Vlaanderen

CO 1415 van 8 september 2017 - Bevriezing van de bevoegdheid

Volgens Art. 11 van het ontwerp van samenwerkingsakkoord tussen de deelentiteiten1 worden de bevoegdheden van de kinderbijslagfondsen op 1 januari 2018 bevroren.

1. Principe

Iedere wijziging aan de bevoegdheid van een kinderbijslagfonds met uitwerking na 31 december 2017 volgens de artikelen 18, 35, 38, 64, 66 en 71 AKBW wordt geneutraliseerd.

De voorgaande artikelen blijven m.a.w. van toepassing, maar vanaf 1 januari 2018 worden de gevolgen ervan op de bevoegdheid van de kinderbijslagfondsen geneutraliseerd.

Concreet betekent dit het volgende:

Het fonds dat bevoegd is voor de betaling van de kinderbijslag voor een kind op 31 december 2017 behoudt zijn bevoegdheid voor zover er na die datum nog steeds een (getrimestrialiseerd) recht is voor dat kind op basis van de AKBW, zelfs in een situatie waarbij volgens de nu geldende regels het dossier van het kind naar een ander fonds zou worden overgedragen.

Die bevriezing van bevoegdheid wordt zo ruim mogelijk toegepast.

Het fonds dat een dossier behoudt op basis van de vastgelegde bevoegdheid betaalt de kinderbijslag volgens de normale regels van de AKBW. Door de bevoegdheid te bevriezen, wijzigt er niets aan het bedrag van de kinderbijslag.

2. Toepassing in de praktijk

2.1. De werkgever verandert van kinderbijslagfonds

Het kinderbijslagfonds waarbij de werkgever is aangesloten op 31 december 2017 is bevoegd, zowel voor de voortzetting van de bestaande rechten als voor de vaststelling van de nieuwe rechten in de dossiers waarin de vaststelling van de betaalbevoegdheid bepaald wordt op basis van de (laatste) tewerkstelling van de rechthebbende bij die werkgever.

Het NRW hoeft bijgevolg voor de werkgevers die op 31 december 2017 verzekeringsplichtig personeel in dienst hebben, vanaf 1 januari 2018 niet langer te worden bijgewerkt. De gebruikersgids (dienstbrief 996/103bis van 7 december 2016) zal daaraan worden aangepast.

Voorbeelden

Rechthebbende X is in dienst bij een werkgever die aangesloten is bij fonds A. Dat fonds betaalt de kinderbijslag aan X.

De werkgever verlaat fonds A en sluit zich aan bij fonds B met uitwerking op 1/1/2018. → Het dossier blijft bij fonds A.

Als een rechthebbende bij deze werkgever een nieuw recht verkrijgt in 2018 (bv. door een eerste geboorte). → Het nieuwe dossier wordt eveneens door fonds A behandeld. Het NRW hoeft bijgevolg voor de werkgevers die op 31 december 2017 verzekeringsplichtig personeel in dienst hebben, niet meer te worden bijgewerkt.

2.2. De rechthebbende verandert van werkgever: hij treedt in dienst van een werkgever aangesloten bij een ander kinderbijslagfonds

Het kinderbijslagfonds dat in hoofde van de rechthebbende bevoegd is op 31 december 2017, is vanaf 1 januari 2018 bevoegd zowel voor de voortzetting van de bestaande rechten als voor de nieuwe rechten in hoofde van die rechthebbende.

Voorbeelden

Rechthebbende X verlaat zijn werkgever op 1 augustus 2017 en treedt op 2 augustus 2017 in dienst bij een werkgever die aangesloten is bij fonds B. → Het dossier blijft bij fonds A.

Rechthebbende X is zelfstandige en aangesloten bij SVF A dat verbonden is aan fonds A. Dat fonds betaalt de kinderbijslag aan X. Rechthebbende X verlaat op 1 februari 2017 (met uitwerking op 1 januari 2018) SVF A en sluit aan bij SVF B verbonden is aan fonds B. → Het dossier blijft bij fonds A.

Voorafbetaling van kraamgeld

De bevriezing van de bevoegdheid wordt ook toegepast in de gevallen waarin het kinderbijslagfonds in 2017 volgens de actuele regels het kraamgeld heeft vooraf betaald voor een kind dat geboren wordt na 31 december 2017. In die omstandigheden is het kinderbijslagfonds dat volgens de actuele regels bevoegd was voor de voorafbetaling van het kraamgeld in 2017 eveneens bevoegd voor de betaling van de kinderbijslag vanaf de geboorte van het kind in 2018.

Voorbeeld

Fonds A heeft alleen kraamgeld vooruitbetaald in december 2017 en het kind wordt geboren in februari 2018, terwijl rechthebbende X in dienst is bij een werkgever die sinds 1 januari 2018 aangesloten is bij fonds B. → Het dossier blijft bij fonds A.

2.3. Verandering van voorrangsgerechtigde rechthebbende

Ook bij wijziging van rechthebbende voor een kind dat rechtgevend is op 31 december 20172 blijft de bevoegdheid behouden. Om het bedrag van de kinderbijslag te berekenen, wordt de situatie van de nieuwe rechthebbende in aanmerking genomen.

Voorbeelden

Rechthebbende X is in dienst bij een werkgever die aangesloten is bij fonds A. Dat fonds betaalt aan X kinderbijslag tegen schaal 40.

Het 19-jarig kind (geen voortzetting van de gelijkmatig verdeelde huisvesting ) verlaat het gezin van de gescheiden rechthebbende vader X en laat zich vanaf november 2017 inschrijven bij de moeder. Haar werkgever is aangesloten bij fonds B. → Fonds A opent een dossier op naam van de moeder en zet zijn betalingen voort. Die oplossing wordt ook toegepast als fonds B al voor andere kinderen een actief dossier op naam van de moeder heeft. Het toe te kennen bedrag wordt bepaald op basis van de situatie van de voorrangsgerechtigde moeder volgens de bepalingen van Art. 64, §3 AKBW.

Rechthebbende vader X is niet meer werkzaam sinds november 2017 en de werkgever van de moeder (woont samen met X) is aangesloten bij fonds B.

→ Fonds A opent een dossier op naam van de moeder en zet zijn betalingen voort. Het toe te kennen bedrag wordt bepaald op basis van de situatie van de voorrangsgerechtigde moeder (volgens de bepalingen van Art. 64, §3 AKBW.

Het kind verlaat het gezin van rechthebbende vader X (schaal 40) en wordt op 2 oktober 2017 in een pleeggezin geplaatst dat recht kan krijgen op toeslag 42bis AKBW. → Fonds A opent een dossier op naam van de rechthebbende van het pleeggezin, betaalt vanaf november 2017 gewone kinderbijslag en toeslag 42bis aan het pleeggezin en de forfaitaire toeslag 70ter aan de moeder.

Een gezin bestaat uit de vader, de moeder en 2 kinderen.  K1 is geplaatst in een instelling, met betaling van het 1/3de op een spaarboekje op naam van het kind. Voor dat kind betaalt fonds A. K2 is geplaatst in een pleeggezin.  Voor dat kind betaalt fonds B.  Op 4/1/2018 eindigt de plaatsing in het pleeggezin en keert K2 terug naar het gezin van zijn ouders. → Fonds  B opent een dossier op naam van de vader, maar blijft bevoegd voor K2. Het wisselt  zijn toekenningsgegevens uit met fonds A met een bericht T0073, zodat fonds A het bedrag voor het geplaatste kind correct kan berekenen :bedrag rang 1+ bedrag rang 2 / 2.

Aandachtspunten

Als het dossier van een rechthebbende met recht op een vooruitbetaling (betaling op het einde van de lopende maand) volgens Art. 5 van KB van 26 maart 1965 betreffende de kinderbijslag voor bepaalde categorieën van het door de Staat bezoldigd personeel, behouden blijft door een ander fonds dan FAMIFED, zal dit kinderbijslagfonds verder Art. 71, §1 AKBW toepassen (betaling op de 8e van de volgende maand, zie dienstbrief 998/25) gelet op het samenwerkingsakkoord om de betaaldata op elkaar af te stemmen.4

2.4. Precisering m.b.t. de respectievelijke bevoegdheden van de vrije kinderbijslagfondsen en FAMIFED

2.4.1. De bevriezing van de bevoegdheid geldt in principe alleen binnen de AKBW.

De bevriezing wordt bijgevolg niet toegepast voor de nieuwe rechten op gewaarborgde gezinsbijslag

Echter, bij de beëindiging van het recht op gewaarborgde gezinsbijslag wegens een recht binnen de AKBW, geldt de bevriezing wel en blijft FAMIFED verder bevoegd om de kinderbijslag te betalen.

Voorbeelden

Rechthebbende X is in dienst bij een werkgever die aangesloten is bij fonds A. Dat fonds betaalt de kinderbijslag aan X.

In 2018 is X is niet meer werkzaam en op basis van de AKBW kan geen ander recht worden vastgesteld. → FAMIFED onderzoekt het recht op gewaarborgde gezinsbijslag en opent een nieuw dossier.

FAMIFED betaalt gewaarborgde gezinsbijslag aan gezin X.

Op 1 januari 2018 wordt rechthebbende X aangeworven door een werkgever die aangesloten is bij fonds A. → FAMIFED opent een dossier op naam van rechthebbende X volgens de AKBW en zet zijn betalingen voort.

Rechthebbende X is in dienst bij een werkgever die aangesloten is bij fonds A. Na onderzoek blijkt dat er recht op gewaarborgde gezinsbijslag mogelijk is voor een periode in het verleden van 1 januari 2017 tot 30 september 2017. → Fonds A stuurt het dossier door naar FAMIFED enkel voor de periode met recht op gewaarborgde gezinsbijslag. Fonds A betaalt de gezinsbijslag verder op basis van de AKBW.

Rechthebbende X is in dienst bij een werkgever die aangesloten is bij fonds A. Na onderzoek blijkt dat er recht op gewaarborgde gezinsbijslag mogelijk is voor een periode in het verleden van 1 januari 2017 tot 31 december 2017. → Fonds A stuurt het dossier door naar FAMIFED. FAMIFED is bevoegd vanaf 1 januari 2017 op basis van het recht op gewaarborgde gezinsbijslag en behoudt die bevoegdheid vanaf 1 januari 2018 op basis van de bevriezing (FAMIFED is de bevoegde instelling op 31 december 2017), zelfs wanneer de rechthebbende begint te werken voor een werkgever aangesloten bij fonds A.

2.4.2. Residuaire rechten binnen de AKBW

Gelet op de specifieke procedures voor vaststelling van de residuaire rechten binnen de AKBW geldt de bevriezing evenmin voor de nieuwe rechten en de regularisaties waarbij het principe van het automatisch onderzoek van het recht niet geldt (artikelen 56quinquies, sexies, septies, undecies en duodecies en Art. 102 AKBW, zie dienstbrief 997/73bis).

Echter wanneer het recht binnen de AKBW overgaat van een residuair recht naar een "gewoon" recht geldt de bevriezing wel en blijft FAMIFED bevoegd.

Voorbeelden

Het recht wordt vastgesteld door fonds A uit hoofde van de partner met wie de moeder -die studente is- een feitelijk gezin vormt.  Op 3 februari 2018 eindigt de samenwoonst en dient het recht te worden vastgesteld uit hoofde van de moeder als studente. → Fonds A maakt het dossier over aan FAMIFED5

Op 3 juli 2018 begint de moeder te werken voor werkgever A aangesloten bij fonds A FAMIFED blijft verder bevoegd om de kinderbijslag te betalen op basis van de prestaties van de moeder.

2.4.3. Een herziening van de rechten met terugwerkende kracht tot vóór1 januari 2018 heeft wel de normale wijzigingen tot gevolg.

Voorbeelden

Rechthebbende X is in dienst bij een werkgever die aangesloten is bij fonds A. Dat fonds betaalt de kinderbijslag aan X.

Bij de administratieve controle van 2018 stelt FAMIFED vast dat fonds B al wettelijk bevoegd was sinds 1 juli 2017 en bevoegd bleef op 31 december 2017. → Fonds A stuurt het dossier door naar fonds B.

FAMIFED betaalt gewaarborgde gezinsbijslag en stelt in 2018 vanaf 1 augustus 2017 een voorrangsrecht vast in hoofde van een broer buiten het gezin. De broer werkt voor werkgever A, aangesloten bij fonds A → FAMIFED stuurt het dossier naar fonds A

 

  • 1. Het gaat om het ontwerp van samenwerkingsakkoord tussen de Vlaamse Gemeenschap, het Waalse Gewest, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en de Duitstalige Gemeenschap betreffende de aanknopingsfactoren met betrekking tot de bevoegdheidsverdeling, het beheer van de lasten van het verleden en de gegevensuitwisseling inzake de gezinsbijslagen alsook de modaliteiten inzake de bevoegdheidsoverdrachten tijdens de transitieperiode.
  • 2. De bevriezing van de bevoegdheid wordt eveneens toegepast als het recht van het kind geschorst is of tijdelijk onderbroken op 31 december 2017.
  • 3. Cfr. Dienstbrief 997/81 van 22 januari 2016.
  • 4. Ter info: Er wordt een samenwerkingsakkoord tussen de deelentiteiten afgesloten om de betaaldata op elkaar af te stemmen. Vanaf januari 2018 zal Art. 71, §1 AKBW op iedereen van toepassing zijn. Voor personen op wie het KB van 1965 van toepassing is, zullen de betaaldata dan op de volgende manier wijzigen: De kinderbijslag wordt als volgt aan de bijslagtrekkende uitbetaald:

    - voor augustus 2017: op 1 september 2017 - voor september 2017: op 3 oktober 2017 - voor oktober 2017: op 6 november 2017 - voor november 2017: op 6 december 2017 - voor december 2017: op 8 januari 2017

    Voor de maanden na december 2017 wordt de kinderbijslag betaald volgens Art. 71, §1 AKBW.

  • 5. Volgens de richtlijnen uiteengezet in dienstbrief 996/80 van 29 januari 2008.
Top