Vlaanderen

Nota aan de leden van de Vlaamse Regering - principiële goedkeuring

DE VLAAMSE MINISTER VAN ONDERWIJS EN

DE VLAAMSE MINISTER VAN WELZIJN, VOLKSGEZONDHEID EN GEZIN

 

NOTA AAN DE LEDEN VAN DE VLAAMSE REGERING

 

Betreft:     Ontwerpbesluit van de Vlaamse Regering betreffende de nadere regels voor het verkrijgen van een zorgtoeslag

Principiële goedkeuring

 

Bijlagen:

 

1.INHOUDELIJK

1.1 Situering en context

Op 18 april 2018 werd het decreet tot regeling van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid goedgekeurd, aangenomen door het Vlaams Parlement en op 27 april 2018 werd dit decreet, hierna het groeipakketdecreet genoemd, door de Vlaamse Regering afgekondigd en bekrachtigd.

Met dit decreet, dat tot stand gekomen is als gevolg van de overheveling van de gezinsbijslagen naar de bevoegde deelentiteiten door de zesde staatshervorming, wordt er expliciet voor gekozen om werk te maken van een geïntegreerd gezinsbeleid, waarbij alle kinderen en gezinnen maximaal versterkt en ondersteund worden doorheen hun ontwikkeling. De Vlaamse Regering keurde op 31 mei 2016 de conceptnota “Voor elk kind een Groeipakket op maat” (ref. VR 2016 3105 DOC.0540/1) goed dat de basis vormt voor het groeipakketdecreet.

Het groeipakketdecreet bevat regels voor de toekenning van de gezinsbijslagen en een aantal toelagen in het kader van het gezinsbeleid. Deze laatste toelagen worden onderverdeeld in de selectieve participatietoeslagen, nl. een overheveling van de schooltoelagen vanuit Onderwijs, en andere, nieuwe toelagen (m.b.t. de deelname aan kinderopvang en kleuteronderwijs) in het kader van het gezinsbeleid.

Voorliggend ontwerpbesluit geeft invulling aan de delegaties die in het voormelde decreet aan de Vlaamse Regering toegekend werden met betrekking tot de zorgtoeslagen.

 

1.2     Artikelsgewijze toelichting

Tabel met rechtsgronden

Artikel in voorliggend ontwerpbesluit

Rechtsgrond in het decreet van 27 april 2018 tot regeling van de toelagen in het

kader van het gezinsbeleid

1

Definities

2-5

artikel 15, §1, tweede lid en §2, tweede lid

6-43

artikel 16, §1, derde en vierde lid

44-45

artikel 17, derde lid

46-47

artikel 68, §2

48

artikel 214, §2, achtste lid

49-50

artikel 218

51

artikel 219, tweede lid

52

artikel 16, §1, derde lid

53-54

Slotbepalingen

 

Hoofdstuk 1. - Algemene bepalingen

Artikel 1.

Dit artikel bevat louter definities en behoeft geen verdere uitleg.  

Hoofdstuk 2. - Wezentoeslag

Artikel 2-5.

Deze artikelen bevatten enkele procedurele bepalingen over het bewijs inzake afstamming

en overlijden of afwezigheid, alsook over het ontstaan van het recht op wezenbijslag.

 

Hoofdstuk 3. - Zorgtoeslag voor kinderen met een specifieke ondersteuningsbehoefte

Het 3-pijlersysteem dat gehanteerd wordt om de inschaling voor de verhoogde kinderbijslag uit te voeren in de huidige kinderbijslagreglementering, wordt ook met voorliggend ontwerpbesluit verder aangehouden.

Met de nota “Naar een vraaggestuurde zorg en ondersteuning met zorggarantie voor kinderen en jongeren met een handicap” (VR 2018 2007 DOC.0967/1BIS) werd beslist dat vanaf 2019 ook de arts van het multidisciplinair team (MDT) inschalingen zal doen in het 3-pijlerssysteem voor kinderen voor wie een aanvraagdocument wordt ingevuld. Deze artsen zullen vergoed worden zoals de evaluerend artsen.

Deze arts heeft een goed zicht op de impact en de context van het kind, en is dus uitstekend geplaatst om de inschaling voor de zorgtoeslag te doen.

De voordelen om MDT-artsen ook inschalingen te laten doen, zijn:=

  • de mogelijke non take-up die er nu zou kunnen zijn van kinderen die gekend zijn bij de integrale toegangspoort, maar geen zorgtoeslag ontvangen, wordt weggewerkt;
  • ouders moeten niet zowel bij het MDT als bij de evaluerend artsen langsgaan, dus een lagere drempel voor de ouders en het kind, en een stap dichter naar automatische rechtentoekenning;
  • kinderen met een indicatiestellingsverslag in het kader van de niet-rechtstreeks toegankelijke jeugdhulp worden meer realistisch ingeschaald, zeker binnen de GES/GES+ problematiek, en zullen dus mogelijks ook recht hebben op BOB als ze 12 of meer punten in totaal hebben.

 

Afdeling 1. Gevolgen van de specifieke ondersteuningsbehoefte

Artikel 6.

Dit artikel geeft de verschillende pijlers weer waaruit de gevolgen van de specifieke ondersteuningsbehoefte bestaan. Het betreft drie pijlers:

  • De gevolgen op het vlak van de lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid van het kind;
  • De gevolgen op het vlak van de activiteit en de participatie van het kind;
  • De gevolgen voor de familiale omgeving van het kind.

Het artikel bepaalt daarnaast uit welke onderdelen deze pijlers bestaan en het aantal punten dat deze maximaal kunnen meekrijgen. Om recht te kunnen hebben op een zorgtoeslag voor kinderen met een specifieke ondersteuningsbehoefte moet de optelsom van deze punten minimaal zes bedragen of het betreft minimaal 4 punten in de eerste pijler.

Artikel 7.

Dit artikel bepaalt welke instrumenten gehanteerd worden om de lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid van het kind te kunnen vaststellen, alsook de wijze waarop deze moeten gehanteerd worden.

Artikel 8.

Het voorliggend artikel bepaalt de voorwaarden waaronder een kind recht kan hebben op de zorgtoeslag voor kinderen met een specifieke ondersteuningsbehoefte. Zo moet er voor het kind een recht op gezinsbijslagen onder het groeipakket bestaan op het ogenblik dat de specifieke ondersteuningsbehoefte een aanvang nam.

Artikel 9.

Dit artikel bepaalt welke bedragen aan welke punten gekoppeld worden door de uitbetalingsactoren naargelang de ernst van de gevolgen van de specifieke ondersteuningsbehoefte. Deze bedragen zijn gekoppeld aan de indexbepaling uit artikel 4 van het decreet van 27 april 2018 tot regeling van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid.

 

Afdeling 2. Vaststelling van de gevolgen van de aandoening waaruit een specifieke ondersteuningsbehoefte voortvloeit

Artikel 10.

De gevolgen van de aandoening waaruit een specifieke ondersteuningsbehoefte voortvloeit, worden vastgesteld door een evaluerende arts of een MDT-arts. Kind en Gezin houdt toezicht wat betreft de door deze artsen toegekende punten. Tijdens de onderzoeken uitgevoerd door deze artsen dienen deze de wet op de patiëntenrechten na te leven.

Kind en Gezin bewaart de persoonsgegevens die het ontvangt in het kader van dit besluit tot vijf jaar na ontvangst van de gegevens.

 

Onderafdeling 1. Procedure tot vaststelling door een evaluerende arts

Artikel 11.

Dit artikel bepaalt dat de aanvraag tot vaststelling van de gevolgen van de specifieke ondersteuningsbehoefte door een evaluerende arts wordt ingediend bij de uitbetalingsactor door de begunstigde of begunstigden.

Artikel 12.

Dit artikel bepaalt dat Kind en Gezin een inlichtingenformulier bezorgt aan de begunstigde of begunstigden. Deze kunnen aan dit inlichtingenformulier medische of sociale verslagen toevoegen.

Artikel 13.

Dit artikel bepaalt de procedure volgens dewelke de evaluerende arts gevolgen van de aandoening waaruit een specifieke ondersteuningsbehoefte voortvloeit, dient vast te stellen bij het rechtgevend kind.

Artikel 14.

Nadat de evaluerende arts de nodige vaststellingen heeft gedaan bezorgd hij deze aan Kind en Gezin dat vervolgens de uitbetalingsactor de vaststelling bezorgt. Deze laatste beslist tot weigering of toekenning van de zorgtoeslag.

Artikel 15.

Met dit artikel wordt een bijzondere procedure ingesteld die toelaat om een vaststelling te doen op basis van stukken. Het betreft ernstige medische ziektebeelden en de beslissing geldt voor maximaal één jaar. De minister bevoegd voor de bijstand aan personen kan deze procedure uitbreiden, en moet daarbij de relevante criteria bepalen, alsook aangeven hoe lang deze procedure kan worden toegepast, beperkt in de tijd.

Artikel 16.

Dit artikel bepaalt dat de weigering van behandeling die aanleiding zou kunnen hebben gegeven tot een mogelijke toekenning van een zorgtoeslag voor kinderen met een specifieke ondersteuningsbehoefte wordt vastgesteld door de evaluerende arts. Indien de evaluerende arts deze vaststelling maakt, moet de uitbetalingsactor de uitbetaling van de zorgtoeslag weigeren.

 

Onderafdeling 2. Procedure tot vaststelling door een MDT-arts

Artikel 17.

Dit artikel bepaalt dat wanneer een multidisciplinair team een aanvraagdocument opstelt, de arts die onderdeel uitmaakt van dit multidisciplinair team eveneens de vaststelling van de gevolgen van de specifieke ondersteuningsbehoefte op zich neemt. Via Kind en Gezin wordt deze vaststelling bezorgt aan de uitbetalingsactor.

Artikel 18.

Dit artikel bepaalt dat wanneer er tegelijkertijd een aanvraag tot vaststelling van de specifieke ondersteuningsbehoefte bij een evaluerende arts loopt, deze laatste procedure wordt stop gezet.

 

Onderafdeling 3. Duur en herziening van de vaststelling

Artikel 19.

Dit artikel bepaalt dat de vaststelling door een evaluerende arts of een MDT-arts geldig is tot de leeftijd van zes, twaalf of achttien jaar, zodat de evolutie van de gevolgen van de specifieke ondersteuningsbehoefte van het kind regelmatig worden geëvalueerd. De evaluerende arts of MDT-arts kan op gemotiveerde wijze afwijken van deze tijdstippen. Op het einde van elk van deze termijnen volgt een ambtshalve herziening voor dewelke Kind en Gezin aan de begunstigde of begunstigden een informatiebrief verstuurt zes maanden voordat deze herziening plaats vindt. Deze herziening wordt uitgevoerd door een evaluerende arts.

Artikel 20.

Op initiatief van de begunstigde of begunstigden kan ook een aanvraag tot herziening worden ingediend bij de uitbetalingsactor. Dergelijke herziening wordt uitgevoerd door een evaluerende arts en kan enkel worden ingediend op basis van nieuwe inlichtingen die nog niet werden voorgelegd aan een evaluerende arts.

 

Hoofdstuk 4. Evaluerende artsen Afdeling 1. Erkenning

Onderafdeling 1. Algemene bepalingen

Artikel 21.

Een arts kan een erkenning als evaluerende aanvragen, die geldig is voor drie jaar. Kind en Gezin zal beslissen over de aanvragen die hiertoe bij haar zullen worden ingediend.

 

Onderafdeling 2. Erkenningsvoorwaarden

Artikel 22.

Dit artikel bepaalt wat de erkenningsvoorwaarden zijn waaraan een evaluerende arts moet voldoen.

 

Onderafdeling 3. Erkenningsvoorschriften

Artikel 23-24.

Deze artikelen bepalen de erkenningsvoorschriften die door een evaluerende arts moeten gehanteerd worden bij de uitvoering van zijn opdrachten in het kader van dit ontwerpbesluit.

 

Onderafdeling 4. Vergoeding

Artikel 25-26.

De evaluerende arts zal maandelijks vergoed worden voor zijn prestaties die hij verricht als zelfstandige. Deze vergoeding zal worden vastgelegd bij ministerieel besluit.

 

Afdeling 2. Procedure

Onderafdeling 1. Erkenningsprocedure

Artikel 27-30.

Deze artikelen bepalen de procedure die moet worden gevolgd bij de erkenning van de evaluerende arts.

 

Onderafdeling 2. Verlenging van de erkenning

Artikel 31.

Dit artikel bepaald dat een erkenning kan verlengd worden voor een periode van 3 jaar. Onderafdeling 3. Oproep mentorartsen

Artikel 32.

Dit artikel bepaalt de procedure die moet gevolgd worden bij de oproep inzake mentorartsen.

 

Onderafdeling 4. Schorsing of opheffing van de erkenning

Artikel 33-36.

Deze artikelen bepalen de nalevingsondersteuning en de handhavingsprocedure ten opzichte van de evaluerende arts.

 

Onderafdeling 5. Bezwaarprocedure

Artikel 37-42.

Deze artikelen omschrijven de bezwaarprocedure voor de evaluerende arts. Onderafdeling 6. Vrijwillige stopzetting

Artikel 43.

Dit artikel bepaalt de procedure wanneer een evaluerende arts vrijwillig zijn activiteiten stop zet.

 

Hoofdstuk 5. - Pleegzorgtoeslag Artikel 44-45.

Deze artikelen geven uitvoering aan de voorziene delegaties in verband met de pleegzorgtoeslag. Zo wordt bepaald welke personen niet in aanmerking kunnen komen voor de pleegzorgtoeslag (bijv. het kind dat begunstigde is voor zichzelf kan niet ook de ontvanger zijn van een pleegzorgtoeslag).

 

Hoofdstuk 6. Wijzigingsbepalingen

Artikel 46-47.

Deze artikelen voorzien in het besluit van 21 februari 2014 betreffende de integrale jeugdhulp de nodige wijzigingen zodat ook na de transitie naar het groeipakket er kan beslist worden over het derde van de gezinsbijslagen door het team indicatiestelling.

 

Hoofdstuk 7. – Slotbepalingen

Afdeling 1. Overgangsbepalingen

Onderafdeling 1. Wezentoeslag

Artikel 48.

Dit artikel bepaalt onder welke voorwaarden een kind dat wees werd voor 31 december 2018 en de huidige wezenbijslag ontvangt, kan beschouwd worden als een verlaten wees en bijgevolg de verhoogde wezenbijslag ontvangt.

 

Onderafdeling 2. Zorgtoeslag voor kinderen met een specifieke ondersteuningsbehoefte

Artikel 49.

Dit artikel stelt de nodige overgangsmaatregelen in voor kinderen die reeds over een attestering beschikken voor de verhoogde kinderbijslag voorafgaand aan 1 januari 2019.

Artikel 50.

Dit artikel bepaalt dat inschalingen die na 1 januari 2019 worden uitgevoerd in een andere entiteit, bevoegd inzake gezinsbijslagen, worden overgenomen in de Vlaamse Gemeenschap, wanneer deze bevoegd wordt, zolang deze hun grondslag blijven vinden in het driepijlersysteem. Kind en Gezin staat in voor de beoordeling of de inschaling in de andere deelentiteiten effectief volgens het driepijlersysteem wordt uitgevoerd.

 

Onderafdeling 3. Erkenning als evaluerende arts

Artikel 51.

Met dit artikel wordt in een overgangsmaatregel voorzien waarmee artsen die vaststellingen deden voor de verhoogde kinderbijslag bij de FOD Sociale Zekerheid een erkenning kunnen krijgen binnen Vlaanderen.

 

Onderafdeling 4. Pleegzorgtoeslag

Artikel 52.

Dit artikel bepaalt onder welke voorwaarden de pleegzorgtoeslag voorzien in artikel 219 van het decreet van 27 april 2018 tot regeling van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid kan worden toegekend.

 

Afdeling 2. Uitvoeringsbepaling en inwerkingstredingsbepaling

Artikel 53-54.

Deze artikelen behoeven geen verdere uitleg.

 

2.WEERSLAG VAN HET VOORSTEL OP DE BEGROTING VAN DE VLAAMSE GEMEENSCHAP

2.1 Financiële weerslag van het voorstel (en vereiste kredieten)

De beleidsuitgaven in het kader van de zorgtoeslag voor kinderen met een specifieke ondersteuningsbehoefte worden geraamd op 128.414 duizend euro (rekening houdende met de spilindexoverschrijding in augustus 2018), voor naar schatting 36.297 kinderen (zie nota Vlaamse Regering bij het decreet van 27 april 2018 tot regeling van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid, (VR 2017 0206 DOC.0539/1). Om de nodige vaststellingen van de gevolgen van de aandoening waaruit een specifieke ondersteuningsbehoefte voortvloeit, te kunnen uitvoeren, zal er een budget nodig zijn van ongeveer 792 duizend euro, waarbij jaarlijks 24.000 kinderen worden onderzocht aan 33 euro per medische evaluatie. De eenheidsprijs zal worden vast gelegd bij ministerieel besluit. Deze uitgaven zullen worden opgevangen binnen de middelen uit de enveloppe voor betalings- en beheerskosten m.b.t. de gezinsbijslagen die vanaf 2019 worden toegewezen aan Kind en Gezin.

De maatregelen die opgenomen werden in de nota VR 2018 2007 DOC.0967/1BIS en met dit ontwerpbesluit regelgevend worden verankerd, hebben tot doel meer kinderen die nu reeds recht zouden hebben op de verhoogde kinderbijslag ook effectief deze middelen toe te kennen. Het potentieel effect hiervan wordt geraamd op 5% van de huidige rechthebbenden wat een budgettair effect creëert van 5,9 mio euro. Deze meerkost zal worden opgevangen binnen de kredieten van het Groeipakket. Binnen het monitoringscomité van het Groeipakket zal hierop ook een bijkomende monitoring voorzien worden en zal ook het beleid inzake het terugdringen van de non-take up inzake de verhoogde zorgtoeslag gemonitord worden.

 

2.2 Inspectie van Financiën

Het advies van de Inspectie van Financiën met referentienummer JVE/AVP/18/0388 werd verleend op 20 september 2018.

 

2.3 Begrotingsakkoord

Het begrotingsakkoord werd verleend op 23 oktober 2018. Overeenkomstig het begrotingsakkoord zal de toekenning van de toeslagen van nabij worden opgevolgd door het monitoringcomité en zullen correctieve maatregelen worden wanneer de budgettaire inpasbaarheid niet kan gegarandeerd worden. De beschikbare werkingsenveloppe zal de belasting op het apparaat van Kind en Gezin en de vergoeding voor de evaluerende artsen opvangen.

 

3.WEERSLAG VAN HET VOORSTEL OP DE LOKALE BESTUREN
  1. personeel: het voorstel heeft geen weerslag op gebied van personeelsinzet;
  2. werkingsuitgaven: het voorstel heeft geen weerslag op de lopende uitgaven van de lokale besturen;
  3. investeringen en schulden: het voorstel heeft geen investeringen als gevolg;
  4. ontvangsten: het voorstel heeft geen bijkomende ontvangsten als gevolg;
  5. conclusie: het voorstel heeft geen weerslag op de lokale besturen.

 

4.WEERSLAG VAN HET VOORSTEL OP HET PERSONEELSBESTAND EN DE PERSONEELSBUDGETTEN

 

Het voorstel van beslissing heeft geen weerslag op het personeelsbestand en op het personeelsbudget, zodat het akkoord van de Vlaamse minister, bevoegd voor de bestuurszaken, niet vereist is.

 

5.KWALITEIT VAN DE REGELGEVING

5.1 Wetgevingstechnisch en taalkundig advies

Het bijgaande ontwerpbesluit van de Vlaamse Regering werd aangepast aan het wetgevingstechnisch en taalkundig advies nr. 2018/389 van 12 september 2018.

 

5.2 RIA

De onderbouwing van het dossier, zoals afwegingen of motivering, is verweven doorheen de andere rubrieken van de nota.

 

6.VOORSTEL VAN BESLISSING

De Vlaamse Regering beslist:

1°       haar principiële goedkeuring te hechten aan het bijgaande ontwerpbesluit van de Vlaamse Regering betreffende de nadere regels voor het verkrijgen van een zorgtoeslag;

2°       de Vlaamse minister, bevoegd voor Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, te gelasten over voornoemd ontwerpbesluit van de Vlaamse Regering, het advies in te winnen van de Raad van State, met verzoek het advies mee te delen binnen een termijn van 30 dagen, met toepassing van artikel 84, §1, eerste lid, 2°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State.

 

De Vlaamse minister van Onderwijs,

 

 

Hilde CREVITS

 

De Vlaamse minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin,

 

 

Jo VANDEURZEN

Top