Vlaanderen

MO 588 van 17 maart 2005 - Programmawet van 27 december 2004 - Nieuwe toekenningsvoorwaarden voor bestaande rechten en nieuwe rechten op gezinsbijslag

De programmawet van 27 december 2004 werd bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 31 december 2004. De artikelen 12 en 22 tot 48 van deze wet hebben betrekking op de sector van de kinderbijslag voor werknemers.

De bepalingen die betrekking hebben op technische, organisatorische of financ iële maatregelen, in het bijzonder deze aangaande de statuten van de vrije kinderbijslagfondsen, maken het voorwerp uit van de ministeriële omzendbrief nr 588bis1.

In de huidige omzendbrief wordt toelichting gegeven bij de artikelen 12, 34 tot 42 en 44 tot 46 van de programmawet, welke betrekking hebben op nieuwe toekenningsvoorwaarden voor bestaande rechten en nieuwe rechten op gezinsbijslag (zie wettekst als bijlage).

1. Gelijkgestelde situaties (artikel 12 van de programmawet - wijziging van artikel 53 van de samengeordende wetten)

Artikel 53 S.W. wordt op twee punten gewijzigd.

Eerst en vooral, om te beantwoorden aan de terminologie die tegenwoordig van toepassing is in het kader van de DMFA-wetgeving, vermeldt artikel 53 " adoptieverlof" voortaan zonder verdere verwijzing naar de wetgevingen die dit recht doen ontstaan.

Vervolgens maakt de wettekst voortaan een onderscheid tussen het "gewone" vaderschapsverlof dat de vader toelaat om gedurende 10 dagen op het werk afwezig te zijn, te nemen binnen de 30 dagen die volgen op de bevalling, en het vaderschapsverlof specifiek voor de situaties waarin de moeder is overleden of in het ziekenhuis is opgenomen, wat een gedeeltelijke omzetting inhoudt van de postnatale rustperiode.

Deze wetswijziging heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2003.

Deze terugwerkende kracht kan enkel weerslag hebben op het vlak van het vaderschapsverlof naar aanleiding van het overlijden of de opname in het ziekenhuis van de moeder. Omwille van het grote aantal mogelijke gronden voor de opening van het recht2 en omwille van de trimestrialisering van het recht, kan men aannemen dat geen enkel nieuw effectief recht op kinderbijslag voortvloeit uit de wetswijziging met terugwerkende kracht. Bijgevolg moeten de dossiers enkel herzien worden wanneer daarom gevraagd wordt.

2. Gevolgen van een feitelijke scheiding van echtgenoten (artikelen 34 tot 38 van de programmawet - wijziging van de artikelen 56bis, 56quater, 56quinquies en 56sexies S.W.)

2.1. In toepassing van de samengeordende wetten, heeft het (opnieuw) huwen van de overlevende ouder of van de overlevende echtgenoot het verlies van rechten tot gevolg:

- voor de wees van een werknemer (art. 56bis S.W.), evenals voor de wees van een gehandicapte rechthebbende (art. 56quinquies S.W.): het verlies van de verhoogde wezenbijslag;

- voor de gerechtigde op een overlevingspensioen (art. 56quater S.W.): het verlies van de hoedanigheid van rechthebbende;

- voor de overlevende echtgenoot van een rechthebbende die het recht opent krachtens artikel 56sexies S.W.: het verlies van de hoedanigheid van rechthebbende.

De aldus verloren rechten werden echter hersteld wanneer het (nieuwe) huwelijk werd ontbonden of, voor dit tijdstip, wanneer een rechter een afzonderlijke verblijfplaats toewees aan de echtgenoten in het raam van een procedure tot echtscheiding.

Het Arbitragehof heeft geoordeeld dat de (opnieuw) gehuwde koppels gediscrimineerd werden, aangezien voor de ongehuwde personen die een feitelijk gezin vormen een gewone scheiding volstond om de verloren rechten te herstellen.

De programmawet bepaalt bijgevolg dat voortaan het herstel van de verloren rechten naar aanleiding van een (nieuw) huwelijk of de vorming van een feitelijk gezin, geschiedt op het ogenblik van de scheiding, wanneer deze wordt vastgesteld aan de hand van afzonderlijke woonplaatsen of, minstens, aan de hand van officiële bewijzen die aantonen dat er afzonderlijke verblijfplaatsen zijn3.

Deze wetswijzigingen hebben uitwerking met ingang van 1 oktober 1999.

Omwille van deze terugwerkende kracht wordt aan de instellingen gevraagd om de actieve dossiers van wezen (verhoogde en gewone bijslag) en gerechtigden op een overlevingspensioen ambtshalve opnieuw te onderzoeken. Wanneer aan de kinderbijslaginstelling gemelde feitelijke scheidingen worden gestaafd met afzonderlijke woonplaatsen van de echtgenoten, dient de betaling van de verschuldigde kinderbijslag ambtshalve te worden geregulariseerd (verschil met de verhoogde wezenbijslag of kinderbijslag uit hoofde van de gerechtigde op een overlevingspensioen).

De kinderbijslaginstellingen moeten de gevallen proactief opsporen aan de hand van alle informatie waarover ze beschikken (gegevensbanken van de instelling, Rijksregister, ?).

In de andere gevallen moet een aanvraag4 tot regularisatie worden ingediend.

2.2. De vermelde wetswijzigingen hebben ook gevolgen op het vlak van de toekenning van de sociale bijslagen5.

In geval van scheiding van de bijslagtrekkende en de rechthebbende6, zijn de sociale bijslagen hoe dan ook niet langer verschuldigd in geval van een (nieuw) huwelijk van de bijslagtrekkende of in geval van de vorming van een feitelijk gezin door de bijslagtrekkende. De sociale bijslagen zullen voortaan, wanneer aan alle andere voorwaarden is voldaan, kunnen worden toegekend vanaf het ogenblik van de scheiding van de bijslagtrekkende, van zijn nieuwe echtgenoot of partner, wanneer deze scheiding wordt gestaafd door afzonderlijke woonplaatsen of, ten minste, door officiële bewijzen van het bestaan van afzonderlijke verblijfplaatsen.

Deze nieuwe interpretatie van het koninklijk besluit van 26 oktober 2004 heeft onmiddellijk uitwerking. Voor het verleden kunnen er enkel op aanvraag regularisaties worden doorgevoerd.

3. Opening van het recht door een gerechtigde op een overlevingspensioen, naar aanleiding van een plaatsing van het kind in een instelling (artikelen 39 en 46 van de programmawet - wijziging van artikel 56quater S.W.).

Om het recht op kinderbijslag te openen, moet de gerechtigde op een overlevingspensioen, als algemene voorwaarde, het kind in zijn gezin hebben.

Door deze nieuwe wet kan de gerechtigde op een overlevingspensioen voortaan ook het recht openen wanneer het kind in een instelling wordt geplaatst op voorwaarde dat dit kind onmiddellijk voor de plaatsing deel uitmaakte van het gezin van de gerechtigde op een overlevingspensioen.

Deze wetswijziging is in werking getreden op 1 januari 2005. Betalingen van kinderbijslag kunnen op basis van de nieuwe wet dus ten vroegste hervat worden vanaf de maand januari 2005. De plaatsing kan evenwel gebeurd zijn voor 1 januari 2005.

Enkel voor de plaatsingen die gebeurd zijn vanaf 1 januari 2005 worden deze dossiers ambtshalve geregulariseerd. Met andere woorden, voor de opening van het recht uit hoofde van een overlevingsgepensioneerde, vanaf 1 januari 2005, ten voordele van een kind geplaatst voor 1 januari 2005, moet er een aanvraag worden ingediend.

4. Opening van het recht door jongeren verbonden door een overeenkomst voor beroepsopleiding in een onderneming (artikelen 41 en 46 van de programmawet - invoeging van een artikel 56duodecies in de samengeordende wetten).

De jongeren die een beroepsopleiding in een onderneming volgden, georganiseerd door een Gemeenschap of een Gewest, openden op basis hiervan geen recht op kinderbijslag ten voordele van hun kinderen. Bovendien, aangezien ze niet onderworpen zijn aan de socialezekerheidsregeling, kunnen ze strikt genomen als werknemers geen recht op kinderbijslag openen.

Deze situatie was problematisch in die zin dat de financiële voordelen die voortvloeien uit een dergelijke opleiding daarentegen wel in aanmerking dienen te worden genomen in het kader van de bepaling van de inkomsten van het gezin die een invloed hebben op de toekenning van een sociale bijslag7, evenals om te bepalen of het bedrag van het loon toegelaten in hoofde van een rechtgevend kind al dan niet overschreden is8.

Omwille van de coherentie openen deze jongeren voortaan een recht op kinderbijslag wanneer ze verbonden zijn door een overeenkomst voor beroepsopleiding in een onderneming, zoals gereglementeerd door de gemeenschappen en de gewesten.

Het bestaan van een overeenkomst voor beroepsopleiding wordt gestaafd door overlegging van de overeenkomst of een attest van de werkgever. Ter informatie, deze overeenkomst is het voorwerp van een RIP-boodschap, maar niet van een DMFA-boodschap.

Dit recht is evenwel residueel. Er mag meerbepaald geen enkel concurrerend recht bestaan, hetzij uit hoofde van de jongere9 zelf, hetzij uit hoofde van een andere persoon, in de regeling voor werknemers of in de regeling voor zelfstandigen.

De uitbetaling van de kinderbijslag voor werknemers in beroepsopleiding behoort tot de residuele bevoegdheid van de Rijksdienst voor kinderbijslag voor werknemers (artikel 101, derde lid, 1°, S.W.).

Deze wetswijziging heeft uitwerking met ingang van 1 oktober 1999.

Rekening houdend met deze terugwerkende kracht en omwille van de technische moeilijkheden die een ambtshalve herziening van alle kinderbijslagdossiers met zich mee zou brengen, dient de vaststelling van nieuwe rechten op kinderbijslag op basis van de hoedanigheid van jongere die een door een Gemeenschap of een Gewest gereglementeerde opleiding volgt, aangevraagd10 te worden.

5. Bijslagtrekkend rechtgevend kind (artikelen 42 en 46 van de programmawet - wijziging van artikel 69 S.W.).

Tot nu toe konden kinderen ouder dan 16 jaar en ontvoogde kinderen ontvanger zijn van de hun verschuldigde bijslagen wanneer ze een andere woonplaats hadden dan elke persoon die geacht kon worden hen op te voeden.

De programmawet voorziet in een versoepeling, in die zin dat bij gebrek aan een andere woonplaats van het kind, een afzonderlijke verblijfplaats bewezen aan de hand van officiële documenten11 volstaat om het kind de hoedanigheid van bijslagtrekkende toe te kennen.

Er dient opgemerkt te worden dat een dergelijke versoepeling reeds voorzien was in het kader van artikel 42 S.W. (groepering van de kinderen opgevoed door meerdere bijslagtrekkenden), en bij artikel 51, § 3, tweede lid, S.W. (opening van het recht omwille van het bestaan van een feitelijk gezin). Deze wetswijziging is in werking getreden op 1 januari 2005.

6. Bijzondere categorieën waarvoor de Rijksdienst uitbetaalt

6.1. Het herziene Europees Sociaal Handvest12 (artikelen 40, 45 en 46 van de programmawet - wijziging van respectievelijk artikel 56sexies S.W. en artikel 1 van de wet van 20 juli 1971 tot instelling van gewaarborgde gezinsbijslag).

Voortaan wordt voor de opening van het recht in de hoedanigheid van student (art. 56sexies S.W.), evenals voor de toekenning van de gewaarborgde gezinsbijslag, niet langer van de aanvrager geëist dat hij voorafgaandelijk aan zijn aanvraag gedurende vijf jaar in België heeft verbleven, wanneer hij onderdaan is van een Staat die het herziene Europees Sociaal Handvest heeft ondertekend, de nieuwe internationale norm naast het Europees Sociaal Handvest.

Deze wetswijziging is in werking getreden op 1 januari 2005.

6.2. Toekenningssituaties naar aanleiding van een tewerkstelling als huispersoneel: (artikelen 44 en 46 van de programmawet - wijziging van artikel 102 S.W.).

Het recht op kinderbijslag geopend uit hoofde van personen die werken als huispersoneel is residueel. Dit recht vervalt wanneer er een Belgisch of buitenlands recht is, of wanneer er een recht is vastgesteld door een internationale instelling.

De wet zei echter niets over het al dan niet residueel karakter van het recht op kinderbijslag in geval van een gelijkgestelde situatie of een toekenningssituatie naar aanleiding van een dergelijke tewerkstelling.

Deze leemte wordt nu opgevuld : voortaan geven de gelijkgestelde situaties en de toekenningssituaties bedoeld in artikelen 56, 56octies, 56novies, 56decies en 57 S.W., naar aanleiding van een tewerkstelling als huispersoneel, volgens de wet aanleiding tot het ontstaan van een residueel recht. Dit residueel karakter heeft echter geen betrekking op de rechten vastgesteld op basis van artikelen 56bis en 56quater S.W.

Deze wetswijziging is in werking getreden op 1 januari 2005.

Ik vraag u deze omzendbrief ter kennis te brengen van uw uitvoeringsdiensten en desgevallend mee te delen aan de openbare instellingen, welke onder uw voogdij staan en welke zelf de kinderbijslag uitbetalen aan hun personeel.

  • 1. Deze omzendbrief wordt medegedeeld aan de instellingen die de gezinsbijslag in de regeling werknemers uitbetalen.
  • 2. Bijvoorbeeld: effectieve werkhervatting door de vader ondanks de omstandigheden, het nemen van betaalde vakantiedagen, het nemen van onbetaalde vakantie om dringende familiale redenen.
  • 3. Officiële documenten die momenteel zijn toegelaten om, met name, over te gaan tot de groepering van kinderen die worden opgevoed door personen die een feitelijk gezin vormen, maar niet allemaal dezelfde woonplaats hebben (cf. CO 1324 en rondschrijven van de RKW 996/15).
  • 4. De datum van bekendmaking in het Staatsblad, 31.12.2004, is bepalend voor de toepassing van artikel 120 van de samengeordende wetten; verjaring op 1 januari 2010 voor de rechten met betrekking tot de periode van 01.10.1999 tot 31.12.2004.
  • 5. Koninklijk besluit van 26 oktober 2004 houdende uitvoering van de artikelen 42bis en 56, § 2 van de samengeordende wetten.
  • 6. Rechthebbende die gescheiden leeft van de bijslagtrekkende echtgenoot of ex-echtgenoot evenals een rechthebbende/ouder die gescheiden leeft van de bijslagtrekkende/andere ouder.
  • 7. Indien het gaat om een productiviteitspremie die als loon in aanmerking wordt genomen en, in de andere gevallen, die in aanmerking wordt genomen als een vervangingsinkomen, cf. rondschrijven van de RKW II/A/996/39/agy van 20 oktober 2003.
  • 8. Indien het gaat om een productiviteitspremie, zoals een loon, cf. voornoemde richtlijn.
  • 9. Met name indien hij niet-uitkeringsgerechtigd werkloos is na de voltooiing van de wachttijd en een beroepsopleiding in een onderneming volgt.
  • 10. De datum van bekendmaking in het Staatsblad, 31.12.2004, is bepalend voor de toepassing van artikel 120 van de samengeordende wetten; verjaring op 1 januari 2010 voor de rechten met betrekking tot de periode van 01.10.1999 tot 31.12.2004.
  • 11. Officiële documenten die momenteel zijn toegelaten om, met name, over te gaan tot de groepering van kinderen die worden opgevoed door personen die een feitelijk gezin vormen, maar niet allemaal dezelfde woonplaats hebben (cf. CO 1324 en rondschrijven van de RKW 996/15).
  • 12. Staten die geen lid zijn van de EER die het Europees Sociaal Handvest en/of het (Herziene) Europees Sociaal Handvest hebben geratificeerd. Situatie op 1 november 2004: - Europees Sociaal handvest: Kroatië (ratificatie op 26/02/2003) en Turkije; - (Herziene) Europees Sociaal Handvest: Albanië, Armenië, Azerbeidzjan, Bulgarije, Moldavië en Roemenië.
Top