Vlaanderen

Ministerieel besluit van 13 maart 2019 houdende de nadere regels over de diverse hoedanigheden van het rechtgevende kind en betreffende de vrijstellingen van de toekenningsvoorwaarden voor de gezinsbijslagen, de startbedragen geboorte en adoptie en de universele participatietoeslagen (B.S. 16.05.2019)

Artikel 1. In dit besluit wordt verstaan onder:

  1. agentschap: het agentschap, vermeld in artikel 3, §1, 4°, van het decreet van 27 april 2018 tot regeling van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid
  2. besluit van 5 oktober 2018: het besluit van de Vlaamse Regering van 5 oktober 2018 tot vaststelling van de diverse hoedanigheden van het rechtgevend kind en betreffende de vrijstellingen van de toekenningsvoorwaarden voor de gezinsbijslag, de startbedragen geboorte en adoptie en de universele participatietoeslagen.

Art. 2. In uitvoering van artikel 2, vierde lid, van het besluit van 5 oktober 2018 wordt het kind in de volgende situaties geacht te voldoen aan de voorwaarde van toegelaten of gemachtigd verblijf:

  1. het kind dat het slachtoffer is van mensenhandel- of smokkel, geattesteerd door een door de federale overheid erkend centrum dat gespecialiseerd is in het onthaal van slachtoffers van mensenhandel of op het grondgebied verblijvend door middel van een attest van immatriculatie;
  2. een niet-begeleide minderjarige die op het grondgebied verblijft door middel van een attest van immatriculatie;
  3. voor het kind dat niet toegelaten of gemachtigd is in België te verblijven of er zich te vestigen, waarvan één van de ouders Belg is of toegelaten of gemachtigd is in België te verblijven of er zich te vestigen.

EU-onderdanen en de onderdanen van Noorwegen, IJsland, Liechtenstein en Zwitserland die toegelaten of gemachtigd zijn in België te verblijven of er zich te vestigen, worden beschouwd dat te zijn vanaf de dag van de aanvraag tot inschrijving of de verklaring van inschrijving.

Art. 3. Het onderzoek, vermeld in artikel 20, §1, tweede lid, artikel 20, §4, tweede lid, artikel 26,§1,  tweede lid, artikel 26, §4, tweede lid, artikel 35, §1, tweede lid, en artikel 35, §3, tweede lid, van het besluit van 5 oktober 2018, wordt uitgevoerd door de evaluerende arts van Kind en Gezin, vermeld in artikel 1, 3°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 7 december 2018 betreffende de nadere regels voor het verkrijgen van een zorgtoeslag.

Art. 4. De algemene vrijstelling, vermeld in artikel 49 van het besluit van 5 oktober 2018, is van toepassing op elk beroepsactief personeelslid van een openbare overheid in België.

Art. 5. Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2019.

Datum van publicatie
Datum van afkondiging
Top