jobstudentenarbeid, scholieren en studenten moeten immers voldoende tijd aan hun studie kunnen besteden. De huidige 240-uurnorm per kwartaal, wordt hervormd tot en 80-uur norm per maand. Dit komt tegemoet aan de huidige problematiek die vele ouders bij het afstuderen van hun kinderen ondervinden. Zo zal een afgestudeerd kind, dat in augustus bv. een vakantiejob doet, en vanaf september voltijds begint te werken, zijn recht op kinderbijslag verliezen voor het volledige kwartaal, dus van juli t.e.m. september. Dit betekent dus een terugvordering, ook voor de maand juli. Deze administratieve overlast voor ouders wordt weggewerkt en de situatie (en eventuele terugvordering) wordt maand per maand bekeken.
 
Daarnaast ondermijnen we ook het vrij initiatief niet en kunnen student-zelfstandigen, maar ook studenten die een bijberoep als zelfstandige hebben, toch nog recht hebben op gezinsbijslagen. Enkel de kinderen die zelfstandige in hoofdberoep zijn worden uitgesloten van de toepassing van de gezinsbijslagen.
 
Voor het deeltijds onderwijs en het alternerend leren, gelden de bepalingen van het koninklijk besluit van 14 juli 1995 waarbij sommige categorieën studenten uit het toepassingsgebied van Titel VII van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten worden gesloten. De tewerkstelling van een kind dat een systeem van alternerend leren volgt of een bezoldigde stageovereenkomst heeft, wordt niet meegeteld als winstgevende activiteit.
 
Voor zowel het voltijds als het deeltijds onderwijs geldt bovendien dat het ontvangen van een sociale uitkering op basis van een Belgische of buitenlandse regeling betreffende ziekte, invaliditeit, arbeidsongevallen, beroepsziekten, werkloosheid of loopbaanonderbreking bedoeld in hoofdstuk IV, afdeling 5, van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen, leidt tot de schorsing van de toekenning van de gezinsbijslag.
 
De sociale uitkering die een kind ontvangt ten gevolge van een tewerkstelling tijdens een systeem van alternerend leren of een bezoldigde stageovereenkomst, vormt evenwel geen belemmering.
 
Artikel 30
Er wordt een delegatie aan de minister verleend voor de verificatieprocedure van de winstgevende activiteit en het ontvangen van sociale uitkeringen voor de studenten.
 
Artikel 31
Dit artikel bepaalt de vakantieperiode voor studies in het buitenland en de vakantieperiode na studies in het buitenland.
 
Artikel 32
Dit artikel bepaalt het recht op gezinsbijslagen voor kinderen die zowel ingeschreven zijn voor vormingen in het niet-hoger als in het hoger onderwijs. De studiepunten worden hiervoor omgezet in lesuren, waarbij één studiepunt gelijk is aan dertig minuten les. Als we de jaarnorm van studiepunten omzetten naar lesuren, komen 27 studiepunten overeen met 13,5 uur les. Gecombineerd met de lesuren in het niet-hoger onderwijs, dient het kind dan 17 uur les per week te volgen.
 
De norm die gehanteerd wordt voor hoger onderwijs dat niet uitgedrukt wordt in studiepunten, in artikel 33 van dit ontwerpbesluit, wordt ook in dit artikel de facto gehanteerd voor het hoger onderwijs.
 
Artikel 33
Dit artikel bepaalt de voorwaarden waaronder kinderen die hoger onderwijs volgen waarvan de modaliteiten niet worden uitgedrukt in studiepunten (privé-onderwijs), en kinderen die nog een geïntegreerde proef in het onderwijs voor de sociale promotie afwerken, recht hebben op gezinsbijslagen.
 
Voor de kinderen die hoger onderwijs volgen, geldt een wekelijkse norm van dertien lesuren. Voor het kind dat een bijkomend jaar voor de geïntegreerde proef volgt, is er recht op gezinsbijslagen gedurende een jaar.
 
Afdeling 4. Het kind dat verbonden is door een leerovereenkomst
 
Deze afdeling is enkel van toepassing op kinderen die 18 jaar of ouder zijn, respectievelijk 21 jaar of ouder waar het een kind met een specifieke ondersteuningsbehoefte betreft, en geen onvoorwaardelijk recht op gezinsbijslagen meer genieten. Het betreft een overname van de regelgeving die momenteel opgenomen staat in het Koninklijk besluit van 6 maart 1979 tot bepaling van de voorwaarden waaronder kinderbijslag wordt verleend ten behoeve van het kind dat verbonden is door een leerovereenkomst. Enkel op het vlak van het kind dat ziek wordt en de winstgevende activiteit van het kind verbonden door een leerovereenkomst worden aangepast en afgestemd op de andere onderdelen van dit ontwerpbesluit.
 
Artikel 34
Dit artikel bepaalt door welke instanties de leerovereenkomst erkend of gecontroleerd moet zijn.
 
De leercontracten waarvoor de Duitstalige Gemeenschap bevoegd is, vallen verder onder de toepassing van het Koninklijk besluit van 6 maart 1979.
In de Vlaamse Gemeenschap, werd het leercontract vervangen door de Overeenkomst Alternerende Opleiding vanaf 1 september 2016 en in de Franse Gemeenschap, het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie werd het leercontract vervangen door de alternerende overeenkomst vanaf 1 september 2015.
 
Deze bepalingen gelden dan ook enkel voor de leerovereenkomsten, niet voor het alternerend leren.
 
Artikel 35
Dit artikel regelt de gezinsbijslagen voor het kind dat verbonden is door een leerovereenkomst en ziek is. Naar analogie kan verwezen worden naar de uiteenzetting onder artikel 20.
 
Artikel 36
Dit artikel bepaalt onder welke voorwaarden een winstgevende activiteit kan worden uitgeoefend door een kind dat verbonden is door een leerovereenkomst. We verwijzen hierbij naar de afstemming die er gebeurde op dit vlak, die uiteengezet wordt onder artikel 29 (cf. supra). De bepalingen zijn natuurlijk geënt op de specifieke situatie van een kind dat verbonden is door een leerovereenkomst.
 
Artikel 37
Dit artikel bepaalt voor welke periode er nog recht kan zijn op gezinsbijslagen nadat de leerovereenkomst werd verbroken.
 
Afdeling 5. Het kind dat een stage doorloopt om in een openbaar ambt te worden benoemd
 
Deze afdeling is enkel van toepassing op kinderen die 18 jaar of ouder zijn, respectievelijk 21 jaar of ouder waar het een kind met een specifieke ondersteuningsbehoefte betreft, en geen onvoorwaardelijk recht op gezinsbijslagen meer genieten.
 
Artikel 38
Dit artikel bepaalt het recht op gezinsbijslagen voor het kind dat een stage doorloopt die een voorwaarde is om in een openbaar ambt te kunnen worden benoemd, indien het kind voor die stage geen vergoeding of loon geniet.
 
Artikel 39
Dit artikel verduidelijkt wat onder een openbaar ambt moet worden begrepen. De volgende functies worden beschouwd als openbare ambten: gerechtsdeurwaarder, notaris, landmeter, expert onroerende goederen en luchtverkeersleider (Belgocontrol).
 
Afdeling 6. Schoolverlater
 
Deze afdeling is enkel van toepassing op kinderen die 18 jaar zijn of ouder, respectievelijk 21 jaar of ouder waar het een kind met een specifieke ondersteuningsbehoefte betreft, en geen onvoorwaardelijk recht op gezinsbijslagen meer genieten.
 
Er wordt voorzien in een tegemoetkoming aan gekende problemen binnen de huidige toepassing. Voor kinderen met onvoorspelbare schoolcarrières en kinderen die ongewild niet onmiddellijk werk vonden na hun studies, was er vaak de onaangename verrassing van het verlies aan kinderbijslag als ze zich vergaten in te schrijven als werkzoekend schoolverlater. Daarnaast was er ook niet altijd een even consequent inschrijvingsbeleid waardoor jongeren die het systeem kenden meerdere malen gebruik konden maken van het systeem werkzoekend schoolverlater, terwijl andere jongeren niet onmiddellijk ingeschreven raakten als het nog niet helemaal duidelijk was of ze nog gingen verder studeren.
 
We verlaten het criterium werkzoekend schoolverlater, en hanteren verder enkel het criterium schoolverlater, wat zowel voor de gezinnen als voor de uitbetalingsactoren een administratieve vereenvoudiging betekent.
 
Daarnaast heffen we een aantal uitwassen op, waardoor men nu niet meer dan 1 keer gebruik zal kunnen maken van dit krediet en men ook niet langer meer dan een jaar van dit systeem zal kunnen genieten, wat in het huidige systeem wel het geval was als men zijn beroepsinschakelingstijd verlengd zag, doordat het kind geen 2 positieve evaluaties had ontvangen. Daarmee worden kinderen die wel 2 positieve evaluaties hadden behaald en slechts op de standaard periode beroep konden doen, niet langer bestraft ten opzichte van kinderen die niet 2 dergelijke positieve evaluaties verkregen.
 
Het kind krijgt met deze hervorming een krediet van 12 maanden na het beëindigen van zijn studies en kan met dit krediet ook de lacunes die in een onregelmatige schoolcarrière bestaan ondervangen. Het krediet van 12 maanden kan in verschillende periodes worden ingezet, maar kan nooit langer dan 12 maanden bedragen.
 
Artikel 40
Dit artikel bepaalt het recht op gezinsbijslagen voor de schoolverlater en voorziet in een termijn van 12 maanden waarin er nog gezinsbijslagen worden toegekend voor schoolverlaters, mits voldaan is aan bepaalde voorwaarden.
 
Het recht op gezinsbijslag als scholier of student primeert steeds op het recht als schoolverlater. Indien het rechtgevend kind zijn studies stopt, eindigt het recht op gezinsbijslag in de hoedanigheid van scholier of student op het einde van de maand. Indien het kind zich opnieuw inschrijft als scholier of student, heeft het rechtgevend kind recht op gezinsbijslag als scholier of student vanaf de eerste dag van de maand waarin de gebeurtenis zich voordoet.
 
Artikel 41
Er wordt voor gekozen om de schoolverlaters aan dezelfde voorwaarden te onderwerpen als de studenten in het niet-hoger en het hoger onderwijs (artikel 29), met uitsluiting van het financieel voordeel uitgekeerd aan het kind dat een stage doorloopt nodig voor het behalen van een diploma, getuigschrift of brevet. Op die manier worden scholieren, studenten en schoolverlaters op dezelfde manier opgevolgd, wat een aanzienlijke vereenvoudiging betekent en ook duidelijker is voor de burger, die in de huidige regelgeving wordt geconfronteerd met verschillende criteria, naargelang het schoolverlaters of scholieren of studenten betreft.
 
Afdeling 7. Gemeenschappelijke bepalingen
 
Artikel 42
Dit artikel bepaalt dat vrijwilligerswerk in de zin van de wet van 3 juli 2005 betreffende de rechten van vrijwilligers niet beschouwd wordt als een winstgevende activiteit.
 
Artikel 43
Dit artikel bepaalt dat het verrichten van een vrijwillige dienst van collectief nut in de zin van de wet van 11 april 2003 tot instelling van een vrijwillige dienst van collectief nut niet beschouwd wordt als een winstgevende activiteit.
 
Artikel 44
Dit artikel bepaalt dat het verrichten van een vrijwillige militaire inzet in de zin van de wet van 10 januari 2010 tot instelling van de vrijwillige militaire inzet onder bepaalde voorwaarden niet beschouwd wordt als een winstgevende activiteit.
 
Hoofstuk 7. Kind met een specifieke ondersteuningsbehoefte dat ten minste 21 jaar oud was op 1 juli 1987
 
Dit hoofdstuk is zeer specifiek gericht op de overgangscategorie van kinderen die minstens 21 waren op 1 juli 1987 en een specifieke ondersteuningsbehoefte hebben.
 
Artikel 45
Dit artikel bepaalt het recht op gezinsbijslagen voor het kind met een specifieke ondersteuningsbehoefte dat ten minste 21 jaar oud was op 1 juli 1987. Zij kunnen de huidige kinderbijslag tegen de gewone schaal blijven ontvangen, met de specifiek voor hun statuut bepaalde leeftijdsbijslag.
 
Hoofdstuk 8. Recht op gezinsbijslagen voor bepaalde categorieën van kinderen die voor 1 januari 2019 recht hadden op kinderbijslag of toeslagen op basis van de kinderbijslagreglementering
 
Dit hoofdstuk is enkel van toepassing op kinderen die 18 jaar of ouder zijn, respectievelijk 21 jaar of ouder waar het een kind met een specifieke ondersteuningsbehoefte betreft, en geen onvoorwaardelijk recht op gezinsbijslagen meer genieten.
 
Artikel 46
Dit artikel omvat een aantal overgangsmaatregelen voor kinderen die reeds een recht openden op basis van de Algemene kinderbijslagwet als scholier, student, schoolverlater of kind met een specifieke ondersteuningsbehoefte. Deze zorgen er voor dat de gerechtvaardigde verwachtingen van de burger niet wordt geschonden door regelgeving die op het ogenblik van het openen van het recht nog niet in voegen was.
 
Aangezien de nieuwe, meer uniforme regelgeving met betrekking tot het rechtgevend kind opgenomen in dit ontwerpbesluit, afwijkt ten opzichte van de huidige, vaak gediversifieerde regels, zouden bepaalde kinderen die reeds een recht openden op kinderbijslag onder de oude regels, dit recht kunnen verliezen door de toepassing van de nieuwe regelgeving.
 
Alle kinderen zullen vanaf 1 januari 2019 onder de controlemodaliteiten van de nieuwe regelgeving vallen. Voor zij die reeds een recht op kinderbijslag hadden als scholier, student, schoolverlater of kind met een specifieke ondersteuningsbehoefte onder de oude regelgeving, wordt die toets ook doorgevoerd.
 
Maar indien voor hen er op basis van de huidige regelgeving wel degelijk recht zou zijn, wordt hen dit recht toch toegekend, gedurende de specifieke periodes bepaald in voorliggen artikel. Voor een student of scholier betekent dit maximaal nog tot het einde van het school- of academiejaar 2018-2019. Voor een werkzoekend schoolverlater ten laatste tot 360 dagen na zijn inschrijving, dus ten laatste tot december 2019 voor (de beperkte groep van) kinderen die zich nog in december 2018 inschreven als werkzoekend schoolverlater.
 
Er wordt ten slotte ook in een overgangsmaatregel voorzien voor kinderen in het niet-hoger onderwijs die onder toepassing van ministeriële omzendbrief 335 een recht openden op kinderbijslag. Hierdoor kan voor kinderen die ziek worden tijdens het schooljaar nog een recht op kinderbijslag worden vastgesteld tot het einde van de zomervakantie van het schooljaar volgend op het schooljaar waarin de ziekte begon. De eerste zes maanden worden geattesteerd door ziekteattesten, waarna een vaststelling diende te gebeuren voor de verhoogde kinderbijslag voor kinderen met een aandoening, of een vaststelling dient te gebeuren voor de zorgtoeslag voor kinderen met een specifieke ondersteuningsbehoefte.
 
Hoofdstuk 9. Algemene vrijstellingen van de toekenningsvoorwaarden voor de gezinsbijslagen en de startbedragen geboorte en adoptie
 
In de huidige regelgeving zijn algemene en individuele afwijkingen te vinden in verschillende omzendbrieven die daartoe werden uitgevaardigd. De meest bekende daarvan is ministeriële omzendbrief 599. Dit ontwerpbesluit codificeert als algemene vrijstellingen de verschillende afwijkingen die in de huidige regelgeving te vinden zijn in algemene afwijkingen, maar ook in de individuele afwijkingen die door de FOD Sociale Zekerheid algemeen werden toegekend en daardoor het statuut van individuele afwijkingen overstegen.
 
Dit hoofdstuk is van toepassing op alle kinderen die een recht kunnen hebben op gezinsbijslagen, waarbij er wel op dient gewezen te worden dat sommige bepalingen vanuit hun aard (startbedrag geboorte) of door de specifieke leeftijd of categorie waar ze op wijzen, geen algemene gelding vinden.
 
Afdeling 1. Algemene vrijstellingen van de toekenningsvoorwaarden voor de gezinsbijslagen
 
Artikel 47
Dit artikel somt de algemene vrijstellingen op die de Vlaamse Regering hanteert in het kader van het recht op de gezinsbijslagen.
 
Artikel 48
Dit artikel bepaalt de termijn gedurende dewelke een vrijstelling geldt in het geval van een detachering in het buitenland. Artikel 49 Dit artikel bepaalt de termijn gedurende dewelke een vrijstelling geldt in het geval van overheidspersoneel dat zijn ambt buiten België uitvoert.
 
Afdeling 2. Algemene vrijstellingen van de toekenningsvoorwaarden voor het startbedrag geboorte
 
Artikel 50
Dit artikel somt de algemene vrijstellingen op die de Vlaamse Regering hanteert in het kader van het recht op het startbedrag geboorte.
 
Artikel 51
In dit artikel wordt een specifieke vrijstelling in het kader van pleegvoogdij opgenomen.
 
Afdeling 3. Algemene vrijstellingen van de toekenningsvoorwaarden voor het startbedrag adoptie
 
Artikel 52
Dit artikel somt de algemene vrijstellingen op die de Vlaamse Regering hanteert in het kader van het recht op het startbedrag adoptie.
 
Afdeling 4. Bepaling van nadere voorwaarden voor de vrijstellingen
 
Artikel 53
Er wordt in een delegatie voorzien aan de Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin om de precieze modaliteiten van de voormelde algemene vrijstellingen te bepalen.
 
Hoofdstuk 10. Universele participatietoeslagen
 
Dit hoofdstuk is van toepassing op alle kinderen met een mogelijk recht op gezinsbijslagen.
 
Artikel 54
Dit artikel bepaalt dat de jaarlijkse universele participatietoeslag enkel verschuldigd is indien er een recht op gezinsbijslagen is voor de maand juli.
Het tweede lid bepaalt dat de universele participatietoeslag uitbetaald wordt in augustus, gelijktijdig met de andere gezinsbijslagen voor juli.
Het derde lid bepaalt dat de universele participatietoeslag betaald wordt aan de begunstigde(n) voor het betrokken rechtgevend kind voor de gezinsbijslagen van de maand juli.
 
Hoofdstuk 11. Slotbepalingen
 
Artikel 55
Artikel 209 van het decreet heeft eerbiedigende werking voor de afwijkingen op de kinderbijslagreglementering zoals die golden op 31 december 2018. Deze afwijkingen volgen het mechanisme van artikel 211.
 
In dit artikel wordt er een delegatie naar de Vlaamse Regering voorzien. De Vlaamse Regering bepaalt met dit ontwerpbesluit de duur en modaliteiten van de afwijkingen.
 
2. WEERSLAG VAN HET VOORSTEL OP DE BEGROTING VAN DE VLAAMSE GEMEENSCHAP
 
2.1 Budgettaire impact
 
De budgettaire weerslag kan worden opgevangen binnen het budgettair kader, zoals dat werd vastgelegd in de conceptnota “Voor elk kind en elk gezin een groeipakket op maat”.
De personeels- en werkingsuitgaven gerelateerd aan de uitvoering van voorliggend ontwerpbesluit kunnen worden opgevangen binnen de beschikbare enveloppe voor betalings- en administratiekosten.
 
De budgettaire impact wordt weergegeven in voorliggende tabel:
 
Beschikbaar simulatiebudget 2019                                                3.600,1 miljoen euro
Geraamde uitgaven 2019                                                                 3.531 miljoen euro

Eerste pijler en deel zorgtoeslag basisbedrag en wezentoeslag                                                       3.091,1 miljoen euro

Tweede pijler sociale toeslagen                                                                              222,6 miljoen euro

Derde pijler Universeel Universele participatietoeslag (0-2 jaar)                                               4,1 miljoen euro Universele participatietoeslag Kleuteronderwijs (3-4 jaar)                    2,8 miljoen euro Universele participatietoeslag Kleuteronderwijs (5 jaar)                       2,5 miljoen euro Universele participatietoeslag lager onderwijs                                    15,5 miljoen euro Universele participatietoeslag secundair onderwijs                            20,6 miljoen euro Universele participatietoeslag hoger onderwijs                                   18,6 miljoen euro

Selectief Kleuteronderwijs                                                                                    5,5 miljoen euro lager onderwijs                                                                                    16,9 miljoen euro secundair onderwijs                                                                              88,1miljoen euro Hoger onderwijs                                                                                    2,7 miljoen euro Studietoelage HBO5                                                                                 8 miljoen euro

Andere toelagen Kinderopvangtoeslag                                                                           13,9 miljoen euro Kleutertoeslag (3-4 jaar)                                                                      18,2 miljoen euro

2.2 Advies van de Inspectie van Financiën
 
Het gunstig advies van de Inspectie van Financiën met kenmerk JVE/AVP/18/0167 werd verleend op 19 april 2018.
 
2.3 Begrotingsakkoord
 
Het akkoord van de minister bevoegd voor begroting, werd verleend op 12 juni 2018.
 
3. WEERSLAG VAN HET VOORSTEL OP DE LOKALE BESTUREN
 
Dit voorstel heeft geen weerslag op de lokale besturen.
 
4. WEERSLAG VAN HET VOORSTEL OP HET PERSONEELSBESTAND EN DE PERSONEELSBUDGETTEN
 
Het Vlaams Agentschap voor de Uitbetaling van de Toelagen in het kader van het Gezinsbeleid en de private uitbetalingsactoren: de personele kosten zijn voorzien en kunnen worden opgevangen binnen de beschikbare enveloppe voor betalings- en administratiekosten.
 
5. KWALITEIT VAN DE REGELGEVING
 
Het bijgaande ontwerpbesluit van de Vlaamse Regering werd aangepast aan het wetgevingstechnisch en taalkundig advies nr. advies nr. 2018/151 van 17 april 2018.
 
6. VOORSTEL VAN BESLISSING
 
De Vlaamse Regering beslist:
  1. haar principiële goedkeuring te hechten aan het bijgaande ontwerpbesluit van de Vlaamse Regering tot vaststelling van de diverse hoedanigheden van het rechtgevend kind en betreffende de vrijstellingen van de toekenningsvoorwaarden voor de gezinsbijslagen en de startbedragen geboorte en adoptie.  
  2. de Vlaamse minister, bevoegd voor de bijstand aan personen, te gelasten over voornoemd ontwerpbesluit van de Vlaamse Regering het advies in te winnen van de Raad van State , met verzoek het advies mee te delen binnen een termijn van 30 dagen, met toepassing van artikel 84, §1, eerste lid, 2°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State.
 
De Vlaamse minister van Onderwijs,
Hilde Crevits
 
De Vlaamse minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin,
Jo VANDEURZEN
Datum van afkondiging
Datum einde geldigheid
Top