Vlaanderen

MO 602 van 12 maart 2008 - Recht op wezenbijslag

De wet van 27 december 2005 houdende diverse bepalingen (artikelen 147, 148, 149 en 151), bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 30 december 2005, heeft verschillende wijzigingen aangebracht in de samengeordende wetten, wat betreft het recht op wezenbijslag. Een koninklijk besluit moest nog de datum van inwerkingtreding van deze wijzigingen bepalen.

Dit koninklijk besluit werd op 14 juni 2007 genomen1 en werd bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 4 juli 2007.

In het verlengde van deze wetswijzigingen werden ook twee andere koninklijke besluiten in het Belgisch Staatsblad van 4 juli 2007 bekendgemaakt:

  • het koninklijk besluit van 14 juni 2007 tot wijziging van het koninklijk besluit van 25 april 1997 tot uitvoering van artikel 71, § 1bis, van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders;
  • het koninklijk besluit van 14 juni 2007 tot wijziging van het koninklijk besluit van 25 oktober 1971 tot uitvoering van de wet van 20 juli 1971 tot instelling van gewaarborgde gezinsbijslag.

U vindt hierna een commentaar van de nieuwe wets- en reglementaire bepalingen waarvan de tekst in bijlage is gevoegd.

1. Verruiming van de mogelijkheden om aanspraak te maken op wezenbijslag

1.1. Recht op wezenbijslag in het algemeen (artikel 56bis, § 1 S.W.)

Tot de datum van inwerkingtreding van de nieuwe bepalingen, namelijk 1 oktober 2007 (zie punt 6 verder), kon het recht op wezenbijslag bepaald in artikel 56bis van de samengeordende wetten worden vastgesteld indien, bij het overlijden van een van de ouders van het kind, de vader of de moeder de voorwaarden vervulde om aanspraak te maken op ten minste zes maandelijkse forfaitaire bijslagen in het jaar dat aan het overlijden voorafging. Er werd met andere woorden enkel rekening gehouden met de loopbaan2 van de vader of van de moeder voor het ontstaan van het recht ten gunste van de wees.

Het feit dat geen rekening kon worden gehouden met de loopbaan van een andere rechthebbende werd door het Arbitragehof in een arrest van 10 december 20033 beschouwd als strijdig met het gelijkheidsprincipe. Om gevolg te geven aan dit arrest heeft de wetgever beslist artikel 56bis S.W. te wijzigen.

De loopbaanvoorwaarde4 bepaald in artikel 56bis S.W. kan voortaan worden vervuld door iedere persoon die het recht op kinderbijslag ten gunste van het kind in de werknemersregeling kan doen ontstaan.

Het gaat dus om de rechthebbenden die de vereiste band met het rechtgevend kind hebben, zoals bedoeld in artikel 51, § 3, van de samengeordende we tten (onder andere, behalve de ouders, de schoonouders, de pleegouders, de pleegvoogden, de grootouders, de overgrootouders, ooms en tantes, broers en zusters,.), en om de personen die wegens een individuele of algemene afwijking toegekend overeenkomstig artikel 51, § 4, van dezelfde wetten rechthebbenden ten gunste van het rechtgevend kind worden.

Voorbeelden

  • Een huishouden bestaat uit ouders zonder activiteit of statuut die/dat een recht op kinderbijslag doet ontstaan, en een kind. De oudere broer van dit kind woont niet samen met dit huishouden en oefent een loontrekkende activiteit uit. De vader overlijdt. Een recht op verhoogde wezenbijslag zal kunnen worden vastgesteld op basis van de loopbaan van de loontrekkende broer buiten het huishouden.
  • Een huishouden is samengesteld uit een werknemer, zijn echtgenote en een 15-jarig kind dat de neef is van deze werknemer. Een recht op kinderbijslag bestaat ten gunste van dit kind bij toepassing van een algemene afwijking (MO nr. 599). De natuurlijke vader heeft het kind niet erkend. De moeder buiten het huishouden, zonder activiteit of statuut die/dat een recht op kinderbijslag doet ontstaan, overlijdt. Een recht op verhoogde wezenbijslag zal kunnen worden vastgesteld op grond van de loopbaan van de neef van het kind. Indien dit kind het huishouden van zijn neef verlaat, zal het recht op wezenbijslag worden behouden.

Opmerkingen over de loopbaanvoorwaarde

Voor de berekening van de zes maandelijkse forfaitaire bijslagen moeten de volgende principes worden toegepast.

1° Principe van de trimestrialisering

De zes forfaitaire bijslagen kunnen worden bekomen door middel van de trimestrialisering. In bepaalde situaties zal de loopbaanvoorwaarde aldus kunnen worden vervuld niettegenstaande de rechthebbende niet daadwerkelijk deel uitmaakt van het huishouden van het kind.

Voorbeeld

Sedert zijn geboorte en tot 31 december 2006 woont het kind samen met zijn moeder (zonder activiteit), zijn stiefvader (zelfstandige) en zijn grootouders (allebei werknemers). De vader heeft geen activiteit of statuut die/dat een recht op kinderbijslag doet ontstaan. Op 1 januari 2007 verlaten de moeder, de stiefvader en het kind het huishouden van de grootouders. De moeder overlijdt op 5 oktober 2007. De grootvader (ouder dan de moeder) vervult de voorwaarden om aanspraak te maken op ten minste zes maandelijkse forfaitaire bijslagen.

2° Toepassing van artikel 48 S.W.

Ook de regels van artikel 48 S.W. moeten worden toegepast voor de berekening van de zes forfaitaire bijslagen.

Voorbeeld

Een kind trekt in bij zijn grootvader (werknemer) op 1 januari 2007 en verlaat het huishouden op 20 januari 2007. De toekenning van de forfaitaire bijslag gaat in op 1 februari 2007 en, door de trimestrialisering, loopt af op 30 juni 2007. De moeder van het kind overlijdt op 31 december 2007. De enige persoon met een loopbaan is de grootvader. Enkel vijf maandelijkse bijslagen kunnen worden toegekend in zijn hoofde, wat de vaststelling van een recht op wezenbijslag belet5.

1.2. Recht op wezenbijslag in hoofde van een rechthebbende met een handicap (artikel 56quinquies, § 2, tweede lid S.W.)

Het oud artikel 56quinquies, § 2, S.W. voorzag in min of meer dezelfde bewoordingen als artikel 56bis S.W. in een recht op wezenbijslag.

Dergelijk recht bestond aldus indien, bij het overlijden van een van de ouders van het kind, de vader met een handicap of de moeder met een handicap aanspraak kon maken op kinderbijslag ten gunste van het kind bij toepassing van artikel 56quinquies, § 1 (bepaling met de voorwaarden die moeten worden vervuld voor de toekenning van kinderbijslag ten gunste van personen met een handicap die geen winstgevende activiteit uitoefenen).

Voor de nodige interne samenhang werd artikel 56quinquies, § 2 S.W. in dezelfde zin aangepast als 56bis. Krachtens de nieuwe wettekst kan het recht op wezenbijslag voortaan worden vastgesteld ten gunste van het kind, in hoofde van iedere persoon met een handicap die het recht op kinderbijslag kan doen ontstaan overeenkomstig artikel 56quinquies, § 1, S.W. bij het overlijden van een van de ouders van het kind.

2. Voorrangsregel in de werknemersregeling (artikel 64 S.W.)

Artikel 64, § 1, S.W. regelt de voorrang van het recht op wezenbijslag ten opzichte van gelijk welk ander recht op kinderbijslag.

Deze bepaling werd aangepast om rekening te houden met de wijzigingen in de artikelen 56bis en 56quinquies S.W.

Vóór zijn wijziging luidde artikel 64, § 1, S.W. immers als volgt: " De rechthebbende bedoeld in artikel 56bis en 56quinquies oefent zijn recht uit bij voorrang ". Met rechthebbende wordt de wees bedoeld.

Aangezien de woorden " een rechthebbende bedoeld in artikel 51, §§ 3 en 4 " en " de minder-valide rechthebbende bedoeld in § 1, eerste lid " werden ingevoegd respectievelijk in artikel 56bis en artikel 56quinquies S.W., moest, om iedere verwarring te voorkomen, in artikel 64, § 1, S.W. het woord " rechthebbende " vervangen worden door het woord " wees ".

Het gaat dus om een louter formele aanpassing (de voorrangsregel blijft ongewijzigd).

3. Voorrangsregel in geval van samenloop van rechten in de werknemersregeling en in de regeling voor zelfstandigen (artikel 60, § 3, eerste lid, 1°, S.W.)

Artikel 60, S.W. regelt de samenloop van rechten in de werknemersregeling met rechten in de regeling voor zelfstandigen.

Paragraaf 3, eerste lid, 1°, van dit artikel bepaalt inzonderheid de regeling die bij voorrang geldt in geval van samenloop van een recht op wezenbijslag ten laste van de werknemersregeling met een recht op wezenbijslag ten laste van de regeling voor zelfstandigen.

Aangezien de mogelijkheden voor het ontstaan van het recht op wezenbijslag werden uitgebreid zowel in de werknemersregeling als in de regeling voor zelfstandigen6, moesten de toepasselijke regels in geval van samenloop van rechten op wezenbijslag worden aangepast.

Op basis van de nieuwe regels wordt de voorrang als volgt bepaald:

1. Het recht op verhoogde wezenbijslag ten laste van de regeling voor zelfstandigen sluit elk ander recht van de werknemersregeling uit, behalve wanneer het gaat om een recht op wezenbijslag. In deze hypothese zijn de volgende principes van toepassing:

2. In geval van samenloop van rechten op wezenbijslag in de werknemersregeling en in de regeling voor zelfstandigen wordt het recht bij voorrang vastgesteld:

  • in de regeling van de rechthebbende ouder die het eerst is overleden7;
  • zo niet, in de regeling van de langstlevende ouder ;
  • zo niet, in de werknemersregeling. Deze oplossing geldt wanneer het recht op wezenbijslag kan worden vastgesteld enkel op basis van de loopbaan van twee rechthebbenden die geen ouders zijn, van wie de ene een werknemer en de andere een zelfstandige is.

3. Daarnaast, zoals vroeger het geval was, indien er door het voo roverlijden van een ouder, vader of moeder, reeds een recht op wezenbijslag bestaat bij toepassing van artikel 56bis of 56quinquies, wordt dit recht behouden in de werknemersregeling.

Voorbeeld

Een huishouden bestaat uit een 19-jarige student en zijn grootouders, allebei zelfstandigen. De moeder zonder activiteit of statuut die/dat een recht op kinderbijslag doet ontstaan, woont samen buiten het huishouden van het kind met de stiefvader die werknemer is. De vader van het kind werkt in Frankrijk voor een Franse werkgever. De moeder overlijdt. Er is een samenloop van rechten op verhoogde wezenbijslag op basis van de loopbaan van de zelfstandige grootouders en van de loopbaan van de loontrekkende stiefvader. Krachtens de nieuwe regels zal het recht op verhoogde wezenbijslag bij voorrang worden vastgesteld in de werknemersregeling (toepassing van het principe van voorrang van de werknemersregeling wanneer het recht op wezenbijslag kan worden vastgesteld op basis van de loopbaan van twee rechthebbenden die geen ouders zijn).

Opmerking: verandering van de geldende regeling voor de toekenning van wezenbijslag

In bepaalde situaties kan het recht op wezenbijslag verschillende keren overgaan van de ene regeling naar de andere.

Dit heeft te maken met het feit dat het recht op gewone wezenbijslag niet bestaat in de regeling voor zelfstandigen. Inderdaad, enkel een recht op verhoogde wezenbijslag kan in deze regeling worden vastgesteld volgens dezelfde voorwaarden als die in de werknemersregeling. Wanneer de langstlevende ouder (her)trouwt of een feitelijk huishouden vormt met een persoon die geen bloed- of aanverwant tot en met de derde graad is, verdwijnt aldus het recht op wezenbijslag vastgesteld in de regeling voor zelfstandigen. Die recht moet niettemin opnieuw worden vastgesteld indien het nieuwe huishouden wegvalt.

Deze bijzonderheid houdt in dat een recht op wezenbijslag tegen het gewoon bedrag kan worden vastgesteld in de werknemersregeling ingevolge het verlies van het recht op wezenbijslag in de regeling voor zelfstandigen (verlies van het recht omdat de langstlevende ouder (her)trouwt of een feitelijk gezin vormt). Het mogelijk ontstaan van het recht in de werknemersregeling veronderstelt dat de loopbaanvoorwaarde wordt onderzocht wat betreft de rechthebbende in deze regeling, door zich te verplaatsen naar het ogenblik van het overlijden van de ouder ; wanneer verschillende rechthebbenden in de werknemersregeling deze voorwaarde vervullen, zal de bevoegde instelling in deze regeling worden aangeduid overeenkomstig de regels beschreven in punt 4.

Indien de langstlevende ouder later niet meer samenwoont met zijn echtgenoot of met de persoon met wie een feitelijk gezin gevormd werd, kan het recht op wezenbijslag opnieuw ontstaan in de regeling voor zelfstand igen. Er is bijgevolg opnieuw een samenloop van recht en, rekening houdend met de nieuwe regels van artikelen 60 S.W., de regeling voor zelfstandigen heeft voorrang.

Voorbeeld

Eerste samenloop: ontstaan van het recht in de regeling voor zelfstandigen Een huishouden is samengesteld uit de moeder (zelfstandige), de grootvader (werknemer), de grootmoeder (ambtenaar) en het kind. De vader, zonder activiteit of statuut die/dat een recht op kinderbijslag doet ontstaan, maakt geen deel uit van dit huishouden en overlijdt op 15 oktober 2007. Het recht op verhoogde wezenbijslag wordt bijgevolg vastgesteld in de regeling voor zelfstandigen. De moeder en het kind verlaten het huishouden van de grootouders twee jaar later; de moeder vormt een feitelijk huishouden. Het recht op wezenbijslag valt weg in de regeling voor zelfstandigen.

Ontstaan van het recht in de werknemersregeling Een recht op wezenbijslag tegen het gewoon bedrag kan worden vastgesteld in de werknemersregeling aangezien de grootvader en de grootmoeder de loopbaanvoorwaarde vervulden bij het overlijden van de vader van het kind. Indien de grootvader ouder is dan de grootmoeder, zal de instelling van de grootvader bevoegd zijn overeenkomstig de regels beschreven in punt 4.

Tweede samenloop: herstel van het recht in de regeling voor zelfstandigen De moeder woont niet meer samen met de persoon met wie ze een feitelijk huishouden vormde. De voorwaarden voor het ontstaan van een recht op wezenbijslag in de regeling voor zelfstandigen zijn opnieuw vervuld. Er is bijgevolg een samenloop tussen dit recht en het recht op wezenbijslag in de werknemersregeling. Bij toepassing van de nieuwe regels inzake samenloop, wordt het recht hersteld in de regeling voor zelfstandigen (voorrang van de regeling van de langstlevende ouder op de regeling van de rechthebbende die geen ouder is).

In bepaalde gevallen kan het voorkomen dat de samenloop tussen een recht op wezenbijslag in de regeling voor zelfstandigen en een recht op kinderbijslag voor werknemers zich voor de eerste keer voordoet na het overlijden van de ouder van het kind. Dit is het geval wanneer, bij dit overlijden, de langstlevende ouder een feitelijk huishouden vormt. Deze situatie belet immers het effectief ontstaan van een recht op wezenbijslag in de regeling voor zelfstandigen (er is een onmiddellijk " verlies " van het recht op wezenbijslag, dat had kunnen worden vastgesteld op basis van de loopbaan van een zelfstandige rechthebbende); daardoor is er geen samenloop van rechten bij het overlijden van de ouder. Indien het huishouden gevormd door de langstlevende ouder niet meer bestaat, kan het recht op wezenbijslag worden hersteld, wat aanleiding zal geven tot een samenloop van rechten.

Voorbeeld

Een huishouden is samengesteld uit de moeder zonder activiteit of statuut die/dat een recht op kinderbijslag doet ontstaan, de zelfstandige stiefvader en het kind. De vader buiten het huishouden, zonder activiteit of statuut die/dat een recht op kinderbijslag doet ontstaan, overlijdt. Een recht op wezenbijslag in de regeling voor zelfstandigen kan niet ontstaan wegens het huwelijk van de moeder met de stiefvader. De moeder begint vervolgens een loontrekkende activiteit en de stiefvader verlaat het huishouden. Aangezien de moeder alleen achterblijft, ontstaat een samenloop van recht tussen het recht op verhoogde wezenbijslag op basis van de loopbaan van de zelfstandige stiefvader bij het overlijden van de vader, en het recht op kinderbijslag in de werknemersregeling in hoofde van de moeder. Het recht zal bij voorrang worden hersteld in de regeling voor zelfstandigen overeenkomstig artikel 60 S.W. (toepassing van de eerste regel bedoeld in punt 3).

4. Aanpassing van de bevoegdheidsregels voor de kinderbijslaginstellingen (KB van 25 april 1997)

Het koninklijk besluit van 25 april 1997 tot uitvoering van artikel 71, § 1bis, van de samengeordende wetten regelt de bevoegdheid van de kinderbijslaginstellingen.

Artikel 5 van dit besluit bepaalt inzonderheid de bevoegde instelling in geval van verandering van rechthebbende tijdens een kwartaal voor een wees.

Deze bepaling werd gewijzigd om rekening te houden met de nieuwe mogelijkheden voor het ontstaan van het recht op wezenbijslag.

In geval van verandering van rechthebbende voor een wees wordt de bevoegdheid voortaan als volgt bepaald:

  • eerst de instelling van de overleden ouder die de loopbaanvoorwaarde bepaald in de artikelen 56bis, § 1, of 56quinquies, § 2, S.W. vervult;
  • zo niet, de instelling van de langstlevende ouder die voormelde voorwaarde vervult;
  • zo niet, de instelling van de rechthebbende die voormelde voorwaarde vervult, bepaald in de volgorde van voorrang vastgelegd in artikel 64, § 2 S.W. (bepaling betreffende de aanwijzing van de prioritaire rechthebbende bij gebrek aan een recht op wezenbijslag). Met andere woorden zal eerst de instelling van de rechthebbende die het kind bij zich opvoedt bevoegd zijn, zoniet de instelling van de stiefvader, vervolgens die van de stiefmoeder van het kind en, zo niet, de instelling van de oudste rechthebbende.

Zoals uitgelegd in punt 3, kan het voorkomen dat de bevoegdheid van de kinderbijslaginstellingen in de werknemersregeling of in de overheidsregeling wordt onderzocht meerdere jaren na het overlijden van de ouder, in geval van mogelijke samenloop met een recht in de regeling voor zelfstandigen.

5. Recht op wezenbijslag in de regeling van de gewaarborgde gezinsbijslag

Ter informatie dient te worden aangestipt dat het recht op wezenbijslag ook werd aangepast in de regeling van de gewaarborgde gezinsbijslag, met het oog op de nodige samenhang tussen de verschillende regelingen.

Artikel 8, § 1, 2°, van het koninklijk besluit van 25 oktober 19718 bepaalt aldus dat verhoogde wezenbijslag voor de wees verschuldigd is voor zover er op het ogenblik van het overlijden van een van zijn ouders een recht op gewaarborgde gezinsbijslag voor dit kind kon vastgesteld worden. Er is bijgevolg niet meer vereist dat een van de ouders het recht op gewaarborgde gezinsbijslag zou doen ontstaan op het ogenblik van het overlijden.

6. Toepassing van de nieuwe bepalingen in de tijd

De hierboven besproken nieuwe bepalingen zijn op 1 oktober 2007 in werking getreden.

Voor een goed begrip van de toepassing van de nieuwe bepalingen in de tijd moet een onderscheid worden gemaakt tussen het ontstaan van het recht op wezenbijslag en de loopbaanvoorwaarde van de rechthebbende die geen ouder is.

Het ontstaan van het recht op wezenbijslag op basis van de loopbaan van een rechthebbende die geen ouder is (artikelen 56bis en 56quinquies) of op basis van een recht op gewaarborgde gezinsbijslag dat een persoon die geen ouder is doet ontstaan bij het overlijden van een van de ouders (artikel 8, § 1, 2°, van het KB van 25 oktober 1971) kan slechts plaatshebben vanaf 1 oktober 2007.

Daarentegen moet de loopbaanvoorwaarde als basis voor het ontstaan van het recht op wezenbijslag vervuld zijn op het ogenblik van het overlijden van de ouder van het kind, met dien verstande dat dit overlijden vóór 1 oktober 2007 kan hebben plaatsgehad. Het is dus perfect mogelijk dat een overlijden dat meerdere jaren geleden heeft plaatsgehad, aanleiding kan geven tot de toekenning van wezenbijslag vanaf 1 oktober 2007.

De kinderbijslaginstellingen worden verzocht de hierna volgende richtlijnen toe te passen:

  • Wanneer het overlijden van de ouder heeft plaatsgehad op 1 oktober 2007 of later, moet het eventueel recht op wezenbijslag ambtshalve worden onderzocht op basis van de nieuwe bepalingen.
  • Wanneer het overlijden heeft plaatsgehad vóór 1 oktober 2007, indien geen enkel recht op wezenbijslag kon worden vastgesteld ingevolge dit overlijden omdat de ouders de loopbaanvoorwaarde niet vervulden, zullen de kinderbijslaginstellingen moeten nagaan, overeenkomstig de hierna volgende nadere regels, of het recht op wezenbijslag kan ontstaan op basis van een rechthebbende die geen ouder is, en dit door zich te verplaatsen naar het ogenblik van het overlijden.

De op de datum van deze omzendbrief afgesloten dossiers, namelijk de dossiers waarvoor een beslissing werd genomen over de niet-toekenning van wezenbijslag, moeten worden herzien enkel op aanvraag of wanneer de instelling kennis heeft van elementen in het dossier waardoor dergelijk recht eventueel kan ontstaan9. De lopende dossiers waarvoor een beslissing nog niet werd genomen moeten ambtshalve worden behandeld op basis van de nieuwe bepalingen.

De gebruikelijke regels inzake verjaring van het recht, bedoeld in artikel 120 S.W., zijn van toepassing wat betreft het vaststellen van het recht op wezenbijslag op basis van de loopbaan van een rechthebbende die geen ouder is, met dien verstande dat geen enkel recht mag worden vastgesteld vóór 1 oktober 2007.

Voorbeeld

Het kind woont in het huishouden van zijn moeder die geen activiteit of statuut heeft die/dat een recht op kinderbijslag doet ontstaan en van zijn loontrekkende stiefvader. De vader maakte geen deel uit van dit huishouden en vervulde niet de voorwaarden om een recht op kinderbijslag te doen ontstaan vóór zijn overlijden op 15 november 2003. Een recht op verhoogde wezenbijslag kan ontstaan vanaf 1 oktober 2007 indien de stiefvader de loopbaanvoorwaarde vervult op het ogenblik van het overlijden van de vader van het kind (voorwaarde van zes maandelijkse forfaitaire bijslagen in het jaar dat aan het overlijden van de vader van het kind onmiddellijk voorafging, namelijk 15 november 2003). Indien de aanvraag in februari 2010 wordt ingediend, zal het recht worden vastgesteld met terugwerkende kracht op 1 oktober 2007.

IN ´T KORT : Uitbreiding van de mogelijkheden om het recht op wezenbijslag te doen ontstaan.
  • 1. Koninklijk besluit van 14 juni 2007 tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 147, 148, 149 en 151 van de wet van 27 december 2005 houdende diverse bepalingen.
  • 2. Periode gedurende welke een persoon de voorwaarden vervult om het recht op kinderbijslag te openen op grond van een werknemersactiviteit, een met arbeid gelijkgestelde situatie of een situatie van toekenning.
  • 3. Arrest nr. 159/2003 van 10 december 2003.
  • 4. Recht op ten minstens zes maandelijkse bijslagen in het jaar dat aan het overlijden van de vader of van de moeder voorafgaat.
  • 5. Onder voorbehoud van de algemene afwijking voorzien bij MO nr. 599, indien het kind deel had uitgemaakt van het huishouden in een vroegere periode, of van de toekenning van een individuele afwijking.
  • 6. De regeling voor zelfstandigen heeft dezelfde wijzigingen ondergaan als de werknemersregeling. Het recht op wezenbijslag in de regeling voor zelfstandigen kan voortaan worden vastgesteld, in geval van overlijden van een van de ouders van het kind, voor elke zelfstandige rechthebbende die de nodige loopbaanvoorwaarde vervult. Deze wijziging werd aangebracht bij het koninklijk besluit van 13 februari 2007 tot wijziging van sommige bepalingen betreffende de regeling van de gezinsbijslag ten voordele van de zelfstandigen (Belgisch Staatsblad 14/03/2007) en is op 1 oktober 2007 in werking getreden.
  • 7. Het ontstaan van het recht op wezenbijslag in de regeling voor zelfstandigen op basis van de loopbaan van de overleden ouder veronderstelt dat laatstgenoemde uitsluitend zelfstandige rechthebbende was bij zijn overlijden, namelijk dat hij tegelijkertijd geen loontrekkende activiteit als hoofdberoep uitoefende.
  • 8. Koninklijk besluit van 25 oktober 1971 tot uitvoering van de wet van 20 juli 1971 tot instelling van gewaarborgde gezinsbijslag.
  • 9. Er dient in dit verband te worden gepreciseerd dat het instelling van kinderbijslag niet verplicht actief op zoek moet gaan naar deze elementen, maar dat het een actie moet ondernemen enkel indien het fonds het bestaan van dergelijke elementen vaststelt.
Top