CO 1375 van 6 oktober 2008 - Eenoudergezinnen - Verhoging van de maandelijkse toeslag - Verhoging van de inkomensgrens

    Sinds 1 mei 2007 ontvangen eenoudergezinnen met een beperkt inkomen een specifieke toeslag1 .

    Eenoudergezinnen met recht op de gewone kinderbijslag waarvan de inkomsten niet hoger zijn dan 1.846,53 euro ontvangen een eenoudertoeslag van 21,22 euro per kind (art. 41 KBW).

    Voor eenoudergezinnen met recht op een sociale toeslag, namelijk werklozen, gepensioneerden en invaliden, is die sociale toeslag voor het derde kind en de volgende kinderen opgetrokken van 4,62 euro tot 21,22 euro (artikelen 42bis en 50ter KBW).

    2. De toeslag voor eenoudergezinnen vanaf 1 oktober 2008

    2.1. Hoofdlijnen

    Aan de basis van de invoering van de maatregelen die hierna worden toegelicht, liggen de volgende twee gedachten.

    Ten eerste moeten alle eenoudergezinnen recht hebben op een gelijke toeslag, behalve eenoudergezinnen die hun recht ontlenen aan een invalide rechthebbende (art. 50ter KBW): die speciale categorie moet verder de eigen toeslagen blijven ontvangen en dus het hogere bedrag voor het eerste kind behouden.

    Ten tweede is de inkomensgrens waarboven geen recht meer bestaat op de eenoudertoeslag en op de sociale toeslagen (42bis en 50ter) alleen voor eenoudergezinnen herzien naar boven toe.

    2.2. Technisch

    Vanaf 1 oktober 2008:

    a. verdwijnt de toeslag van 20,81 euro per kind voor eenoudergezinnen met recht op de gewone kinderbijslag, om vervangen te worden door een hoger bedrag dat verschilt volgens de rang van het kind2 , de drie bedragen zijn dezelfde als die van de sociale toeslag op basis van artikel 42bis KBW:

    • eerste kind 42,46 euro
    • tweede kind 26,32 euro
    • per kind vanaf het derde 21,22 euro

    b. is de i nkomensgrens voor de bijslagtrekkende waarboven er geen recht meer is op de eenoudertoeslag verhoogd : geen 1.846,53 euro meer maar 2.060,91 euro3

    c. wordt de inkomensgrens voor de rechthebbende of de bijslagtrekkende waarboven er geen recht meer is op de sociale toeslag voor werklozen, gepensioneerden en invaliden bedoeld in de artikelen 42bis en 50ter KBW, eveneens opgetrokken van 1.846,53 euro tot 2.060,91 euro4 .

    2.3. Gevolgen

    2.3.1. Principe

    Ongeacht op welke basis het recht verkregen wordt, en voor zover de inkomensgrens niet overschreden is, zal het bedrag dat een eenoudergezin ontvangt niet veranderen met de wijzigingen in de situatie van de rechthebbende.

    Uitzondering: alleen dat de rechthebbende invalide is, kan het bedrag voor het eerste kind beïnvloeden.

    2.3.2. Aandachtspunten

    - Zowel het ontstaan van het recht op een toeslag (eenoudertoeslag of sociale toeslag) op 1 oktober 2008 als gevolg van de verhoging van de inkomensgrens als het ontstaan van het recht op de hogere bedragen vanaf 1 oktober 2008 dient voor de toepassing van artikel 48 KBW als een nieuw voordeel te worden beschouwd. Bijgevolg kan de (hogere) eenoudertoeslag onmiddellijk worden toegekend (geen vertragingseffect van een maand).

    Voorbeelden

    • Twee ouders gaan gescheiden leven op 6 augustus 2008 en voeden hun kind in co-ouderschap op. De vader is werknemer en voorrangsgerechtigde rechthebbende; de moeder is bijslagtrekkende. De moeder werkt en heeft een brutoloon van EUR 2.000. Op 1 oktober 2008 ontstaat een recht op eenoudertoeslag. De moeder ontvangt op 10 november 2008 EUR 42,46 eenoudertoeslag voor oktober 2008.
    • De rechthebbende moeder was langdurig werkloos tot 31 januari 2007. Op 1 februari 2007 is zij beginnen te werken met een brutoloon van EUR 2.000 per maand. Aangezien ze voor februari 2007 een getrimestrialiseerd recht op de sociale toeslag had, komt ze in de gelijk¬stelling (achtkwartalenregeling). Op 1 oktober 2008 ontstaat er een recht op sociale toeslag 42bis. De moeder ontvangt op 10 november 2008 EUR 42,46 sociale toeslag 42bis voor oktober 2008.
    • Twee ouders leven gescheiden en voeden hun kind in co-ouderschap op. De vader is de recht¬hebbende en de moeder de bijslagtrekkende. Beide ouders zijn werknemer. Het brutoloon van de moeder bedraagt EUR 2.000 per maand. De vader wordt ziek op 24 februari 2008 en bereikt de zevende maand ziekte op 26 augustus 2008. Op 1 oktober 2008 ontstaat er een recht op sociale toeslag 50ter. De moeder ontvangt op 10 november 2008 EUR 91,35 sociale toeslag 50ter voor oktober 2008.
      Stel dat in het concrete voorbeeld de vader de zevende maand ziekte bereikt op 1 oktober 2008, dan wordt voor oktober 2008 (betaling op 10 november 2008) de eenoudertoeslag van EUR 42,46 betaald op basis van artikel 41 KBW. Vanaf 1 november 2008 (eerste betaling op 10 december 2008) wordt EUR 91,35 sociale toeslag 50ter betaald.

    - Gevolgen van het optrekken van de bedragen van de eenoudertoeslag tot het niveau van de sociale toeslag 42bis op de algemene afwijkingen in de zin van artikel 66, vierde lid, KBW

    Indien er in hoofde van de voorrangsgerechtigde in de zin van artikel 64 KBW recht bestaat op eenoudertoeslag en in hoofde van de niet-voorrangsgerechtigde recht op de sociale toeslag 42bis, is er bij gebrek aan een hoger bedrag geen toepassing van de algemene afwijking in de zin van artikel 66, vierde lid KBW5 .
    Op praktisch vlak geldt als principe: geen hoger bedrag: geen actie. Dit principe geldt zowel voor de gevallen waarin op 30 september 2008 betaald wordt op grond van de voorrangsgerechtigde in de zin van artikel 64 KBW, als voor de gevallen waarin op 30 september 2008 betaald wordt in hoofde van de algemene afwijking in de zin van artikel 66, vierde lid KBW.

    • Voorbeeld. De ouders leven gescheiden en voeden het kind in co-ouderschap op. Het kind woont bij de moeder die langdurig werkloos is, na een tewerkstelling bij een werkgever die onder de bevoegdheid van de RSZPPO ressorteert. De moeder is niet hertrouwd en vormt geen feitelijk gezin. De vader is werknemer bij een werkgever die onder de toepassing van de nationale verdeling valt. Op 30 september 2008 wordt er sociale toeslag 42bis betaald op basis van de werkloosheid van de moeder bij toepassing van de algemene afwijking. De betaling mag worden voortgezet zolang er in hoofde van de vader geen recht op een hoger bedrag ontstaat en voor zover uiteraard de andere voorwaarden van de algemene afwijking vervuld blijven.

    Stel dat de feitelijke scheiding in dat voorbeeld slechts plaatsvindt op 4 november 2008, dan kan in hoofde van de vader op basis van de gezins- en inkomenssituatie van de moeder het recht op eenoudertoeslag worden vastgesteld en wordt de kinderbijslag verder vastgesteld in hoofde van de vader.

    2.4. Praktische maatregelen

    De bestaande procedure voor de vaststelling en de opvolging van het recht op een eenoudertoeslag blijft geldig (cfr. CO 1365 van 14 mei 2007, geactualiseerd bij CO 1371 van 15 januari 2008).

    Enkel voor de (eerste) toekenning vanaf 1 oktober 2008 van de (verhoogde) bedragen zijn specifieke maatregelen vereist.

    Op 22 augustus 2008 ontvingen de kinderbijslagfondsen per e-mail een stappenplan voor de implementatie van de nieuwe bepalingen vanaf 1 oktober 2008. De procedure daarvoor wordt hierna in het kort hernomen.

    2.4.1. Welke gezinnen zijn bij de nieuwe bepalingen betrokken?

    2.4.1.1. De kinderbijslag wordt betaald aan de schaal 40 verhoogd met eenoudertoeslag (artikel 41 KBW).
    • De hogere bedragen worden automatisch toegekend. Deze toekenning dient beschouwd te worden als een nieuw voordeel, zodat de hogere bedragen onmiddellijk kunnen worden toegekend voor de maand oktober 2008 op 10 november 2008 (geen vertragingseffect van één maand).
    • Deze toekenning van de hogere bedragen dient gemotiveerd te worden conform het Handvest van de sociaal verzekerde.

    Aandachtspunten

    • Deze automatische toekenning is eveneens van toepassing:
      o als het om een getrimestrialiseerd recht op eenoudertoeslag gaat;
      o als het nieuw recht op eenoudertoeslag vanaf 1 oktober 2008 in het licht van de nieuwe bepalingen aansluit op een getrimestrialiseerd recht op eenoudertoeslag op basis van de vroegere bepalingen tot 30 september 2008.

    Voorbeelden

    • Een rechthebbende moeder is werkneemster en voedt haar kind als alleenstaande op. Zij ontvangt de eenoudertoeslag. Op 4 september 2008 gaat zij samenwonen met een werknemer. Op basis van de referentiemaand augustus 2008 bestaat er recht op eenouder¬toeslag tot 31 december 2008. Tot september 2008 ontvangt de moeder voor haar kind de eenoudertoeslag van EUR 21,22 per maand; van 1 oktober 2008 tot 31 december 2008 ontvangt ze maandelijks EUR 42,46 eenoudertoeslag.
    • De rechthebbende moeder is werkneemster en voedt haar kind als alleenstaande op. Haar brutoloon bedraagt EUR 1.750 per maand en ze ontvangt de eenoudertoeslag. Op 1 juli 2008 verandert ze van werkgever. Bij haar nieuwe werkgever heeft de moeder een brutoloon van EUR 2.000 per maand. Op basis van de referentiemaand mei 2008 heeft de moeder recht tot 30 september 2008 op de eenoudertoeslag van EUR 21,22. Door het optrekken van de inkomensgrens op 1 oktober 2008 heeft ze vanaf die datum opnieuw recht op de eenoudertoeslag. Dit nieuw recht sluit aldus onmiddellijk aan op het einde van het getrimestrialise erd recht tot 30 september 2008. De moeder ontvangt vanaf 1 oktober 2008 (betaling op 10 november 2008) de eenoudertoeslag van EUR 42,46 per maand.
    2.4.1.2 De kinderbijslag wordt betaald met een sociale toeslag + eenoudertoeslag voor de kinderen met rang 3 of hoger (artikelen 42bis en 50ter KBW).
    • Aangezien de bedragen ongewijzigd blijven, hoeft er geen enkele actie te worden ondernomen.
    2.4.1.3. De kinderbijslag wordt betaald tegen de schaal 40
    (zonder eenoudertoeslag in de zin van artikel 41 KBW én zonder een sociale toeslag 42bis of 50ter)

    Stap 1: Identificatie van de doelgroepen die in het onderzoek dienen te worden betrokken

    Welke doelgroepen worden hier bedoeld en wiens gezins- en inkomensituatie dient opnieuw onderzocht te worden ?

    1. De rechthebbende bevindt zich in een andere situatie dan langdurige werkloosheid of ermee gelijkgesteld (achtkwartalenregeling), langdurige ziekte/invaliditeit of ermee gelijkgesteld (achtkwartalenregeling) of rustpensioen, en de bijslagtrekkende in de zin van artikel 69,§1 KBW ontvangt de kinderbijslag aan de gewone schaal 40 (de volledige bijslag of het een derde voor een geplaatst kind in de zin van artikel 70 KBW).
    Ook de dossiers waarin de rechthebbende het statuut heeft van ex-gewaarborgde worden hier beoogd.
    => Situatie van de bijslagtrekkende onderzoeken. Eenoudergezin? Bruto-inkomen?

    2. De rechthebbende bevindt zich in een andere situatie dan langdurige werkloosheid of ermee gelijkgesteld (achtkwartalenregeling), langdurige ziekte/invaliditeit of ermee gelijkgesteld (achtkwartalenregeling) of rustpensioen en de kinderbijslag wordt betaald aan de gewone schaal 40 voor een geplaatst kind in de zin van artikel 70 KBW met een d erde op een spaarrekening.
    Ook de dossiers waarin de rechthebbende het statuut heeft van ex-gewaarborgde worden hier beoogd.
    => Situatie van de rechthebbende onderzoeken. Eenoudergezin? Bruto-inkomen?

    3. De rechthebbende is langdurig werkloos of ermee gelijkgesteld (achtkwartalenregeling), lang¬durige ziek/invalide of ermee gelijkgesteld (achtkwartalenregeling) of rustgepensioneerde en het kind maakt deel uit van het gezin van de rechthebbende (inbegrepen de geplaatste kinderen met een derde op een spaarrekening) en de kinderbijslag wordt aan de schaal 40 betaald (KB 26 oktober 2004 - gezinstype 1).
    => Situatie van de rechthebbende onderzoeken. Eenoudergezin? Bruto-inkomen?

    4. De rechthebbende is langdurig werkloos of ermee gelijkgesteld (achtkwartalenregeling), langdurige ziek/invalide of ermee gelijkgesteld (achtkwartalenregeling) of rustgepensioneerde en het kind maakt geen deel uit van het gezin van de rechthebbende (inbegrepen de geplaatste kinderen met een derde aan de bijslagtrekkende) en de kinderbijslag wordt aan de gewone schaal 40 betaald aan een bijslagtrekkende in de zin van artikel 69,§1 KBW.
    => Situatie van de bijslagtrekkende onderzoeken. Eenoudergezin? Bruto-inkomen ?

    Stap 2: Acties

    Situatie A. Het fonds kan voor (een of meer van de) de doelgroepen bepalen of de bijslagtrekkende (groepen 1 en 4) of de rechthebbende (groepen 2 en 3) zich in een eenoudersituatie bevindt:

    • Op 3 oktober 2008 een brief sturen naar de rechthebbende of bijslagtrekkende zoals aangegeven bij de omschrijving van de doelgroep.
    • Antwoorden analyseren vóór 29 oktober 2008.

    Situatie B. Het fonds kan voor (een of meer van de) doelgroepen niet bepalen of de bijslagtrekkende (groepen 1 en 4) of de rechthebbende (groepen 2 en 3) zich in een eenoudersituatie bevindt:

    • In september 2008 de eenoudergezinnen opzoeken via consultatie van het RRNP.
    • Op 3 oktober 2008 een brief sturen naar de rechthebbende of bijslagtrekkende zoals aangegeven bij de omschrijving van de doelgroep.
    • Antwoorden analyseren vóór 29 oktober 2008.

    De kinderbijslagfondsen mogen de preselectie steeds verfijnen aan de hand van de codes van hun databank.

    In situatie B: raadpleging van het RRNP

    Kinderbijslagfondsen die niet in staat zijn om met de codes in hun databank binnen alle doelgroepen de eenoudersituatie vast te stellen, moeten voor al deze gezinnen van de doelgroep(en) in de loop van september 2008 een gezinssamenstelling (P027) op naam van de bijslagtrekkende (doelgroepen 1 en 4) of van de rechthebbende (doelgroepen 2 en 3) opvragen.

    Op basis van deze gezinssamenstelling moet nagegaan worden of de bijslagtrekkende (doelgroepen 1 en 4) of de rechthebbende (doelgroepen 2 en 3) een eenoudergezin vormt. Alle gevallen waarin een echtgenoot of een persoon andere dan een (aan)verwante tot de 3e graad tot het gezin behoort, kunnen uit de preselectie verwijderd worden. In dat geval kan men namelijk veronderstellen dat de bijslagtrekkende (doelgroepen 1 en 4) of de rechthebbende (doelgroepen 2 en 3) zich in geen eenoudersituatie bevindt.

    De kinderbijslagfondsen ontvingen een beslissingsschema dat behulpzaam is bij de uitvoering van dat onderzoek.

    2.4.2. Beslissen, motiveren en informeren

    2.4.2.1. Eenoudergezinnen zonder eenoudertoeslag: art. 41 of sociale toeslag 42bis of 50ter KBW
    • De gezinnen die op basis van de codes of de hiervoor uitgelegde stappen geïdentificeerd worden als eenoudergezinnen, worden als zodanig gecodeerd in de databank en moeten begin oktober persoonlijk aangeschreven worden. In de brief wordt uitgelegd wat de voorwaarden zijn om de toeslag voor eenoudergezinnen te ontvangen. De brief zal zo geformuleerd zijn dat aangeschreven rechthebbenden (doelgroepen 2 en 3) of bijslag¬trekkenden (d oelgroepen 1 en 4) die vaststellen dat ze aan de voorwaarden voldoen, enkel moeten bevestigen dat ze alleen wonen met de kinderen en dat hun bruto inkomen van de laatste maand (september 2008) hoogstens EUR 2.060,91 bedroeg. In de brief staan al de nieuwe bedragen en de datum van inwerkingtreding, voor het geval het onderzoek uitwijst dat ze recht hebben op de toeslag, zodat een latere motivering van de toekenning van de eenoudertoeslag niet hoeft.
      Een exemplaar van deze brief in de drie landstalen gaat als bijlage 3.
      De antwoorden moeten verwerkt worden in oktober 2008, zodat de gezinnen de toeslag op 10 november 2008 ontvangen.

    Aandachtspunt

    - Formulieren P18 en formulieren van de groep P19

    De formulieren P18 en die van de formulierengroep P19 werden eveneens aan de verhoging van de inkomensgrens voor eenoudergezinnen van EUR 1.846,53 tot EUR 2.060,91 aangepast. Als bijlage 4 gaat een exemplaar in de drie landstalen van deze nieuwe formulieren P18. De andere formulieren werden volgens dezelfde principes aangepast.

    De dossierbeheerders dienen met deze verhoging rekening te houden bij afhandeling van de formulieren P18 en die van de formulierengroep P19 die zij voortaan ontvangen, en zo nodig zonder nieuw formulier de eenoudertoeslag of sociale toeslag 42bis of 50ter vanaf 1 oktober 2008 toekennen.

    Bij de aanpassing van de formulieren aan de index van 1 september 2008 wordt in al deze formulieren de verhoging van het inkomensplafond vanaf 1 oktober 2008 aangekondigd.

    Voorbeeld

    • De ouders zijn beiden werknemer en gaan gescheiden leven op 25 september 2008. Einde september 2008 wordt een formulier P18 verzonden. De bijslagtrekkende verklaart een inkomen van EUR 2.000 bruto per maand. Op basis van die verklaring kan het recht op eenoudertoeslag vanaf 1 oktober 2008 worden vastgesteld.

    Opmerking

    Als een kinderbijslaginstelling een aanvraag ontvangt van een eenoudergezin dat voor een toeslag 42bis of 50ter in aanmerking komt, moet het op basis van die aanvraag het recht op de sociale toeslag onderzoeken volgens de procedure die daarvoor van toepassing is (cfr. CO 1371 van 15 januari 2008). Hierbij wordt dus ook rekening gehouden met de verwisselbaarheid van de formulieren.

    2.4.2.2. Gezinnen die al de toeslag 41 KBW ontvangen
    • De gezinnen die voor september 2008 de toeslag van EUR 21,22 voor eenoudergezinnen ontvangen, moeten op de hoogte gebracht worden van de hogere bedragen die ze vanaf 1 oktober 2008 ontvangen.
      De motiveringsbrief die daarvoor werd uitgewerkt gaat als bijlage 5.

    2.5. Statistische en financiële aangiften

    2.5.1. Statistieken

    In de demografische statistieken zal aanvullende informatie gevraagd worden. Het nieuwe luik XVI, dat gebaseerd is op luik VIII, gaat als bijlage 6.

    In de statistiek van de kinderen die buiten België worden opgevoed, zullen de financiële gegevens aangepast worden volgens hetzelfde schema als dat voor de financiële aangifte (zie hierna
    rubriek 2.5.2.).

    2.5.2 Financiële kwartaalaangifte

    Verhoging van de toeslag voor eenoudergezinnen / nieuwe rekeningen in de financiële kwartaalaangif te

    Als gevolg van de verhoging van de maandelijkse toeslag bedoeld in artikel 41 KBW tot het niveau van de sociale toeslag (art. 42bis), waardoor de kinderbijslag van bepaalde eenoudergezinnen verhoogd wordt, zijn in het boekhoudplan van de kinderbijslaginstellingen twee nieuwe rekeningen toegevoegd voor de boeking van die maandelijkse toeslag. Het gaat om:

    Fr

    46025 Supplément art. 41
    46325 Supplément art. 41

    Nl

    46025 Supplement art. 41
    46325 Supplement art. 41

    Vanaf oktober 2008 moeten de kinderbijslaginstellingen de verrichtingen in verband met de maandelijkse toeslag bij de gewone kinderbijslag voor sommige eenoudergezinnen apart inschrijven en vermelden in de financiële kwartaalaangifte. Daarvoor moeten de twee genoemde rekeningen gebruikt worden. Op de financiële kwartaalaangifte van het vierde kwartaal 2008 zal een rubriek 'Toeslag - art. 41' toegevoegd worden, zowel bij de verschuldigde als bij de
    niet-verschuldigde bijslag.

    De boeking van de verhoogde sociale toeslagen 42 en 50ter blijft daarentegen ongewijzigd. Daarvoor worden nog altijd de volgende rekeningen gebruikt:

    Fr
    Supplément social 42bis majoré à partir du 3e enfant

    46021 Supplément art. 42bis
    46321 Supplément art. 42bis

    Supplément social 50ter majoré à partir du 3e enfant

    46022 Supplément art. 50ter
    46322 Supplément art. 50ter

    Nl
    De verhoogde sociale toeslag 42bis vanaf het derde kind

    46021 Supplement art. 42 bis
    46321 Supplement art. 42 bis

    De verhoogde sociale toeslag 50ter vanaf het derde kind

    46022 Supplement art. 50 ter
    46322 Supplement art. 50 ter

    1. De toeslag voor eenoudergezinnen vóór 1 oktober 2008

    • 1Cf. CO 1365 van 14 mei 2007.
    • 2Cf. het koninklijk besluit van 28 september 2008 tot wijziging van het bedrag van de toeslag voor eenoudergezinnen (B.S. 1 oktober 2008).
    • 3Idem.
    • 4Cf. het koninklijk besluit van 28 september 2008 tot wijziging van het koninklijk besluit van 26 oktober 2004 tot uitvoering van de artikelen 42bis en 56, § 2 van de samengeordende wetten (B.S. 1 oktober 2008).
    • 5Zie MO 599 van 16 juli 2007.
    Top