Vlaanderen

Artikel 48 BVR Zorgtoeslagen

§1. Het rechtgevende kind dat geboren is vóór 1 januari 2019, van wie een van de ouders is overleden en aan wie op grond van de kinderbijslagreglementering een gewone of verhoogde wezenbijslag is toegekend op 31 december 2018, kan als verlaten beschouwd worden als vermeld in artikel 214, §2, achtste lid, van het decreet van 27 april 2018, als voldaan is aan de volgende cumulatieve voorwaarden:

1° het kind is ingeschreven op een ander adres dan de overlevende ouder in de zin van artikel 3, eerste lid, 5°, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van het Rijksregister van de natuurlijke personen, met uitzondering van gevallen waarbij uit andere daarvoor overgelegde officiële documenten als vermeld in artikel 3, §1, van het besluit van de Vlaamse Regering van 21 september 2018 tot vaststelling van de nadere regels voor het toekennen van een sociale toeslag, blijkt dat het kind op een ander adres woont dan de overlevende ouder;

2° de overlevende ouder heeft geen contact meer met het kind;

3° er is geen of slechts een minieme geldelijke tegemoetkoming in de onderhoudskosten van het kind;

4° de overlevende ouder vormt een gezin met een persoon die geen bloed- of aanverwant is tot en met de derde graad.

In het eerste lid, 3°, wordt verstaan onder minieme geldelijke tegemoetkoming: een kleinere bijdrage dan het verschil tussen de kinderbijslag, vermeld in artikel 210 van het decreet van 27 april 2018, en de verhoogde kinderbijslag voor wezen, vermeld in artikel 214, §1, van het voormelde decreet. Als er verschillende kinderen in het gezin aanwezig zijn, wordt het verschil per kind vergeleken tenzij een volledige vergelijking gunstiger is dan een vergelijking per kind. Het is niet van belang of de overlevende ouder die geldelijke bijdrage vrijwillig of ingevolge een rechterlijke beslissing verstrekt.

§2. In afwijking van paragraaf 1, 2°, vormen contacten per brief, telefoon, via sms of sociale media en louter protocollaire bezoeken geen beletsel om een kind als verlaten te beschouwen als vermeld in artikel 214, §2, achtste lid, van het decreet van 27 april 2018, zolang die contacten niet deel uitmaken van een structurele relatie tussen de overlevende ouder en het kind.

§3. Als er niet meer voldaan is aan een van de cumulatieve voorwaarden, vermeld in paragraaf 1, wordt het kind niet meer als verlaten wees beschouwd als vermeld in artikel 56bis, §2, vierde lid, van de Algemene kinderbijslagwet, vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin de voorwaarden niet langer vervuld zijn.

Als het kind voldoet aan de voorwaarden, vermeld in paragraaf 1, wordt het als verlaten wees beschouwd vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin het kind opnieuw aan de voorwaarden voldoet.

§4. De minister kan nadere regels vaststellen voor de procedure voor de vaststelling van een verlaten wees als vermeld in artikel 214, §2, achtste lid, van het decreet van 27 april 2018.

Datum van publicatie
Datum van afkondiging
Top