Artikel 32 van de Algemene kinderbijslagwet

De Koning richt een bijzonder kinderbijslagfonds op waarbij van rechtswege zijn aangesloten:

1° de gemeenten;

2° de openbare instellingen die afhangen van de gemeenten;

3° de verenigingen van gemeenten;

4° de agglomeraties en de federaties van gemeenten;

5° de openbare instellingen die afhangen van de agglomeraties en van de federaties van gemeenten;

6° de provincies;

7° de openbare instellingen die afhangen van de provincies;

8° de Vlaamse Gemeenschapscommissie en de Franse Gemeenschapscommissie;

9° de gewestelijke economische instellingen bedoeld in de hoofdstukken II en III van de kaderwet van 15 juli 1970 houdende de organisatie van de planning en economische decentralisatie, gewijzigd bij het decreet van 25 mei 1983 van de Waalse Gewestraad, behalve voor de personeelsleden voor wie zij verplicht zijn rechtstreeks de gezinsbijslag toe te kennen;

10° de door de Koning aangewezen instellingen bedoeld bij de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut en dit voor hun personeelsleden die geen aanleiding geven tot het betalen aan de Rijksdienst voor de sociale zekerheid van een bijdrage voor de gezinsbijslag, voor zover ze niet verplicht zijn rechtstreeks gezinsbijslag te betalen aan die personeelsleden. De Koning bepaalt voor ieder van die instellingen de aansluitingsdatum;

11° de verenigingen van meerdere hierboven vermelde instellingen;

12° de V.Z.W. "Vlaamse Operastichting" voor de personeelsleden die vastbenoemd waren bij de intercommunale "Opera voor Vlaanderen" en met behoud van hun statuut worden overgenomen.

13° de korpsen van de lokale politie, zoals bedoeld bij de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus.

De Koning kan andere instellingen toevoegen aan de in het eerste lid vervatte lijst van aangesloten instanties. Hij kan die lijst wijzigen om rekening te houden met de wetswijzigingen die voor de in het eerste lid genoemde instellingen gelden.

De Koning kan de bevoegdheid van deze Rijksdienst uitbreiden tot andere opdrachten betreffende het personeel van de voornoemde administraties.

De Koning regelt de inrichting en de werking van deze Rijksdienst.

De wet van 25 april 1963 betreffende het beheer van de instellingen van openbaar nut inzake sociale zekerheid en sociale voorzorg is toepasselijk op deze Rijksdienst.

De artikelen 14 en 15 van voormelde wet van 25 april 1963 zijn slechts toepasselijk wanneer het gaat, hetzij om het personeelskader, hetzij om voorstellen of ontwerpen met betrekking tot dit artikel of de artikelen 81, 92, 110, tweede lid, en 119bis, tweede lid, of tot besluiten ter uitvoering van die artikelen te nemen.

Het K.B. van 29.06.2014 (B.S. 25.07.2014), van kracht vanaf 01.01.2002, heeft eerste lid aangevuld als volgt:

"13° de korpsen van de lokale politie, zoals bedoeld bij de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus."

Datum van publicatie
Datum van afkondiging
Top