Vlaanderen

Ministerieel besluit van 13 maart 2019 tot uitvoering van het BVR van 13 juli 2018 tot vaststelling van de nadere regels over de rechten en plichten van begunstigden in hun contacten met uitbetalingsactoren en tot vaststelling van de regels over de ambtshalve en gedwongen herziening van een beslissing tot toekenning van toelagen in het kader van het gezinsbeleid, wat betreft meldingen in en motivering van een beslissing over toelagen en de voorwaarden om af te zien van terugvordering (B.S. 07.06.2019)

titel in extenso 13 maart 2019 - Ministerieel besluit tot uitvoering van het Besluit van de Vlaamse Regering van 13 juli 2018 tot vaststelling van de nadere regels over de rechten en plichten van begunstigden in hun contacten met uitbetalingsactoren en tot vaststelling van de regels over de ambtshalve en gedwongen herziening van een beslissing tot toekenning van toelagen in het kader van het gezinsbeleid, wat betreft meldingen in en motivering van een beslissing over toelagen en de voorwaarden om af te zien van terugvordering van onverschuldigde toelagen (B.S. 07.06.2019)

 

Hoofdstuk 1. Definities

Artikel 1. In dit besluit wordt verstaan onder:

1° agentschap: het agentschap, vermeld in artikel 3, §1, 4°, van het decreet  van 27 april 2018;  ·

2° besluit van 13 juli 2018: het besluit van de Vlaamse Regering van 13 juli 2018 tot vaststelling van de nadere regels over de rechten en plichten van begunstigden in hun contacten met uitbetalingsactoren en tot vaststelling van de regels voor de ambtshalve en gedwongen herziening van een beslissing tot toekenning van toelagen in het kader van het gezinsbeleid;

decreet van 27 april 2018: het decreet van 27 april 2018 tot regeling van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid;

gezinsinspecteur: de gezinsinspecteur, vermeld in artikel 3, §3, 4°, van het decreet van 27 april 2018.

Hoofdstuk 2. Vrijstelling van vermeldingen in en motivering van beslissingen

Art. 2. Ter uitvoering van artikel 4, tweede lid, van het besluit van 13 juli 2018 zijn de vermeldingen, vermeld in artikel 89, eerste lid, van het decreet van 27 april 2018, niet vereist:

1° vanaf de tweede betaling van de kinderopvangtoeslag, vermeld in artikel 7 van het besluit van de Vlaamse Regering van 7 december 2018 houdende de kinderopvangtoeslag en de kleutertoeslag;

2° bij de betaling van de universele participatietoeslagen, vermeld in artikel 54 van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 oktober 2018 tot vaststelling van de diverse hoedanigheden van het rechtgevende  kind en betreffende  de vrijstellingen van de toekenningsvoorwaarden voor de gezinsbijslagen, de startbedragen geboorte en adoptie en de universele participatietoeslagen.

Art. 3. Ter uitvoering van artikel 8, tweede lid, van het besluit van 13 juli 2018 worden de beslissingen tot regeling van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid, die door of met behulp van informaticaprogramma's genomen zijn, als er geen akte is opgemaakt, geacht gemotiveerd te zijn als de relevante gegevens, die met behulp van informaticaprogramma's werden bekomen en waarop de beslissing is gebaseerd, bewaard blijven gedurende dezelfde termijn als de langste termijn, vermeld in artikel 95 tot en met 99 van het decreet van 27 april 2018.

Hoofdstuk 3. Nadere regels over het afzien van de terugvordering van onverschuldigde toelagen

Art. 4. Het agentschap berekent, conform de bepalingen in het tweede en derde lid, de tussenliggende grenzen, vermeld in artikel 13, vijfde lid van  het besluit van 13 juli  2018 die het mogelijk maken om ten belope  van 10,  20, 30, 40,  50, 60, 70, 80 en 90 procent  af te zien van de terugvordering van de onverschuldigde betaling.

Eerst wordt het verschil tussen de maximum- en de minimumgrens, vermeld in artikel 13, vijfde lid, van het besluit van 13 juli 2018, bepaald. Daarna wordt dat verschil gedeeld door negen.         ·

Het resultaat van de berekening, vermeld in het tweede lid, wordt bij de minimumgrens opgeteld om tot de grens te komen waarop voor 10% van de terugvordering kan afgezien worden. Vervolgens wordt die grens verhoogd met het resultaat, berekend conform het tweede lid, om tot de grens te komen waarop voor 20% van de terugvordering kan afgezien worden. Het agentschap zet deze werkwijze verder tot alle grenzen vermeld in het eerste lid zijn berekend.

Art. 5. Als de uitbetalingsactor bij ontvangst van een verzoek om van de terugvordering af te zien, een ontvangstbewijs naar de begunstigde stuurt conform artikel 13, eerste lid, van het besluit van 13 juli 2018, voegt hij daarbij een formulier waarop de schuldenaar zijn gezinsinkomen kan aangeven en waarbij hij de nodige bewijsstukken kan voegen.

Op basis van de gegevens op het formulier, vermeld in het eerste lid, beslist de uitbetalingsactor conform artikel 13, vijfde lid, van het voormelde besluit, of hij volledig of gedeeltelijk van de schuld afziet.

Als de bestaansmiddelen die de schuldenaar in het formulier opgeeft, minder bedragen dan de maximumgrens; vermeld in artikel 13, vijfde lid, van het voormelde besluit, worden de bestaansmiddelen van de schuldenaar gecontroleerd door een gezinsinspecteur tijdens een huisbezoek. Die kan dan het  duurzame  karakter  van de onzekere financiële situatie, vermeld in artikel 13, tweede lid, 2°, van het voormelde besluit, vaststellen.

Als de bestaansmiddelen daarentegen de· maximumgrens, vermeld in artikel 13, vijfde lid van het voormelde besluit overschrijden, is er geen huisbezoek nodig om de bestaansmiddelen te controleren.

Het agentschap kan praktische en technische richtlijnen uitwerken voor de huisbezoeken waarbij de bestaansmiddelen gecontroleerd worden.

Hoofdstuk 4. Slotbepaling

Art. 6. Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2019.

Top