Vlaanderen

MO 588bis van 17 maart 2005 - Programmawet van 27 december 2004 - Technische, organisatorische of financiële maatregelen

De programmawet van 27 december 2004 werd bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 31 december 2004. De artikelen 12 en 22 tot 48 van deze wet hebben betrekking op de sector van de kinderbijslag voor werknemers.

De toelichting bij de artikelen 12, 34 tot 42 en 44 tot 46 van de programmawet maakt het voorwerp uit van de ministeriële omzendbrief nr 588.

Deze omzendbrief heeft betrekking op technische, organisatorische of financiële maatregelen, in het bijzonder deze met betrekking tot de statuten van de vrije kinderbijslagfondsen (zie wettekst als bijlage).

HOOFDSTUK I. TECHNISCHE, ORGANISATORISCHE OF FINANCIELE MAATREGELEN

Ter informatie enige verduidelijking bij de volgende bepalingen van de programmawet:

- artikelen 22 tot 33 van de programmawet: deze bepalingen betreffen de statuten van de vrije kinderbijslagfondsen (zie verder hoofdstuk II);

- artikel 43 van de programmawet: deze bepaling geeft de koning de mogelijkheid om te bepalen welke vermeldingen verplicht dienen voor te komen op de brevetten van rechthebbende, zonder een model vast te stellen;

- artikel 47 van de programmawet: dit artikel beoogt de beperking van de werkingskosten van de vrije kinderbijslagfondsen;

- artikel 48 van de programmawet: deze bepaling betreft de bijkomende financiële middelen toegewezen aan het FCUD.

HOOFDSTUK II. DE BEPALINGEN INZAKE DE STATUTEN VAN DE VRIJE KINDERBIJSLAGFONDSEN

I. WETTELIJK KADER- INWERKINGTREDING VAN DE NIEUWE BEPALINGEN - TIMING.

In de artikelen 22 tot 33 van de programmawet worden de bepalingen van de samengeordende wetten die betrekking hebben op de vrije kinderbijslagfondsen en een uitzondering vormen op of een aanvulling vormen bij de vzw-wet1 geactualiseerd.

De actualisering drong zich op ingevolge de grondige wijziging van de vzw-wet door de wet van 2 mei 20022. Bij koninklijk besluit van 2 april 2003 werd de inwerkingtreding van de gewijzigde vzw-wet gefaseerd met 1 juli 2003 als aanvangsdatum. Inmiddels zijn alle bepalingen in werking getreden, doch voor de verenigingen die voor 1 januari 2004 rechtspersoonlijkheid verworven hebben werd uitstel verleend om zich in regel te stellen met een groot aantal bepalingen uit de vzw-wet3. Het oorspronkelijke uitstel werd met een jaar verlengd tot 31 december 20054.

Zoals reeds werd medegedeeld aan de kinderbijslagfondsen, werd beslist dat de statuten in één enkele operatie dienen aangepast te worden aan de wijzigingen aangebracht aan de vzw-wet en de samengeordende wetten, aangezien zij één geheel vormen. De nieuwe bepalingen van de samengeordende wetten zijn in werking getreden op 1 januari 2005, doch voor de aanpassing van de statuten van de kinderbijslagfondsen aan zowel de vzw-wet als de samengeordende wetten werd een jaar uitstel verleend in de programmawet.

Concreet betekent dit het volgende voor de aanpassing van de statuten

? De statuten moeten in de loop van 2005 aangepast worden aan de nieuwe bepalingen van de vzw-wet en de samengeordende wetten. Gelet op de omvang van de hervorming wordt ten zeerste aanbevolen dat de kinderbijslagfondsen de bestaande tekst van de statuten volledig vervangen door een nieuwe tekst. ? De kinderbijslagfondsen dienen de aangepaste statuten neer te leggen ter griffie van de rechtbank van koophandel in de loop van 2005. ? Aangezien de statuten slechts kunnen neergelegd worden ter griffie nadat zij goedgekeurd zijn bij koninklijk besluit, betekent dit dat de statuten zo spoedig mogelijk en alleszins voor 1 juli 2005 ter goedkeuring moeten voorgelegd worden. ? Het dossier dient tegelijkertijd5 ingediend te worden bij de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid6 en de Rijksdienst voor kinderbijslag voor werknemers7, bij voorkeur ook in elektronische versie voor wat de statuten betreft. ? Het dossier dient de volgende stukken te bevatten8 : 1. de oproeping tot de algemene vergadering (individuele oproepingsbrief met agenda of bericht in het Belgisch Staatsblad en in 2 dagbladen (art. 21, § 1 SW)); 2. de notulen van de algemene vergadering, met de aangenomen tekst9 en de uitslag van de stemming, alsook de aanwezigheidslijst.

Concreet betekent dit het volgende op het vlak van de naleving van de nieuwe bepalingen

De bepalingen van de vzw-wet waarvoor geen uitstel10 werd verleend in het koninklijk besluit van 2 april 2003 dienden reeds toegepast te worden in het voorbije jaar. De bepalingen waarvoor in december 2004 uitstel werd verleend tot 31 december 2005 dienen in afwachting van de statutenwijziging nog niet toegepast te worden.

De nieuwe bepalingen van de samengeordende wetten treden in werking op 1 januari 2005. In afwachting van de statutenwijziging gaat het hier evenwel11 slechts om een gering aantal bepalingen12.

II. DE NIEUWE BEPALINGEN EN DE IMPLEMENTATIE ERVAN IN DE STATUTEN

De bepalingen van de samengeordende wetten worden besproken in samenhang met de bepalingen van de vzw-wet waarop zij een aanvulling of een afwijking vormen. De andere bepalingen van de vzw-wet worden in functie van hun belangrijkheid voor de statutenwijziging besproken.

A. De verplicht op te nemen vermeldingen in de statuten.

1. De minimale gegevens opgesomd door artikel 2, eerste lid vzw-wet

Op het vlak van de vereniging : de naam13, de rechtsvorm (vereniging zonder winstoogmerk), het adres van de zetel van de vereniging, het gerechtelijk arrondissement waaronder de vereniging valt, het doel14 en de duur waarvoor zij is opgericht.

Voortaan dient dus ook het volledige adres van de zetel vermeld te worden (straatnaam en huisnummer, gemeente en postnummer), alsook het gerechtelijk arrondissement. In artikel 1 vzw-wet wordt gepreciseerd dat de zetel van de vereniging in België moet gevestigd zijn15.

Inzake de leden16 : het minimumaantal17, de voorwaarden18 en de formaliteiten betreffende de toetreding en de uittreding. Inzake de algemene vergadering : de bevoegdheden19, de wijze van bijeenroeping en de wijze van kennisgeving van haar beslissingen aan leden en aan derden.

Inzake de bestuurders, de personen aan wie het dagelijks bestuur is opgedragen en de personen gemachtigd om de vereniging te vertegenwoordigen : de wijze van benoeming, ambtsbeëindiging en afzetting, de omvang en wijze van uitoefening (alleen/gezamenlijk/als college) van hun bevoegdheden, alsook de duur van het mandaat van de bestuurders.

De bestemming van het vermogen in geval van ontbinding.

2. De zaken die overeenkomstig de samengeordende wetten20 moeten opgenomen worden in de statuten of die moeten opgenomen worden omdat zij belangrijke informatie bevatten ten behoeve van de leden :

- de streek waartoe de aangesloten werkgevers moeten behoren21; - de regels inzake ontslag en uitsluiting van de leden (uitsluitingsgronden22, aanwijzing van het bevoegde orgaan en procedure); - de aanvullende bijdrage die kan gevraagd worden aan de aangesloten werkgevers; - de algemene vergadering : voorzitterschap, oproeping (door wie, wijze en gronden ? vrijstellingen23) en besluitvorming24; - het inzagerecht van de leden met betrekking tot het register van de leden en andere stukken (tenzij de vereniging een commissaris heeft aangesteld).

Daarnaast is het aangewezen om ook de volgende zaken op te nemen :

- het register van de leden en de bijwerking ervan; - de bepaling omtrent de gegevens te vermelden op de facturen, akten en andere stukken uitgaande van de vereniging; - de raad van bestuur : voorzitterschap, oproeping en besluitvorming; - de inkomsten van de vereniging.

B. De bepalingen van de vzw-wet die niet van toepassing zijn op de kinderbijslagfondsen (artikel 20 SW)

Artikel 2, eerste lid, 8° vzw-wet op grond waarvan het maximumbedrag van de aanvullende bijdrage diende opgenomen te worden in de statuten, is voortaan niet meer van toepassing gelet op de wijziging van artikel 94, § 8 SW (zie infra).

Artikel 2ter vzw-wet. Al de leden van een kinderbijslagfonds dienen de mogelijkheid te hebben om deel te nemen aan de werking van de vereniging door middel van de algemene vergadering. Bijgevolg kunnen de kinderbijslagfondsen de categorie van de toegetreden leden niet in het leven roepen. Het gaat hier immers om leden waarvan, luidens artikel 2ter vzw-wet, de rechten en de plichten bepaald worden door de statuten en niet door de vzw-wet.

Ten dien einde wordt artikel 2ter vzw-wet niet toepasselijk gemaakt op de kinderbijslagfondsen en wordt in artikel 20bis SW bepaald dat de rechten en plichten bepaald in de vzw-wet van toepassing zijn op al de leden van de vereniging. In essentie komt dit erop neer dat al de leden van de kinderbijslagfondsen deel uitmaken van de algemene vergadering en bijgevolg stemgerechtigd zijn.

Artikel 12, eerste en tweede25 lid vzw-wet dat handelt over de uitsluiting van de leden is zoals voorheen niet van toepassing, gelet op de specifieke regels opgenomen in artikel 38 SW (zie infra).

Aangezien de kinderbijslagfondsen overeenkomstig artikel 20, eerste lid SW noodzakelijkerwijze verenigingen zonder winstoogmerk zijn en een strikt wettelijk doel hebben, kunnen zij niet omgezet worden in een vennootschap met een sociaal oogmerk (artikelen 26bis tot 26septies vzw-wet).

C. De leden van de vereniging

1. Lidmaatschap, ontslag en uitsluiting Zoals hierboven gesteld werd maken alle leden van de vereniging deel uit van de algemene vergadering, zodat alle leden effectieve leden zijn.

Artikel 38, § 1 SW26 regelt het ontslag gegeven door de leden die de hoedanigheid hebben van aangesloten werkgever. Dit mag niet ingediend worden binnen de 4 jaar na de aansluiting. De werkgever moet een opzegtermijn van minimum 30 dagen in acht nemen. Het ontslag heeft uitwerking op het einde van het kwartaal in de loop waarvan de opzeggingstermijn eindigt.

Artikel 38, § 2 SW heeft betrekking op de uitsluiting van (al) de leden door het kinderbijslagfonds. Zij kunnen uitgesloten worden wanneer zij nalaten de aanvullende bijdrage die gevraagd zou worden bij toepassing van artikel 94, § 8 SW27 te betalen of in de andere gevallen bepaald door de statuten. De statuten moeten dus de uitsluitingsgronden voor al de leden vermelden.

Voortaan kan over de uitsluiting van de leden enkel beslist worden door de algemene vergadering of de raad van bestuur. De statuten dienen één van beide organen aan te wijzen28. Het betrokken lid dient voorafgaandelijk uitgenodigd te worden om gehoord te worden door het bevoegde orgaan.

2. Het register van de leden en het inzagerecht (artikel 10 vzw-wet en artikel 22ter SW) Het register van de leden29 bevat voor elk lid een aantal verplichte vermeldingen. Het wordt door de raad van bestuur gehouden op de zetel van de vereniging.

Aangezien de kinderbijslagfondsen een vrij groot verloop van hun leden kennen en gelet op de voorziene sanctie30 ingeval van niet-naleving van de verplichting, wordt afgeweken van de korte termijn van 8 dagen bepaald in de vzw-wet, binnen welke het register moet aangepast worden bij de toetreding, uittreding of uitsluiting van een lid. De aanpassingstermijn wordt verlengd tot 30 dagen na de datum van inwerkingtreding van de toetreding, uittreding of uitsluiting.

De leden hebben een inzagerecht31 met betrekking tot het register van de leden, alsook met betrekking tot alle notulen en beslissingen van de algemene vergadering, de raad van bestuur, de personen die een mandaat bekleden (al dan niet met een bestuursfunctie) evenals met betrekking tot alle boekhoudkundige stukken. Indien de vereniging een commissaris32 heeft aangesteld geldt dit inzagerecht niet (artikel 10, tweede lid in fine, vzw-wet, zoals toegevoegd bij wet van 9 juli 2004).

3. De aanvullende bijdrage (artikel 94, § 8 SW) Voortaan mogen de statuten het maximumbedrag van de aanvullende bijdrage niet meer vaststellen. De aanvullende bijdrage dient immers het gehele tekort te dekken dat zou ontstaan door de ontoereikendheid van de administratieve reserve. Daartoe werd artikel 2, eerste lid, 8° vzw-wet niet toepasselijk gemaakt op de kinderbijslagfondsen. Tegelijk werd de berekeningswijze van de aanvullende bijdrage bepaald33.

D. De algemene vergadering

1. Aangelegenheden waarvoor een besluit van de algemene vergadering vereist is.

De noodzaak van een besluit van de algemene vergadering voor de oprichting van administratieve zetels en bijhuizen werd verankerd in artikel 22, § 2 SW. Voor het overige wordt verwezen naar voetnoot nr. 19.

2. De oproeping tot de algemene vergadering en de besluitvorming

a. De oproeping tot de algemene vergadering en de agenda

De raad van bestuur roept de algemene vergadering samen, onder meer wanneer ten minste 1/5 van de leden het vraagt (artikel 5 vzw-wet). Elk voorstel ondertekend door ten minste 1/20 van de leden wordt op de agenda gebracht (artikel 6, eerste lid vzw-wet).

De agenda wordt gevoegd bij de oproeping. Op de algemene vergadering kan er niet beslist worden over een punt dat niet op de agenda staat. De statuten kunnen evenwel afwijken van deze regel.

Zoals voorheen kan er niet besloten worden over een statutenwijziging indien de wijzigingen niet vermeld zijn in de oproeping die de agenda bevat (artikel 8, eerste lid vzw-wet). Hetzelfde geldt ingeval van ontbinding van de vereniging (artikel 20 vzw-wet)34. Er kan evenmin afgeweken worden van de agenda wanneer gebruik wordt gemaakt van de vrijstelling tot oproeping (zie punt b).

b. Wie wordt opgeroepen en op welke wijze gebeurt dit ?

Alle leden van de vereniging maken deel uit van de algemene vergadering en worden individueel opgeroepen tot de algemene vergadering. Voortaan moet dit ten minste 8 dagen op voorhand gebeuren. (artikel 6, eerste lid, vzw-wet).

Eerste uitzondering voor verenigingen die meer dan 2000 leden tellen (artikel 21, § 1 SW) De individuele oproeping van alle leden van de vereniging kan zoals voorheen vervangen worden door een oproeping in het Belgisch Staatsblad en in twee kranten die verschijnen in de provincie waar de zetel van de vereniging gevestigd is. In dit geval dient de oproeping ten minste 14 dagen op voorhand te gebeuren.

Tweede uitzondering voor de jaarlijkse gewone algemene vergadering (artikel 21, § 2 SW) Er hoeft voortaan zelfs geen oproeping te gebeuren voor de jaarlijkse gewone algemene vergadering, op voorwaarde dat de plaats en het tijdstip (vb. elke eerste donderdag van maand X op een bepaald uur) ervan bepaald is in de statuten.

Wanneer gebruik wordt gemaakt van de vrijstelling van oproeping kan er op de algemene vergadering in kwestie evenwel niet beslist worden over de wijziging van de statuten35 en evenmin over een punt dat niet op de agenda staat.

Aangezien de niet-oproeping betekent dat de agenda evenmin kenbaar wordt gemaakt, wordt voorzien dat de leden de agenda ten minste 14 dagen op voorhand kunnen bekomen36. De statuten dienen dus een termijn van 14 dagen (of meer) toe te kennen.

Elk kinderbijslagfonds heeft de keuze om al dan niet de vrijstelling tot oproeping op te nemen in zijn statuten37. Indien het kinderbijslagfonds ervoor kiest deze op te nemen, dient het ter informatie van de leden de volledige regel38 van de vrijstelling van de oproeping op te nemen in zijn statuten.

c. Stemrecht en besluitvorming in de algemene vergadering

i. Het stemrecht (artikel 7 vzw-wet en artikel 22bis, § 1 SW) Als algemene regel geldt dat elk lid van de vereniging over een stem in de algemene vergadering beschikt. De statuten kunnen hiervan evenwel afwijken. Zij kunnen voortaan onder de volgende voorwaarden een meervoudig stemrecht toekennen aan de aangesl oten werkgevers39: - per 50 rechthebbenden of meer, uit hoofde waarvan op 31 december van het laatst afgesloten dienstjaar effectief kinderbijslag verschuldigd was, kan één bijkomende stem toegekend worden, met een maximum van 24 bijkomende stemmen per aangesloten werkgever; - het kinderbijslagfonds mag hierbij geen onderscheid maken tussen de bij haar aangesloten werkgevers.

Wanneer een kinderbijslagfonds in de statuten bepaalt dat één bijkomende stem wordt toegekend per 100 rechthebbenden met een maximum van 19 bijkomende stemmen dient dit bijgevolg te gelden voor alle bij haar aangesloten werkgevers.

De kinderbijslagfondsen wier statuten momenteel voorzien in een meervoudig stemrecht dat niet in overeenstemming is met de nieuwe regels dienen hun statuten ter zake aan te passen40.

ii. De volmachtregeling (artikel 6, tweede lid vzw-wet en artikel 22bis, § 2 SW) Elk lid kan zich laten vertegenwoordigen op de algemene vergadering. In artikel 22bis, § 2 SW wordt gepreciseerd dat het moet gaan om een schriftelijke volmacht en dat deze (enkel) kan gegeven worden aan een ander lid. Het aantal volmachten per lid wordt beperkt tot 5.

De kinderbijslagfondsen wier statuten momenteel voorzien in een volmachtregeling die niet in overeenstemming is met de nieuwe regels dienen hun statuten ter zake aan te passen41.

iii. Het aanwezigheidsquorum (artikelen 8, eerste en vierde lid, en 20 vzw-wet) Zoals voorheen is een aanwezigheidsquorum van ten minste 2/3 vereist voor de wijziging van de statuten en de ontbinding van de vereniging. De vzw-wet preciseert dat ook moet rekening gehouden worden met het aantal vertegenwoordigde leden. Indien het quorum niet bereikt wordt dient een tweede algemene vergadering bijeengeroepen te worden die kan beslissen ongeacht het aantal aanwezige of vertegenwoordigde leden42. Deze tweede algemene vergadering mag niet binnen de 15 erop volgende dagen worden gehouden en haar beslissing dient niet meer gehomologeerd te worden door de rechtbank.

Zoals voorheen is dit aanwezigheidsquorum niet vereist voor een statutenwijziging indien het een vereniging betreft die meer dan 500 leden telt (artikel 22, § 1 SW43).

iv. De bijzondere meerderheden (artikelen 8, tweede lid, en 20 vzw-wet) In algemene regel volstaat een gewone meerderheid van de stemmen van de aanwezige of vertegenwoordigde leden doch de statuten kunnen hiervan afwijken. In de hierna volgende gevallen is alleszins een bijzondere meerderheid vereist : - 2/3 van de stemmen blijft vereist voor de wijziging van de statuten; - 4/5 van de stemmen is voortaan vereist in geval van ontbinding44 van de vereniging45.

E. De raad van bestuur

Artikel 13 vzw-wet werd grondig gewijzigd.

1. Samenstelling De raad van bestuur bestaat uit ten minste 3 personen46. Het aantal bestuurders moet altijd lager zijn dan het aantal personen dat lid is van de vereniging.

2. Bevoegdheden De raad van bestuur bestuurt de vereniging en vertegenwoordigt ze in en buiten rechte. Daarenboven heeft hij alle bevoegdheden die de wet niet uitdrukkelijk toekent aan de algemene vergadering. De statuten kunnen de bevoegdheden van de raad van bestuur beperken, doch dit is niet tegenstelbaar aan derden.

F. De vertegenwoordiging en het dagelijks bestuur (artikelen 13, vierde lid en 13bis vzw-wet)

De vzw-wet handelt nu ook over het orgaan van vertegenwoordiging, alsook over het orgaan van dagelijks bestuur. De statuten kunnen de vertegenwoordiging in en buiten rechte van de vereniging opdragen aan een of meer personen al dan niet bestuurder of lid van de vereniging. Dezelfde regel geldt voor het dagelijks bestuur van de vereniging en de vertegenwoordiging met betrekking tot dit bestuur. Deze delegaties zijn in algemene regel tegenstelbaar aan derden overeenkomstig de voorschriften van artikel 26novies, § 3 vzw-wet.

G. De openbaarmakingsformaliteiten (art. 26novies, vzw-wet en art. 22quater SW)

1. De neerlegging van het dossier ter griffie van de rechtbank van koophandel Artikel 26novies, §1 vzw-wet somt de documenten op die deel uitmaken van het dossier dat elke vereniging moet neerleggen ter griffie. Het gaat onder meer om de statuten en het register der leden.

Wat de neerlegging van de statuten betreft gaat het om de initiële tekst, alsook om de wijzigingen die naderhand worden aangebracht en vergezeld moeten zijn van de gecoördineerde tekst van de statuten na de wijziging. Wat het register van de leden betreft, gaat het om de kopie van het register gehouden op de zetel van de vereniging. In tegenstelling tot het originele register dient dit register slechts jaarlijks bijgewerkt te worden (binnen de maand te rekenen vanaf de verjaardag van de neerlegging).

2. De publicatie in de bijlagen van het Belgisch Staatsblad Voor het merendeel van de dossierstukken volstaat de neerlegging ter griffie niet. Overeenkomstig artikel 26novies, § 2 vzw-wet moeten zij tevens in uittreksel gepubliceerd worden in de bijlagen van het Belgisch Staatsblad.

Voor de kinderbijslagfondsen wordt evenwel voorzien in een uitzondering voor wat de statutenwijzigingen betreft. Gelet op de publicatie in het Belgisch Staatsblad van het koninklijk besluit houdende goedkeuring van de statutenwijziging met als bijlage de statutenwijziging, dienen de wijzigingen aangebracht aan de statuten niet gepubliceerd te worden in de bijlagen van het Belgisch Staatsblad.

De stukken die openbaar moeten gemaakt worden zijn tegenstelbaar aan derden vanaf de datum van neerlegging van het dossier indien de neerlegging volstaat, of vanaf de datum van publicatie in de bijlagen van het Belgisch Staatsblad indien ook de publicatie vereist is. Voor de kinderbijslagfondsen wordt evenwel een uitzondering gemaakt voor wat de statutenwijzingen betreft : deze zijn tegenstelbaar aan derden vanaf de datum van publicatie van het goedkeuringsbesluit in het Belgisch Staatsblad.

H. De ontbinding en de vereffening van de vereniging (artikel 22 vzw-wet)

De regels op het vlak van de oproeping en de besluitvorming die gelden wanneer de algemene vergadering beslist tot de ontbinding van de vereniging kwamen hierboven reeds aan bod.

De algemene vergadering die tot de ontbinding beslist benoemt tegelijkertijd een of meer vereffenaars en bepaalt hun bevoegdheid en desgevallend hun bezoldiging, bij ontstentenis van een statutaire bepaling die dit regelt. De bestemming van het actief wordt bij ontstentenis van een statutaire bepaling bepaald door de algemene vergadering47. De bestemming dient zo veel mogelijk overeen te komen met het doel waarvoor de vereniging is opgericht.

  • 1. Wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen.
  • 2. BS van 11 december 2002. De vzw-wet werd naderhand nog gewijzigd door de wetten van 16 januari 2003 (rechtbank van koophandel wordt bevoegd), 22 december 2003 (artikel 2, eerste lid, 1° vzw-wet), 9 juli 2004 (artikelen 2, eerste lid, 7°, d, 10, tweede lid en 17 vzw-wet), en 27 december 2004 (artikelen 16 en 17 vzw-wet).
  • 3. De bepalingen waarvoor uitstel werd verleend worden opgesomd in het KB van 2 april 2003 (artikelen 5, 6 en 7). Het uitstel geldt niet voor de bepalingen inzake de algemene vergadering, de aansprakelijkheden, de verplichte vermeldingen op benoemingsakten en dergelijke, en de ontbinding van de vereniging.
  • 4. KB van 8 december 2004 houdende wijziging van het KB van 2 april 2003 (BS van 15 december 2004).
  • 5. Gelet op het groot aantal dossiers dat in een beperkte tijdspanne dient onderzocht te worden. Ingeval de statuten verplicht in het Nederlands en het Frans opgesteld zijn, dient de presentatie te gebeuren in twee kolommen, de Nederlandse tekst in de linkerkolom, de Franse in de rechterkolom.
  • 6. Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid, Directie-generaal Sociaal Beleid, Domein Regelgeving, Cel Kinderbijslag, Zwarte Lievevrouwstraat 3c, 1000 Brussel, e-mailadres : kinderbijslag.allocationsfamiliales@minsoc.fed.be. N.B. : vanaf 31 maart 2005 geldt het volgende adres : Victor Hortaplein 40, bus 20, 1060 Brussel.
  • 7. Rijksdienst voor kinderbijslag voor werknemers, Departement Controle, Administratieve Controle, Trierstraat 70, 1000 Brussel, e-mail adres : dir.ctrl@rkw-onafts.fgov.be.
  • 8. Ingeval van toepassing van artikel 8, vierde lid vzw-wet, dienen ook de documenten inzake de tweede algemene vergadering toegevoegd te worden.
  • 9. Bij latere statutenwijzigingen (vanaf 1 januari 2006) dient daarenboven telkens de gecoördineerde tekst van de op dat ogenblik bestaande statuten toegevoegd te worden. De kinderbijslagfondsen beschikken namelijk over deze tekst (zie artikel 26novies, § 1, tweede lid, 7°, vzw-wet).
  • 10. Zie voetnoot nr. 3.
  • 11. Sommige nieuwe bepalingen van de samengeordende wetten houden immers verband met de publicatie van de statutenwijziging of met een bepaling uit de vzw-wet waarvoor uitstel verleend werd of vereisen een statutaire clausule. In afwachting van de statutenwijziging zijn zij momenteel niet van belang.
  • 12. De artikelen 20, 22, § 2, 38, § 2, en 94, § 8 SW zijn daadwerkelijk van toepassing vanaf die datum. Wat artikel 22bis SW betreft zal een retroactieve wettelijke bepaling genomen worden die toelaat dat de algemene vergadering van de betrokken kinderbijslagfondsen beslist over de komende statutenwijziging met toepassing van de bestaande statutaire regels op het vlak van het meervoudig stemrecht en de volmachten.
  • 13. Wanneer de statuten in het Nederlands en het Frans moeten opgesteld worden en de vereniging de naam in de beide talen opneemt in de statuten kan dit (voor wat de Nederlandse tekst betreft) als volgt gebeuren : " De vereniging draagt de naam "..." vereniging zonder winstoogmerk, in het Frans "...", association sans but lucratif.
  • 14. Overeenkomstig artikel 23, eerste lid, 1° SW mogen de kinderbijslagfondsen enkel en alleen de uitbetaling van de kinderbijslag, het kraamgeld en de adoptiepremie tot doel hebben. Dit betekent dat zij geen activiteiten mogen hebben die slechts onrechtstreeks verband houden met hun wettelijk doel. Wat de verwerving van onroerende goederen en het gebruik van tegoeden en beschikbare gelden betreft, is artikel 170bis SW van toepassing.
  • 15. De vzw-wet maakt thans een onderscheid tussen Belgische verenigingen welke hun zetel in België hebben en onderworpen zijn aan de vzw-wet, en buitenlandse verenigingen welke opgericht zijn in het buitenland volgens de buitenlandse wet en slechts onderworpen zijn aan enige Belgische regels hoofdzakelijk inzake openbaarmaking, wegens het openen van een centrum van werkzaamheden in België (artikel 26octies vzw-wet). Bijgevolg werd ook artikel 20, eerste lid SW aangepast.
  • 16. Daarenboven moeten bepaalde gegevens vermeld worden inzake de stichters.
  • 17. Zie artikel 23, eerste lid, 3° SW.
  • 18. Zie artikel 16 SW.
  • 19. Zie artikel 4 vzw-wet (exclusief 8°). Tevens dient rekening gehouden te worden met de artikelen 22, § 2 en 38, § 2, eerste lid SW (zie infra sub D1 en C1), alsmede met de bevoegdheden op het vlak van de ontbinding en de vereffening van de vereniging (zie infra sub H).
  • 20. De zaken die dienen opgenomen te worden overeenkomstig de samengeordende wetten zijn deze waarvoor in een voetnoot het desbetreffende artikel wordt opgenomen.
  • 21. Artikel 23, eerste lid, 2° SW.
  • 22. Voor alle leden moeten de uitsluitingsgronden vermeld worden in de statuten (artikel 38, § 2 SW).
  • 23. Zie infra, sub D.2.b.
  • 24. Met opname van een regel voor de onthoudingen en blancostemmen, en in geval van staking van stemmen.
  • 25. Voorheen ging het om artikel 12, eerste lid en de eerste zin van het tweede lid vzw-wet.
  • 26. Deze bepalingen bestonden reeds, doch werden beter geformuleerd. Dit geldt ook voor § 2 (behalve voor de tweede zin van het eerste lid).
  • 27. Deze specifieke uitsluitingsgrond geldt enkel voor de leden die de hoedanigheid hebben van aangesloten werkgever.
  • 28. De nieuwe regel is soepeler dan de regel uit de vzw-wet die een beslissing van de algemene vergadering vereist genomen met een meerderheid van 2/3 van de stemmen.
  • 29. Het register van de leden vervangt de vroegere ledenlijst.
  • 30. Zie artikel 26 vzw-wet.
  • 31. Volgens de inlichtingen ingewonnen bij de FOD Justitie worden de modaliteiten van dit inzagerecht niet vastgesteld bij KB voor wat de effectieve leden betreft. De kinderbijslagfondsen mogen de modaliteiten ervan zelf bepalen in hun statuten.
  • 32. Zie artikel 17, § 5, eerste lid vzw-wet dat de verplichting om een commissaris aan te stellen afhankelijk maakt van het aantal werknemers dat de vereniging tewerkstelt.
  • 33. Op grond hiervan betaalt elke aangesloten werkgever per rechthebbende, uit wiens hoofde op 31 december van het laatst afgesloten dienstjaar effectief kinderbijslag verschuldigd was, eenzelfde aandeel in het totale bedrag van het tekort.
  • 34. Het gaat hier dus om de aangelegenheden waarvoor de vzw-wet een bijzondere meerderheid vereist.
  • 35. De kinderbijslagfondsen zouden desgewenst ook kunnen voorzien in hun statuten dat de vrijstelling evenmin mogelijk is wanneer beslist wordt over de ontbinding van de vereniging.
  • 36. De leden hebben dit recht ongeacht of er voor de betrokken jaarvergadering al dan niet gebruik kan worden gemaakt van de statutair voorziene vrijstelling van oproeping. Zij hebben hiervan op voorhand immers geen kennis.
  • 37. Wanneer de statuten niet voorzien in de vrijstelling tot oproeping voor de jaarvergadering bevindt men zich buiten de context van artikel 21, § 2 SW en geldt de algemene regel (oproeping met kennisgeving van de agenda ten minste 8 dagen op voorhand, of desgevallend publicatie in het Belgisch Staatsblad en 2 dagbladen ten minste 14 dagen op voorhand).
  • 38. Plaats en tijdstip van de jaarvergaderingen, tijdstip vanaf wanneer de leden de agenda kunnen bekomen op hun aanvraag, en de aangelegenheden waarover niet kan beslist worden wanneer gebruik wordt gemaakt van de vrijstelling van oproeping.
  • 39. Indien een kinderbijslagfonds enige leden zou tellen die niet de hoedanigheid van aangesloten werkgever hebben, beschikken deze elk over één enkele stem in de algemene vergadering.
  • 40. Zie ook voetnoot nr. 12.
  • 41. Idem.
  • 42. Doch met dezelfde meerderheid van stemmen als deze vereist voor de eerste algemene vergadering.
  • 43. In artikel 22, § 1 SW wordt, naar analogie met artikel 21, § 1 SW benadrukt dat alle leden van de vereniging deel uitmaken van de algemene vergadering.
  • 44. In plaats van een 2/3 meerderheid.
  • 45. Artikel 23, eerste lid, 1° SW bepaalt het doel van de kinderbijslagfondsen. Dit doel zou slecht uitzonderlijk kunnen gewijzigd worden, binnen het strikte kader van voormeld artikel.
  • 46. Gelet op artikel 23, eerste lid, 3° SW is de hypothese van slechts 2 bestuurders niet mogelijk.
  • 47. En zo niet door de vereffenaars.
Top