Vlaanderen

CO 1414 van 11 mei 2017 - Wet van 22 december 2016 houdende invoering van een overbruggingsrecht ten gunste van zelfstandigen (voormalige faillissementsverzekering)

De wet van 22 december 2016 houdende invoering van een overbruggingsrecht ten gunste van zelfstandigen1 is op 1 januari 2017 inwerking getreden en heft het KB van 18 november 1996 houdende invoering van het overbruggingsrecht ten gunste van zelfstandigen op.

Deze nieuwe wet omvat geen grote inhoudelijke wijzigingen. Het overgrote deel van de bepalingen van het koninklijk besluit van 18 november 1996 werd overgenomen.

De wijzigingen met betrekking tot het personele toepassingsgebied zijn relevant voor de kinderbijslagreglementering en dienen meer in detail te worden bekeken.

Art. 4 van de wet van 22 december 2016 dat het toepassingsgebied bepaalt, luidt als volgt:

"Deze wet is van toepassing op:

  1. de gefailleerde zelfstandigen en de zaakvoerders, bestuurders en werkende vennoten van een handelsvennootschap die failliet verklaard werd
  2. de zelfstandigen, helpers en meewerkende echtgenoten die in het kader van een collectieve schuldenregeling van de rechter de homologatie van een minnelijke aanzuiveringsregeling verkregen hebben, een gerechtelijke aanzuiveringsregeling opgelegd geweest zijn of een aanpassing of herziening van de regeling verkregen hebben, in de zin van de wet van 5 juli 1998 betreffende de collectieve schuldenregeling en de mogelijkheid van verkoop uit de hand van de in beslag genomen onroerende goederen, binnen een periode van drie jaar die voorafgaat aan de eerste dag van het kwartaal volgend op het kwartaal waarin de zelfstandige activiteit werd stopgezet
  3. de zelfstandigen, helpers en meewerkende echtgenoten die, door omstandigheden onafhankelijk van hun wil, gedwongen worden elke zelfstandige activiteit te onderbreken
  4. de zelfstandigen, helpers en meewerkende echtgenoten die zich in economische moeilijkheden bevinden en elke zelfstandige activiteit officieel stopzetten."

Ten aanzien van het KB van 18 november 1996 wordt het personeel toepassingsgebied voor het overbruggingsrecht dus uitgebreid tot helpers en meewerkende echtgenoten2.

Voor deze categorieën van begunstigden wordt een overbruggingsrecht ingevoerd in het kader van:

  1. Faillissement
  2. Collectieve schuldenregeling
  3. Gedwongen onderbreking
  4. Economische moeilijkheden

In tegenstelling tot de uitbreiding van het personeel toepassingsgebied tot helpers en meewerkende echtgenoten, zijn de hierboven genoemde situaties niet gewijzigd. Deze vier pijlers bestonden reeds onder het KB van 18 november 1996; de laatste pijler 'economische moeilijkheden' werd bij de wet van 16 december 20153 ingevoegd.

Gevolgen voor de AKBW - Status quo

De huidige artikelen, Art. 42bis, §1 en Art. 56terdecies AKBW verwijzen naar het KB van 18 november 1996 'houdende invoering van een sociale verzekering ten gunste van zelfstandigen, in geval van faillissement, daarmee gelijkgestelde situaties of gedwongen stopzetting'4.

Daar het personeel toepassingsgebied van de wet van 22 december 2016 uitgebreid is, zou het toepassen van de nieuwe wet voor de toekenning van de kinderbijslag (op basis van Art. 42bis, 5° en Art. 56terdecies, 3° AKBW) betekenen dat er een uitbreiding van de categorie van rechthebbenden plaatsvindt.

Om de status quo binnen de kinderbijslagreglementering te handhaven, wordt de uitbreiding van het personeel toepassingsgebied tot helpers en meewerkende echtgenoten niet doorgevoerd in de AKBW.

Enkel een hoofdzelfstandige kan een recht op kinderbijslag en sociale toeslag openen op basis van een overbruggingsuitkering. Een helper en meewerkende echtgenoot kan bijgevolg geen recht openen op kinderbijslag op basis van een overbruggingsuitkering.

Toepassing in de praktijk

In de gegevensfluxen A301, P061 en D047 worden zowel de hoofdzelfstandigen als de helpers en de meewerkende echtgenoten die een overbruggingsuitkering ontvangen onder de bijdragereeks K meegedeeld.

Aangezien echter enkel de hoofdzelfstandige in die hoedanigheid een recht op kinderbijslag kan openen, dient een bijkomende stap in de administratieve procedure te worden ingevoerd, namelijk het opzoeken van de bijdrage reeks die aan de bijdragereeks K voorafgaat:

  • Ofwel wordt de bijdragereeks K voorafgegaan door de bijdragereeks L: in dat geval gaat het om een meewerkende echtgenoot en kan er op basis van dit overbruggingsrecht (bijdragereeks K) geen recht op kinderbijslag geopend worden. Het recht op kinderbijslag dient dan onderzocht te worden als gewezen zelfstandige in toepassing van Art. 56terdecies, 1° AKBW: tot het einde van het 2e kwartaal volgende op dat waarin hij/zij de zelfstandige activiteit heeft stopgezet op voorwaarde dat hij/zij de hoedanigheid van rechthebbende heeft gehad gedurende ten minste zes van de twaalf maanden die voorafgaan aan de maand waarin hij/zij de zelfstandige activiteit heeft stopgezet5, aan de gewone bedragen en zonder trimestrialisering.
  • Ofwel wordt de bijdragereeks K voorafgegaan door de bijdragereeks A: in dat geval kan het zowel om een hoofdzelfstandige of een helper gaan. Die hoedanigheid kan uit de gegevens in de flux zelf niet worden afgeleid en dient daarom te worden opgevraagd bij de dienst Monitoring van FAMIFED (monitoringnl@famifed.be):

    • Wanneer het om een helper gaat, kan er op basis van dit overbruggingsrecht (bijdragereeks K) geen recht op kinderbijslag geopend worden. Het recht op kinderbijslag dient dan onderzocht te worden als gewezen zelfstandige in toepassing van Art. 56terdecies, 1° AKBW: tot het einde van het 2e kwartaal volgende op dat waarin hij/zij de zelfstandige activiteit heeft stopgezet op voorwaarde dat hij/zij de hoedanigheid van rechthebbende heeft gehad gedurende ten minste zes van de twaalf maanden die voorafgaan aan de maand waarin hij/zij de zelfstandige activiteit heeft stopgezet6, aan de gewone bedragen en zonder trimestrialisering.
    • Wanneer het gaat om een hoofdzelfstandige kan er op basis van dit overbruggingsrecht (bijdragereeks K) recht op kinderbijslag worden toegekend, maximum tot de laatste dag van het 4e kwartaal volgend op het eerste trimester waarvoor de overbruggingsuitkering werd toegekend (geen verdere trimestrialisering). Er dient op basis van dit overbruggingsrecht eveneens een onderzoek naar het recht op sociale toeslag 42bis voor maximum 4 kwartalen te worden ingesteld. De richtlijnen gegeven bij CO 1397 van 7 juli 2014 blijven onverkort van toepassing.

Inwerkingtreding

De bepalingen van de wet van 22 december 2016 en de bijbehorende administratieve richtlijnen hebben uitwerking van 1 januari 2017. De dossiers in betaling dienen ambtshalve te worden herzien.

  • 1. Hierna afgekort: Wet van 22 december 2016.
  • 2. Met uitzondering van de pijler faillissement, aangezien helpers en meewerkende echtgenoten niet het voorwerp van een faillissement kunnen uitmaken.
  • 3. Wet van 16 december 2015 houdende diverse bepalingen inzak het sociaal statuut van de zelfstandigen, BS 8 januari 2016.
  • 4. Bij de wet van 16 december 2015 werd de titel "koninklijk besluit houdende invoering van een sociale verzekering ten gunste van zelfstandigen, in geval van faillissement, daarmee gelijkgestelde situaties of gedwongen stopzetting" vervangen door de titel "koninklijk besluit houdende invoering van een overbruggingsrecht ten gunste van zelfstandigen".
  • 5. Het gaat om een "gewoon" recht. Wanneer er samenloop is met andere rechten op grond van de AKBW wordt de voorrangsgerechtigde rechthebbende vastgesteld overeenkomstig Art. 64 AKBW
  • 6. Het gaat om een "gewoon" recht. Wanneer er samenloop is met andere rechten op grond van de AKBW wordt de voorrangsgerechtigde rechthebbende vastgesteld overeenkomstig Art. 64 AKBW.
Top