Vlaanderen

CO 1386 van 4 februari 2011 - Jaarlijkse evaluatie van de behoeften aan informatie met elektronische en papieren dragers: actualisering van de richtlijnen in verband met controle door formulieren

1. Informatiegaring met formulieren en elektronische dragers

Sedert enkele jaren houdt de Rijksdienst op een permanente wijze een inventaris bij van alle onontbeerlijke gegevens om de kinderbijslag te betalen. Elk jaar worden overeenkomstig de bepalingen van de bestuursovereenkomst, de voorschriften in verband met de methoden en de werkwijzen om die gegevens te verkrijgen opnieuw geëvalueerd en geactualiseerd.

Daarom vinden de kinderbijslagfondsen en de andere betaalinstellingen voor kinderbijslag hierna de nieuwe regels die van toepassing zijn vanaf 1 januari 2011.

2. Algemene uitgangspunten voor de gegevensinwinning

De contacten met de sociaal verzekerde staan in het teken van gegevensinwinning en het geven van juiste en volledige informatie. De algemene doelstelling van de gegevensinwinning bestaat erin in overeenstemming met het Handvest de kinderbijslag snel en correct te betalen:

(a) door elektronische fluxgegevens te verwerken en zo weinig mogelijk vragen te stellen aan de sociaal verzekerde via een aanpassing en een vervanging van formulieren door elektronische gegevens; (b) door de consultatie van de databanken1.

De kinderbijslagfondsen moeten alles in het werk stellen om de betalingen " in real-time" af te stemmen op de ontvangen elektronische gegevensstromen in verband met de wettelijke en professionele persoonsgegegevens.

2.1. De unieke gegevensvergaring: de onontbeerlijke gegevens maar één keer opvragen

2.1.1. Algemene principes

1. Enkel de persoonsgegevens die onontbeerlijk zijn voor de correcte en tijdige behandeling van het dossier mogen opgevraagd worden. De gegevensinwinning via elektronische weg of door consultatie van databanken moet verantwoord zijn en stroken met de verwachtingen van de burger. Enkel de persoonsgegevens dienstig voor de vaststelling van het recht en de betaling van de kinderbijslag (bijv. de gezinssamenstelling) mogen worden geconsulteerd. Het misbruiken van gegevens voor andere doelstellingen kan worden vervolgd.

2. De gegevensinzameling mag niet overmatig zijn: er mogen niet te veel en te vaak gegevens worden opgevraagd.

3. De opvraging van de gegevens (de unieke inzameling), bij voorkeur via elektronische kanalen, gebeurt zo veel mogelijk direct bij de "authentieke bron "; de opvraging bij de sociaal verzekerde via een formulier is enkel toegelaten voor zover deze gegevens niet elektronisch verkregen kunnen worden. Een authentieke bron is een database die door een wet of reglementering ertoe verplicht is om betrouwbare gegevens in te zamelen, te beheren en ter beschikking te stellen van derden die deze gegevens verplicht moeten gebruiken.

Voorbeeld

Gegevenstype Authentieke bron
Identificatiegegevens van de ondernemingen Kruispuntbank v/d Ondernemingen (Werkgeversrepertorium)
Identificatiegegevens van de burgers Nationaal Register v/d Natuurlijke Personen Register van de Kruispuntbank v/d Sociale Zekerheid
Sociale persoonsgegevens Databases beheerd door de instellingen van de sociale zekerheid (waaronder RSZ)

Uitzonderingen

Bepaalde informaties waarop de betaling van de kinderbijslag is gesteund en waarvan nog geen elektronische "authentieke" gegevensbron beschikbaar is, zijn nog te bewijzen aan de hand van een formulier, een attest of een verklaring.

Een overzicht

Aard van de informatie Bewijsmiddel
1 De pensionering van de rechthebbende/het overlevingspensioen Attest van de pensioendienst
2 De detinering Attest van de FOD Justitie (adres in de tabellen in bijlage)
3 De plaatsing in een instelling/gezin Attest/formulier/P3a/P3b/beschikking van de rechter (zie: Topic 8)
4 Positieve gevolgen (zie Topic 11)

Een "feitelijk gezin" vormen.

Negatieve gevolgen (zie Topic 11) Een "feitelijk gezin" - "geen feitelijk gezin" vormen (weerlegging van het vermoeden)

Rijksregister of officieel document 2 + Verklaring op het formulier J van de partners

Rijksregister of officieel document + Verklaring op het formulier J van de partners/sociaal onderzoek (controle aan huis)

5 De verlating van het weeskind door de overlevende ouder Formulier P16com (zie: de tabellen in bijlage)
6 De verdwijning of de ontvoering van het kind; de rechthebbende heeft zijn gezin "verlaten" Verklaring van gerechtelijke of administratieve of politionele diensten
7 De regeling in verband met het ouderlijk gezag (beurtouderschap en co-ouderschapsregeling) Het vonnis/arrest/een beschikking (zie: topic 9)
8 De gelijk verdeelde huisvesting voor meerderjarigen (vervolg van de co-ouderschapsregeling) Verklaring van de beide ouders (formulier Mod. L)
9 OCMW-steun (leefloon + andere steun) Niet bij de Kruispuntbank aangesloten OCMW's: attest/verklaring
10 Vraag om op een rekening te storten Formulier Mod.W
11 In de Vlaamse Gemeenschap: Het volwassenenonderwijs, het avondonderwijs, het onderwijs voor sociale promotie, het privaat onderwijs, de leerovereenkomst, de stages (opleiding tot ondernemingshoofd of om in een ambt te worden benoemd), datum indiening van de eindverhandeling, de stage om in een ambt benoemd te worden (notaris, gerechtsdeurwaarder........)

In de Franse/Duitse Gemeenschap: Het gevolgde onderwijs, de leerovereenkomst, de stages (opleiding tot ondernemingshoofd of om in een ambt te worden benoemd), datum indiening van de eindverhandeling, stage om in een ambt benoemd te worden (notaris, gerechtsdeurwaarder........)

Attest/formulier
12 Bewijs van een handicap of van een aandoening Attest/Handichild3
13 Rechtsfeiten in het buitenland (geboorte, overlijden, adoptie,.......) Attesten/verklaringen
14 De wettelijke samenwoning Verklaring
15 Het inkomen van de rechthebbende, de partner, van de student-stagiair, alternerend leren, het werkplekleren, de leerjongen, de ondernemingsopleiding Verklaring op het formulier (o.a. als zelfstandige, zie: topic 4)
16 De gesanctioneerde werkloze4 Beslissing van sanctie (RVA)/ Verklaring
17 Het kraamgeld Kraamgeldattest/inschrijving in de bevolkingsregisters
18 De illegale bijslagtrekkende Verklaring567891011
19 IBO-contracten12 (activering van de werklozen) Gewestelijke arbeidsdiensten

2.1.2. Debiteuren (zonder een gekende woonplaats in België of verblijvend in het buitenland)

Aan de kinderbijslagfondsen wordt gevraagd om de integratie in het Kadaster nooit stop te zetten voor de debiteuren (rechthebbende + bijslagtrekkende) van onverschuldigd betaalde kinderbijslag, zolang de schuld niet volledig is aangezuiverd. Daarop moet des te meer worden gelet, wanneer de identificatiegegevens niet meer worden geactualiseerd door het Rijksregister, bijvoorbeeld omdat ze intussen geschrapt zijn.

2.1.3. De eenmalige inzameling en het hergebruiken van informatie

Het hergebruiken van gegevens: beheer en uitwisseling van beveiligde informatie

De (sociale persoons-)gegevens worden slechts eenmaal13 opgevraagd; eens ze in het bezit zijn van een kinderbijslaginstelling worden ze opgeslagen, beheerd en geactualiseerd en binnen de sector worden ze via het Kadaster of met het brevet van rechthebbende ter beschikking gesteld van de andere gebruikers.

Ze hoeven ook niet langer actief beschikbaar te zijn dan noodzakelijk voor de toepassing van de kinderbijslagwetgeving, rekening houdende met de wettelijke verjaringstermijn.

2.1.4. De bewaring van gegevens die niet langer actueel zijn

Gegevens die niet meer worden gebruikt voor de toekenning van de kinderbijslag, moeten worden gearchiveerd. Ze dienen niet beschikbaar te blijven voor directe consultatie, maar worden opgeslagen in het archief of gestockeerd op elektronische dragers (cfr. omzendbrief van de Rijksdienst, CO 1380 van 23 december 2009). Een dienstbrief met verdere preciseringen is in voorbereiding.

2.2. Gevolgen van de unieke gegevensinwinning

2.2.1. Ambtshalve het recht onderzoeken of op een aanvraag wachten?

Als algemeen principe stelt de Rijksdienst dat rechten op kinderbijslag maximaal op eigen initiatief van het kinderbijslagfonds worden onderzocht en vastgesteld in het kader van het automatisch onderzoek van het recht. Bij de vaststelling van rechten waarvoor nog een beroep wordt gedaan op de sociaal verzekerde is het van belang dat de beschikbare elektronische informatie niettemin maximaal wordt benut (bijv. de DMFA-gegevens over het arbeidsvolume kunnen indicatief zijn voor het inkomen in het kader van het onderzoek naar een toeslag).

Het kinderbijslagfonds moet het nodige doen om automatisch informatie te bekomen over potentiële rechten die nog niet automatisch kunnen worden uitgeoefend. Om dit te bereiken moeten de juiste actoren in het kinderbijslagkadaster worden geïntegreerd met de passende rolcode en moeten de daaruit voortkomende informatiestromen effectief en efficiënt worden verwerkt.

Wat betreft de integratie van de (huwelijks)partners met het oog op de toekenning van de sociale toeslagen wordt verwezen naar de omzendbrief van de Rijksdienst, CO 1377 van 8 december 2008.

Statuut "vierde actor": overzicht van de integraties in het Kadaster
Altijd met code 106 integreren (bijslagtrekkende = code 103) Alle potentiële voorrangsgerechtigde rechthebbenden (" vierde" actoren cfr. de schema's in bijlage).
Situatie Actoren met 103/106
Afstand van recht aan een rechthebbende die tot de hoofdgroep van de rechthebbenden behoort De voorrangsgerechtigde in de zin van artikel 64 Kinderbijslagwet die het recht heeft afgestaan
Toepassing van de algemene afwijking op grond van de MO 599 De voorrangsgerechtigde in de zin van artikel 64 Kinderbijslagwet
Afstand van recht aan een rechthebbende die niet tot de hoofdgroep van de rechthebbenden behoort De voorrangsgerechtigde in de zin van artikel 64 Kinderbijslagwet die het recht heeft afgestaan en de potentiële voorrangsgerechtigden in het gezin van het kind
Doel Actoren met code 105
Automatisch onderzoek naar het recht op wezenbijslag De andere ouder (adoptant) van het kind, die nog niet met een andere code is geïntegreerd
Opvolgen van alle wijzigingen in de gezinssamenstelling Gezinshoofden (referentiepersonen) die nog niet met een andere code zijn geïntegreerd

Conform de bepalingen van het Handvest van de Sociaal Verzekerde kunnen de kinderbijslagfondsen - wanneer de sociaal verzekerde binnen de maand geen gevolg geeft aan de vraag om inlichtingen (bijv. door het niet-terugzenden van het formulier) - ambtshalve inlichtingen inwinnen en op basis daarvan beslissingen treffen, die rechtsgeldig zijn tot bewijs van het tegendeel (zie topic 9: De ontbrekende of onvolledige formulieren - de ambtshalve beslissing).

2.2.2. Algemene bewijskracht van de elektronische informatie en de voorrang op de formulieren

De gegevens waarop de betaling van de kinderbijslag is gesteund, worden bij voorrang bewezen met elektronische bewijsmiddelen (gegevensfluxen of de consultatie van databanken via TRIVIA).

Uit een bewijs dat op die manier verkregen werd, vloeien alle gekende rechtsgevolgen voort: de betaling van de basisbijslag of de validatie van de betaling van een toeslag (zie topic 9: De onvolledige of ontbrekende formulieren - de ambtshalve beslissing), de provisionele betaling of de weigering van het recht of de gebeurlijke terugvordering. Dit geldt zowel in het kader van de aanvraag als bij de voortzetting van de betaling.

2.2.3. De unieke gegevensinzameling op basis van het uniek nummer (bijv. ondernemingsnummer of INSZ-nummer)

Als blijkt dat alle gegevens uit de authentieke bron kunnen worden verkregen, dan mogen dezelfde gegevens geen tweede keer meer met formulieren worden opgevraagd.

Elke instelling moet maximaal gebruik maken van de gegevens die al bij andere diensten beschikbaar zijn (art. 12 van het Charter van de klantvriendelijke overheid14).

anchor2.3. De bewijskracht van elektronische informatiegegevens

De elektronische informatiegegevens (bijv. van het Rijksregister) gelden tot bewijs van het tegendeel en kunnen geldig gebruikt worden ter vervanging van de gegevens uit de bevolkings- en vreemdelingenregisters.

Verschillen tussen de gegevens in het Rijksregister en andere officiële documenten?

Bij koninklijk besluit15 is bepaald dat wie verschillen vaststelt tussen de gegevens in het Rijksregister en andere officiële gegevens, verplicht is dit onmiddellijk te melden aan het Rijksregister. Aan de kinderbijslagfondsen wordt daarom gevraagd afwijkingen aan de dienst Monitoring te signaleren die desgevallend contact zal opnemen met de Helpdesk van het Rijksregister (tel. 02/518 21 31 -e-mail: callcenter.rrn@rrn.fgov.be). In afwachting van een bijsturing van de circulaire van de Rijksdienst, CO 1272 moeten die gevallen dus niet meer direct aan het Rijksregister worden gemeld. De bepaling die vorig jaar was voorzien in de circulaire CO 1381 van 8 februari 2010 vervalt tot nader order.

2.4. Afschaffing van de eensluidende ve rklaring16

Een goed leesbare kopie van het document/formulier volstaat

Er wordt aan herinnerd dat sinds 31 maart 2004 (art. 508 van de Programmawet van 22 december 2003) de federale overheidsdiensten geen eensluidend verklaarde documenten meer mogen opvragen.

Aan alle wettelijke of reglementaire verplichtingen is voldaan door het overhandigen van een kopie van het originele document.

Wat te doen bij twijfel over de authenticiteit?

Indien er twijfel bestaat over de authenticiteit17 van een document, moet contact worden gezocht met de overheid die de informatie kan bezorgen. Wanneer dat niet volstaat, kan de dienst zich tot de burger of onderneming richten. Er moet een ter post aangetekende brief met bericht van ontvangst gestuurd worden naar de persoon die de duidelijke kopie heeft bezorgd. In die brief vraagt u om het originele document voor te leggen en vermeldt u ook de reden hiervoor.

De afschaffing van het eensluidend verklaard afschrift geldt enkel voor kopieën die burgers of ondernemingen moeten voorleggen. Deze maatregel is niet van toepassing op documenten die instellingen in geval van noodzaak onder elkaar uitwisselen (cfr. de dienstbrieven inzake het brevet van rechthebbende).

Wanneer is nog een origineel document nodig?

  • Getuigschriften van de onderwijsinstellingen (formulier P7-B of het verkort schoolattest) moeten door de sociaal verzekerde in hun originele vorm aan het kinderbijslagfonds worden overgemaakt;
  • Verklaringen van de financiële instellingen (formulier Mod.W) over de rekening waarop de kinderbijslag wordt gestort, moeten insgelijks door de sociaal verzekerde in hun authentieke vorm aan het kinderbijslagfonds worden aangeboden.

Voor deze twee attesten kunnen geen kopie, fax of Pdf-afschrift worden aangenomen.

Voor de authentieke bewijzen van geboorte en leven wordt verwezen naar Topic 2 infra.

2.5. De overige (elektronische) communicatie met de burger

Overeenkomstig het Charter van een klantvriendelijke overheid, goedgekeurd door de Ministerraad van 23 juni 2006, laat elke overheidsdienst communicatie toe met de burgers of de ondernemingen via verschillende kanalen waaronder e-mail, brief, telefoon en fax (art. 6).

De gegevens verkregen via andere kanalen dan brieven of formulieren (e-mail, telefoon of fax) moeten worden aanvaard voor de vaststelling van het recht indien voldoende identificatie van de afzender of de nodige technische maatregelen inzake de authenticiteit van de handtekening (elektronische handtekening op de e-ID) van toepassing zijn. Aan de kinderbijslagfondsen wordt gevraagd om overeenkomstig de regeringsdoelstellingen inzake administratieve vereenvoudiging, de technische mogelijkheid te onderzoeken om formulieren geau thentificeerd met de elektronische handtekening18 ter beschikking te stellen. De creatie van een online-dossier moet op termijn toelaten dat via een interactieve toepassing de werknemers en de bijslagtrekkenden hun dossier kunnen consulteren, de ontwikkelingen stap voor stap opvolgen in een compleet beveiligde omgeving via een elektronische identiteitskaart (of een token). Op die manier kunnen de sociaal verzekerden, kennis nemen van de datum van de volgende betaling, de samenstelling van het kinderbijslagbedrag raadplegen, wijzigingen in hun toestand signaleren, een elektronische versie van de correspondentie via e-mail aanvragen en beantwoorden, etc...

Meer informatie hierover en over elektronische formulieren vindt u in de vereenvoudigingsgids op de website van de Dienst voor de Administratieve Vereenvoudiging (DAV): www.vereenvoudiging.be

Elke dienst beantwoordt brieven met brieven en e-mail met e-mail, tenzij de gegevens van die aard zijn dat een elektronische communicatie niet wenselijk is (bijv. motivering van beslissing in het kader van het Handvest of de betekening van een debet). Aangetekende zendingen worden enkel gebruikt indien dit echt noodzakelijk is of wanneer dit wettelijk zo is bepaald (artikel 9 van het Charter). Voor de kinderbijslagsector betekent dit in concreto dat aangetekende zendingen enkel gebruikt worden:

  • voor het stuiten van de verjaringstermijn19 van 1, 3 of 5 jaar voor onverschuldigde betalingen;
  • voor de vraag om intersectoriële inhoudingen.

3. De gegevensinwinning met formulieren per thema

Topic 1 - De overschrijving op een zichtrekening in het binnen- en buitenland

3.1.1. De wettelijke bescherming van de tegoeden op de rekening

Overeenkomstig artikel 1410, §2, 1°, van het Gerechtelijk wetboek worden de gezinsbijslagen beschermd tegen overdracht en beslag. De uitkeringen verliezen evenwel deze bescherming na creditering op een zichtrekening, doordat ze niet langer als zodanig identificeerbaar zijn.

De wet van 27 december 2005 houdende diverse bepalingen heeft het Gerechtelijk wetboek op dit punt aangevuld en voorziet in de toekenning van een bijzondere code aan bepaalde uitkeringen bij storting op een rekening. Het koninklijk besluit van 4 juli 2006 geeft met ingang van 1 januari 2007 uitvoering aan de voormelde bepalingen (cfr. de omzendbrief van de Rijksdienst, CO 1361 van 6 november 2006).

Het infogedeelte van het formulier Mod. W werd overeenkomstig deze gewijzigde regelgeving aangepast, om op die manier de sociaal verzekerde voldoende te informeren.

3.1.2. De SEPA-overschrijving

Het formulier werd tevens aangepast aan de Europese richtlijn met betrekking tot de uitvoering van Europese overschrijvingen. Dientengevolge zal het huidige rekeningnummer van de begunstigde vervangen worden door de IBAN-code met 16 alfanumerieke karakters. Bovendien werd de BIC-code voor de identificatie van de bank van de begunstigde op het mod. W gevraagd.

Voor de overschrijvingen naar het buitenland werd een formulier W-int ontwikkeld.

3.1.3. De basisbankdienst

Overeenkomstig artikel 3 van de Wet op de Basisbankdienst (BS 24 maart 2003) moet elke kredietinstelling voor iedere consument die zijn hoofdverblijf heeft in België voor maximaal 12 euro (geïndexeerd20) per jaar een zichtrekening kunnen openen en bepaalde verrichtingen kunnen uitvoeren (= basisbankdienst). Het info-blad bij het formulier W bevat een korte verwijzing naar deze wet.

Het nieuwe formulier werd u meegedeeld met de omzendbrief van de RKW: dienstbrief 999/c.150 van 18 december 2008.

Topic 2 - Het bewijs van geboorte en leven

3.2.1. Procedure vóór de geboorte

Naar aanleiding van de voorafbetaling van het kraamgeld wordt het "speciaal geboorteattest" gevraagd aan de bijslagtrekkende.

Het onderzoek: zie punt 3.2.3.

3.2.2. Procedure na de geboorte

De geboorte van het kind wordt bewezen door ofwel het "speciaal geboortebewijs21, ofwel door een mailbox afkomstig van het Rijksregister. Zodra geboorte en leven van het kind op één van deze twee manieren vaststaat, is er een voldoende basis om:

  • het kraamgeld uit te betalen of de voorafbetaling van het kraamgeld te staven;
  • kinderbijslag uit te betalen.

Om fraude via het nagemaakt "speciaal geboortebewijs" of via verklaringen van zwangerschap in functie van de voorafbetaling van het kraamgeld op het spoor te komen, wordt aan de kinderbijslagfondsen gevraagd in geval van betaling van het kraamgeld altijd de mail-box van het Rijksregister op te volgen.

Wanneer geen mailbox is ontvangen wordt vanaf drie maanden na de (vermoedelijke) geboortedatum en uiterlijk voor het einde van de vijfde maand na de voorafbetaling van het kraamgeld, het gegeven getoetst aan de authentieke bron:

  • het Rijksregister consulteren en van deze consultatie een (print)screen bijhouden in het (elektronisch) dossier;
  • en/of (gemeente die het speciaal geboortebewijs heeft opgemaakt), vragen de geboorte (of desgevallend het overlijden, doodgeboorte) van het kind te bevestigen.

Noot

De akte van aangifte van een levenloos kind wordt door de ambtenaar van de burgerlijke stand opgemaakt, wanneer de doodgeboorte plaats heeft meer dan zes maanden na de conceptie. In dat geval geeft de doodgeboorte ook recht op kraamgeld of moet het voorafbetaalde kraamgeld niet worden betwist. De ambtenaar van de burgerlijke stand maakt een geboortebewijs op met de vermelding " levenloos vertoond kind", wanneer een akte van aangifte van een levenloos kind werd opgesteld. Omdat dit attest fraudegevoelig is, wordt aan het kinderbijslagfonds gevraagd om telkens wanneer geen mailbox is ontvangen, inlichtingen in te winnen bij het betreffende gemeentebestuur over het bestaan van de akte van aangifte van een levenloos kind.

De overlegging van een medisch getuigschrift aan het bevoegde kinderbijslagfonds inzake een miskraam na ten minste honderd tachtig dagen zwangerschap volstaat niet om het recht op kraamgeld te vestigen. Indien daarentegen het kind doodgeboren is in het buitenland wordt het bewijs van doodgeboorte (na 180 dagen zwangerschap) geleverd aan de hand van een document uitgaande van de bevoegde buitenlandse overheidsinstantie en ook bij gebreke hiervan aan de hand van een medisch getuigschrift.

Voorbeeld: Een aanvraag om kraamgeld wordt ingediend in de achtste maand van de zwangerschap. Het kraamgeld wordt voorafbetaald en het betreft een eerste kind van de ouders. Bij de kennisgeving van de voorafbetaling van het kraamgeld wordt om "het speciaal geboorteattest" gevraagd. Na de geboorte wordt geen mailbox van het Rijksregister ontvangen. Het feit van de geboorte is niet voldoende bewezen om de voorafbetaling van het kraamgeld te staven en om de kinderbijslag te betalen. Vanaf de derde maand na de vermoedelijke geboortedatum en uiterlijk voor het einde van de vijfde maand na de voorafbetaling van het kraamgeld, wordt contact opgenomen met de bevolkingsdiensten van de woonplaats van de moeder (cfr. Noot supra).

3.2.3. Maatregelen om te voorkomen dat het kraamgeld meer dan eenmaal wordt aangevraagd en uitbetaald

3.2.3.1. De consultatie van het TRIVIA

Gelet op de toegenomen mogelijkheden van de gegevensinwinning via TRIVIA voert het kinderbijslagfonds ambtshalve een onderzoek uit naar een mogelijke cum ulbetaling door de consultatie van de gegevensbestanden.

  • Voor de rechthebbende (de aanvrager van het kraamgeld): consultatie van het TRIVIA en onderzoek in functie van de rechtsvaststelling + bijhouden van een print(screen) van de consultaties in het (elektronisch) dossier;
  • Voor de potentiële rechthebbenden (volgens de gezinssamenstelling): consulta tie van het Trivia louter om cumulbetalingen te vermijden + bijhouden van een print(screen) van de consultaties in het (elektronisch) dossier.

Blijkt hieruit dat geen cumul mogelijk is, dan wordt het kraamgeld (vooraf) betaald. Blijkt de mogelijkheid van cumul (bijv. een ouder is tijdens de periode gekend in het ARZA of DMFA(PPO) als ambtenaar) niet uitgesloten te zijn na een consultatie van TRIVIA, dan neemt het kinderbijslagfonds contact op met de betrokken administratie of dienst. Het volstaat telefonisch contact op te nemen (bijv. met het sociaal verzekeringsfonds) en het resultaat van het gesprek per brief te bevestigen. Zijn er na onderzoek niet voldoende gegevens beschikbaar, dan wordt desnoods afgerond met een controlebezoek bij de persoon die het kraamgeld heeft ontvangen.

3.2.3.2. De integratie in het TRIVIA

Om de cumulatie van betalingen van het kraamgeld te voorkomen wordt aan de kinderbijslagfondsen gevraagd, dadelijk vanaf de (vooraf)betaling van het kraamgeld, de betaling en de gegevens over de bijslagtrekkende, de rechthebbende en alle potentiële rechthebbenden ("vierde" actoren, cfr. de schema's in bijlage) in het Kadaster te integreren.

3.2.3.3. Het "speciaal geboorteattest"

Het kinderbijslagfonds dat het speciaal geboorteattest ontvangt, maakt het " ongeldig" (ontwaarden) of stuurt het door naar het kinderbijslagfonds dat bevoegd is of het kraamgeld heeft uitbetaald volgens van het kadaster.

Indien de geboorte wordt bewezen door een mailbox van het Rijksregister is het niet meer nodig het speciaal geboorteattest op te vragen. Over de geboorterang wordt beslist op basis van indicaties in het dossier of bij gebreke daar aan op basis van een individuele vraag. Indien er twijfel zou zijn over de geboorterang wordt dit in een apart schrijven aan de ouders gevraagd. Het volstaat dat het kind van een van beide ouders het eerste kind is om de eerste rang toe te kennen. Omdat via het E-attest de informatie over de geboorterang of de afstamming niet kan worden bekomen, wordt het afgeschaft. De CO 1318 van 15 januari 1999 heeft verder geen reden van bestaan en werd opgeheven.

Topic 3 - De toekenning van een toeslag aan werklozen, zieken, ge pensioneerden - Verhoging van de kinderbijslag voor eenoudergezinnen

3.3.1. De toekenning op basis van een aanvraagformulier

Principe: De controleformulieren worden verzonden op vaste voorafgaandelijk bepaalde tijdstippen.

In talrijke gevallen stelt de Rijksdienst vertragingen vast in het onderzoek naar het recht op de sociale toeslagen. De kinderbijslagfondsen worden van die bevindingen via de jaarlijkse rapportering ingelicht. Aan de kinderbijslagfondsen wordt daarom gevraagd inspanningen te leveren om de formulieren op de vooraf bepaalde tijdstippen te verzenden.

3.3.2. De seriële verzendingen van de formulieren P19/P19ter in 2011

Het is de vraag wanneer het formulier moet verstuurd worden om de toeslag tijdig te betalen of de betaling van een toeslag niet te onderbreken. Voor de seriële zending heeft Rijksdienst de opportuniteit en de meerwaarde onderzocht en aan de kinderbijslagfondsen de bijgestuurde werkwijze meegedeeld. De halfjaarlijkse seriële zending werd vanaf juli 2010 afgeschaft. In omzendbrief CO 1384 van 8 juni 2010 van de Rijksdienst werden de instructies van de CO 1377 van december 2008 aangepast. Deze instructies zijn verder van toepassing wat betreft de seriële verzending in 2011.

De aandacht wordt nochtans gevestigd op volgende bijsturingen:

1) Wanneer het formulier P19 niet wordt teruggestuurd naar aanleiding van het bereiken van de hoedanigheid van langdurig werkloze, zieke, invalide of gepensioneerde in het kader van het eerste onderzoek naar het recht op de toeslag, moet het niet na een maand worden herinnerd. De onmogelijkheid om het recht op een toeslag toe te kennen wegens het ontbreken van het controleformulier P19 moet schriftelijk worden gemotiveerd. Wel werd voor gezinnen met een vervangingsinkomen in bepaalde gevallen een controle ter plaatse voorzien (cfr. punt Varia 4.1.)

2) Voor de gevallen waarin al een formulier om de toeslag of verhoging aan te vragen is gezonden en tijdens het laatste kwartaal van het kalenderjaar wordt ontvangen, is het absoluut aangewezen maatregelen te nemen om te vermijden dat een tweede maal hetzelfde formulier met identieke vraag wordt verstuurd n.a.v. de seriële zending in januari. Dit ontvangen formulier P19 met inkomensgegevens van het laatste kwartaal, geldt als de basis voor de provisionele betalingen van het komende jaar. Wanneer toch een formulier in januari is gezonden, heeft dat enkel effect op de betalingen voor zover het ontvangen is en als blijkt dat daardoor nieuwe gegevens aan het licht komen die op het vroegere formulier niet zijn gemeld geweest.

Voorbeeld: De zevende maand ziekte wordt bereikt op 19 oktober 2010. Het kinderbijslagfonds ontvangt het gegeven van "maand 6" op 15 oktober en stuurt een formulier P19 (referentiemaand oktober) op 5 november 2010. Het formulier wordt ontvangen op 10 november 2010. De gezins- en inkomensvoorwaarden voldoen aan de voorwaarden om de toeslag te ontvangen. De toeslag 50ter wordt betaald vanaf november 2010 en zolang dat er geen wijziging is gemeld in gezin en beroep (cfr. De tussentijdse zendingen in de CO 1377 en 1384). De eerstvolgende seriële verzending heeft plaats in januari 2012. Wordt er ten overbodigen titel toch nog een toeslagformulier in januari verstuurd, dan mag in geen geval de betaling van de toeslag stopgezet worden, wanneer dit door de betrokkene niet teruggestuurd wordt.

3) In geval van gelijkstelling is het niet altijd duidelijk wanneer het formulier P19 moet gezonden worden met het oog op de doorbetaling van de toeslag. Om eventuele fluctuaties in het inkomen maximaal in de beoordeling te betrekken en de gebeurlijke doorbetaling van een sociale toeslag niet in gevaar te brengen, wordt het formulier P19 verzonden aan het einde van het kwartaal (vanaf de laatste week van de maand) waarin de onderbreking (tewerkstelling > 27 kalenderdagen) haar effect sorteert op de schaal. De a angegeven periode op het formulier (in te vullen maandvakjes) om de gelijkstelling te onderzoeken sluit aan bij de periode voorkomend op het laatste ontvangen formulier.

Voorbeeld 1: De rechthebbende is langdurig werkloze en de toeslag 42bis wordt ontvangen. Op 15 april 2011 wordt het werk hervat. Het formulier P19 wordt gezonden de laatste week van de maand juni 2011 (referteperiode formulier januari 2010 - juni 2010). Het laatste ontvangen formulier P19 van de seriële zending 2011 werd immers ingevuld tot en met december 2010.

Voorbeeld 2: De rechthebbende is langdurig werkloze en de toeslag 42 bis wordt ontvangen. Op 15 september wordt het werk hervat. Het formulier P19 wordt gezonden de laatste week van de maand december 2010 (referteperiode formulier februari 2010 - december 2010). Het laatste ontvangen formulier P19 van de seriële zending 2010 werd ingevuld tot en met januari 2010.

Opmerkingen

1. Wordt het formulier P19 "onderzoek gelijkstelling" niet ontvangen dan wordt na een herinnering ambtshalve beslist of de betalingen van de toeslag gevalideerd worden of desgevallend een controle ter plaatse uitgevoerd (de betalingen kunnen met de beschikbare gegevens niet worden gevalideerd). Enkel de uitgevoerde betalingen kunnen op basis van een consultatie worden gevalideerd, in geen geval kan de consultatie van het TRIVIA aanleiding geven tot de toekenning van supplementaire toeslagen.

2. Overeenkomstig het KB van 26 oktober 2004 tot uitvoering van de artikelen 42bis en 56, § 2, van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders heeft de rechthebbende die uit de echt gescheiden is, gescheiden van tafel en bed of feitelijk gescheiden is, recht op een toeslag voor een of meer kinderen waarvoor de rechthebbende het recht op kinderbijslag opent, als zijn echtgenoot of ex-echtgenoot (gezinstype III) of de andere ouder (gezinstype IV) de bijslagtrekkende is, op voorwaarde dat deze echtgenoot of ex-echtgenoot of de andere ouder geen feitelijk gezin vormt in de zin van artikel 56bis, § 2, van dezelfde wetten en geen nieuw huwelijk a anging, behalve indien het huwelijk gevolgd is door een feitelijke scheiding. De feitelijke scheiding moet blijken uit de afzonderlijke hoofdverblijfplaats van de personen in kwestie uit het Rijksregister, of uit andere daartoe overgelegde officiële documenten blijkt dat de feitelijke scheiding effectief is, ook al stemt dit niet of niet meer overeen met de informatie verkregen bij het voormelde register.

Voor deze gevallen blijft verzending van het formulier P19 evenwel noodzakelijk. Bij het begin van het recht en daarna jaarlijks wordt het formulier P19ter verstuurd met het oog op de vaststelling van het sociaal supplement in het kader van het automatisch onderzoek van de voordeligste schaal zoals bepaald bij de omzendbrief van de Minister, MO 599 van 16 juli 2007.

3.3.3. Welke instelling verzendt het controleformulier?

Principe (cfr. CO 1330 van 21 mei 2001)

Het formulier wordt in alle gevallen verstuurd, opgevolgd, behandeld en verwerkt door de kinderbijslaginstelling die bevoegd is de kinderbijslag te betalen voor de maand van de verplichte verzending, ook in geval dit kinderbijslagfonds voor die maand provisioneel de kinderbijslag uitbetaalt.

Stelt deze kinderbijslaginstelling vast dat het behandelde controleformulier informatie bevat die van belang is voor het kinderbijslagfonds waaraan ze haar bevoegdheid heeft overgedragen of waarvan ze de bevoegdheid heeft overgenomen, dan contacteert ze die kinderbijslaginstelling (cfr. de voorschriften in verband met het brevet van rechthebbende).

Geeft de sociaal verzekerde geen gevolg aan een rappel, dan wordt de andere kinderbijslaginstelling daarvan verwittigd. Elke kinderbijslaginstelling neemt dan een ambtshalve beslissing (desgevallend na een controle aan huis) voor de periode waarover ze provisioneel betaald heeft.

Voorbeelden

Formulier P19

1. KBF A betaalt tot 31 december en KBF B vanaf 1 januari. Er is recht op de eenoudertoeslag. KBF B verzendt het formulier P19 in januari en verstuurt zo nodig ook de herinnering in februari. Komt het formulier binnen en bevat het informatie die ook van belang is voor KBF A, dan verzendt KBF B een bijkomend brevet aan KBF A. Geeft de sociaal verzekerde geen gevolg aan de rappel, dan deelt KBF B dit mee aan KBF A. KBF A neemt dan een (ambtshalve) beslissing over de periode tot december en KBF B voor de periode vanaf 1 januari.

2. KBF A betaalt tot 31 januari en KBF B vanaf 1 februari. Er is recht op de eenoudertoeslag. KBF A verzendt het formulier P19 in januari en verstuurt zo nodig ook de herinnering in februari. Komt het formulier binnen, dan verzendt KBF A een bijkomend brevet aan KBF B. Geeft de sociaal verzekerde geen gevolg aan de rappel, dan deelt KBF A dit mee aan KBF B. KBF A neemt een (ambtshalve) beslissing over de periode tot januari en KBF B voor februari (einddatum provisionele betalingen).

Formulier P7

3. KBF A betaalt tot 31 augustus en KBF B betaalt vanaf 1 september. Er is één rechtgevend kind: een student van 20 jaar. KBF B verzendt het formulier P7 in september en verstuurt zo nodig ook de herinnering in november. Komt het formulier binnen en bevat het informatie die ook van belang is voor KBF A, dan verzendt KBF B een bijkomend brevet aan KBF A. Geeft de sociaal verzekerde geen gevolg aan de rappel, dan deelt KBF B dit mee aan KBF A. KBF A neemt een (ambtshalve) beslissing over de periode tot 31 augustus en KBF B voor de periode vanaf 1 september.

4. KBF A betaalt tot 30 september en KBF B betaalt vanaf 1 oktober. Er is één rechtgevend kind: een student van 20 jaar. KBF A verzendt het formulier P7 in september, en verstuurt zo nodig ook de herinnering in november. Wordt het formulier ontvangen, dan stuurt KBF A een bijkomend brevet aan KBF B. Geeft de sociaal verzekerde geen gevolg aan de rappel, dan deelt KBF A dit mee aan KBF B. KBF A neemt een (ambtshalve) beslissing over de periode tot 30 september en KBF B voor de periode vanaf 1 oktober.

Formulier P20

5. KBF A betaalt tot 31 maart en KBF B vanaf 1 april. Het rechtgevend kind is werkzoekende schoolverlater. De toekenningsperiode loopt tot einde april. KBF B verzendt het afsluitend formulier P20C en zo nodig de herinnering. Komt het formulier binnen en bevat het ook informatie die van belang is voor KBF A, dan stuurt KBF B een bijkomend brevet aan KBF A. Geeft de sociaal verzekerde geen gevolg aan de rappel, dan deelt KBF B dit mee aan KBF A. KBF A neemt een (ambtshalve) beslissing over de periode tot 31 maart en KBF B voor april.

Topic 4 - De toekenning van kinderbijslag of van een toeslag - Bewijs van het inkomen

Er zijn op dit ogenblik nog steeds geen authentieke bronnen beschikbaar voor het bewijs van de inkomsten uit arbeid als werknemer, zelfstandige of een sociale uitkering. De gegevens afkomstig van een authentieke bron zijn per definitie gevalideerd door een bevoegde instantie voor de informatie (bijv. de RSZ); verklaringen op eer op formulieren zijn dat niet. Er wordt herhaald dat niettemin "verklaringen op eer " van de inkomens op de formulieren P19 moeten worden aangenomen en gelden als basis van de vaststelling van het recht op een toeslag tot bewijs van het tegendeel. Verklaringen op eer zijn ook aan het formulier toegevoegde geschriften, nota's, loonafrekeningen... waarmee de sociaal verzekerde de bedoeling aantoont om een bepaald inkomen op te geven. Wat telt als verklaring is de intentie of de wilsuiting en niet de uitwendige vorm22.

Voor de studenten bedoeld in artikel 3 van het koninklijk besluit van 10 augustus 2005, onderworpen aan de inkomensnorm (deeltijds leren - deeltijds werken/"werkplekleren"/alternerend leren) en de werkzoekende schoolverlaters tijdens de wachttijd, gelden dezelfde principes. De verklaringen op eer (o.a. op de formulieren P7 en P20) moeten worden aangenomen tot bewijs van het tegendeel.

Topic 5 - De toekenning van het recht op wezenbijslag

3.5.1. Contr ole met het formulier P16

Met de omzendbrieven van de Rijksdienst, CO 1340 van 24 juli 2002 en CO 1355 van 16 januari 2006, werd aan de kinderbijslagfondsen de gewijzigde procedure meegedeeld voor de vaststelling van het recht op wezenbijslag. De verzending van het formulier P16 werd afgeschaft en vervangen door een opvolging via het Rijksregister van de samenwoonst (het feitelijk gezin) of de hertrouw van de overlevende echtgenoot voor gezinnen in België.

In uitvoering van de programmawet van 27 december 2004 wordt het recht op de verhoogde wezenbijslag hersteld (50bis) op het ogenblik van de scheiding na een huwelijk of de vorming van een feitelijk gezin. Het herstel van de verhoogde wezenbijslag geldt alleen voor de weduwe of weduwnaar die gescheiden gaat leven na samenwoonst (feitelijk gezin) met een (huwelijks)partner. Dit geldt dus voorlopig niet wanneer de overlevende ouder hertrouwd is en niet samenwoont met de nieuwe stiefouder, die bijv. in het buitenland verblijft. Deze feiten worden bewezen aan de hand van een officieel document23(zie : de geactualiseerde formulierentabel in bijlage). Het Model J (verklaring over het niet-vormen van een feitelijk gezin) of een getuigenverklaring zijn voor deze situatie niet dienstig.

Voor de vaststelling van de verlating van het weeskind (formulier P16com), die aanleiding geeft tot de toekenning van de verhoogde wezenbijslag, blijven de instructies ongewijzigd (cfr. bijlagen).

Dit geldt eveneens voor de vaststelling van het recht op wezenbijslag voor kinderen in het buitenland (aanvraag met mod. B en periodieke controle met het formulier P16).

Er wordt aan herinnerd dat alle ouders (adoptanten) van de rechtgevende kinderen in het Kadaster minimaal met code 105 moeten geïntegreerd zijn in functie van het automatisch onderzoek van het recht op wezenbijslag in België. De in het buitenland verblijvende (gekende) ouder zonder INSZ-nummer moet niet worden geïntegreerd met een bis-nummer.

Om de afstamming vast te stellen tussen de overledene en het weeskind werd in het verleden altijd de akte van geboorte opgevraagd bij de gemeente waar het kind is geboren. Er wordt op gewezen dat die procedure overbodig is en dat de verwantschapsgegevens opgenomen in de "samenstelling van het gezin" verkregen via het Rijksregister of het bewijs dat het kind is geboren tijdens het huwelijk van zijn (overleden) ouder(s) en de afstamming niet het voorwerp is van ontkenning van vaderschap door de overleden ouder, volstaan inzake het bewijs van afstamming van de overledene.

Met de omzendbrief van de minister, MO 602 van 12 maart 2008, werden de praktische richtlijnen meegedeeld voor de toepassing van de nieuwe bepalingen inzake de vaststelling van het recht op (verhoogde) wezenbijslag, wanneer de overleden ouder(s) geen recht kunnen doen ontstaan wegens het ontbreken van enige hoedanigheid als rechthebbende in het laatste jaar voor het overlijden. Deze nieuwe bepalingen traden in werking op 1 oktober 2007. Aan de kinderbijslaginstellingen werd gevraagd de nodige maatregelen te treffen inzake bekendmaking van deze maatregel (cfr. de omzendbrief, CO 1378 van 12 januari 2009 en de aanpassing van de formulieren P3-a en P3-b met de dienstbrief II/C/999/c.151/SN van 18 maart 2009).

3.5.2. De aanvraag met het formulier Mod. B (de aanvraag om wezenbijslag)

De Rijksdienst heeft het formulier Mod. B afgestemd op de situatie dat het kinderbijslagfonds niet alle actoren kent, die potentieel in aanmerking komen als rechthebbende voor het recht op wezenbijslag in het kader van de nieuwe reglementering. Wanneer alle actoren gekend zijn en het recht kan worden vastgesteld op grond van de gegevens waarover het kinderbijslagfonds via de gegevensbanken (Trivia, Cimire, databank van de kinderbijslagfondsen,....) beschikt, dan is het aanvraagformulier overbodig.

Topic 6 - De controle met formulieren op de rechtgevende kinderen

3.6.1. Aanpassing van het formulier P7 (studenten) aan de nieuwe o nderwijsstructuur

Aan de universiteiten en hogescholen is ingevolge de Bolognaverklaring een nieuwe onderwijsstructuur, de zogeheten Bama-hervorming, van toepassing. Nu wordt de titel van bachelor, na drie jaren, en deze van master, na minstens een jaar in de plaats van de graad van kandidaat en van licentiaat verleend. Studiepunten nemen de plaats in van lesuren. In het kader van de flexibilisering is het mogelijk aan de universiteiten en hogescholen voor alle jaren met een individueel studietraject in een semestersysteem te studeren.

De reglementering inzake de kinderbijslag werd aan de nieuwe ontwikkelingen op onderwijsvlak aangepast door het koninklijk besluit van 10 augustus 2005. De Rijksdienst heeft in samenwerking met de kinderbijslagfondsen het formulier P7 (recht op kinderbijslag voor studenten) voor de hogescholen en universiteiten volledig afgestemd op de elektronische gegevensuitwisseling met de flux D062 (cfr. dienstbrief II/999/c.154 van 15 juli 2009).

3.6.1.1. Student die de studies stopzet in de loop van het school- of academiejaar - Stopzetting tijdens de examens

Overeenkomstig artikel 10 van het KB van 10 augustus 2005 is de kinderbijslag voor de student niet langer verschuldigd wanneer de studies in de loop van een academiejaar worden stopgezet of teruggebracht tot minder dan 27 studiepunten. Dit geldt eveneens voor de uitschrijvingen in de loop van de "examenmaand" juni. In de Vlaamse Gemeenschap wordt een uitschrijving systematisch gesignaleer d via de flux D062 in de Franse en Duitstalige Gemeenschap gebeurt dat door middel van een verklaring op eer en een verklaring van de onderwijsinstelling die het gezin spontaan moet doorsturen naar het betrokken kinderbijslagfonds. Alleen voor de uitschrijvingen die ontvangen worden met een D062-bericht is het niet meer nodig nog ter bevestiging een P7-A te sturen. Voor de andere uitschrijvingen (verklaringen op eer) moet nog wel aan het gezin een formulier P7-A worden gestuurd.

3.6.1.2. De student in het buitenland

Voor alle studenten, ook die in het buitenland, wordt het formulier P7-A verzonden op 5 september van elk jaar (cfr. omzendbrief van de Rijksdienst, CO 1374, van 25 september 2008, pag. 6). De betalingen worden opgestart, wanneer het E-formulier of de P7-int volledig en correct ingevuld en ondertekend werd ontvangen. Het formulier P7-A dat dan nog zou ontbreken en niet meer voor de situatie toepasselijk is, moet dan niet meer worden opgevolgd.

3.6.1.3. Geen afwijkende procedure voor de thesisstudent

De aandacht wordt erop gevestigd dat qua opvolging met het formulier P7 voor de thesisstudent geen afwijking bestaat ten opzichte van de andere studenten (procedure van CO 1374 van 25 september 2008).

Concreet betekent dit dus dat de kinderbijslagfondsen bij de ontvangst van gegevens via de flux D062 of het formulier P7 rekening zullen houden met het feit dat:

  • overeenkomstig het koninklijk besluit van 16 februari 1968 voor de thesisstudent de toekenning van de kinderbijslag beperkt is tot de maand van indiening van een proefschrift met maximum één jaar;
  • voor de thesisstudent geen jaarlijkse vakantie in het betrokken koninklijk besluit is voorzien.

Voorbeeld 1: Voor het academiejaar 2009-2010 was de student ingeschreven voor 17 studiepunten in een diplomajaar. Op het formulier P7-A van 20 september 2010 wordt meegedeeld dat de thesis werd ingediend in juni 2010. In juli 2010 laat de student zich inschrijven als werkzoekende. Als gevolg van de indiening van de thesis verliest het kind de hoedanigheid van student en bijgevolg de dubbele hoedanigheid voor het derde kwartaal. Als het formulier P7-A niet wordt teruggestuurd geldt het vermoeden dat het kind student is geweest tot de datum van inschrijving als werkzoekende en bestaat evenmin het dubbel statuut voor het derde kwartaal (ambtshalve beslissing).

De gefractioneerde betaling van het studiegeld

Er kunnen zich problemen voordoen met de regelmatige betaling van de kinderbijslag wanneer de onderwijsinstellingen weigeren het formulier in te vullen of een studieattest uit te reiken, zolang het totale inschrijvingsgeld niet is betaald. In de omzendbrief van de Rijksdienst, CO 1340 van 24 juli 2002, werd reeds gewezen op dit probleem (pag. 13).

De Rijksdienst heeft in de loop van 2009 het initiatief genomen om aan de onderwijsinstellingen opnieuw te vragen om dadelijk na de inschrijving het studieattest voor de kinderbijslag af te leveren.

Aan de kinderbijslagfondsen wordt gevraagd problemen te signaleren aan het Departement Controle van de Rijksdienst.

3.6.2. Andere aanpassingen van het formulier P7 (studenten)

3.6.2.1. De tewerkstelling van de student

Bij de redactie van het formulier P7a werden specifieke vragen voorzien voor bepaalde categorieën van studenten die een beroepsactiviteit uitoefenen en waarvoor niet de uurnorm geldt, maar deinkomensnorm (stagiairs en deeltijds studerenden24 bedoeld bij de artikelen 3, 14 en 15 van het KB van 10 augustus 2005), zodat er geen opvolging met DMFA kan gebeuren. Dat geldt eveneens voor de tewerkstelling in het buitenland.

Voor het buitengewoon onderwijs25 is de 240-urennorm van toepassing

In de flux D062 worden de gevallen van deeltijds onderwijs aangeduid met de code 312. Daarentegen zijn de gevallen die meegedeeld worden met de code 321 (bu itengewoon onderwijs) niet onderworpen aan de inkomensnorm maar wel aan de uurnorm (cfr. CO 1374 van 25 september 2008, pag. 5). Aan de kinderbijslagfonds en wordt gevraagd bij de codificatie van de gevallen rekening te houden met die speciale categorieën.

De student-zelfstandige

Voor de student, zelfstandige in hoofdberoep, geldt de verklaring op eer als bewijs inzake de 240-urennorm. De bepaling hieromtrent van de CO 1354, pag. 16 van 8 juli 2007 vervalt.

  • Code A is hoofdberoep: in dat geval is een verklaring op eer over het aantal gewerkte uren nodig om na te gaan of al dan niet is voldaan aan de 240-urennorm.
  • Bij code H op het Arza-bericht is de student onderworpen aan artikel 37 van het KB van 8 april 1976 (vrijstelling van sociale bijdragen). In dit geval mag de kinderbijslag verder betaald worden zonder een verklaring op eer te vragen.
  • Code K is de faillissementsverzekering voor de zelfstandigen: in dit geval moet geen verklaring op eer over het aantal gewerkte uren gevraagd worden. De uitkering wat betreft de student die onder de 240-urennorm valt vormt geen beletsel, want het betreft een regeling die niet is opgenomen in het KB van 10 augustus 2005. Wat betreft de deeltijdse studenten die onder de inkomensnorm vallen, wordt deze sociale uitkering wel geteld bij de som van de andere inkomsten.
3.6.2.2. De heroriëntatie in de loop van het academisch jaar en het hoger beroepsonderwijs

Het formulier P7 werd aangepast aan de innovaties in het onderwijs met betrekking tot de flux D062 en het hoger beroepsonderwijs (zie: dienstbrieven van de Rijksdienst II/C/997/69ter van 24 september 2009).

3.6.3. De afschaffing van de controle met formulieren P2 en P5 voor de gehandicapte kinderen in België

Of de kinderen met een handicap verder voldoen aan de voorwaarden om recht te hebben op de bijzondere bijslag tot 21 jaar of voor de oudere gehandicapten (+ 25 jaar), werd in het verleden opgevolgd met formulieren. Omdat de winstgevende activiteit kan worden nagegaan met de fluxen (RIP/DMFA/uitkeringsfluxen) via de Kruispuntbank, werd voor de kinderen met een aandoening het formulier P2 afgeschaft vanaf het jaar 2008 door de omzendbrief van de Rijksdienst, CO 1371 van 15 januari 2008. Voor de oudere gehandicapten werd het formulier P5 al afgeschaft vanaf het jaar 2007 (zie CO 1366 van 16 februari 2007). De afschaffing van het formulier P2 impliceert het gebruik van elektronische codes, waarover informatie werd gegeven in het kader van de actualisering van de gebruikersgids voor de DMFA (zie omzendbrief van de Rijksdienst, CO 1373 van 5 a ugustus 2008).

Het formulier P5 - kinderbijslag voor oudere gehandicapten

Oudere gehandicapten (art. 47bis Kinderbijslagwet) mogen alleen tewerkgesteld worden in een beschutte werkplaats of een beperkte uitkering ontvangen (cfr. artikel 63 Kinderbijslagwet).

Opgelet! Het ontvangen van een overlevingspensioen is geen beletsel voor de toekenning van de kinderbijslag voor oudere gehandicapten.

Aan de kinderbijslagfondsen wordt vanaf 2007 gevraagd de formulieren P5 niet meer te gebruiken en de noodzakelijke informatie te halen uit de verwerking van de desbetreffende socio-professionele fluxen over de tewerkstelling, de ziekte, de werkloosheid, de beroepsziekte en het arbeidsongeval.

De gegevens betreffende het inkomen uit een pensioen kunnen nog niet elektronisch worden meegedeeld en worden per brief opgevraagd bij de Rijksdienst voor Pensioenen (RVP) of het Rijksinstituut voor de Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen (RSVZ), vanaf de leeftijd van 60 jaar, behalve wanneer zij gepensioneerd worden naar aanleiding van een tewerkstelling in een beschutte werkplaats of na ziek of werkloos te zijn geweest volgend op een periode van tewerkstelling in een beschutte werkplaats (de laatste tewerkstelling).

Het pensioen mag niet hoger zijn dan het gewaarborgd inkomen voor bejaarden, behalve wanneer het voortvloeit uit een tewerkstelling voor gehandicapten in een beschutte werkplaats. Een eenmalig bewijs volstaat.

Voor de oudere gehandicapten met hun domicilie buiten België blijft de verplichting van opvolging met de formulieren P2 en P5 verder bestaan.

3.6.5. De herziening van de ongeschiktheid - Nieuw feit ?

Met de dienstbrief II/C/996/c.92/wam van 6 mei 2009 werden de in de omzendbrief van de Rijksdienst, CO 1373 van 5 augustus 2008, meegedeelde voorwaarden voor de aanvraag van een medische herziening gewijzigd.

De inschrijving als werkzoekende wordt niet meer gedefinieerd als een nieuw feit en leidt dus voortaan niet meer tot een aanvraag om herziening van de medische ongeschiktheid en evenmin tot schorsing van de kinderbijslag (gewone en bijzondere bijslag van artikel 47 KBW). Over andere feiten moet de FOD worden geïnformeerd die beslist of een herziening noodzakelijk is. Bij opeenvolgende tewerkstellingen wordt slechts de eerste maal een T1 bericht verstuurd.

De schorsing van de kinderbijslag is enkel noodzakelijk wanneer de tewerkstelling op zichzelf een beletsel betekent voor de toekenning van de kinderbijslag bedoeld zoals bepaald in artikel 12 van het koninklijk besluit va n 3 mei 1991 tot uitvoering van de artikelen 47, 56septies en 63 KBW.

3.6.6. Het gehandicapt kind wordt 21 jaar

Er wordt aan de kinderbijslagfondsen gevraagd om drie maanden voor de éénentwintigste verjaardag van het gehandicapte kind het statuut te onderzoeken door een consultatie van Trivia (student, leerovereenkomst, ondernemersopleiding, ingeschreven werkzoekende, tewerkstelling,...).

Het formulier dat met de inlichtingenbrief wordt verstuurd, moet daaraan worden aangepast. Het is enkel nog aangewezen het formulier P7 mee te sturen, wanneer het statuut van het gehandicapt kind niet is gekend.

3.6.7. Het kind met een aandoening werkt of geniet een uitkering

De omzendbrief van de Minister, MO 610 van 23 maart 2010, wijzigt de voorwaarden waaraan de activiteiten van een jongere met een handicap of de eruit voortvloeiende sociale uitkering moeten voldoen, opdat deze jongere de bijkomende bijslag zou kunnen behouden. Vanaf 1 januari 2010 hebben de kinderen met een aandoening verder recht op de gehandicaptentoeslag, wanneer hun activiteit of sociale uitkering geen beletsel (een tweede opvangnet) vormt voor de toekenning van de kinderbijslag op basis van artikel 62 Kinderbijslagwet, d.w.z. geen beletselen als (thesis)student, schoolverlater, leerling verbonden met een leerverbintenis of leerovereenkomst of als (deeltijds)student met een werkstage-overeenkomst (alternerend leren). Een latere dienstbrief zal de procedure hieromtrent verduidelijken.

3.6.8. De bijzondere regeling voor vrijwilligerswerk (wet van 27 december 2005 houdende diverse bepalingen)

De formulieren vermelden een algemene formule: "Voor vrijwilligerswerk geldt een speciale regeling. Uw kinderbijslagfonds kan u daarover meer informatie geven."

Er wordt aan herinnerd dat met de omzendbrief van de Rijksdienst, CO 1357 van 7 juni 2006 (pag. 7), de specifieke regeling voor de opvolging van het inkomen uit vrijwilligerswerk werd meegedeeld.

Nieuw standpunt

De FOD Sociale Zekerheid heeft de Rijksdienst op volgend punt gewezen (brief van 23 april 2008).

Wanneer de betrokkene verzekeringsplichtig is voor de sociale zekerheid dan toont het DMFA-bericht in principe aan of deze persoon al dan niet als vrijwilliger wordt beschouwd.

Bestaat daarover twijfel omdat de vrijwilliger verklaart dat het inkomen een terugbetaling is van de kosten, dan richt het kinderbijslagfonds zich tot de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid of tot de diensten van de Sociale Inspectie die zullen beslissen of de betrokken vrijwilliger al dan niet voldoet aan de voorwaarden.

Topic 7 - De tewerkstelling van de schoolverlater tijdens de wachttijd

De gegevens betreffende het inkomen van de werkzoekende schoolverlater tijdens de wachttijd worden verder ingewonnen met het formulier P20. Daarnaast worden de DIMONA/RIP-aangiften ingeschakeld in het onderzoek naar het recht op de kinderbijslag voor de schoolverlaters in wachttijd. Dit betekent dat in geval het kinderbijslagfonds RIP-gegevens ontvangt, een nieuw onderzoek naar het recht op kinderbijslag wordt uitgevoerd. Voor het bedrag van het inkomen blijft het formulier op het huidige ogenblik de enige informatiebron. Het is niet mogelijk op een systematische wijze de gegevens vermeld op het formulier P20 te valideren door een consultatie van TRIVIA.

De Rijksdienst heeft een dienstbrief uitgevaardigd met geactualiseerde instructies, voorbeelden en een aanpassing van het formulier P20 en de modules (dienstbrief II/C/c.153/SN van 1 juli 2009).

Begindatum van de toekenningsperiode

Algemene regel

Overeenkomstig artikel 1, § 2 van het KB van 12 augustus 1985 vangt de wachttijd aan op 1 juli of op 1 augustus na het laatste school- of acade miejaar, naargelang het kind op de dag van zijn inschrijving als werkzoekende jonger dan 18 jaar dan wel 18 jaar of ouder is

Uitzonderingen:

Aanvang van de wachttijd Rangorde der bewijsmiddelen
De dag na de beëindiging van alle activiteiten opgelegd door het studieprogramma indien deze beëindiging plaats heeft na 1 juli of 1 augustus of de dag na de beëindiging van de leertijd of vorming. Authentieke bron (uitschrijvingsbericht D062); of bij gebrek daaraan de verklaring op eer op het formulier P7a (vraag 3) of P20 (vraag 2 of 3 van het formulier) of P9.
De dag na de inlevering van een eindverhandeling bij hogere studiën of de dag na de onderbreking van de voorbereiding ervan. Authentieke bron (uitschrijvingsbericht D062); of bij gebrek daaraan de verklaring op eer op het formulier P7a (vraag 3), P20 (vraag 2 of 3 van het formulier) of P9.
De dag na het einde van de stageperiode, vereist om in een openbaar ambt te worden benoemd, of de dag na de onderbreking van deze stage. Authentieke bron (verklaring van de stagemeester).
De dag na de datum waarop voortijdig aan nieuwe studies, een leertijd of een vorming een einde werd gesteld, op voorwaarde dat: a) geen termijn van meer dan vijftien maanden is verlopen tussen het einde van studies, een leertijd of een vorming en het hernemen van studies, een leertijd of een vorming b) de nieuwe studies, leertijd of vorming. Authentieke bron (uits chrijvingsbericht D062); of bij gebrek daaraan de verklaring op eer op het formulier P7A (vraag 3), P20 (vraag 2 of 3 van het formulier) of P9.

De wet van 10 januari 2010 tot instelling van de vrijwillige militaire inzet heeft artikel 62 Kinderbijslagwet gewijzigd. Als gevolg daarvan werd de informatie op het formulier P20 aangepast, in de zin dat de sol dij als vrijwillige militair tijdens de eerste zes maanden geen beletsel vormt voor de toekenning van de kinderbijslag gedurende de wachttijd (zie circulaire van de Rijksdienst, CO 1385 van 18 november 2010).

Topic 8 - De geplaatste kinderen

Bewijs van plaatsing in een instelling

Er wordt op gewezen dat voor de plaatsing bij een particulier en de betaling aan een particulier een attest/verklaring/beschikking van de rechter of het formulier P3 geldt als begin van bewijs en volstaat voor het aanvatten van de provisionele betaling. De ontvangst van het formulier D227 moet worden opgevolgd.

Voor wat betreft het bewijs van de betaling van de bijzondere toeslag bed oeld in artikel 70ter Kinderbijslagwet wordt verwezen naar de omzendbrief van de Rijksdienst, CO 1344 van 10 juli 2003, en de dienstbrief II/A/996/45 van 24 december 2003 die onveranderd blijven.

Voor de kinderen geplaatst in een instelling heeft het formulier D22726 als bijzondere finaliteit de kinderen te signaleren voor wie ten aanzien van de plaatsende overheid een bijzondere (collectieve) betalingsmodaliteit27 geldt. Het formulier is daarom onontbeerlijk.

Kennisgeving van het bedrag voor een geplaatst kind

Voor de plaatsingen in een pleeggezin ten laste van het fonds " Jongerenwelzijn" moet de Vlaamse Gemeenschap vanaf 1 januari 2009 niet meer ingelicht worden over de uitbetaalde bedragen, wel nog de diensten voor pleegzorg (dienstbrief II/C/999/c.152/SN van 29 juni 2009). Voor de Franse Gemeenschap geldt eveneens een nieuwe betalingsmodaliteit, u meegedeeld met de dienstbrief II/C/996/c.94/Wam van 18 november 2011.

De preventieve sociale actie

In het kader van de vrijwillige dienstverlening voorzien de gemeenschappen in specifieke hulpmaatregelen aan het gezin om de plaatsing van een jongere te vermijden28. Dit zijn geen reguliere plaatsingen in de zin van artikel 70 Kinderbijslagwet (memo van de Juridische afdeling van 17 november 2010 - ref. III/10/59246/Gez./UI). Bijgevolg is de bijzondere verdeelsleutel (2/3 voor de instelling of overheid, 1/3 aan een natuurlijke persoon of op een spaarboekje) niet van toepassing. Het formulier P3 zal aan die nieuwe modaliteit worden aangepast (zie dienstbrief van de Rijksdienst, 999/c.158/sn van 20 december 2010).

Topic 9 - De ontbrekende of onvolledige formulieren - De ambtshalve beslissing

3.9.1. Algemene principes

Het formulier is slechts een hulpmiddel om de onontbeerlijke gegevens in te winnen. Er wordt vooral een beroep gedaan op de sociaal verzekerde om gegevens in te winnen in verband met de inkomenssituatie.

Het Handvest van de Sociaal Verzekerde bepaalt dat wanneer de sociaal verzekerde niet antwoordt op een eerste herinnering om inlichtingen, de instelling zelf na één maand een onderzoek uitvoert en ambtshalve een beslissing neemt op basis van de gekende gegevens. De gevallen in het buitenland worden herinnerd na verloop van 45 dagen. In functie daarvan wordt maximaal gebruik gemaakt van de gegevens inzake de socio-professionele situatie en de leefsituatie waartoe de kinderbijslagsector toegang heeft.

Ondanks het gebrek aan medewerking vanuit het gezin, neemt het kinderbijslagfonds ambtshalve een beslissing op basis van voldoende in dicaties:

  • via een consultatie van alle (interne) databanken of fluxen (TRIVIA) kunnen voldoende elementen worden bekomen om in individuele gevallen te beslissen;
  • als de vraag naar het gegeven als niet-relevant te beschouwen is, gelet op de socio-professionele of familiale toestand, zoals die blijkt uit de (niet) ontvangen elektronische gegevensstromen of de consultatie van de databanken.

De ambtshalve beslissing wordt aan de bijslagtrekkende gemotiveerd.

Het recht mag niet worden afgewezen, omdat het formulier niet werd ontvangen, als alle onontbeerlijke gegevens via elektronische bewijsmiddelen kunnen worden verkregen (cfr. de algemene bewijskracht van het elektronisch bewijsmiddel, punt 2.2.).

Kan het gegeven niet via een elektronisch kanaal worden verkregen, dan blijft verder een formulier noodzakelijk. Deze regel geldt vooral in situaties waarin het inkomen een rol speelt en waaromtrent de gegevensfluxen nog geen uitsluitsel bieden.

3.9.2. Herinnering van niet-teruggezonden formulieren

Werkwijze voor het jaar 2010: situaties waar nog gegevens worden ingewonnen bij de sociaal verzekerde

De bestaande richtlijnen worden bevestigd. Hierna volgt een overzicht.

In afwachting van een algehele gegevensinzameling met elektronische datafluxen, wordt voor de formulieren die betrekking hebben op het jaar 2011-2012 elk ontbrekend document éénmaal na een maand herinnerd. De gevallen in het buitenland worden herinnerd na verloop van 45 kalenderdagen. De praktijk om in geval van niet-terugzenden, het controleformulier te herinneren en tegelijk reeds te waarschuwen voor een eventuele terugvordering moet worden voortgezet.

Een tweede en eventueel volgende herinnering moet worden voorkomen door een interactieve consultatie van TRIVIA en de exploitatie van de ontvangen RIP- en DMFA-berichten en de andere fluxen.

Indien de ontbrekende informatie ingevolge deze consultaties/integraties kan worden bekomen, moet er overeenkomstig het Handvest29 van de Sociaal Verzekerde geen verdere automatische herinnering meer worden verzonden. Deze procedure vervangt het ontbrekende formulier en valideert de betalingen over de periode die het formulier dekt (inclusief de provisionele betalingen30). Wanneer geen voldoende gegevens kunnen worden bekomen, moet een controle ter plaatse worden verricht.

3.9.3. Bijzondere toepassingsgevallen

3.9.3.1. Het formulier voor de studenten (P7a) wordt niet teruggestuurd

In de omzendbrief van de Rijksdienst, CO 1374 van 25 september 2008, punt 5.3, werd u meegedeeld wat de gevolgen zijn van het niet-terugzenden van het formulier P7-A. In de omzendbrief van de Rijksdienst, II/C/999/C.154/SN van 15 juli 2009, werden deze instructies bevestigd. Voor thesisstudenten geldt een identieke regeling (cfr. punt 3.6.1.3. Geen afwijkende procedure voor de thesisstudent).

Voor jongeren in het buitenland moet het formulier P7-A niet meer worden opgevolgd, zodra het E-formulier of het formulier P7-int werd ontvangen, waardoor de betalingen kunnen worden verdergezet.

3.9.3.2. Het formulier voor de ingeschreven werkzoekende (P20) wordt niet teruggestuurd

In de omzendbrief van de Rijksdienst, II/C/999/C.153/SN van 1 juli 2009, werden de instructies verschaft voor het geval het formulier P20 ontbreekt.

3.9.3.3. Het formulier de sociale toeslagen (P19) wordt niet teruggestuurd - De verdere betaling van de toeslag

Voor de validering van de toeslag gecontroleerd met het formulier P19 geldt het hiervoor uiteengezette principe. Voor de toekomstige betalingen van de toeslag zijn wel opnieuw de formulieren P19 en P19ter noodzakelijk. Worden deze formulieren niet ontvangen, dan worden de betalingen aan de gewone schaal voortgezet. De bijzondere maatregel in verband met het aanvraagformulier P19 (eerste zending) vindt u infra punt 4.

Opgelet!

Op basis van de consultatie van het TRIVIA nadat het formulier niet werd teruggezonden kunnen de uitgevoerde betalingen 41, 42bis en 50ter wel worden gevalideerd, als er geen indicatoren zijn dat het inkomen boven het toegelaten maximum lag, maar er kunnen in dat kader geen supplementaire betalingen worden uitgevoerd zonder dat de betrokkene reageert op het formulier P19. Het principe van de verklaring op eer blijft gehandhaafd.

3.9.3.4. De gegevens in verband met het co-ouderschap31 en de gelijk verdeelde huisvesting

Overeenkomstig de ministeriële omzendbrief, MO 555 van 26 februari 1998, moeten de kinderbijslagfondsen nagaan welke ouderschapsregeling van toepassing i s, wanneer de ouders gescheiden zijn en wanneer de fondsen weet hebben van een echtscheidingsvonnis. Bij afwezigheid van een overgeschreven echt scheidingsvonnis en bij gebrek aan tegenbewijs door de belanghebbenden, mogen de kinderbijslagfondsen veronderstellen dat de gescheiden ouders de kinderen in co-ouderschap opvoeden.

Concreet betekent dit dat naar aanleiding van een ontvangst van een mail-box met een bericht van echtscheiding dat de kinderbijslagfondsen zich tot de bijslagtrekkende richten om de ouderschapsregeling te kennen. Een maand na de eerste verzending wordt in een tweede brief nogmaals aangedrongen op het vonnis of de akte (passages in verband met de opvoedingsregeling).

Wanneer de betrokkene hierop niet reageert wordt in afwijking van de bepalingen van de omzendbrief van de Rijksdienst, CO 1345, punt 6 van 10 juli 2003, de betaling niet meer geschorst, maar neemt het kinderbijslagfonds een ambtshalve beslissing op basis van de al vroeger meegedeelde gegevens inzake de ouderschapsregeling in het dossier of het veronderstelde co-ouderschap overeenkomstig de ministeriële omzendbrief, MO 555.

Formulier L

Wat betreft de regeling van de gelijk verdeelde huisvesting (bilocatie) en het in dit verband ontworpen formulier L wordt verwezen naar de circulaire van de Rijksdienst, CO 1356 van 9 juni 2006.

Topic 10 - De procedure alvorens de terugvordering van onverschuldigd betaalde kinderbijslag in te zetten

3.10.1. Algemene principes

Het louter ontbreken van een formulier is nooit een voldoende rechtsgrond voor een procedure tot terugvordering van de betaalde kinderbijslag. Dergelijke vorderingen riskeren vrijwel zeker door de rechtbanken ongegrond te worden verklaard. De kinderbijslagfondsen moeten bijgevolg alle mogelijke hen ter beschikking zijnde middelen aanwenden om te voorkomen dat procedures voor terugvordering van de kinderbijslag gesteund op ontbrekende formulieren voor de arbeidsgerechten worden gebracht (door sociaal verzekerden of door de fondsen zelf).

3.10.2. Praktische richtlijnen voor het opmaken van debetten

Het is uit den boze dat een debet wordt betekend zonder een consultatie van de beschikbare databanken (TRIVIA) of de ontvangen fluxberichten in het onderzoek van het onverschuldigd bedrag te betrekken. De kinderbijslagfondsen kunnen bij de evaluatie van de inkomensnorm het arbeidsvolume als voldoende indicatie of parameter in aanmerking nemen.

Aan de debiteur wordt kennis gegeven van de onverschuldigde betaling met een gewone brief of met een controle aan huis. Overeenkomstig het Handvest van de Sociaal Verzekerde wordt het debet aangetekend verzonden of herinnerd, telkens wanneer de verjaring dreigt (CO 1360 van 1 augustus 2006). Met de dienstbrief II/C/996/83/BH van 19 maart 2008 werden er bijkomende instructies gegeven voor het opmaken van debetten.

Een voltijdse of voldoende tewerkstelling toont tot bewijs van het tegendeel aan dat de inkomensnorm is overschreden.

Voorbeeld: Op 5 september 2010 werd de inschrijving als werkzoekende ontvangen. Het formulier P20 wordt niet teruggestuurd, ook niet na één herinnering. Uit TRIVIA blijkt dat het kind een winstgevende activiteit heeft verricht. De gegevens uit TRIVIA tonen voldoende aan dat de inkomensgrens is overschreden, bijgevolg neemt het fonds dienovereenkomstig een beslissing over de uitgevoerde betalingen van de kinderbijslag. Men houdt er rekening mee dat voor het derde kw artaal de DMFA moet worden verwerkt (max. 240 uren). De gegevens inzake de reactivering van de werklozen (bijv. IBO-contracten) kunnen aangevraagd worden bij de gewestelijke diensten voor arbeidsbemiddeling.

Voorbeeld: In januari 2011 werd het formulier P19 verstuurd (periode 1 januari 2010 tot 31 december 2010). Een eerste herinnering leverde geen enkel resultaat op. De partner van de werkloze rechthebbende werkt sedert 1 juli 2010 voltijds. Er zijn voldoende bewijzen dat de inkomensgrens is overschr eden, bijgevolg neemt het kinderbijslagfonds dienovereenkomstig een beslissing over de uitgevoerde betalingen van de toeslag.

Wanneer de gegevens die via de verschillende gegevensbanken32 ter beschikking staan, toch geen uitsluitsel bieden en er niettemin informatie (bijv. over het inkomen naar aanleiding van een tewerkstelling in de loop van een kalendermaand) ontbreekt of twijfel bestaat, wordt aan de kinderbijslagfondsen gevraagd om, als ondanks de dreiging met terugvordering het formulier niet wordt teruggezonden, de ontbrekende gegevens op te vragen via een controle met een bezoek aan huis. De geschetste werkwijze geldt vanzelfsprekend ook voor het aanvatten van een procedure tot terugvordering voor het arbeidsgerecht.

3.10.3. Schematische voorstelling van de procedure bij ontbrekende formulieren - Werkwijze alvorens een debet op te maken - Valideren/Betalen/ Terugvorderen

Stap Actie Tijdstip/termijn Inhoud van de beslissing
1 Verzending van het formulier P19, P20,...... Volgens de richtlijnen  
2 Formulier wordt niet ontvangen Herinnering na één maand (buitenland 45 dagen); Stopzetting van de provisionele betalingen de maand volgend op de verzending van het formulier.  
3 Zo mogelijk, de (eind)beslissing op basis van consultatie van de databanken Binnen de maand na de herinnering
  • regularisatie
  • recuperatie
  • geen actie
  • andere actie
  • motivering
4 Controle ter plaatse + eindbeslissing Binnen de 4 maand
  • regularisatie
  • recuperatie
  • geen actie
  • motivering

Opmerking: Geen toekenning van de supplementen zonder formulier, enkel validatie van de (provisioneel) betaalde toeslagen.

Topic 11 - Het Rijksregister

3.11.1. De periodieke actualisering van de identiteitsgegevens via het Rijksregister

Met het oog op een zo groot mogelijke overeenstemming van de persoonsgegevens in de database van de kinderbijslagfondsen met de identificatiegegevens in het Rijksregister, wordt aan de kinderbijslagfondsen gevraagd bij de overgang van de bevoegdheid, het Rijksregister te consulteren (+ bijhouden van een print(screen) in het elektronisch dossier). De Rijksdienst beveelt ten stelligste aan alle kinderbijslagfondsen de bij sommigen bestaande praktijk aan om daarna elke drie jaar een actualisering "in batch" van bestanden afkomstig van het Rijksregister uit te voeren.

3.11.2. Het Rijksregister en de lokalisatie van de verschillende rechtsactoren

De lokalisatie van de rechtsactoren (de reële verblijfplaats van de recht hebbende, de bijslagtrekkende of de kinderen) wordt in de Kinderbijslagwet niet op een uniforme wijze bepaald. Het is van belang voor elke toepassing telkens het bewuste wetsartikel te raadplegen om na te gaan op welke wijze de lokalisatie is geregeld. Soms wordt enkel de officiële woonplaats volgens het Rijksregister aanvaard, in andere gevallen geldt hetzij het Rijksregister of een officieel document, hetzij elk bewijsmiddel.

In grote lijnen kan de bewijsregeling op de volgende wijze worden samengevat:

  • Wanneer voor het verkrijgen van de hoedanigheid van rechthebbende of bijslagtrekkende de wettelijke voorwaarde erin bestaat dat de kinderen "deel uitmaken van het gezin/of opgevoed worden door/samenwonen met...." dan wordt rekening gehouden met al de feitelijke omstandigheden. Alle rechtsmiddelen zijn van toepassing om de gezinssamenstelling aan te tonen: de gegevens van het Rijksregister, een politieattest of vonnis, de verklaring van twee getuigen,... De feitelijke situatie kan zowel het verlies als het verkrijgen van de hoedanigheid van rechthebbende/bijslagtrekkende in de zin van de gecoördineerde wetten tot gevolg hebben (werkt in de twee richtingen).
  • Wanneer voor de toekenning van een toeslag de rechthebbende "alleen woont met de kinderen" of "samenwoont met een partner en de kinderen" is qua bewijs van die voorwaarden eveneens de feitelijke situatie doorslaggevend33. Alle bewijsmiddelen zijn dan van toepassing inzake het aantonen van de gezinssamenstelling.
  • Door het hebben van dezelfde woonplaats en de inschrijving op hetzelfde adres ontstaat een (weerlegbaar) vermoeden van feitelijk gezin34. Dit heeft automatisch het verlies van de toeslag tot gevolg35 (negatieve gevolgen voor de toeslagen: artikelen 41, 50bis, 42bis en 50ter). Het feitelijk gezin kan overigens door alle bewijsmiddelen worden aangetoond: verklaring van de betrokkenen, getuigen, controle ter plaatse, politieattest,... eveneens met g evolgen voor de toeslagen, nl. het verlies of de samenvoeging van de inkomsten (negatieve effecten).
  • Het einde van het feitelijk gezin en het herverkrijgen van de toeslag (positieve gevolgen voor de toeslagen: de artikelen 41, 50bis, 42bis en 50ter) wordt bewezen aan de hand van een gezinssamenstelling conform het Rijksregister of een ander officieel document. Dit is heel restrictief: enkel een model 2 (aangifte van verblijfsverandering) of een politionele36 of gerechtelijke vaststelling (vonnis of arrest) van een afzonderlijke woonplaats kunnen worden aanvaard. De datum van inschrijving in het Rijksregister is in principe de datum waarop de aangifte van de verblijfsverandering werd verricht, tenzij blijkt dat de betrokkene zijn verblijfsverandering nog niet kon hebben op het nieuwe adres37. In beginsel is een tegenspraak tussen de datum van aangifte op het Model 2 en de aanpassing van het Rijksregister nu meestal niet meer mogelijk.
  • Voor het samenvoegen van kinderen van verschillende bijslagtrekkenden (betaling in rang) met dezelfde woonplaats, geldt de gezinssamenstelling volgens het Rijksregister of een ander officieel document. Zie ook de commentaar bij vorig punt. De samenvoeging geldt alleen voor de inschrijving van bijslagtrekkenden in de woonplaats van particulieren en niet voor de inschr ijving van bijslagtrekkenden op het adres van publiek- of privaatrechtelijke inrichtingen (rusthuizen, hospitalen, gevangenissen,...).
  • Na de scheiding voor het co-ouderschap wordt "de juridische fictie" van een gezamenlijke woonplaats gebruikt. Voor het bewijs waar de minderjarige kinderen of de onbekwaam verklaarde meerderjarige verblijven geldt het Rijksregister of een officieel document (mod. 2). Voor het exclusief bestuur geldt de feitelijke situatie met alle bewijsmiddelen.
  • Inzake de betaling aan de vader voor een kind woonachtig bij hem en opgevoed in de co-ouderschapsregeling geldt als enig bewijs het Rijksregister.
  • Inzake de betaling aan het kind dat alleen woont, geldt het Rijksregister of een officieel document.
  • De MO 599 voorziet in de betaling voor het kind dat in het buitenland studeert en in België woont. Als bewijs geldt de woonplaats in België volgens het Rijksregister. Voor niet-verwante kinderen in het gezin van de rechthebbende geldt een algemene afwijking tot de leeftijd van 12 jaar of wanneer ze van de vierde graad zijn zolang er recht bestaat. Het feit dat ze deel uitmaken van het gezin wordt bewezen met het Rijksregister of een officieel document.
  • De gevangenisdirectie kan verklaren op vraag van de refertepersoon dat de inschrijving op zijn adres van de gedetineerde niet langer wenselijk is. Dit kan het bewijs zijn dat het huwelijk gevolgd is door een feitelijke scheiding, zonder dat de inschrijving in de gevangenis al geregistreerd is in het Rijksregister.

De voornoemde principes worden later nog geëxpliciteerd in een dienstbrief.

4. Varia

4.1. Het formulier om een toeslag aan te vragen (aanvraagformulier P19) wordt niet teruggestuurd

Om te vermijden dat bepaalde gezinnen noch de verhoging voor eenouderge zinnen, noch de toeslag aanvragen, blijven de huidige maatregelen inzake de controle ter plaatse gehandhaafd in afwachting dat deze vervangen worden door de nieuwe richtlijnen ter concretisering van de heroriëntering van het sociaal toezicht (Doc. BC 11033 van 4 december 2007).

Wanneer het formulier om een toeslag aan te vragen niet wordt teruggestuurd, beperkt de opvolging zich voorlopig nog tot het jaarlijks verzenden van een informatieblad en een vraag of het onderzoek moet worden heropend (P19ter).

In het kader van de geleidelijke vervanging van recurrente controles door meer "gerichte" bezoeken wordt aan de kinderbijslagfondsen gevraagd de gezinnen thuis te bezoeken en uitgebreid te informeren inzake de voorwaarden om een toeslag te ontvangen en eventueel het desbetreffende formulier P19 te laten invullen. De gevallen waarin een gerichte controle aan huis moet plaatsvinden, worden opgesomd in de omzendbrief van de Rijksdienst, CO 1366 van 16 februari 2007, pag. 10.

Deze instructie blijft voor 2011 van kracht.

4.2. Standpunt van de arbeidsrechtbanken in verband met de informatieplicht

Gelet op artikel 3 (informatieplicht) en artikel 6 (het hanteren van een begrijpelijke taal) van het Handvest van de Sociaal Verzekerde38, worden de laatste tijd meer en meer vonnissen en arresten gewezen waarin de informatie onvoldoende werd bevonden voor het behoud van de rechten. Als gevolg van die standpunten werden de inlichtingen verstrekt op het formulier P9bis (zie circulaire van de Rijksdienst II/C/999/c.158/SN van 20 december 2010) en formulier P7 (zie: circulaire van de Rijksdienst II/C/999/c.154/SN van 15 juli 2009) aangepast.

4.3. Bewijswaarde van de gescande documenten

De bewijskracht van de op die manier opgeslagen informatie wordt geregeld door artikel 8 van het KB van 22 maart 1993. Het kinderbijslagfonds dat alle juridische procedures heeft doorlopen voor de erkenning van de elektronische archivering der binnengekomen stukken voldoet aan alle wettelijke voorwaarden terzake. De op basis van die erkende procedures opgeslagen, bewaarde en weergegeven informatie evenals de kopieën hebben bewijskracht inzake sociale zekerheid, tot bewijs van het tegendeel.

Op basis hiervan moet worden besloten dat bijv. een kopie van het geboorteattest dat door het kinderbijslagfonds wordt gearchiveerd, wettelijke bewijswaarde heeft en dus kan dienen als basis voor de regularisatie van de betalingen.

4.4. Verklaring voor de verzekeringsinstellingen ten behoeve van de volle wezen

De kinderbijslagfondsen worden eraan herinnerd dat de verklaring die bestemd is voor de mutualiteiten, op tijd moet worden gestuurd (zie omzendbrief van de Minister, MO 605 van 9 oktober 2008). De kinderbijslagfondsen wordt gevraagd een duplicaat van de verzending van het document in het dossier te bewaren of elektronisch op te slaan.

4.5. De geactualiseerde formulierentabel

In de circulaire van de Rijksdienst, CO 1330 van 21 mei 2001, werd onder punt 2 op pagina 3 een overzicht gegeven van de formulieren, alsmede de richtlijnen voor het gebruik ervan.

Als bijlage vindt u de tabellen met de aangepaste formulieren- en controleprocedures voor 2011.

  • 1.
  • 2.
  • 3.
  • 4.
  • 5. Omzendbrief van de Rijksdienst, CO 1376 van 8 september 2008
  • 6. Flux met RVA is in ontwikkeling
  • 7. Vanaf 1 oktober 2008
  • 8. Overeenkomstig de omzendbrief van de minister, MO 588 van 17 maart 2005, wordt het recht op de verhoogde schaal van wezenbijslag (50bis) hersteld op het ogenblik van de scheiding na een huwelijk of de vorming van een feitelijk gezin vastgesteld aan de hand van een officieel document. Het Model J (verklaring van de betrokkene) is als bewijs van de scheiding niet dienstig.
  • 9. Van elke consultatie wordt een print(screen) in het (elektronisch) dossier bewaard als bewijsmiddel.
  • 10.
  • 11.
  • 12. Niet beschikbaar via DMFA, wel via RIP (Zie: Dienstbrief 996/64 van 07/08/2006)
  • 13. Inzake gegevens overgemaakt met het brevet van rechthebbende: zie tabellen pag. 16
  • 14. Goedgekeurd in de Ministerraad van 23 juni 2006. Dit Charter is een aanvulling op het Handvest van 4 december 1992 van de gebruiker van de openbare diensten. De bedoeling van dit Charter is om een aantal nieuwe principes van een goede openbare dienstverlening toe te voegen aan de principes die reeds in het genoemde Handvest vervat zijn
  • 15. KB van 19 maart 2008; BS 15 april 2008
  • 16. Dit onderwerp was al het voorwerp van een onderrichting: cfr. punt 3, van de omzendbrief van de Rijksdienst, CO 1352 van 20 december 2004 - Een "goed leesbare kopie" in de plaats van een authentiek document volstaat
  • 17. Cfr. bijv. het speciaal geboorteattest punt 3.2.2. na de geboorte
  • 18. Op de website MyBelgium.be zijn al talrijke toepassingen beschikbaar
  • 19. Omzendbrief van de Rijksdienst, CO 1360 van 1 augustus 2006
  • 20. De bank mag een som vragen van hoogstens 13,60 euro per jaar (bedrag geldig vanaf de 1ste januari 2009). De maximale prijs voor de basisbankdienst wordt jaarlijks aangepast rekening houdend met het indexcijfer van de consumptieprijzen. De informatie over de aanpassing van het bedrag vindt u op de website van de FOD Economie, KMO, Middenstand en Energie
  • 21. De kinderbijslag en het kraamgeld worden provisioneel betaald, het ontvangen van de mailbox inzake de geboorte moet opgevolgd worden
  • 22. Bijv. de betrokkene verwijst op het (ondertekende) formulier P19 naar een bijgevoegde nota, een aanslagbiljet,.... wat impliciet gelijkstaat met een voldoende verklaring, waarmee het inkomen wordt aangetoond en de toeslag betaalbaar is.
  • 23. Zie omzendbrief van de Minister van Sociale Zaken, MO 588 van 17 maart 2005: verklaring van een officiële instantie, bijv. van de bevolkingsdiensten
  • 24. Bij het "werkplek-leren" volgen de studenten halftijds onderwijs en halftijds een stage. De loonnorm is van toepassing
  • 25. Het betreft studies bedoeld in artikel 1 van het KB van 12 augustus 2005
  • 26. Zie de bijlagen bij de CO 1025 van 23 juni 1976
  • 27. Zie dienstbrief van de Rijksdienst, II/C/996/c.94/wam van 18 november 2009
  • 28. Zie besluit van de Vlaamse Regering van 24 oktober 2008, BS 2 maart 2009
  • 29. Het Handvest voorziet in een termijn van 4 maanden om te beslissen
  • 30. Het Artikel 9 van het koninklijk besluit van 12 juni 1989 tot uitvoering van artikel 71, § 2 van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders bepaalt in algemene zin dat de instelling verder provisioneel de kinderbijslag uitbetaalt voor de kalendermaand na die waarin zij om periodieke formulieren heeft verzocht die de hoedanigheid van rechtgevend kind, bijslagtrekkende of rechthebbende moeten bevestigen
  • 31. Ook voor de verlengd minderjarig verklaarde kinderen
  • 32. Evenwel wordt erop gewezen dat voor bepaalde uitkeringen een voorafgaandelijke integratie in het Kadaster nodig is
  • 33. Het betreft de gezinstypes I en II van het KB van 24 oktober 2004
  • 34. Er wordt verwezen naar de dienstbrief 996/15 wat betreft de praktische gevolgen
  • 35. De toeslagen hoofdens de andere ouder die niet samenwoont met de bijslagtrekkende ouder, die niet gehuwd mag zijn of een feitelijk gezin mag vormen. Het betreft de gezinstypes III en IV van het KB van 24 oktober 2004
  • 36. Bedoeld is het proces-verbaal van het onderzoek van de reële verblijfplaats door de wijkagent, en niet de attestering van de verklaringen van de betrokkenen afgelegd op het politiekantoor
  • 37. Onderrichtingen van het FOD Binnenlandse zaken van 1 juli 2010 aan de gemeenten
  • 38. De instellingen van sociale zekerheid zijn verplicht aan de sociale verzekerde die daar schriftelijk om verzoekt, alle dienstige inlichtingen betreffende zijn rechten en verplichtingen te verstrekken en uit eigen beweging de sociaal verzekerde alle bijkomende informatie te verschaffen die nodig is voor de behandeling van zijn verzoek of het behoud van zijn rechten. Conform artikel 6 moeten de instellingen van sociale zekerheid zich in hun betrekkingen met de sociale verzekerde, in welke vorm deze ook plaatsvinden, in een voor het publiek begrijpelijke taal uitdrukken
Datum einde geldigheid
Top