Artikel 56quinquies van de Algemene kinderbijslagwet

 

§ 1. De mindervalide die geen winstgevende beroepsbezigheid uitoefent en krachtens de wetgeving betreffende de tegemoetkomingen aan gehandicapten een inkomensvervangende tegemoetkoming geniet, een tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden geniet of een integratietegemoetkoming geniet die overeenstemt met een vermindering van zelfredzaamheid van ten minste 9 punten, is gerechtigd op de kinderbijslag tegen de bij artikel 40 bepaalde bedragen en tegen de bijslagen, bepaald bij artikel 50ter voor de kinderen, bedoeld in artikel 51, § 3, 1°, 2°, 3°, 6°, 7° en 8°, of deze die het voorwerp uitmaken van een afwijking en op voorwaarde dat zij deel uitmaken van hetzelfde gezin.

De rechthebbende opent dit recht eveneens ten behoeve van de kinderen waarvan sprake is in het eerste lid, wanneer ze geplaatst zijn in een instelling overeenkomstig artikel 70, op voorwaarde dat ze onmiddellijk voor de plaatsing deel uitmaakten van het gezin van deze rechthebbende.

Het eerste lid is eveneens van toepassing op de mindervalide die een tegemoetkoming geniet berekend op grond van een blijvende arbeidsongeschiktheid van ten minste 65 pct. krachtens de wet van 27 juni 1969 betreffende het toekennen van tegemoetkomingen aan de mindervaliden.

 

§2. Is rechthebbend op kinderbijslag tegen de bedragen bepaald in artikel 50bis, de wees, indien op het ogenblik van het overlijden van één van zijn ouders de mindervalide vader of de mindervalide moeder voor dit kind aanspraak kon maken op kinderbijslag bij toepassing van § 1, behalve indien de wees reeds gerechtigd is op wezenbijslag bij toepassing van artikel 56bis of wanneer de overleden ouder loontrekkende was die een recht op wezenbijslag opent bij toepassing van artikel 56bis.

Nochtans, indien de overlevende ouder een huwelijk aangaat of een feitelijk gezin vormt in de zin van artikel 56bis, § 2, wordt de kinderbijslag, verschuldigd bij toepassing van het vorige lid, toegekend aan de bedragen bepaald bij artikel 40.

Het voordeel van het eerste lid mag opnieuw ingeroepen worden wanneer de overlevende ouder niet meer samenwoont met de echtgenoot waarmee een nieuw huwelijk was aangegaan of met de persoon met wie een feitelijk gezin gevormd werd. De feitelijke scheiding moet blijken uit de afzonderlijke hoofdverblijfplaats van de personen in kwestie, in de zin van artikel 3, eerste lid, 5°, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van het Rijksregister van de natuurlijke personen, met uitzondering van gevallen waarbij uit andere daarvoor overgelegde officiële documenten blijkt dat de feitelijke scheiding effectief is, ook al stemt dit niet of niet meer overeen met de informatie verkregen bij het voormelde register.

Het tweede lid is niet van toepassing wanneer de wees door zijn overlevende ouder verlaten is.

 

§3. De overlevende echtgenoot van een in § 1 bedoelde mindervalide is tegen de bij artikel 40 bepaalde bedragen op kinderbijslag gerechtigd voor de door hem grootgebrachte kinderen voor wie de mindervalide op het ogenblik van zijn overlijden aanspraak op kinderbijslag kon maken bij toepassing van § 1.

Bovendien mag de overlevende echtgenoot geen nieuw huwelijk hebben aangegaan of geen feitelijk gezin vormen in de zin van artikel 56bis, § 2.

Het voordeel van het eerste lid mag opnieuw worden ingeroepen, wanneer de in het tweede lid bepaalde oorzaken van uitsluiting hebben opgehouden te bestaan of wanneer het huwelijk van de overlevende echtgenoot, die geen huishouden vormt, gevolgd wordt door een scheiding van tafel en bed of door een feitelijke scheiding, bekrachtigd door een gerechtelijke beschikking die het echtpaar een afzonderlijke verblijfplaats aanduidt.

De wet van 27.12.2005, art. 148 (B.S. 30.12.2005, ed. 2), van kracht vanaf 01.10.2007(K.B. 14.06.2007, K.B. 04.07.2007),heeft, in §2, eerste lid, de woorden " de minder-valide vader of de minder-valide moeder " vervangen door de woorden " de minder-valide rechthebbende bedoeld in § 1, eerste lid ".
 

Datum van publicatie
Datum van afkondiging
Top