Vlaanderen

CO 1386 van 9 februari 2018 - Jaarlijkse evaluatie van de behoeften aan informatie met elektronische en papieren dragers: Actualisering van de richtlijnen in verband met controle door formulieren

1. Informatiegaring met formulieren en elektronische dragers

2. Algemene uitgangspunten voor de gegevensinwinning

2.1. Unieke gegevensgaring: de onontbeerlijke gegevens maar één keer opvragen

2.1.1. Algemene principes 2.1.2. Debiteuren 2.1.3. Eenmalige inzameling en het hergebruik van informatie 2.1.4. Bewaring van gegevens die niet langer actueel zijn

2.2. Gevolgen van de unieke gegevensinwinning

2.2.1. Ambtshalve het recht onderzoeken of op een aanvraag wachten? 2.2.2. Algemene bewijskracht van de elektronische informatie en de voorrang op de formulieren 2.2.3. Unieke gegevensinzameling op basis van het uniek nummer (bijv. ondernemingsnummer of INSZ-nummer)

2.3. Bewijskracht van elektronische informatiegegevens

2.4. Afschaffing van de eensluidende verklaring

2.5. Andere (elektronische) communicatie met de burger

2.6. Tegenstelbaarheid van telefonisch verkregen inlichtingen

2.7. De digitale stempel

2.8. Informatie-uitwisseling bij betaling aan een andere persoon dan de wettelijke bijslagtrekkende

3. De gegevensinwinning met formulieren per thema

Topic 1 – De overschrijving op een zichtrekening in het binnen- en buitenland

3.1.1. De wettelijke bescherming van de tegoeden op de rekening 3.1.2. De SEPA-overschrijving 3.1.3. De basisbankdienst 3.1.4. Directe controle van de titularis van de bankrekening meegedeeld door de bijslagtrekkende

Topic 2 –  Het bewijs van geboorte/leven en adoptie

3.2.1. Procedure vóór de geboorte (de aanvraag om voorafbetaling) 3.2.2. Procedure na de geboorte 3.2.3. Maatregelen om te voorkomen dat het kraamgeld meer dan eenmaal wordt aangevraagd en uitbetaald

3.2.3.1. De consultatie van TRIVIA 3.2.3.2. De integratie in het Kadaster 3.2.3.3. Het "speciaal geboorteattest"

3.2.4. Voorwaarden ter bekoming van een adoptiepremie

3.2.4.1. Bewijzen ter verkrijging van een adoptiepremie bij het kinderbijslagfonds 3.2.4.2. Maatregelen om cumulbetalingen tussen de adoptiepremie en het kraamgeld te voorkomen

3.2.5. Toepassing van MO 599 voor kraamgeld en de adoptiepremie in zelfstandigendossiers

Topic 3 – De toekenning van een toeslag aan werklozen, zieken, gepensioneerden – verhoging van de kinderbijslag voor eenoudergezinnen

3.3.1. De provisionele toekenning van sociale toeslagen en eenoudertoeslag 3.3.2. De definitieve vaststelling van het recht

3.3.2.1. Definitieve ambtshalve beslissing op basis van de fiscale gegevens 3.3.2.2. Validatie van de betaalde toeslag op basis van de seriële formulieren P19fisc A (gezinnen in het buitenland) en P19fisc-B (partner werkt voor een internationale organisatie)

Topic 4 – De toekenning van kinderbijslag of van een toeslag

3.4.1. Het bewijs van de eenoudersituatie 3.4.2. Het bewijs van huwelijk in het buitenland 3.4.3. De verklaring op eer om het inkomen aan te tonen

Topic 5 – De toekenning van het recht op wezenbijslag

3.5.1. Controle met het formulier P16 3.5.2. De aanvraag met het formulier Mod. B (de aanvraag om wezenbijslag)

Topic 6 – De controle met formulieren op de rechtgevende kinderen

3.6.1. Aanpassing van het formulier P7 (studenten) aan de nieuwe onderwijsstructuur

3.6.1.1. De student die de studies stopzet in de loop van het school- of academiejaar - Bewijzen van stopzetting van de studies - Vermoeden van stopzetting van de studies - Stopzetting tijdens de examens 3.6.1.2. De student in het buitenland 3.6.1.3. Procedure voor de thesisstudent 3.6.1.4. De provisionele betaling met code 002 3.6.1.5. Verplichte stage in het kader van een opleiding tot ondernemingshoofd 3.6.1.6. Procedure voor de zieke student

3.6.2. Andere aanpassingen van het formulier P7 (studenten)

3.6.2.1. De tewerkstelling van de (deeltijdse) student 3.6.2.2. De heroriëntatie in de loop van het academisch jaar en het hoger beroepsonderwijs 3.6.2.3. Aanpassingen als gevolg van de hervorming van het alternerend onderwijs

3.6.3. De debetpreventie

3.6.3.1. Verwerking RIP(PPO)-berichten ter opvolging van de inkomstennorm 3.6.3.2. De voltijdse student met tewerkstelling: opvolging van de 240-urennorm

3.6.4. De afschaffing van de controle met formulieren P2 en P5 voor de gehandicapte kinderen in België 3.6.5. De herziening van de ongeschiktheid - Nieuwe feit? 3.6.6. Het gehandicapt kind wordt 21 jaar 3.6.7. Het kind met een aandoening werkt of geniet een uitkering 3.6.8. De bijzondere regeling voor vrijwilligerswerk (wet van 27 december 2005 houdende diverse bepalingen) 3.6.9. Uitwerking van de ambtshalve herzieningen betreffende kinderen met een handicap (Art. 47 en Art. 63 AKBW) - Procedure voor de arbeidsmachten - Toepassing van Art. 48, 4e lid Kinderbijslagwet - natuur van de gerechtelijke beslissing 3.6.10. Nieuwe procedure Handicare tussen de FOD en de gezinnen

Topic 7 – De schoolverlater tijdens de beroepsinschakelingstijd

Topic 8 – De geplaatste kinderen

3.8.1. De geplaatste kinderen in de Vlaamse Gemeenschap

3.8.1.1. Welke instantie zendt het bericht? 3.8.1.2. Plaatsingsvormen binnen het toepassingsgebied van Art. 70 AKBW 3.8.1.3. Begeleidingsvormen buiten het toepassingsgebied van Art. 70 AKBW 3.8.1.4. Afschaffing van de kennisgeving D228P en het formulier P3 3.8.1.5. Routering van de plaatsingsberichten D227 van Jongerenwelzijn 3.8.1.6. Regularisatie met de dienst Jongerenwelzijn van de Vlaamse Gemeenschap 3.8.1.7. Schematisch overzicht: Plaatsing in de Vlaamse Gemeenschap

3.8.2. De geplaatste kinderen in de Franse en Duitstalige Gemeenschap 3.8.3. Bijkomende algemene richtlijnen

Topic 9 – De ontbrekende of onvolledige formulieren - de ambtshalve beslissing

3.9.1. Algemene principes 3.9.2. Verzending/opvolging van het controleformulier 3.9.3. Herinnering van niet-teruggezonden formulieren 3.9.4. Bijzondere toepassingsgevallen

3.9.4.1. Het formulier voor de studenten (P7a) wordt niet teruggestuurd 3.9.4.2 Het formulier voor de ingeschreven werkzoekende (P20) wordt niet teruggestuurd 3.9.4.3. De gegevens in verband met het co-ouderschap en de gelijk verdeelde huisvesting 3.9.4.4. Het formulier voor de sociale toeslagen (P19fisc A en B) wordt niet teruggestuurd

Topic 10 – De procedure alvorens de terugvordering van onverschuldigd betaalde kinderbijslag in te zetten

3.10.1. Algemene principes 3.10.2. Praktische richtlijnen voor het opmaken van debetten 3.10.3. Schematische voorstelling van de procedure bij ontbrekende formulieren - Werkwijze alvorens een debet op te maken - Valideren/Betalen/Terugvorderen

Topic 11 – Het Rijksregister

3.11.1. De periodieke actualisering van de identiteitsgegevens via Rijksregister 3.11.2. Het Rijksregister en de lokalisatie van de verschillende rechtsactoren

Topic 12 – De gegevensuitwisseling met het buitenland

3.12.1. De gegevensuitwisseling in het kader van de Europese Verordeningen 3.12.2. De gegevensuitwisseling in bilaterale context 3.12.3. Provisionele betalingen voor kinderen in het buitenland

4. Varia 

4.1. Standpunt van de arbeidsrechtbanken in verband met de informatieplicht 4.2. Bewijswaarde van de gescande documenten 4.3. Verklaring voor de verzekeringsinstellingen ten behoeve van de volle wezen 4.4. De termijn voor de verzending van de ontvangstmelding van het brevet (nieuwe procedure) 4.5. De behandelingstermijn van informatie in geval van gegevensuitwisseling met Mod. Yter 4.6. De vermelding van de begindatum van de gelijkstelling op het brevet van rechthebbende (Mod. Y) 4.7. Aanrekening van de betaalde gezinsbijslag aan de deelentiteiten 4.8. De opvang van kinderen uit Tsjernobyl in Belgische gezinnen 4.9. Het brevet aan de gewaarborgde gezinsbijslag – Herinnering aan de regel 4.10. De einddatum arbeidsongeschiktheid in de flux D046 (A020) 4.11. De verdeling in afdelingen van de hoven en rechtbanken

Bijlagen

1. Informatiegaring met formulieren en elektronische dragers

Sinds enkele jaren houdt FAMIFED op een permanente wijze een inventaris bij van alle onontbeerlijke gegevens om de kinderbijslag te betalen. Elk jaar worden overeenkomstig de bepalingen van de bestuursovereenkomst, de voorschriften in verband met de methoden en de werkwijzen om die gegevens te verkrijgen opnieuw geëvalueerd en geactualiseerd.

Daarom vinden de kinderbijslagfondsen hierna de nieuwe regels die van toepassing zijn vanaf 1 maart 2018

2. Algemene uitgangspunten voor de gegevensinwinning

De contacten met de sociaal verzekerde staan in het teken van gegevensinwinning en het geven van juiste en volledige informatie. De algemene doelstelling van de gegevensinwinning bestaat erin in overeenstemming met het Handvest de kinderbijslag snel en correct te betalen:

door elektronische fluxgegevens te verwerken en zo weinig mogelijk vragen te stellen aan de sociaal verzekerde via een aanpassing en een vervanging van formulieren door elektronische gegevens; door de consultatie van de databanken1.

De kinderbijslagfondsen moeten alles in het werk stellen om de betalingen "in real-time" af te stemmen op de ontvangen elektronische gegevensstromen in verband met de wettelijke en professionele persoonsgegevens.

2.1. De unieke gegevensvergaring: de onontbeerlijke gegevens maar één keer opvragen

2.1.1. Algemene principes

  1. Enkel de persoonsgegevens die onontbeerlijk zijn voor de correcte en tijdige behandeling van het dossier mogen opgevraagd worden. De gegevensinwinning via elektronische weg of door consultatie van databanken moet verantwoord zijn en stroken met de verwachtingen van de burger. Enkel de persoonsgegevens dienstig voor de vaststelling van het recht en de betaling van de kinderbijslag (bijv. de gezinssamenstelling) mogen worden geconsulteerd. Het misbruiken van gegevens voor andere doelstellingen kan worden vervolgd.
  2. De gegevensinzameling mag niet overmatig zijn: er mogen niet te veel en te vaak gegevens worden opgevraagd.
  3. De opvraging van de gegevens (de unieke inzameling), bij voorkeur via elektronische kanalen, gebeurt zo veel mogelijk direct bij de "authentieke bron"; de opvraging bij de sociaal verzekerde via een formulier is enkel toegelaten voor zover deze gegevens niet elektronisch verkregen kunnen worden. Een authentieke bron is een database die door een wet of reglementering ertoe verplicht is om betrouwbare gegevens in te zamelen, te beheren en ter beschikking te stellen van derden die deze gegevens verplicht moeten gebruiken.
Voorbeeld:
 
Gegevenstype Authentieke bron
Identificatiegegevens van de ondernemingen Kruispuntbank v/d Ondernemingen (cf. Werkgeversrepertorium)
Identificatiegegevens van de burgers Rijksregister v/d Natuurlijke Personen Register van de Kruispuntbank v/d Sociale Zekerheid
Sociale persoonsgegevens Databases beheerd door de instellingen van de sociale zekerheid (waaronder RSZ)
Uitzonderingen

Bepaalde informaties waarop de betaling van de kinderbijslag is gesteund en waarvan nog geen elektronische "authentieke" gegevensbron beschikbaar is, zijn nog te bewijzen aan de hand van een formulier, een attest of een verklaring.

Een overzicht
 
Aard van de informatie Bewijsmiddel
1 De pensionering van de rechthebbende / het overlevingspensioen / de overgangsuitkering2 Attest (o.a. pensioenbrevet) van de pensioendienst
2 De detinering Attest van de FOD Justitie (adres in de tabellen in bijlage)
3 De plaatsing in een instelling / gezin Attest / formulier / P3a3 / P3b4 / beschikking van de rechter (zie: Topic 8)

Navragen of het kind na de meerderjarigheid verder in het gezin verblijft. Als er geen mailbox van afschrijving op het adres van het pleeggezin wordt ontvangen, mag dat worden verondersteld.

4 Een "feitelijk gezin" vormen

Positieve gevolgen (zie Topic 11) o.a. rangbepaling5

Negatieve gevolgen (zie Topic 11) Een "feitelijk gezin - geen feitelijk gezin" vormen (weerlegging van het vermoeden6)

Rijksregister of officieel document7 + Verklaring op het formulier J van de partners

Rijksregister of officieel document / andere bewijsmiddelen8 + Verklaring op het formulier J van de partners / sociaal onderzoek (controle aan huis)

5 De verlating van het weeskind door de overlevende ouder Formulier P16com (zie: de tabellen in bijlage)
6 De verdwijning of de ontvoering van het kind; de rechthebbende heeft zijn gezin "verlaten" Verklaring van gerechtelijke of administratieve of politionele diensten
7 De regeling in verband met het ouderlijke gezag (beurtouderschap en co-ouderschapsregeling) Het vonnis / arrest / een beschikking (zie: Topic 9)
8 De gelijk verdeelde huisvesting voor meerderjarigen (vervolg van de co-ouderschapsregeling) Verklaring van de beide ouders (formulier Mod. L)9
9 OCMW-steun (leefloon + andere steun) Attest / verklaring, indien geen flux
10 Vraag om op een rekening te storten Formulier Mod.WFeb.10 In geval van sommendelegatie of bankinstelling niet tot conventie toegetreden: oude Mod. W blijft dienstig.
11 In de Vlaamse of Duitstalige Gemeenschap: Het volwassenenonderwijs, het avondonderwijs, het onderwijs voor sociale promotie, het privaat onderwijs, de leerovereenkomst, de stages (opleiding tot ondernemingshoofd of om in een ambt te worden benoemd), datum indiening van de eindverhandeling, de stage om in een ambt benoemd te worden (notaris, gerechtsdeurwaarder,...)

In de Franse Gemeenschap: Het gevolgde onderwijs, de leerovereenkomst, de stages (opleiding tot ondernemingshoofd of om in een ambt te worden benoemd), datum indiening van de eindverhandeling, stage om in een ambt benoemd te worden (notaris, gerechtsdeurwaarder,...)

Atest D062 / formulier P7 / verklaring op Thesismodule_1 / _2

Formulier P7

12 Bewijs van een handicap of van een aandoening Attest / Handichild11
13 Rechtsfeiten in het buitenland (geboorte, overlijden, adoptie,...) Attesten / verklaringen / buitenlandse akten + vonnissen
14 Het inkomen van de bijslagtrekkende die in het buitenland woont of van de partner die voor een internationale organisatie werkt Formulieren P19fisc - A12
15 Het inkomen van de student-stagiair, alternerend leren, het werkplekleren, de leerjongen, de ondernemingsopleiding Verklaring op het formulier (o.a. als zelfstandige, zie: Topic 4)
16 Het kraamgeld Kraamgeldattest / inschrijving in de bevolkingsregisters
17 De adoptiepremie Het model Eter, verzoekschrift / adoptieakte
18 De illegale bijslagtrekkende Verklaring13
19 IBO-contracten14 (activering van de werklozen) Gewestelijke arbeidsdiensten
20 De verlenging van de beroepsinschakeltijd De formulieren BIT1, BIT2, BIT3, de (negatieve) beslissing van de GDAB15/RVA, de oproepingsbrief
21 Ontslagcompensatievergoeding Bewijs RVA - flux niet noodzakelijk wegens uitzonderlijk16
22 Bewindvoering en voogdij Kopie van gerechtelijke beschikking of uittreksel publicatie in het Belgisch Staatsblad

2.1.2. Debiteuren

Aan de kinderbijslagfondsen die het debet hebben opgemaakt wordt gevraagd om de integratie in het Kadaster nooit stop te zetten voor de debiteuren van onverschuldigd betaalde kinderbijslag, zolang de schuld niet volledig is aangezuiverd (cf. CO 1363 van 9 november 2006). De bijslagtrekkende, maar ook de rechthebbende moeten geïntegreerd blijven (996/52bis van 13 mei 2011) in functie van de heropening van het recht, de intersectoriële inhoudingen en de stuiting van de verjaring (rolcode 103 voor de bijslagtrekkende)17.

2.1.3. Eenmalige inzameling en het hergebruik van informatie

De (sociale persoons-)gegevens worden slechts eenmaal opgevraagd.  Eens ze in het bezit zijn van een kinderbijslaginstelling worden ze opgeslagen, beheerd en geactualiseerd en binnen de sector worden ze via het Kadaster of met het brevet van rechthebbende ter beschikking gesteld van de andere gebruikers binnen het netwerk. Ze hoeven ook niet langer actief beschikbaar te zijn dan noodzakelijk voor de toepassing van de kinderbijslagwetgeving, rekening houdende met de wettelijke verjaringstermijnen. 

Only once-wet

Belangrijk principe in de Only Once-wet van 5 mei 2014 is dat alle overheidsdiensten in hun contacten met de burger of met andere overheidsdiensten verplicht worden het rijksregisternummer of het ondernemingsnummer te gebruiken ter identificatie van natuurlijke en rechtspersonen (ondernemingen) (artikel 4 van de Only Once-wet). Het gebruik van een apart dossiernummer is dus in principe niet meer mogelijk tenzij voor interne (back-office) toepassingen. Aan de Dienst voor Administratieve Vereenvoudiging (DAV) wordt de opdracht gegeven alle nieuwe (ook herwerkte) formulieren te screenen op de naleving van de unieke gegevensinzameling. Burgers en bedrijven zullen elektronisch kunnen nagaan of een formulier is getoetst en desgevallend via het Kafkameldpunt een vraag of klacht kunnen formuleren over een bepaald formulier (papieren of elektronisch).

De DAV gaat ermee akkoord dat op alle communicatie (formulieren, brieven,…)  het dossiernummer nog wordt vermeld voor zover ook telkens het rijksregisternummer vermeld wordt van de sociaal verzekerde aan wie de communicatie gericht is.18 In briefwisseling gericht aan een (rechts)persoon (voogd, voorlopig bewindvoerder, schuldbemiddelaar) die namens een actor optreedt, wordt het rijksregisternummer vermeld van de sociaal verzekerde die door deze persoon wordt vertegenwoordigd.19 Voor de sociaal verzekerde moet het Rijksrigisternummer volstaan om zich te kunnen indentificieren bij elke schriftelijke of telefonische contactname met zijn kinderbijslagfonds. Het dossiernummer mag door het kinderbijslagfonds enkel aangewend worden voor intern gebruik. De deadline voor het veralgemeend gebruik van het rijksregisternummer op alle brieven en formulieren werd gesteld op 31 december 2016.

De aanvraagformulieren voor de kinderbijslag wezen/kraamgeld/adoptie/toeslag werden in de loop van 2016 gescreend op de naleving van de principes van de unieke gegevensinzameling zoals voorzien  in het actieplan Only Once van FAMIFED. De aangepaste formulieren werden meegedeeld met dienstbrief 999/180 van 23 januari 2017.

2.1.4. Bewaring van gegevens die niet langer actueel zijn

Gegevens die niet meer worden gebruikt voor de toekenning van de kinderbijslag, moeten worden gearchiveerd. Met CO 1380 van 23 december 2009 zijn de regels voor de archivering en de vernietiging van oude gegevens geactualiseerd en zijn de bewaringstermijnen bepaald voor de gegevens van gezinsbijslagdossiers, ongeacht de drager waarop ze zich bevinden. Met de dienstbrief 997/75 van 14 april 2011 werd de bewarings- en archiveringstermijn voor de gegevens in het Kadaster van de kinderbijslag bepaald.

2.2. Gevolgen van de unieke gegevensinwinning

2.2.1. Ambtshalve het recht onderzoeken of op een aanvraag wachten?

Als algemeen principe stelt FAMIFED dat rechten op kinderbijslag maximaal op eigen initiatief van het kinderbijslagfonds worden onderzocht en vastgesteld in het kader van het automatisch onderzoek van het recht. Bij de vaststelling van rechten waarvoor nog een beroep wordt gedaan op de sociaal verzekerde is het van belang dat de beschikbare elektronische informatie niettemin maximaal wordt benut (bijv. de DMFA-gegevens over het arbeidsvolume kunnen indicatief zijn voor het inkomen van bepaalde categorieën van rechtgevende kinderen (bijv. toepassing van vijfdagenregel20 voor werkzoekende schoolverlaters).

Het kinderbijslagfonds moet het nodige doen om automatisch informatie te bekomen over potentiële rechten die nog niet automatisch kunnen worden uitgeoefend. Om dit te bereiken moeten de juiste actoren in het kinderbijslagkadaster worden geïntegreerd met de passende rolcode en moeten de daaruit voortkomende informatiestromen effectief en efficiënt worden verwerkt.

Wat betreft de integratie van de (huwelijks)partners met het oog op de toekenning van de sociale toeslagen wordt verwezen naar de omzendbrief van FAMIFED, CO 1400 van 14 december 2014.

 
Statuut "vierde actor": overzicht van de integraties in het Kadaster
Altijd met code 106 integreren (bijslagtrekkende = code 103) Alle potentiële voorrangsgerechtigde rechthebbenden (" vierde" actoren cf. de schema's in bijlage).
Situatie Actoren met 103/106
Afstand van recht aan een rechthebbende die tot de hoofdgroep van de rechthebbenden behoort De voorrangsgerechtigde in de zin van Art. 64 AKBW die het recht heeft afgestaan
Toepassing van de algemene afwijking op grond van de MO 599 De voorrangsgerechtigde in de zin van Art. 64 AKBW
Afstand van recht aan een rechthebbende die niet tot de hoofdgroep van de rechthebbenden behoort De voorrangsgerechtigde in de zin van Art. 64 AKBW die het recht heeft afgestaan en de potentiële voorrangsgerechtigden in het gezin van het kind
Doel Actoren met code 105
Historiek toeslagactoren Integratie van de toeslagpartners die nog niet om andere redenen zijn geïntegreerd om later de fiscale gegevens te bekomen.
Automatisch onderzoek naar het recht op wezenbijslag De andere ouder (adoptant) van het kind, die nog niet met een andere code is geïntegreerd. Dit geldt eveneens voor het weeskind dat niet door de overlevende ouder wordt opgevoed, ook als het is verlaten21(belangrijk voor de verzending van het formulier P16com22).
Opvolgen betaling op basis van een individuele afwijking Voorrangsgerechtigde ouder die de voorrang verloor ingevolge een individuele afwijking door FOD.
Aanvraag controlebezoek na afsluiting betaalperiode De aanvraag van een controle ter plaatse vereist een integratie in het Kadaster. Bij de aanvraag mag de actor geïntegreerd worden als vierde actor, code 105. Dit wordt niet als een overmatige integratie gekwalificeerd. De integratie dient afgesloten te worden bij ontvangst van het controleverslag, voor zover de gegevens niet meer pertinent zijn voor het dossierbeheer23

Aangezien vanaf de datum van inproductiestelling van de flux D027 de wijziging in de gezinssamenstelling voor elk gezinslid wordt meegedeeld, is de integratie van het gezinshoofd in het gezin van de bijslagtrekkende wiens situatie geen impact heeft op het recht op kinderbijslag niet langer nodig. Wanneer bij het dossierbeheer wordt geconstateerd dat vierde actoren ingevolge de huidige informatiestroom met flux D027 onnodig geïntegreerd staan, dienen deze te worden afgesloten.

Conform de bepalingen van het Handvest van de Sociaal Verzekerde kunnen de kinderbijslagfondsen - wanneer de sociaal verzekerde binnen de maand geen gevolg geeft aan de vraag om inlichtingen (bijv. door het niet-terugzenden van het formulier) - ambtshalve inlichtingen inwinnen en op basis daarvan beslissingen treffen, die rechtsgeldig zijn tot bewijs van het tegendeel (zie Topic 9: De ontbrekende of onvolledige formulieren - de ambtshalve beslissing).

2.2.2. Algemene bewijskracht van de elektronische informatie en de voorrang op de formulieren

De gegevens waarop de betaling van de kinderbijslag is gesteund, worden bij voorrang24 bewezen met elektronische bewijsmiddelen (gegevensfluxen of de consultatie van databanken via TRIVIA).

Uit een bewijs dat op die manier verkregen werd, vloeien alle gekende rechtsgevolgen voort: de betaling van de basisbijslag of de validatie van de betaling (zie Topic 9: De onvolledige of ontbrekende formulieren - de ambtshalve beslissing), de provisionele betaling of de weigering van het recht of de gebeurlijke terugvordering. Dit geldt zowel in het kader van de aanvraag als bij de voortzetting van de betaling.

2.2.3. Unieke gegevensinzameling op basis van het uniek nummer (bijv. ondernemingsnummer of INSZ-nummer)

Als blijkt dat alle gegevens uit de authentieke bron kunnen worden verkregen, dan mogen dezelfde gegevens geen tweede keer meer met formulieren worden opgevraagd.

Elke instelling moet maximaal gebruik maken van de gegevens die al bij andere diensten beschikbaar zijn (Art. 12 van het Charter van de klantvriendelijke overheid)25.

De formulieren worden vanaf 2016 herzien in functie van het only-once principe. Ter identificatie van de sociaal verzekerde zal telkens het rijksregisternummer vermeld worden.

2.3. De bewijskracht van elektronische informatiegegevens

De elektronische informatiegegevens (bijv. van het Rijksregister) gelden tot bewijs van het tegendeel en kunnen geldig gebruikt worden ter vervanging van de gegevens uit de bevolkings- en vreemdelingenregisters.

Verschillen tussen de gegevens in het Rijksregister en andere officiële documenten

Bij koninklijk besluit26 is bepaald dat wie verschillen vaststelt tussen de gegevens in het Rijksregister en andere officiële gegevens, verplicht is dit onmiddellijk te melden aan het Rijksregister. Aan de kinderbijslagfondsen wordt daarom gevraagd afwijkingen aan de dienst Monitoring te signaleren die desgevallend contact zal opnemen met de Helpdesk van het Rijksregister. De bepaling om die verschillen rechtstreeks aan het Rijksregister te melden, die was voorzien in de circulaires CO 1272 van 12 oktober 1993 en CO 1381 van 8 februari 2010, vervalt.

2.4. Afschaffing van de eensluidende verklaring27

Een goed leesbare kopie van het document/formulier volstaat

Er wordt aan herinnerd dat de federale overheidsdiensten sinds 31 maart 2004 (art. 508 van de Programmawet van 22 december 2003) geen eensluidend verklaarde documenten meer mogen opvragen.

Aan alle wettelijke of reglementaire verplichtingen is voldaan door het overhandigen van een kopie van het originele document.

Wat te doen bij twijfel over de authenticiteit?

Indien er twijfel bestaat over de authenticiteit28 van een document, moet contact worden genomen met de overheid die de informatie kan bezorgen. Wanneer dat niet volstaat, kan de dienst zich tot de authentieke bron richten. Er moet een ter post aangetekende brief met bericht van ontvangst gestuurd worden naar de persoon die de duidelijke kopie heeft bezorgd. In die brief vraagt u om het originele document voor te leggen en vermeldt u ook de reden hiervoor.

De afschaffing van het eensluidend verklaard afschrift geldt enkel voor kopieën die burgers of ondernemingen moeten voorleggen. Deze maatregel is niet van toepassing op documenten die instellingen in geval van noodzaak onder elkaar uitwisselen (cf. de dienstbrieven inzake het brevet van rechthebbende en Y-ter).

Wanneer is nog een origineel document nodig?

Algemeen geldt dat gezien de evolutie rond digitalisering van het dossier voortaan een kopie, fax of Pdf-afschrift of een digitale foto van goede kwaliteit als bewijsmiddel kunnen worden aangenomen.

Dit neemt niet weg dat verklaringen waarop klaarblijkelijk aan jaartallen, namen, cijfers, stempels,... is "veranderd", zeker aanleiding moeten geven tot een onderzoek van de authenticiteit. De correctheid van de ontvangen gegevens wordt voor validatie voorgelegd aan de authentieke bron.

Het bijgestuurde voorschrift geldt zowel voor het basisdocument als de bijlagen (voorbeeld: bijlagen nagezonden in PDF).

Voor de authentieke bewijzen van geboorte en leven wordt verwezen naar Topic 2 infra (situatie van gezinnen in België). Voor de gezinnen in het buitenland, wordt verwezen naar bijlage II.

2.5. Andere (elektronische) communicatie met de burger

Overeenkomstig het Charter van een klantvriendelijke overheid, goedgekeurd door de Ministerraad van 23 juni 2006, laat elke overheidsdienst communicatie toe met de burgers of de ondernemingen via verschillende kanalen waaronder e-mail, brief, telefoon en fax (art. 6).

De gegevens verkregen via andere kanalen dan brieven of formulieren (e-mail, telefoon of fax) moeten worden aanvaard voor de vaststelling van het recht indien voldoende identificatie van de afzender of de nodige technische maatregelen inzake de authenticiteit van de handtekening (elektronische handtekening op de e-ID) van toepassing zijn.

Wanneer de sociaal verzekerde de mogelijkheid wordt gegeven om de gegevens van zijn kinderbijslagdossier elektronisch te raadplegen, dient de verbinding met de website van het kinderbijslagfonds te gebeuren via de eID (of token) wat niet alleen de toegang tot vertrouwelijke gegevens beschermt, maar eveneens de authenticatie van de bijslagtrekkende en diens handtekening waarborgt. De toegang op basis van enkel een paswoord beschermt onvoldoende de vertrouwelijke gegevens29.

Elke dienst beantwoordt brieven met brieven en e-mail met e-mail, tenzij de gegevens van die aard zijn dat een elektronische communicatie niet wenselijk is (bijv. motivering van beslissing in het kader van het Handvest of de betekening van een debet). Aangetekende zendingen worden enkel gebruikt indien dit echt noodzakelijk is of wanneer dit wettelijk zo is bepaald (Art. 9 van het Charter).

Voor de kinderbijslagsector betekent dit in concreto dat aangetekende zendingen enkel gebruikt worden:

  • voor het stuiten van de verjaringstermijn30 van 3 of 5 jaar voor onverschuldigde betalingen. De verjaring is enkel gestuit als de aangetekende zending gebeurt op het officieel adres volgens het Rijksregister.
  • voor de vraag om intersectoriële inhoudingen.
Motiveringsbrieven per e-mail

De motiveringsbrieven (o.a. in verband met de stopzetting van de betaling, verandering van bevoegde kinderbijslaginstelling, ...) kunnen per e-mail worden verzonden, indien de bijslagtrekkende (de geadresseerde) zich in die hoedanigheid heeft geregistreerd bij het kinderbijslagfonds. Er is dus geen twijfel over de identificatie (e-mail staat op naam van de bijslagtrekkende).

Opmerking

De brief waarmee een debet aan de bijslagtrekkende wordt betekend, is verplicht in het dossierbeheer, o.a. teneinde de verjaring geldig te stuiten: deze brief dient hoe dan ook per post te worden verzonden. Met het oog op de controle moet altijd een dubbel van de motiveringsbrief in het (elektronisch) dossier worden bewaard.

2.6. Tegenstelbaarheid van telefonisch verkregen inlichtingen

Telefonisch ontvangen inlichtingen van het rechtgevend kind, de rechthebbende of de bijslagtrekkende, de pleegmoeder of de verantwoordelijke van de instelling waar het kind geplaatst is kunnen alleen aangewend worden in functie van de STOPZETTING van de betaling van de kinderbijslag of een toeslag, rang,.. mits aan volgende voorwaarden is voldaan.

Te volgen procedure:
  • Van het telefonisch gesprek wordt een verslag opgemaakt vermeldend

    • datum, uur en de naam, adres en telefoonnummer van de persoon met wie werd gesproken

    • relaas van de meegedeelde feiten

    • de beslissing die genomen wordt n.a.v. de meegedeelde feiten (stopzetting betaling, wegvallen toeslag, ...)

Om als een tegenstelbaar bewijs te kunnen dienen moet:

  • Het telefonisch onderhoud via brief of e-mail schriftelijk worden bevestigd

    • dag, uur, persoon met wie werd gesproken

    • de genomen beslissing

    • vraag om bijkomende inlichtingen

Wordt op de vraag om bijkomende inlichtingen voor de vaststelling van een recht niet gereageerd dan volgt één herinnering (cf. procedure van de ambtshalve beslissing).

Voor de toekenning van een recht kan enkel gebruik worden gemaakt van een authentiek document of een schriftelijke verklaring. Kopieën kunnen wel worden aanvaard (cf. 2.4. Een goed leesbare kopie volstaat)

2.7. De digitale stempel

Bepaalde gemeenten en ook andere overheden maken gebruik van een authentieke digitale stempel om e-documenten op een veilige manier digitaal door te sturen naar de sociaal verzekerde in het kader van de afhandeling van hun kinderbijslagdossier31.

Voorbeeld van de stad Mechelen:

In de barcode op de digitale stempel zijn de gegevens van het document opgeslagen, samen met de digitale handtekening van de stad Mechelen. De barcode kan op verschillende manieren gescand worden en geverifieerd op de site www.mechelen.be/digitale stempele stempel. De stad gebruikt het gekwalificeerde stadscertificaat om te ondertekenen. Dit certificaat staat gelijk aan de stempel en handtekening van een ambtenaar. Aangezien de e-documenten een authentieke digitale stempel bevatten en kunnen geverifieerd worden, voldoen ze aan het wettelijk kader en zijn ze rechtsgeldig.

2.8. Informatieuitwisseling bij betaling aan een andere persoon dan de wettelijke bijslagtrekkende

Alle gegevens aangaande de vaststelling van het recht (statuut van het kind, gezinssituatie en gezinsinkomen) dienen opgevraagd te worden aan de wettelijke bijslagtrekkende in de zin van Art. 69 en  Art. 70 AKBW.32 Daarnaast ligt het voor de hand dat briefwisseling met informatie aangaande de betalingen, de samenstelling van de bedragen of debetbrieven de persoon aanbelangen die werkelijk de kinderbijslag ontvangt. Het is noodzakelijk om geval per geval te evalueren voor wie de informatie bestemd is door enerzijds de juridische actor te onderscheiden die de informatie dient aan te leveren bepalend voor de vaststelling van het recht en de betaling en anderzijds  de persoon die een rechtmatig belang heeft bij het verkijgen van de informatie.

Een "voogd ad hoc" is een vertegenwoordiger van het kind zonder algemeen mandaat. Bijgevolg heeft de voogd ad hoc alleen recht op informatie in verband met kinderbijslag van het rechtgevend kind, meer bepaald  enkel beperkt tot het bedrag van de uitbetaalde kinderbijslag (Cf.996/84 van 26 maart 2008).

3. De gegevensinwinning met formulieren per thema

Topic 1 - De overschrijving op een zichtrekening in het binnen- en buitenland

3.1.1. De wettelijke bescherming van de tegoeden op de rekening

Overeenkomstig Art. 1410, §2, 1°, van het Gerechtelijk wetboek worden de gezinsbijslagen beschermd tegen overdracht en beslag. De uitkeringen verliezen evenwel deze bescherming na creditering op een zichtrekening, doordat ze niet langer als zodanig identificeerbaar zijn.

De wet van 27 december 2005 houdende diverse bepalingen heeft het Gerechtelijk wetboek op dit punt aangevuld en voorziet in de toekenning van een bijzondere code aan bepaalde uitkeringen bij storting op een rekening. Het KB van 4 juli 2006 geeft met ingang van 1 januari 2007 uitvoering aan de voormelde bepalingen (cf. de omzendbrief van FAMIFED, CO 1361 van 6 november 2006).

Het infogedeelte van het formulier Mod. W werd overeenkomstig deze gewijzigde regelgeving aangepast, om op die manier de sociaal verzekerde voldoende te informeren.

3.1.2. De SEPA-overschrijving

Het formulier W werd tevens aangepast aan de Europese richtlijn met betrekking tot de uitvoering van Europese overschrijvingen. Het rekeningnummer van de begunstigde werd vervangen door de IBAN-code met 16 alfanumerieke karakters. Bovendien wordt de BIC-code voor de identificatie van de bank van de begunstigde op het formulier gevraagd.

Voor de overschrijvingen naar het buitenland werd een formulier W-int ontwikkeld.

3.1.3. De basisbankdienst

Overeenkomstig Art. 3 van de Wet op de Basisbankdienst (BS 24 maart 2003) moet iedere consument die zijn hoofdverblijf heeft in België voor maximaal 12,62 euro (niet-geïndexeerd)33 per jaar een zichtrekening kunnen openen bij een kredietinstelling en bepaalde verrichtingen kunnen uitvoeren (= basisbankdienst). Het infoblad bij het formulier W bevat een korte verwijzing naar deze wet.

3.1.4. Directe controle van de titularis van de bankrekening meegedeeld door de bijslagtrekkende

De aanvraag voor de betaling op een rekening werd fraudebestendiger en tevens klantvriendelijker gemaakt voor de bijslagtrekkende door de introductie van een nieuwe werkwijze, waarbij de kinderbijslaginstellingen op elektronische wijze een controle uitvoeren op de identiteit van de titularis van een bankrekening bij een bankinstelling die  hiertoe met FAMIFED een conventie heeft gesloten. De bijslagtrekkende hoeft dus voortaan niet meer aan het loket van de bank langs te gaan om de gegevens van zijn financiële rekening te laten attesteren. Echter volgens de met de banken afgesloten overeenkomst dient de bijslagtrekkende hoe dan ook de toestemming te geven om de gegevens direct bij de bank te controleren. Gelet op deze omstandigheid blijft een formulier dus noodzakelijk. Echter een e-mail van de belanghebbende met de mededeling van het (gewijzigde) rekeningnummer, mag ook in aanmerking genomen worden op voorwaarde dat de afzender van de elektronische informatie identificeerbaar is en in het emailbericht uitdrukkelijk vermeld wordt dat men aan het kinderbijslagfonds de toestemming geeft om de bankgegevens te controleren. De instructies van deze procedure tot directe toetsing van de identiteit van de rekeninghouder en het hieraan aangepaste Model Wfeb werden meegedeeld met dienstbrief 996/114 van 9 april 2015. Indien bij de controle van het rekeningnummer blijkt dat FAMIFED geen conventie met de financiële instelling van de bijslagtrekkende heeft afgesloten, stuurt het kinderbijslagfonds een brief aan de bijslagtrekkende met de vraag om de gegevens in verband met zijn financiële rekening, met het model W aan het loket van zijn bank te laten attesteren (procedure beschreven in dienstbrief 999/130 van 16 augustus 2004). Het kinderbijslagfonds kan op zijn website specifiëren voor welke banken er nog gebruik dient te worden gemaakt van het oude formulier om de bijslagtrekkende onmiddellijk correct in te lichten omtrent welk formulier (model W of model Wfeb) ingevuld moet worden.

De controle op het rekeningnummer kan evenmin elektronisch gebeuren in geval van betaling aan een rekeninghouder die niet als bijslagtrekkende in het Kadaster kan geïntegreerd worden. Dit is het geval bij een sommendelegatie waarbij de oude procedure met het Model W van toepassing blijft. De betaling op een rekeningnummer van een voogd, voorlopige bewindvoerder of schuldbemiddelaar gebeurt conform de gerechtelijke beslissing of de gegevens m.b.t. het rekeningnummer worden opgevraagd per brief.

Topic 2 - Het bewijs van geboorte/leven en adoptie

3.2.1. Procedure vóór de geboorte (de aanvraag om voorafbetaling)

De bepalingen van de CO 1386 over de voorafbetaling van het kraamgeld vervangen de overeenkomstige instructies (bijlage 2, Hoofdstuk 1 - punt 2 en bijlage 3, geval 4) bij de CO 1348 van 11 februari 2004.

Het indienen van een aanvraag en de bewijsstukken om een voorafbetaling van een kraamgeld te bekomen

Het model E

Overeenkomstig Art. 73bis, §2 AKBW kan de bijslagtrekkende met ingang van de zesde maand van de zwangerschap het kraamgeld aanvragen en de uitbetaling ervan bekomen twee maanden voor de vermoedelijke geboortedatum die vermeld staat in het bij de aanvraag te voegen medisch getuigschrift. Voor de voorafbetaling van het kraamgeld is steeds een geneeskundig getuigschrift nodig dat ten vroegste vier maanden vóór de vermoedelijke geboortedatum werd ingevuld, wat het kinderbijslagfonds de zekerheid geeft van een correcte betaling.

Om een geldige aanvraag voor de voorafbetaling van het kraamgeld te kunnen indienen, staat op het formulier model E (aanvraag om kraamgeld) vermeld vanaf welk moment de geneesheer (vroedkundige) een voor het kraamgeld dienende verklaring kan afleggen rekening houdend met de vermoedelijke datum van de geboorte (meegedeeld met dienstbrief 999/168 van 2 mei 2013).

Wanneer enkel een medisch attest van de zwangerschap wordt ontvangen zonder een bijgevoegd model E dient bij afwezigheid van tegenstrijdige indicaties ( uit verklaringen of consultatie van het Kadaster) een voorafbetaling van het kraamgeld eerste rang betaald te worden. Wanneer er geen twijfel is over de identiteit van de ouders is er geen bijkomende bevraging van het gezin via een formulier nodig.

De aanpassing van het Model E aan de wetgeving inzake meemoederschap34 werd meegedeeld met dienstbrief 999/175 van 12 mei 2015. In geval van meemoederschap dient het kraamgeld altijd aan de moeder betaald te worden (er is geen keuzemogelijkheid). De kinderbijslag daarentegen wordt aan de oudste (moeder of meemoeder) betaald. Voor betaling op een rekening van de kinderbijslag wordt nog een apart model W gestuurd, tenzij de moeder de oudste is. In 2016 vond een herziening van het model E plaats n.a.v. de screening op de naleving van de Only Once wet. Hierbij gebeurde eveneens een rechtzetting van de onjuiste informatie op het formulier inzake het meemoederschap (de keuzemogelijkheid voor de betaling werd geschrapt).

Wat is een aanvraag om kindergeld (o.a. kraamgeld)?35
  • elk document, feit, gegeven, formulier, ... waaruit het recht op kinderbijslag, kraamgeld, ... blijkt
  • als het kinderbijslagfonds over voldoende elementen beschikt om uw recht vast te stellen, moet geen aanvraagformulier ingevuld worden
  • alle wijzigingen in beroep, identiteit, woonplaats, studies, ... moeten dadelijk aan het kinderbijslagfonds gemeld worden. Neem contact op per telefoon, brief, fax, e-mail of persoonlijk tijdens de kantooruren.

FAMIFED heeft de aanvraagformulieren AA (aanvraag om kinderbijslag), B en Eter (aanvraag om kraamgeld/adoptiepremie) in de hiervoor vermelde zin aangepast en aan de kinderbijslagfondsen bezorgd36.

Naar aanleiding van de voorafbetaling van het kraamgeld wordt het "speciaal geboorteattest" nog steeds gevraagd aan de bijslagtrekkende.

Let wel! De voorafbetaling geldt altijd als een provisionele betaling:

  • een verklaring van feitelijk gezin (mod. J) vragen vóór de geboorte is onnodig als de persoon met wie de moeder ongehuwd samenwoont een "aanvraag om voorafbetaling" van het kraamgeld indient
  • het bewijs vragen van verklaring van het voornemen om te erkennen is eveneens NOOIT noodzakelijk om het kraamgeld te kunnen voorafbetalen

Na de geboorte van het kind dient het recht op kraamgeld en kinderbijslag definitief bepaald te worden rekening houdende met de voorrangsregels, de bevoegdheidsbepalingen37 en desgevallend de procedure van het automatisch onderzoek van het recht (Cf. CO 1326 van 19 januari 2001). De verklaring van feitelijk gezin (mod. J) is wel nodig om na de geboorte van het kind het recht hoofdens de persoon die ongehuwd samenwoont met de moeder (partner van de moeder erkent het kind niet) te kunnen vaststellen en de betaling van het kraamgeld te valideren.

Samenloop met de Gewaarborgde Gezinsbijslag

Richtlijnen voor het invullen van de aanvraag van voorafbetaling kraamgeld als de zwangere vrouw alleen woont zonder haar partner (vermoedelijke vader).

Situatie Richtlijn
De zwangere moeder heeft geen baan of uitkering, al dan niet OCMW-steun en de vermoedelijke vader is NIET gehuwd met een andere vrouw dan de toekomstige moeder. Het kraamgeld wordt provisioneel betaald op basis van de aanvraag van de vader.
De zwangere moeder heeft geen baan of uitkering, al dan niet OCMW-steun en de vermoedelijke vader is gehuwd met een andere vrouw dan de toekomstige moeder. Model E laten invullen op naam van de moeder en overmaken naar deGewaarborgde Gezinsbijslag.

Na de geboorte wordt de bevoegdheid (gewaarborgde gezinsbijslag- werknemersregeling) definitief geregeld gelet op de juridisch vastgestelde afstamming.

Het onderzoek: zie punt 3.2.3.1. Hypothese II (aanvraag hoofdens persoon die GEEN gezinslid is van de moeder)

3.2.2. Procedure na de geboorte

De geboorte van het kind wordt bewezen door ofwel het "speciaal geboortebewijs"38, ofwel door een mailbox afkomstig van het Rijksregister. Zodra geboorte en leven van het kind op één van deze twee manieren vaststaat, is er een voldoende basis om:

  • het kraamgeld uit te betalen of de voorafbetaling van het kraamgeld te staven
  • kinderbijslag uit te betalen

Altijd de mailbox opvolgen om fraude te voorkomen!

Het speciaal geboorteattest om het kraamgeld te bekomen is enkel functioneel om de betalingen van de kinderbijslag toch al te starten, wanneer de mailbox in verband met de geboorte nog niet is ontvangen (wijziging van het Rijksregister).

Om fraude via het nagemaakt "speciaal geboortebewijs" of via verklaringen van zwangerschap in functie van de voorafbetaling van het kraamgeld op het spoor te komen, wordt aan de kinderbijslagfondsen gevraagd in geval van betaling van het kraamgeld ALTIJD de mail-box van het Rijksregister op te volgen. Indien de mailbox niet beschikbaar is aan het einde van de maand die volgt op de geboortemaand: KSZ-nummer (bisnummer) aanvragen om betaling van de kinderbijslag in het Kadaster te kunnen integreren. De D-berichten moeten onmiddellijk verwerkt worden (bijlage 1 bij dienstbrief 997/52bis van 13 mei 2011).

Wanneer geen mailbox is ontvangen wordt vanaf drie maanden na de (vermoedelijke) geboortedatum en uiterlijk voor het einde van de vijfde maand na de voorafbetaling van het kraamgeld, het gegeven getoetst aan de authentieke bron:

  • het Rijksregister consulteren en van deze consultatie een (print)screen bijhouden in het (elektronisch) dossier
  • en/of de gemeente die het speciaal geboortebewijs heeft opgemaakt, vragen de geboorte (of desgevallend het overlijden, doodgeboorte) van het kind te bevestigen
Noot:

De akte van aangifte van een levenloos kind wordt door de ambtenaar van de burgerlijke stand opgemaakt, wanneer de doodgeboorte plaats heeft meer dan zes maanden na de conceptie. In dat geval geeft het doodgeboren kind ook recht op kraamgeld of moet het voorafbetaalde kraamgeld niet worden betwist. De ambtenaar van de burgerlijke stand maakt een geboortebewijs op met de vermelding "levenloos vertoond kind", wanneer een akte van aangifte van een levenloos kind werd opgesteld. Aan het kinderbijslagfonds wordt gevraagd om telkens wanneer geen mailbox is ontvangen, inlichtingen in te winnen bij het betreffende gemeentebestuur over het bestaan van de akte van aangifte van een levenloos kind.

De overlegging van een medisch getuigschrift aan het bevoegde kinderbijslagfonds inzake een miskraam na ten minste 180 dagen zwangerschap volstaat niet om het recht op kraamgeld te vestigen. Indien daarentegen het kind doodgeboren is in het buitenland wordt het bewijs van doodgeboorte (na 180 dagen zwangerschap) geleverd aan de hand van een document uitgaande van de bevoegde buitenlandse overheidsinstantie en bij gebrek hiervan aan de hand van een medisch getuigschrift.

Voorbeeld:

Een aanvraag om kraamgeld wordt ingediend in de achtste maand van de zwangerschap. Het kraamgeld wordt voorafbetaald en het betreft een eerste kind van de ouders. Bij de kennisgeving van de voorafbetaling van het kraamgeld wordt om "het speciaal geboorteattest" gevraagd. Na de geboorte wordt geen mailbox van het Rijksregister ontvangen. Het feit van de geboorte is niet voldoende bewezen om de voorafbetaling van het kraamgeld te staven en om de kinderbijslag te betalen. Vanaf de derde maand na de vermoedelijke geboortedatum en uiterlijk voor het einde van de vijfde maand na de voorafbetaling van het kraamgeld, wordt contact opgenomen met de bevolkingsdiensten van de woonplaats van de moeder (cf. Noot supra).

Opmerking:

De kinderbijslagfondsen moeten geen bijzondere maatregelen meer nemen om het speciaal geboortebewijs te "ontwaarden" wanneer het wordt ontvangen. Is het speciaal geboorteattest het eerste document dat u ontvangt in de procedure tot aanvraag van het kraamgeld, dan wordt dit door FAMIFED beschouwd als een "aanvraag" om gezinsbijslag.

3.2.3. Maatregelen om te voorkomen dat het kraamgeld meer dan eenmaal wordt aangevraagd en uitbetaald

De hiernavolgende procedure geldt in principe zowel voor de betaling van het kraamgeld vóór (de voorafbetaling of de provisionele betaling) als na de geboorte.

3.2.3.1. De consultatie van TRIVIA
Principe:

Gelet op de toegenomen mogelijkheden van de gegevensinwinning via TRIVIA, voert het kinderbijslagfonds ambtshalve een onderzoek uit naar een mogelijke cumulbetaling door de consultatie van de gegevensbestanden.

Hypothese I:

De aanvraag om (vooraf)betaling van het kraamgeld wordt gedaan door een aanvrager behorend tot de hoofdgroep39: (stief)ouder of partner
  • Voor de (toekomstige) moeder, het Kadaster raadplegen + bijhouden van een print(screen) van de consultaties in het (elektronisch) dossier of elk ander bewijs dat de raadpleging aantoont (bijv. checklist van uitgevoerde handelingen)
  • Voor de rechthebbende (de aanvrager van het kraamgeld): consultatie van TRIVIA en onderzoek in functie van de rechtsvaststelling + bijhouden van een print(screen) van de consultaties in het (elektronisch) dossier. Het Rijksregister wordt geconsulteerd (+ bijhouden van (print)screen) of elk ander bewijs dat de raadpleging aantoont (bijv. checklist van uitgevoerde handelingen), wanneer er geen enkel dossier wordt aangetroffen naar aanleiding van de consultatie van het Kadaster (derde mogelijkheid hierna).
Opmerking:

Vooraf aan elke betaling van het kraamgeld, om het even voor of na de geboorte, moet het kinderbijslagfonds altijd het Kadaster raadplegen minstens op naam van de toekomstige moeder, zelfs wanneer het om een tweede en volgende geboorte gaat. De consultatie a posteriori is niet meer nodig.

Vaststellingen en de gevolgen van deze consultatie van TRIVIA:

  • 1ste mogelijkheid: Er bestaat enkel een dossier bij het kinderbijslagfonds dat de aanvraag om kraamgeld heeft ontvangen. Dat kinderbijslagfonds betaalt reeds voor kinderen van de rechthebbende - de aanvrager van het kraamgeld. Het betreft een tweede, derde of volgende geboorte van de rechthebbende. Actie: kraamgeld betalen en integreren (cf. 3.2.3.2. De integratie in Kadaster)
  • 2de mogelijkheid: Er bestaat in het Kadaster een kinderbijslagdossier bij een andere kinderbijslaginstelling = de mogelijkheid van cumul van het kraamgeld. Het kinderbijslagfonds dat de aanvraag heeft ontvangen, neemt telefonisch contact op met de betrokken kinderbijslaginstelling en verwittigt haar van zijn tussenkomst. Actie: Het kinderbijslagfonds dat de aanvraag heeft ontvangen, bevestigt zijn betaling per e-mail of fax. Daarna wordt het kraamgeld onmiddellijk betaald en de betaling in het Kadaster geïntegreerd. (cf. 3.2.3.2. De integratie in het Kadaster).
  • 3de mogelijkheid: Er bestaat in het Kadaster geen kinderbijslagdossier bij een andere kinderbijslaginstelling. Actie: In dat geval wordt het kraamgeld onmiddellijk betaald en de betaling in het Kadaster geïntegreerd. (cf. 3.2.3.2. De integratie in Kadaster).

Hypothese II:

  • De aanvraag om (vooraf)betaling van het kraamgeld wordt gedaan door een aanvrager NIET behorend tot de hoofdgroep, die deel uitmaakt van het gezin, bijvoorbeeld een grootouder of oom van het kind.
  • De aanvraag om (vooraf)betaling van het kraamgeld wordt gedaan door een aanvrager die GEEN deel uitmaakt van het gezin.
  • Voor de (toekomstige) moeder: het Kadaster raadplegen + bijhouden van een print(screen) van de consultaties in het (elektronisch) dossier of elk ander bewijs dat de raadpleging aantoont (bijv. checklist van uitgevoerde handelingen)
  • Voor de rechthebbende: (de aanvrager van het kraamgeld): consultatie van TRIVIA en onderzoek in functie van de rechtsvaststelling + bijhouden van een print(screen) van de consultaties in het (elektronisch) dossier of elk ander bewijs dat de raadpleging aantoont (bijv. checklist van uitgevoerde handelingen);
  • Voor de potentiële rechthebbenden: (volgens de gezinssamenstelling): consultatie van Trivia louter om cumulbetalingen te vermijden + bijhouden van een print(screen) van de consultaties in het (elektronisch) dossier van de gezinsleden of elk ander bewijs dat de raadpleging aantoont (bijv. checklist van uitgevoerde handelingen).

Vaststellingen en de gevolgen van de consultatie van TRIVIA:

  • Indien uit het onderzoek blijkt dat het kraamgeld niet in de AKBW (werknemers40/zelfstandigen) dient te worden betaald, dan wordt de aanvraag doorgezonden naar de gewaarborgde gezinsbijslag. De sociaal verzekerde wordt hiervan verwittigd.
  • Indien uit het onderzoek blijkt dat het kraamgeld in de AKBW (werknemers/zelfstandigen) dient te worden vastgesteld, wordt als volgt tewerk gegaan:
    • 1ste mogelijkheid: Er bestaat enkel een dossier bij het kinderbijslagfonds dat de aanvraag om kraamgeld heeft ontvangen. Actie: Het kraamgeld wordt onmiddellijk betaald en de betaling in het Kadaster geïntegreerd. (cf. 3.2.3.2. De integratie in Kadaster).
    • 2de mogelijkheid: Er bestaat in het Kadaster een kinderbijslagdossier bij een andere kinderbijslaginstelling = de mogelijkheid van cumul van het kraamgeld. Het kinderbijslagfonds dat de aanvraag heeft ontvangen, neemt telefonisch contact op met de kinderbijslaginstelling en verwittigt van zijn tussenkomst. Actie: Het kinderbijslagfonds dat de aanvraag heeft ontvangen, bevestigt zijn betaling per e-mail of fax. Daarna wordt het kraamgeld onmiddellijk betaald en de betaling in het Kadaster geïntegreerd. (cf. 3.2.3.2. De integratie in Kadaster).
    • 3de mogelijkheid: Er bestaat in het Kadaster geen kinderbijslagdossier bij een andere kinderbijslaginstelling. Actie: In dat geval wordt het kraamgeld onmiddellijk betaald en de betaling in het Kadaster geïntegreerd. (cf. 3.2.3.2. De integratie in Kadaster).

Er wordt nogmaals aan herinnerd dat de voorafbetaling altijd geldt als een provisionele betaling. Na de geboorte van het kind dient het recht op kraamgeld en kinderbijslag definitief bepaald te worden rekening houdende met de voorrangsregels, de bevoegdheidsbepalingen41 en desgevallend de procedure van het automatisch onderzoek van het recht (cf. CO 1326 van 19 januari 2001).

3.2.3.2. De integratie in het Kadaster

Om de cumulatie van betalingen van het kraamgeld te voorkomen wordt aan de kinderbijslagfondsen gevraagd, uiterlijk op de dag waarop de uitbetaling van het kraamgeld geprogrammeerd is42, de betaling en de gegevens over de bijslagtrekkende, de rechthebbende en alle potentiële rechthebbenden ("vierde" actoren, cf. de schema's in bijlage) in het Kadaster te integreren.

3.2.3.3. Het "speciaal geboorteattest"

Het kinderbijslagfonds dat het speciaal geboorteattest ontvangt, bewaart het of stuurt het door naar het kinderbijslagfonds dat bevoegd is of het kraamgeld heeft uitbetaald volgens het Kadaster.

Indien de geboorte wordt bewezen door een mailbox van het Rijksregister is het niet meer nodig het speciaal geboorteattest op te vragen. Over de geboorterang wordt beslist op basis van indicaties in het dossier of bij gebreke daaraan op basis van een individuele vraag aan de bijslagtrekkende. Indien er twijfel zou zijn over de geboorterang, bijvoorbeeld wanneer de verklaring over de geboorterang op het Model E of het speciaal geboorteattest niet overeenstemt met de gegevens in TRIVIA, wordt dit in een apart schrijven aan de ouders gevraagd. Wanneer de geboorterang op het speciaal geboorteattest niet overeenstemt met de verklaring op het Model E, heeft een bijkomende bevraging geen meerwaarde. De verklaring op het speciaal geboorteattest betreft de informatie uit de authentieke bron en moet niet in twijfel getrokken worden voor zover deze in overeenstemming is met de gegevens in het Kadaster. Het volstaat dat het kind van een van beide ouders het eerste kind is om de eerste rang toe te kennen. De CO 1318 van 15 januari 1999 is sinds 2009 opgeheven.

Op het Model E werd de formulering van vraag 4 aangepast om elke onduidelijkheid over de geboorterrang uit te sluiten.

3.2.3.4. Bevriezing van de bevoegdheid vanaf 1 januari 2018

Conform CO 1415 van 8 september 2017 wordt ook de bevriezing van de bevoegdheid toegepast in de gevallen waarin het kinderbijslagfonds in 2017 volgens de actuele regels het kraamgeld heeft voorafbetaald voor een kind dat geboren wordt na 31 december 2017. In die omstandigheden is het kinderbijslagfonds dat volgens de actuele regels bevoegd was voor de voorafbetaling van het kraamgeld in 2017 eveneens bevoegd voor de betaling van de kinderbijslag vanaf de geboorte van het kind in 2018.

De voorafbetaling van het kraamgeld voor een eerste kind (volledig nieuw dossier) valt niet onder de bevriezing. Deze voorafbetaling dient te worden geregeld volgens artikel 73bis AKBW waarin wordt gesteld dat voorafbetaling van het kraamgeld dient te worden uitgevoerd door het kinderbijslagfonds dat bevoegd zou zijn om de kinderbijslag uit te betalen op de datum waarop de aanvraag om voorafbetaling wordt ingediend.

Gelet op de verschillende gezinsvormen en om te vermijden dat het voordeel van de voorafbetaling zou verloren gaan, dient daarbij de aanvraag van elke potentiële rechthebbende in de zin van art 51 AKBW in aanmerking te worden genomen (cfr. CO 1326 van 19 januari 2001). Deze potentiële rechthebbende dient zijn aanvraag in te dienen bij het kinderbijslagfonds dat overeenkomstig artikel 2 van het bevoegdheidsbesluit van 25 april 1997 in zijnen hoofde bevoegd is. De dubbele betaling wordt vermeden door consultatie en onmiddellijke integratie van de betaling van het kraamgeld in het Kadaster van de kinderbijslag (cfr.supra).

De voorafbetaling van het kraamgeld is een provisionele betaling. Als het kind geboren wordt op of na 1 januari 2018 en bij de geboorte blijkt dat de aanvraag niet is ingediend door de voorrangsgerechtigde in de zin van artikel 64 AKBW, of dat de voorrangsgerechtigde tussen de voorafbetaling en de geboorte van het kind van werkgever veranderd is, geldt voor de betaling van de kinderbijslag de bevriezing. Het dossier wordt dan verder door hetzelfde kinderbijslagfonds beheerd, maar daarbij dient het dossier hoe dan ook op naam van de voorrangsgerechtigde rechthebbende geopend te worden. De bevriezing mag immers geen enkele impact hebben op het toe te kennen bedrag.

Indien het kraamgeld voorafbetaald is door een kinderbijslagfonds dat volgens artikel 2 van het bevoegdheidsbesluit van 25 april 1997 niet bevoegd is in hoofde van de potentiële rechthebbende in de zin van art 51 AKBW, dan is artikel 73bis AKBW niet nageleefd. Bijgevolg dient het dossier dan met een brevet overgedragen te worden aan het kinderbijslagfonds dat op basis van artikel 73bis AKBW en artikel 2 van het bevoegdheidsbesluit van 25 april 1997 wel bevoegd is.

Bij betwistingen tussen kinderbijslagfondsen onderling zal FAMIFED conform dit standpunt beslissen over de bevoegde kinderbijslaginstelling.

3.2.4. Voorwaarden ter bekoming van een adoptiepremie

De kinderbijslagreglementering werd systematisch aangepast aan de hervormingen (o.a. in het burgerlijke recht) op het vlak van de adoptie/afstammingsrecht (Art. 51, §3, 2° AKBW). De AKBW werd aangepast aan de adoptie door partners van hetzelfde geslacht (cf. CO 1382 van 10 februari 2010). Vanaf 1 januari 2015 is het niet meer nodig dat de echtgenote van de moeder het kind adopteert. De partner van de moeder (de meemoeder43) is automatisch ouder van het kind. De wet geldt enkel voor twee ouders van het vrouwelijk geslacht. De onderrichtingen terzake werden meegedeeld met CO 1403 van 27 februari 2015.

Het Art. 73quater AKBW bepaalt de verschillende voorwaarden voor de verkrijging van een premie bij de adoptie van een kind door de adoptant (en/of zijn (huwelijks)partner van verschillend geslacht of 2 mannen).

  • Er moet een verzoekschrift bij de bevoegde rechtbank zijn ingediend of bij ontstentenis daarvan een ondertekende adoptieaktie zijn opgesteld.
  • Het kind moet tot het gezin van de adoptant in België behoren.
  • Als het kind ouder is dan 18 jaar moet het nog studeren, met een leercontract werken of ingeschreven zijn als werkzoekende. Ook voor gehandicapte kinderen tot 21 jaar kan een adoptiepremie betaald worden en nadien tot 25 jaar als ze studeren, een opleiding volgen of werk zoeken.
  • Per gezin kan voor een kind maar één enkele adoptiepremie betaald worden.
  • Er mag voor het kind nog geen kraamgeld of adoptiepremie betaald zijn aan de adoptant of diens (huwelijks)partner.

De adoptant heeft recht op kinderbijslag vanaf de datum dat het kind vóór de adoptie werkelijk opgenomenwerd in het gezin (Art. 51, §3, 2° AKBW). Voor het recht op kinderbijslag ten gunste van een kind voor wie de procedure van adoptie lopend is en dat tot het gezin behoort van de toekomstige adoptant, kan gesteund worden op de MO 446 van 13 oktober 1986 en MO 451bis van 5 augustus 1991.

3.2.4.1. Bewijzen ter verkrijging van een adoptiepremie bij het kinderbijslagfonds
Procedure

Bij interne adoptie (in België) wordt bij de aanvraag om adoptiepremie (Formulier Eter) steeds een kopie van het verzoekschrift bij de bevoegde rechtbank gevoegd.

Bij buitenlandse adopties wordt een kopie van het verzoekschrift of bij gebrek daaraan een kopie van de in het buitenland ondertekende adoptieakte gevraagd.

Het formulier Eter werd in die zin aangepast. Het aangepaste formulier werd bezorgd met dienstbrief 999/180 van 23 januari 2017.

3.2.4.2. Maatregelen om cumulbetalingen tussen de adoptiepremie en het kraamgeld te voorkomen

Voor een kind kan slechts eenmaal een adoptiepremie betaald worden aan de adoptant of aan zijn (huwelijks)partner. Bovendien mag geen van beiden (adoptanten als ze beide adopteren) al kraamgeld of een adoptiepremie hebben ontvangen hebben voor het kind.

Zelfde cumulonderzoek als voor het kraamgeld

De opzoekingen op naam van de ouder(s)(-adoptant)(en) in het Kadaster volstaan in de procedure ter voorkoming van cumul van kraamgeld en adoptiepremie.

Blijkt uit het cumulonderzoek dat geen cumul met een adoptiepremie mogelijk is, dan wordt de adoptiepremie of het kraamgeld (vooraf) betaald. Blijkt de mogelijkheid van een cumul dan volstaat het telefonisch contact op te nemen (met het kinderbijslagfonds) en het resultaat van het gesprek per brief, fax of e-mail te bevestigen. Zijn er na onderzoek niet voldoende gegevens beschikbaar, dan wordt het cumulonderzoek desgevallend afgerond met een controlebezoek bij de persoon die het kraamgeld of de adoptiepremie heeft ontvangen. Dit verbod op cumulatie van kraamgeld met een adoptiepremie voor eenzelfde kind, sluit een verschilbetaling tussen beide in voorkomend geval niet uit (niet meer voor meemoederschap cf. supra). Desnoods heeft een controlebezoek plaats bij de persoon die het kraamgeld heeft ontvangen, wanneer de juiste geboorterang niet kan worden bepaald. Voor de rang van het kraamgeld van een nageboren kind wordt geen rekening gehouden met een geadopteerd kind.

3.2.5. Toepassing van MO 599 voor kraamgeld en adoptiepremie in zelfstandigendossiers

De Mededeling 618 van 2 juli 2014 verduidelijkt dat de  algemene afwijkingen ingesteld onder het regime van de vroegere Kinderbijslagwet ook van toepassing zijn op zelfstandigen. De algemene afwijking uit MO 599 van Art. 73bis, AKBW en Art. 51, §1, 2° of 4° AKBW, kan toegepast worden op zelfstandigen, voor zover de geboorte of adoptie op of na 1 juli 2014 plaatsvond. Voor zelfstandigen dient er in dit geval nagekeken te worden of er een onderworpenheid was aan het sociaal statuut der zelfstandigen voor de vereiste periode.

Topic 3 - De toekenning van een toeslag aan werklozen, zieken, gepensioneerden - Verhoging van de kinderbijslag voor eenoudergezinnen

3.3.1. De provisionele toekenning van de sociale toeslagen en eenoudertoeslag

Met de ontwikkeling van de fiscale flux wordt vanaf 2015 het recht op de sociale toeslagen en de eenoudertoeslag vastgesteld op basis van het gemiddelde van het belastbare44 beroepsinkomen en/of de uitkeringen in aanmerking worden genomen. Naar aanleiding daarvan werd een nieuwe procedure voor de vaststelling van de provisionele betaling van de de toeslagen uitgewerkt waarvan de richtlijnen en de bijhorende formulieren voor het transitiejaar 2015 werden meegedeeld met CO 1400 van 11 december 2014.

Vanaf 1 februari 2016 gelden inzake de provisionele toekenning van de toeslagen de instructies van de bijgestuurde procedure van  CO 1407 van 18 januari 2016 en de verduidelijkingen meegedeeld met dienstbrief 999/121 van 14 maart 2016. Voor het overige blijven de richtlijnen van de CO 1400 van 11 december 2014 onverminderd van kracht.

Met de bijgestuurde procedure van CO 1407 wordt de beslissing m.b.t. de provisionele betaling genomen op basis van het geraamd gemiddeld inkomen. Het gezin dient op het Model S een verklaring af te leggen over het bruto inkomen van  alle voorbije maanden van het kalenderjaar (Cf. 3.4.3  De verklaring op eer om het inkomen aan te tonen). 

Gezinnen in België: Standaardprocedure

Indien geen ambtshalve provisionele toekenning mogelijk is, wordt voor de mogelijk nieuwe rechten op een toeslag binnen de 30 dagen een formulier "Aanvraag om een sociale toeslag" (Mod. S) gestuurd. Wanneer het formulier Mod S niet wordt teruggestuurd in het kader van het eerste onderzoek naar het recht op de toeslag, moet het niet worden herinnerd.

De onmogelijkheid om het recht op een toeslag toe te kennen wegens het ontbreken van het controleformulier Mod. S moet NIET schriftelijk worden gemotiveerd.De controles aan huis (bijstandscontroles voor specifieke éénoudergezinnen) werden afgeschaft vanaf 1 januari 2015.

Aandachtspunten: de zieke bijslagtrekkende en de bijslagtrekkende zonder socio-professionele gegevens

Bij de ambtshalve provisionele toekenning wordt er van uit gegaan dat de bijslagtrekkende enkel een ziekte-uitkering ontvangt. Als het dossier echter aanwijzingen bevat dat de bijslagtrekkende daarnaast een (aanvullende) vergoeding ontvangt, wordt de toeslag niet ambtshalve toegekend, maar onderzocht met een model S (cf. dienstbrief 996/121 van 14 maart 2016).

  • Zieke werknemer met DMFA code 50

Zieke of arbeidsongeschikte werknemers kunnen in het kader van een groepsverzekering aangeboden door de werkgever een supplement op de tussenkomst van het ziekenfonds ontvangen om het inkomensverlies te compenseren. Gezien deze toegekende supplementen in aanmerking genomen worden voor de inkomenstoets aan de hand van de fiscale flux, dient  voor de alleenstaande zieke bijslagtrekkende die nog een arbeidscontract heeft en voor wie DMFA-berichten met code 50 worden ontvangen, aan de hand van een model S te worden onderzocht of een provisionele betaling van de toeslag mogelijk is (geen ambtshalve provisionele betaling).

  • D047 Code U zelfstandige gelijkgesteld wegens ziekte

De bijdragereeks U omvat verschillende soorten van gelijkstellingen (ziekte, legerdienst, voorlopige hechtenis, uitkering mantelzorg). Geen enkel ander gegeven in de flux D047 laat toe om het precieze type van de gelijkstelling te bepalen. De code U dient als basis voor de vaststelling van het recht op de basisbijslag. Enkel wanneer over dezelfde periode tevens een fluxbericht D046 wordt ontvangen, genereert dat gegeven de opbouw van het statuut van langdurig zieke en het onderzoek naar het recht op de toeslag 50ter.

Vermits door zelfstandigen doorgaans een verzekering gewaarborgd inkomen wordt afgesloten om het inkomensverlies bij arbeidsongeschikheid te compenseren en dit belastbaar45 vervangingsinkomen wordt meegeteld bij de inkomenstoets met de fiscale flux46, is het aangewezen om het recht op de sociale toeslag 50ter of de eenoudertoeslag voor de alleenstaande zelfstandige gelijkgesteld wegens ziekte (D046 + D047 code U) steeds te onderzoeken aan de hand van een model S (cf. infra geen ambtshalve provisionele toekenning)47.

  • Bijslagtrekkende zonder socio-professionele gegevens

Na evaluatie van de bevindingen bij de eerste globale toepassing van de fiscale flux wordt afgestapt van de richtlijn uit dienstbrief 996/121 van 14 maart 2016 om ambtshalve provisioneel toeslag toe te kennen aan de alleenstaande bijslagtrekkende van wie geen socio-professionele gegevens gekend zijn in de databanken. Om te vermijden dat ten onrechte de toeslag wordt betaald als betrokkene tewerkgesteld is in het buitenland of als internationaal ambtenaar, wordt het toeslagonderzoek gevoerd aan de hand van het Model S. Op het model S werd op het invulformulier de aankruisoptie 'internationaal ambtenaar' toegevoegd46 om deze gevallen te detecteren en desgevallend over te stappen op de procedure aan de hand van het formulier P19Fisc-A (cf. infra).

Gezinnen in het buitenland of met internationaal ambtenaar als toeslagactor: afwijkende procedure

Voor gezinnen in het buitenland of wanneer een toeslagpartner voor een internationale organisatie werkt, wordt met de verklaring op eer op het formulier P19fisc-A48 gewerkt. Dit formulier is zowel aanvraagformulier als periodieke controleformulier/informatieformulier (Cf. infra).

Toeslagactoren die in België wonen maar in het buitenland werken, vallen onder de reguliere procedure, waarbij er provisioneel betaald wordt op basis van het Model S en het recht definitief wordt vastgesteld op basis van de gegevens die via de fiscale flux worden bekomen. De procedure werd toegelicht in dienstbrieven 999/177 van 17 november 2015 en het addendum van 4 mei 2016.

3.3.2. De definitieve vaststelling van het recht

3.3.2.1. Definitieve ambtshalve beslissing op basis van de fiscale gegevens

In 2017 vond voor de eerste maal de verwerking plaats van de fiscale gegevens van inkomstenjaar 2015 voor de gezinnen in België. In overleg met de kinderbijslagfondsen werd een procedure voor de verwerking van de fiscale gegevens ontwikkeld. De praktische onderrichtingen werden meegedeeld met CO 1412 van 20 februari 2017 en dienstbrief 996/127 van 4 mei 2017 en het addendum van 27 juli 201749.

3.3.2.2. Validatie van de betaalde toeslag op basis van het seriële formulier P19fisc-A50 (gezinnen in het buitenland of als de partner werkt voor een internationale organisatie)

De jaarlijkse zending van het formulier P19Fisc-A geldt als informatieformulier en als controleformulier. Voor deze gezinnen worden de procedures van CO 1386/2014 en de toekenning op basis van de verklaring op eer over het inkomen behouden. Voor de gezinnen die een toeslag ontvangen wordt de procedure van eenmalige herinnering en ambtshalve beslissing (meestal terugvordering van de toeslag) voortgezet51. Wordt er geen toeslag betaald, dan wordt jaarlijks het formulier gezonden op 15 januari52 maar zonder opvolging (info geven). Wanneer één van de toeslagpartners werkt voor een internationale organisatie, wordt het recht definitief vastgesteld op basis van de verklaring over het inkomen van beide partners op het formulier, dat jaarlijks verstuurd wordt in januari. Er vindt geen bijkomende controle plaats van het Belgische inkomen met de fiscale flux53. Van zodra er immers voor één actor geen elektronische fiscale gegevens ter beschikking zijn, gebeurt de vaststelling van het recht op toeslag voor alle situaties in het dossier met een formulier.

Wanneer bij het opvragen van de fiscale gegevens blijkt dat voor bepaalde gezinnen in België geen elektronische belastingaangifte beschikbaar is of wanneer bij de laatste bulkopvraging nog steeds geen fiscale gegevens konden worden meegedeeld via de fiscale flux, dan wordt eveneens een formulier P19Fisc-A naar deze gezinnen gestuurd om de inkomensgegevens op te vragen54. Het formulier werd daaraan aangepast. De definitieve vaststelling van het recht op de toeslag gebeurt in dat geval op basis van de verklaring op eer.

Overzicht van de toeslagformulieren

Naam Aan wie? Verzenddatum
Model S (standaardprocedure a.h.v. de fiscale flux) Aanvraagformulier voor een (provisionele) toeslag - Gezin in België

Ad hoc n.a.v. gebeurtenis (ook voor het onderzoek naar de verderzetting van de provisionele betaling n.a.v. een nieuwe gebeurtenis die een schorsing van de provisionele betaling met zich meebrengt: de gelijkstelling, wijziging gezinssamenstelling)

P19Fisc-A55 (verklaring op eer)

Gezinnen buiten België alsook gezinnen waarbij de partner/echtgenoot werkt voor een internationale organisatie, die ofwel een toeslag ontvangen of er mogelijk recht op hebben

Gezinnen in België van wie geen fiscale gegevens werden ontvangen via de fiscale flux

Jaarlijks op 15 januari Ad hoc n.a.v. gebeurtenis

Bij ontvangst van het fluxbericht met vermelding dat er geen elektronische fiscale gegevens beschikbaar zijn of deze bij de laatste bulkbevraging nog niet werden meegedeeld

P19Fisc B Gezinnen waarbij de partner/echtgenoot werkt voor een internationale organisatie, die ofwel een toeslag ontvangen of er mogelijk recht op hebben

Jaarlijks op 15 januari Ad hoc n.a.v. gebeurtenis

Topic 4 - De toekenning van kinderbijslag of van een toeslag - Bewijs van het inkomen

3.4.1. Het bewijs van de eenoudersituatie

Wanneer naar aanleiding van de consultatie van de gezinsssamenstelling in het Rijksregister blijkt dat de bijslagtrekkende samenleeft met een (huwelijks)partner, geldt het vermoeden van feitelijk gezin. In dat geval wordt een formulier J verzonden voor het onderzoek naar de feitelijke gezinsvorming. Ingevolge het arrest van het Hof van Cassatie van 9 oktober 2017 werd de bewijsvoering voor de weerlegging van het vermoeden van een feitelijk gezin verruimd. Het Hof van Cassatie oordeelde namelijk dat het sociaal-economisch voordeel van het delen van een woning onvoldoende is om bewoners als samenwonenden te beschouwen, maar dat daarvoor tevens vereist is dat betrokkenen huishoudelijke taken (bv. was, onderhoud van de woning, bereiden en nuttigen van maaltijden) gezamenlijk verrichten en hiervoor eventueel financiële middelen inbrengen. Wanneer twee personen op hetzelfde adres gedomicilieerd staan, is er een weerlegbaar vermoeden van feitelijke gezinsvorming. De bewijslast van het tegendeel ligt bij de betrokkenen. Zij kunnen dit vermoeden weerleggen met de verklaring op het model J, waarop zij dienen te beargumenteren waarom zij geen feitelijk gezin vormen en daartoe de nodige bewijsstukken bijvoegen. Het onderzoek wordt verder gevoerd met de bestaande versies van de formulieren J-a en J-info.

Een (elektronische of papieren) kopie van het contract van (onder)verhuring wordt aanvaard als het bewijs ter weerlegging van het feitelijk gezin op voorwaarde dat de huurovereenkomst geregistreerd werd56. Indien het huurcontract binnen de drie maanden na ingang ervan werd geregistreerd, dan is het vermoeden van feitelijk gezin afdoend weerlegd vanaf de begindatum van de huurovereenkomst. Wanneer de registratie na drie maanden plaatsvond, geldt de weerlegging van het feitelijk gezin vanaf de datum van registratie. De vereiste dat ten laatste na drie maanden de domiciliëring in het Rijksregister moet zijn aangepast in de zin van een aparte gezinssamenstelling vervalt echter vermits steden en gemeenten andere maatstaven hanteren om de inschrijving als aparte gezinskern in het Rijksregister mogelijk te maken. De opvolging van de wijziging in Rijksregister dient m.a.w. niet meer te gebeuren.

Weerlegging van de feitelijke gezinsvorming aan de hand van het model J- Procedure

Beginsituatie: betaling van toeslag of verhogde wezenbijslag

  Gegeven Actie
1 Inschrijving "derde persoon" op adres van de bijslagtrekkende Schorsing van de betaling van de toeslag (rekening houdende met de trimestrialisering op basis van de laatste referentiemaand vóór de inschrijving van de "derde persoon"op het adres van de bijslagtrekkende) of van de verhoogde wezenbijslag. Doorbetaling van de gewone kinderbijslag +Verzending model J-a
  Ontvangst verklaring op eer geen feitelijk gezin (J-a) + argumentatie met bewijstukken57

Indien een geregistreerd huurcontract of arbeidscontract werd bijgevoegd: regularisatie met terugwerkende kracht van de verhoogde wezenbijslag of toeslag vanaf de datum van het contract.

Enkel en alleen bij vermoeden van fraude wordt een controle aan huis gevraagd.

3.4.2. Het bewijs van huwelijk in het buitenland

Overeenkomstig het KB van 26 oktober 2004 tot uitvoering van de Art. 42bis en Art. 56, §2, van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders heeft de rechthebbende die uit de echt gescheiden is, gescheiden van tafel en bed of feitelijk gescheiden is, recht op een toeslag onder de volgende voorwaarden:

  1. de bijslagtrekkende is zijn echtgenoot of ex-echtgenoot (gezinstype III) of de andere ouder (gezinstype IV),

    en

  2. deze echtgenoot of ex-echtgenoot of de andere ouder vormt geen feitelijk gezin in de zin van Art. 56bis, §2, van dezelfde wetten en ging geen nieuw huwelijk aan, behalve indien het huwelijk gevolgd is door een feitelijke scheiding.

In toenemende mate worden huwelijken afgesloten in het buitenland waarvan de akte na onderzoek door de Belgische autoriteiten in het Rijksregister wordt geregistreerd. Het komt regelmatig voor dat hieruit onterechte betalingen van een toeslag voortvloeien. Op de formulieren en infobladen opgesteld in het kader van de fiscale flux wordt aan de gezinnen gevraagd dadelijk aan het kinderbijslagfonds mee te delen wanneer een huwelijk in het buitenland is voltrokken (Cf. de bijlagen bij CO 1400).

Met dienstbrief 996/119 van 29 september 2015 werd ingevolge het arrest nr. 6/2015 van 22 januari 2015 van het Grondwettelijk Hof meegedeeld onder welke voorwaarden de bijslagtrekkende na een huwelijk in het buitenland tijdelijk nog aanspraak kan maken op de eenoudertoeslag, wanneer aan de buitenlandse echtgeno(o)te nog geen visum werd toegekend en om die reden samenwoonst nog niet mogelijk is.

3.4.3. De verklaring op eer om het inkomen aan te tonen

De beslissing tot provisionele betaling van een sociale toeslag of eenoudertoeslag gebeurt op basis van een verklaring op eer van het gezin. Voortaan dient het gezin een verklaring op eer af te leggen over de beroeps- en vervangingsinkomsten voor alle voorbije maanden in het betrokken kalenderjaar, zodat op basis daarvan het jaarinkomen kan worden geraamd op grond waarvan het kinderbijslagfonds besluit om al dan niet provisioneel de toeslag toe te kennen (Cf. CO 1407 van 18 januari 2016 over de gewijzigde procedure inzake de provisionele betaling). Er hoeven niet langer bewijsstukken te worden bijgevoegd. De definitieve beslissing gebeurt immers op basis van de fiscale gegevens.

De verklaring op eer over het inkomen zonder meer geldt enkel nog voor de vaststelling van het recht op een toeslag voor gezinnen die buiten België wonen of in geval een van de toeslagactoren buiten België of voor een internationale organisatie werkt en geen elektronische fiscale gegevens worden ontvangen.(Cf. supra)

Met CO 1407 van 18 januari 2015 en dienstbrief 996/121 van 14 maart 2016 werden de in aanmerking te nemen inkomsten voor de berekening van het gemiddeld belastbaar inkomen verder toegelicht.

Er werd beslist dat de fiscale flux vanaf 1 januari 2015 enkel en alleen zal worden ingevoerd voor de vaststelling van het recht op de toeslagen (Cf. CO 1400), dus niet voor de rechtgevende kinderen.

Voor de studenten bedoeld in Art. 3 van KB van 10 augustus 2005, onderworpen aan de inkomensnorm (deeltijds leren - deeltijds werken/"werkplekleren"/studenten die een duale of alternerende opleiding volgen) en de werkzoekende schoolverlaters tijdens de beroepsinschakelingstijd, moeten de verklaringen op eer over het inkomen (o.a. op de formulieren P7, de module "werken leren _RIP" en P20) worden aangenomen tot bewijs van het tegendeel58.

Bij de verklaring op eer over het inkomen op het formulier dienen voordelen die voortvloeien uit het uitoefenen van de winstgevende activiteit of de stage-overeenkomst/alternerende overeenkomst (premies en bonussen) in rekening te worden gebracht om te bepalen of de inkomstennorm werd overschreden. Met maaltijdcheques en auteursrechten (alsook naburige rechten)59, vergoedingen voor materiaalkosten , verplaatsingskosten of kledijvergoeding wordt daarentegen geen rekening gehouden. Bij de eerstvolgende aanpassing van de betreffende formulieren zal deze informatie toegevoegd worden op het infoblad.

Voor de rechtgevende kinderen worden de bestaande procedures verder toegepast60. Bij de vaststelling van het recht op de kinderbijslag voor de jongeren verbonden door een leerovereenkomst of alternerende overeenkomst, de studenten op wie de inkomensnorm van toepassing is en de werkzoekende schoolverlaters worden vanaf 1 januari 2015 verder de huidige inkomensnormen toegepast en de administratieve procedures van dienstbrief 999/153 van 1 juli 2009  en dienstbrief 999/178 van 5 juli 2015. (Cf. Topic 6 - De controle met formulieren op de rechtgevende kinderen)

Topic 5 - De toekenning van het recht op wezenbijslag

3.5.1. Controle met het formulier P16

Voor de gevolgen van het meemoederschap voor de wezenbijslag wordt verwezen naar CO 1403 van 27 februari 2015.

Met de omzendbrieven van FAMIFED, CO 1340 van 24 juli 2002 en CO 1355 van 16 januari 2006, werd aan de kinderbijslagfondsen de gewijzigde procedure meegedeeld voor de vaststelling van het recht op wezenbijslag. De verzending van het formulier P16 werd afgeschaft en vervangen door een opvolging via het Rijksregister van de samenwoonst (het feitelijk gezin) of de hertrouw van de overlevende echtgenoot voor gezinnen in België.

Voor de bijslagtrekkenden in het buitenland heeft het formulier P16 geen meerwaarde voor het dossier, bijgevolg wordt het ook afgeschaft voor gezinnen met wezen in het buitenland. Wordt er op het formulier P12 een feitelijk gezin gemeld, dan wordt er zoals voor de gezinnen in België een Model J (verklaring over het niet vormen van een feitelijk gezin) gezonden. Het moet niet meer worden herinnerd.

Het formulier P16 kan nog wel gebruikt worden voor de aangifte van een feitelijke samenwoning waarbij de begindatum verschilt van de officiële datum in het Rijksregister.

In uitvoering van de programmawet van 27 december 2004 wordt het recht op de verhoogde wezenbijslag hersteld (Art. 50bis) op het ogenblik van de scheiding na een huwelijk of op het ogenblik dat de vorming van een feitelijk gezin ophoudt. Het herstel van de verhoogde wezenbijslag geldt alleen voor de weduwe of weduwnaar die gescheiden gaat leven na samenwoonst (feitelijk gezin) met een (huwelijks)partner61Dit geldt dus niet wanneer de overlevende ouder hertrouwd is en niet samenwoont met de nieuwe stiefouder, die bijv. in het buitenland verblijft.

Deze feiten worden bewezen aan de hand van een officieel document62(zie: de geactualiseerde formulierentabel in bijlage). Het Model J (verklaring over het niet-vormen van een feitelijk gezin) of een getuigenverklaring zijn voor deze situatie niet dienstig.

Voor de vaststelling van de verlating van het weeskind (formulier P16com), die aanleiding geeft tot de toekenning van de verhoogde wezenbijslag, gelden de hiernavolgende instructies (Cf. bijlagen).

Vermoeden van verlating van de wees

Voor de wezen die in een instelling of  pleeggezin worden geplaatst, moet steeds de verlating nagegaan worden. Voor de wezen geplaatst in een instelling moet de procedure van verlating van het weeskind worden opgestart (verzending van het formulier P16com Cf. bijlage II, pag. 8) ongeacht de bestemming van het 1/3 van de kinderbijslag en de verklaring op het formulier P3, die onvoldoende is om het vermoeden te weerleggen. Ook voor de wezen geplaatst in een pleeggezin moet het onderzoek naar de verlating worden opgestart, zelfs al wordt de forfaitaire toeslag 70ter betaald.

Dit geldt eveneens voor de vaststelling van het recht op wezenbijslag voor kinderen in het buitenland (aanvraag met mod. B en periodieke controle met het formulier P12).

Er wordt aan herinnerd dat alle ouders (adoptanten) van de rechtgevende kinderen in het Kadaster minimaal met code 105 moeten geïntegreerd zijn in functie van het automatisch onderzoek van het recht op wezenbijslag in België. De in het buitenland verblijvende (gekende) ouder zonder INSZ-nummer moet niet worden geïntegreerd met een bisnummer.

Om de afstamming vast te stellen tussen de overledene en het weeskind werd in het verleden altijd de akte van geboorte opgevraagd bij de gemeente waar het kind is geboren. Er wordt op gewezen dat die procedure overbodig is en dat de verwantschapsgegevens opgenomen in de "samenstelling van het gezin" verkregen via het Rijksregister of het bewijs dat het kind is geboren tijdens het huwelijk van zijn (overleden) ouder(s) en de afstamming niet het voorwerp is van ontkenning van vaderschap door de overleden ouder, volstaan inzake het bewijs van afstamming van de overledene.

Met MO 602 van 12 maart 2008, werden de praktische richtlijnen meegedeeld voor de toepassing van de nieuwe bepalingen inzake de vaststelling van het recht op (verhoogde) wezenbijslag, wanneer de overleden ouder(s) geen recht kunnen doen ontstaan wegens het ontbreken van enige hoedanigheid als rechthebbende in het laatste jaar voor het overlijden. Deze nieuwe bepalingen traden in werking op 1 oktober 2007.

3.5.2. De aanvraag met het formulier Mod. B (de aanvraag om wezenbijslag)

FAMIFED heeft het formulier Mod. B afgestemd op de situatie dat het kinderbijslagfonds niet alle actoren kent, die potentieel in aanmerking komen als rechthebbende voor het recht op wezenbijslag in het kader van de nieuwe reglementering. Wanneer alle actoren gekend zijn en het recht kan worden vastgesteld op grond van de gegevens waarover het kinderbijslagfonds via de gegevensbanken (Trivia, CIMIRe63, ...), databank van de kinderbijslagfondsen, ...) beschikt, dan is het aanvraagformulier overbodig. Het formulier werd aangepast om te voldoen aan de Only-Once reglementering64.

Topic 6 - De controle met formulieren op de rechtgevende kinderen

Aangezien de fiscale flux niet van toepassing is voor de rechtgevende kinderen betekent dat dat bij de vaststelling van het recht voor de jongeren verbonden door een leerovereenkomst/alternerende overeenkomst, de studenten op wie de inkomensnorm van toepassing is en de werkzoekende schoolverlaters vanaf 1 januari 2015 verder het brutobedrag van de beroepsinkomsten en/of uitkeringen in aanmerking wordt genomen en dat de gegevensinwinning verder met de formulieren gebeurt.

3.6.1. Aanpassing van het formulier P7 (studenten) aan de nieuwe onderwijsstructuur

Aan de universiteiten en hogescholen is ingevolge de Bolognaverklaring een nieuwe onderwijsstructuur, de zogeheten Bama-hervorming, van toepassing. Nu wordt de titel van bachelor, na drie jaren, en deze van master, na minstens een jaar verleend in de plaats van de graad van kandidaat en van licentiaat. Studiepunten nemen de plaats in van lesuren. In het kader van de flexibilisering is het voor alle jaren mogelijk met een individueel studietraject in een semestersysteem te studeren aan de universiteiten en hogescholen.

Voor het hoger onderwijs volstaat het te zijn ingeschreven voor een voldoende aantal uren (13 uren per week voor niet in studiepunten uitgedrukte opleidingen, bijv. hoger onderwijs sociale promotie, onderwijs in het buitenland, ...) of voor 27 studiepunten - ten laatste op 30 november - om recht te hebben op kinderbijslag voor een volledig academiejaar.

Voor het hoger onderwijs, is wat betreft de toekenning van de kinderbijslag, de verplichting regelmatig de lessen te volgen weggevallen (KB van 10 augustus 2005), ook inzake de (nog) niet in studiepunten uitgedrukte opleidingen (buiten BAMA).

De reglementering inzake de kinderbijslag werd aan de nieuwe ontwikkelingen op onderwijsvlak aangepast door het KB van 10 augustus 2005. FAMIFED heeft in samenwerking met de kinderbijslagfondsen het formulier P7 (recht op kinderbijslag voor studenten) voor de hogescholen en universiteiten volledig afgestemd op de elektronische gegevensuitwisseling met de flux D062. De kinderbijslagfondsen worden ten laatste in de maand juni van elk jaar op de hoogte gesteld van de wijzigingen aan de procedure van gegevensinwinning voor de studenten (Cf. dienstbrief 999/172 van 4 juli 2014).

Wanneer het formulier P7 wordt herinnerd is het niet meer nodig het infogedeelte nogmaals mee te zenden (P7-info).

FAMIFED heeft vanaf het school- en academiejaar 2013-2014, in overleg met de kinderbijslagfondsen een grondige wijziging doorgevoerd van de formulierenprocedure P7 voor de studenten in de Vlaamse Gemeenschap, waarvoor de gegevens via de flux D062 worden bekomen.

Voor academiejaar 2017-2018 gelden de richtlijnen van dienstbrief 999/172 van 29 juni 2017 met de bijhorende formulieren. Voor het academiejaar 2018-2019 zullen de instructies worden meegedeeld na overleg met de deelentiteiten aangezien binnen dit schooljaar de transitie van de bevoegdheid kinderbijslag naar de regio's zou plaatsvinden.

De aanpassingen van FAMIFED op de formulieren betreffen nooit de periode of het school- of academiejaar. De kinderbijslagfondsen moeten erop toezien dat jaarlijks de juiste controleperiode wordt meegedeeld.

3.6.1.1. De student die de studies stopzet in de loop van het school- of academiejaar - Bewijzen van stopzetting van de studies - Vermoeden van stopzetting van de studies - Stopzetting tijdens de examens

Stopzetting van de studies voor een BAMA-student

Overeenkomstig Art. 10 van KB van 10 augustus 2005 is de kinderbijslag voor de student niet langer verschuldigd wanneer de studies in de loop van een academiejaar worden stopgezet of teruggebracht tot minder dan 27 studiepunten. Dit geldt eveneens voor de uitschrijvingen in de loop van de "examenmaand" juni. In de Vlaamse/Duitstalige Gemeenschap wordt een uitschrijving systematisch gesignaleerd via de flux D062. In de Franse Gemeenschap gebeurt dat door middel van een verklaring op eer of een verklaring van de onderwijsinstelling die het gezin spontaan moet doorsturen naar het betrokken kinderbijslagfonds. Voor de bewijzen van stopzetting van de studies worden evenwel alle rechtsmiddelen aanvaard (attesten, formulieren, verklaringen, fluxen, ...). Indien het gezin meldt dat de jongere de studies heeft stopgezet op welke manier de informatie ook verkregen wordt, moeten de betalingen worden geschorst en de betrokkene worden ingelicht zich als werkzoekende te laten registreren. Er bestaat een vermoeden van de stopzetting65 van de studies als de student zich laat inschrijven als werkzoekende en voor die inschrijving een flux D043 (of het papieren attest A200 of een geldige verklaring) wordt ontvangen. Dit principe geldt zowel voor inschrijvingen in de vakantiemaanden als voor inschrijvingen in de loop van het academiejaar. Voor de uitschrijvingen als student die ontvangen worden met een D062-bericht is het niet meer nodig ter bevestiging nog een P7-A te sturen.

Bijzondere situatie:

Voor inschrijvingen als werkzoekende in de maand juni (vóór de schoolvakantie) neemt FAMIFED aan dat de studies niet werden stopgezet op de datum van de inschrijving in de examenmaand juni, tenzij de stopzetting wordt aangetoond door een verklaring of fluxbericht van de onderwijsinstelling of een verklaring op eer van de betrokkene (bv. verklaring vroegtijdige stopzetting studie op 13 juni).

Daarentegen staat de uitschrijving in de maand juli (fluxbericht D062) gelijk met een uitschrijving op het einde van het academiejaar, die geeft dus recht gedurende de vakantiemaanden. Indien de jongere niet opnieuw ingeschreven is voor een volgend school- of academiejaar gelden de regels inzake de laatste zomervakantie.

3.6.1.2. De student in het buitenland

Voor alle studenten, ook die naar het buitenland gaan studeren, wordt het formulier 'de informatiebrief 18+' of P7-A verzonden.

Provisionele betaling voor de studenten in het buitenland

De gezinnen in het buitenland met studenten ontvangen jaarlijks informatie via het formulier P7-A+ het E-formulier of het bilateraal formulier of het formulier P7-int voor studies in het buitenland. De betalingen worden pas opgestart, wanneer het E-formulier of de P7-int volledig en correct ingevuld en ondertekend werden ontvangen. Het formulier P7-A dat dan nog zou ontbreken en niet meer voor de situatie toepasselijk is, moet dan niet meer worden opgevolgd. Conform de richtlijnen van dienstbrief 999/176 van 3 juli 2015 geldt voor de gezinnen in het buitenland vanaf september 2015 de volgende regeling voor de toekenning van provisionele kinderbijslag voor studenten in het buitenland.

  Provisionele betaling Toepassing
Kinderen in EER Ja – één maand na verzending van het formulier Cf. Art. 9 KB 12 juni 1989
Bilaterale akkoorden Geen Cf. Bilateraal akkoord
MO 599 (studies buiten de EER) Geen Cf. Afwijking
Individuele afwijking Geen Cf. Afwijking

In geval van studies buiten de Europese Unie gelden de MO 599 van 16 juli 2007 en de dienstbrief 999/154 van 15 juli 2009.

Richtlijnen voor de controles ter plaatse bij studies in het buitenland

In het kader van de fraudebestrijding werden met dienstbrief 996/120 van 24 februari 2016 de richtlijnen gegeven om te bepalen in welke gevallen er een controle ter plaatse moet aangevraagd worden. Conform de instructies van deze dienstbrief moet er geen controle ter plaatse meer aangevraagd worden voor studenten die hun studies buiten de EER voortzetten en voor wie de kinderbijslagfondsen over het bewijs (schoolattest of flux D062) beschikken dat deze studenten in de loop van het vorige schooljaar in België, de EER of Zwitserland studeerden.

Als dit bewijs aangaande het voorbije schooljaar, namelijk een schoolattest of een flux D062 niet voorkomt in het dossier, dient het kinderbijslagfonds deze informatie op te vragen met de module Studiebewijs die wordt toegevoegd aan het bilateraal formulier of het formulier P7-int. (Cf. procedure van dienstbrief 999/178 van 5 juli 2016).

Afsluitende formulieren voor kinderen in het buitenland

Voor de afsluitende formulieren in het buitenland wordt zoveel mogelijk dezelfde werkwijze gehanteerd als in België (mutatis mutandis).

Dit betekent concreet:

  • Voor de opleiding tot ondernemingshoofd: P9bis of E-formulier (zoals in België) bij het begin van het recht, daarna jaarlijks en afsluitend
  • Voor de studenten in het voltijds onderwijs: geen afsluitend formulier P7-A; P7(int) of E-formulier bij het begin van het recht en daarna jaarlijks
  • Voor de studenten in het deeltijds onderwijs: idem als voltijds. In de CO 1386/2012 is voorzien om het tewerkstellingscontract op te vragen om het inkomen te kennen (inkomensvoorwaarde nagaan)
  • Voor de leerovereenkomsten: P9 of E-formulier (zoals in België) bij het begin van het recht, daarna jaarlijks en afsluitend
Ambtshalve beslissing wegens ontbrekende gegevens over het nieuwe schooljaar in het buitenland66
  • Formulier E402 / E403 ontbreekt: de betaling is beperkt tot provisionele betaling67. Indien geen reactie volgt na de herinnering (verstuurd na 45 dagen tot 60 dagen) wordt de provisionele betaling teruggevorderd.
  • Bilaterale formulier of P7-int ontbreekt: De betalingen zijn reeds geblokkeerd (geen provisionele betaling). Geen verdere actie indien geen reactie volgt op de herinnering.

Bij gebrek aan gegevens over een beletsel wordt er niet meer teruggekomen op de betalingen uitgevoerd tot de einddatum van de zomervakantie vermeld op het laatste schoolformulier.

Vakantieperiode bij studies in het buitenland (Algemene afwijking - Art. 52 AKBW)

Aangezien de student tijdelijk afwezig wegens studies buiten de EER68 zijn/haar domicilie in België behoudt, voldoet het kind aan de voorwaarden van de MO 599 en is er een vermoeden dat de vakantieperiodes in België worden doorgebracht.  Het vermoeden geldt zolang er geen aanwijzingen zijn van het tegendeel. Zolang er geen afschrijving is in de bevolkingsregisters of anderszins zou blijken dat het kind niet in het gezin was tijdens de vakantieperiode is er geen bijkomende bevraging noodzakelijk. Zou het tegendeel van het vermoeden (niet in het gezin) toch worden aangetoond (bv. op basis van een verklaring van de ouders, een arbeidscontract in het buitenland, een telefoonafrekening in het buitenland,…) dan moet er overeenkomstig Art. 52 AKBW wel een individuele afwijking voor de vakantieperiode worden aangevraagd.

Voor individuele afwijkingen geldt de afwijking voor de duur van de beslissing.

Voortzetting van de studies in het buitenland - academiejaar in de zin van Art. 11 van KB van 10 augustus 2005

Als de student in het volgende academiejaar verder studeert, is er op basis van artikel 11 van het KB van 10 augustus 2005 nog verder recht gedurende 120 kalenderdagen na het einde van het vorige academiejaar.

Gesteld dat het kind in België ingeschreven blijft (MO 599) en nadien recht heeft op Belgische kinderbijslag ingevolge studies in een ander continent dan kan de periode tussen het begin van het huidig academiejaar en de aanvang van het volgende academiejaar, als academiejaar worden beschouwd in de zin van Art. 11 van KB van 10 augustus. Gelet hierop bestaat er nog verder recht op basis van Art. 11 van KB gedurende 120 kalenderdagen na het einde van het academiejaar. Daar het academiejaar pas afloopt in september en er nadien nog een recht op vakantieperiode is, kan er op basis van Art. 11 van KB recht worden toegekend tot januari van het volgend jaar als het kind nadien de studies start in een ander continent

Duur van de Algemene afwijking MO 599 op Art. 52 AKBW

Overeenkomstig de MO 599 zijn er twee types van algemene afwijking, namelijk de "afwijking voor één jaar"69 (A) en de "afwijking voor de studieduur " bij hogere studies in het buitenland wanneer de student noch in België noch in het buitenland een diploma hoger onderwijs heeft behaald (B)70. De algemene afwijking voor één jaar (A) en de afwijking voor studieduur (B) kunnen eenmalig gecombineerd worden gedurende opeenvolgende jaren in combinatiemogelijkheden AB en BA71. Er dient in deze gevallen dus geen individuele afwijking te worden aangevraagd bij de FOD daar de tekst van de MO 599 niet voorziet in de beperking dat men niet eerder van een andere algemene afwijking zou mogen hebben genoten.

De algemene afwijking  voor studies bedoeld in MO 599 punt 2.1. (secundair in België naar secundair in het buitenland) is beperkt tot de duur van een academiejaar of schooljaar volgens wat lokaal van toepassing is. Desgevallend moet voor een bepaalde periode wel een individuele afwijking worden aangevraagd, als volgens de lokale regeling een nieuw schooljaar werd aangevat.

Afstandsonderwijs aan een buitenlandse onderwijsinstelling

Het standpunt aangaande afstandsonderwijs aan een buitenlandse onderwijsinstelling meegedeeld met CO 1386 van 19 februari 2016 wordt herroepen. De verblijfplaats van de jongere (België of het buitenland) is niet bepalend voor het recht op kinderbijslag. Determinerend voor het recht op kinderbijslag is of het afstandsonderwijs wordt gevolgd aan een Belgische dan wel een buitenlandse onderwijsinstelling en of het gaat om niet hoger of hoger onderwijs.

Volgende bepalingen gelden voor het recht op kinderbijslag voor de jongeren die afstandsonderwijs volgen:

In het NIET hoger onderwijs:

  • Belgische onderwijsinstelling: geen recht op kinderbijslag
  • Buitenlandse onderwijsinstelling: criterium van erkenning door de buitenlandse overheid

In het hoger onderwijs:

  • Belgische onderwijsinstelling: criterium van 27 studiepunten (of 13 lesuren per week indien studieprogramma niet uitgedrukt in punten)
  • Buitenlandse onderwijsinstelling: criterium van de erkenning door de buitenlandse overheid; bij gebrek hieraan geldt het criterium van de 27 studiepunten (of 13 lesuren per week indien studieprogramma niet uitgedrukt in punten)

Deze richtlijn voor afstandsonderwijs meegedeeld met dienstbrief 999/178 kan met terugwerkende kracht binnen de perken van de verjaring worden toegepast.

3.6.1.3. Procedure voor de thesisstudent

De aandacht wordt erop gevestigd dat met de dienstbrief 999/169 van 5 juli 2013 de procedure voor de thesisstudenten van de Vlaamse/Duitstalige Gemeenschap ingrijpend werd gewijzigd. Voor de studenten van de Franstalige onderwijsinstellingen (procedure van CO 1374 van 25 september 2008) zijn er geen wijzigingen. De regeling van het diplomajaar op basis van de flux D062 kan slechts eenmaal per opleiding en per graad (bachelor/master) worden toegepast en wel enkel vanaf het academiejaar 2011-2012.  Er is geen ambtshalve herziening voor de vorige academiejaren verplicht. Wanneer er geen informatie over werd ontvangen, geldt er een vermoeden van indiening tijdens de eerste zittijd. De kinderbijslag kan tot maximaal 1 jaar worden toegekend ten gunste van de thesisstudent die tweede zittijd heeft. De tweede indiening van de thesis wordt als de definitieve aanzien. De verklaring van de ouders volstaat dat de jongere een tweede zittijd heeft. Aan de briefmodule thesisstudent2 werd de aankruisoptie "niet geslaagd en tweede indiening in de tweede zittijd" toegevoegd op het antwoordformulier. De aangepaste module werd bezorgd als bijlage bij dienstbrief 999/178 van 5 juli 2016. Vanaf academiejaar 2017-2018 werd de procedure ter opvolging van de thesisstudenten a.h.v. de thesismodules uitgebreid tot de thesisstudenten van de Franstalige onderwijsinstellingen. De richtlijnen en het formulier P7, dat in functie daarvan werd geactualiseerd, werden meegedeeld met dienstbrief 999/182 van 29 juni 2017.

Voorbeeld

Een student was de eerste maal ingeschreven in een diplomajaar voor 17 studiepunten. De module thesissudent-1 wordt gezonden, maar niet teruggezonden (vermoeden thesisstudent blijft gehandhaafd). De kinderbijslag wordt betaald tot juni van het volgend jaar. Het kinderbijslagfonds stuurt de module thesisstudent-2, om de indieningsdatum te kennen. Op de module thesisstudent-2 of P7-A wordt meegedeeld dat de thesis werd ingediend in juni. In juli laat de student zich inschrijven als werkzoekende. Als gevolg van de indiening van de thesis verliest het kind de hoedanigheid van student voor het derde kwartaal. Als het formulier niet wordt teruggestuurd, geldt het vermoeden van indiening tijdens de eerste zittijd en bestaat evenmin het dubbel statuut voor het derde kwartaal (ambtshalve beslissing)

Variant

De student werkt meer dan 240 uren gedurende het tweede kwartaal. De kinderbijslag wordt geschorst voor het tweede kwartaal zoals voor de andere studenten. Tenzij ander gegeven (inschrijving werkzoekende, D062, P7, ...) geldt het vermoeden dat het kind verder thesisstudent is gebleven tot 30 juni (ambtshalve beslissing). De toekenningsperiode loopt vanaf 1 juli.

De gefractioneerde betaling van het studiegeld

Er kunnen zich problemen voordoen met de regelmatige betaling van de kinderbijslag wanneer de onderwijsinstellingen weigeren het formulier in te vullen of een studieattest uit te reiken, zolang het totale inschrijvingsgeld niet is betaald. In de omzendbrief van FAMIFED, CO 1340 van 24 juli 2002, werd reeds gewezen op dit probleem (pagina 13).

FAMIFED heeft in de loop van 2009 het initiatief genomen om aan de onderwijsinstellingen opnieuw te vragen om dadelijk na de inschrijving het studieattest voor de kinderbijslag af te leveren.

Aan de kinderbijslagfondsen wordt gevraagd problemen te signaleren aan de dienst Monitoring van het Departement Controle van FAMIFED. FAMIFED zal dan contact opnemen met de hogeschool of universiteit.

In het zogenaamde decreet "Paysage"72 wordt gesteld in Art. 102 dat bij betaling van 10% van het studiegeld ten laatste op 31 oktober van het academisch jaar de administratieve documenten (inclusief het inschrijvingsbewijs kindergeld) binnen de 14 dagen ter beschikking worden gesteld. Daarmee werd het probleem van de kinderbijslag en het niet betaalde inschrijvingsgeld decretaal geregeld.

Elektronische studie-attesten van onderwijsinstellingen in de Franse Gemeenschap

De UCL heeft meegedeeld dat vanaf het academiejaar 2014-2015 de studieattesten niet meer via de post maar op elektronische wijze zullen worden overgemaakt, waarna deze door de student moeten worden geprint en bij het P7-formulier worden gevoegd. Verscheidene andere onderwijsinstellingen zijn deze werkwijze gevolgd o.a. de universiteiten van Namen en Luik.

In de dienstbrief 999/172 van 4 juli 2014 werd de volledige procedure beschreven.

Deze procedure is een door FAMIFED goedgekeurde wijze van gegevensuitwisseling omtrent studiebewijzen tussen de onderwijsinstellingen in de Franse Gemeenschap en de kinderbijslagfondsen en kan bijgevolg veralgemeend worden.

3.6.1.4. De provisionele betaling met de code 002

Wordt er met de flux D062 een voorlopige code 002 meegedeeld dan volgt het definitief aantal studiepunten uiterlijk ten laatste met de zending van december die de kinderbijslaginstellingen in januari ontvangen (Cf. bijlage 8 bij de dienstbrief 999/169). In afwachting van de ontvangst van het exact aantal studiepunten volstaat code 002 om er provisioneel te betalen tot en met december (betaling op 8 januari). Bijgevolg zijn er bij de ontvangst van de flux van de maand december drie gevolgen:

  • wijzigingsattest met definitief aantal studiepunten >/= 27: valideren en doorbetalen
  • wijzigingsattest met definitief aantal studiepunten< 27: debiteren
  • geen flux = anomalie -> monitoring inlichten en de betalingen schorsen

De tegenstrijdige verwijzingen in CO 1370 en dienstbrief 999/163 naar de termijn van voorlopige betaling van 4 maanden worden opgeheven.

3.6.1.5. Verplichte stage in het kader van een opleiding tot ondernemingshoofd

Om de stages te kunnen gelijkstellen met lesuren is het noodzakelijk dat de uitvoering van die stage een voorwaarde is voor het bekomen van een wettelijk erkend diploma (Art. 3, 2° van het KB van 10 augustus 2005). Stages na het verwerven van een diploma om beroepservaring op te doen, zelfs al zijn die in overeenstemming met de vereisten voor de gereglementeerde toegang tot een zelfstandig beroep73, of niet verplichte maar sterk aanbevolen stages binnen een opleiding komen niet in aanmerking voor gelijkstelling met lesuren.

3.6.1.6. Procedure voor de zieke student

Dienstbrief 999/176 van 3 juli 2015 geeft een overzicht van de bestaande mogelijkheden om kinderbijslag te verkrijgen voor een meerderjarig kind dat ziek wordt.

Op basis van een medische verklaring wordt de kinderbijslag betaald tot het einde van het lopend schooljaar en altijd minimaal gedurende zes maanden. Voor het kind in het secundair onderwijs kan de FOD Sociale Zekerheid de onmogelijkheid om de lessen te volgen vaststellen. Voor studenten zowel in het secundair als het hoger onderwijs kan de FOD Sociale Zekerheid gevraagd worden de hoedanigheid van kind met een aandoening vast te stellen op basis waarvan de kinderbijslag kan worden toegekend tot 21 jaar.

Na uitputting van voorgaande opties bestaat een laatste mogelijkheid erin dat de jongere een verklaring tekent dat hij/zij zich na de genezing zal inschrijven als werkzoekende (Cf. bijlage bij dienstbrief 999/176). Deze verklaring en het doktersattest gelden als basis om de kinderbijslag toe te kennen als jongere die in de onmogelijkheid was om zich als werkzoekende in te schrijven wegens ziekte. Op voorwaarde dat er binnen de vijf werkdagen na de genezing een inschrijving als werkzoekende volgt, is er recht op kinderbijslag gedurende de hele ziekteperiode waarin de jonge schoolverlater zich niet als werkzoekende kon laten inschrijven. Een niet tijdige inschrijving als werkzoekende na de genezing leidt tot de terugvordering van de betaalde kinderbijslag74. Als een inschrijving binnen de 5 werkdagen wegens overmacht (overlijden) of gewijzigde omstandigheden (hervatten van studies met recht op kinderbijslag75: 17 lesuren in het niet-hoger onderwijs of minstens 27 studiepunten in het hoger onderwijs, aanvatten van een tewerkstelling), niet mogelijk is, wordt echter op de uitgevoerde betalingen niet teruggekomen. Wanneer het kind de leeftijd van 25 jaar bereikt wordt het dossier afgesloten.

In het belang van de gezinnen mag voormelde regeling binnen de perken van de verjaring worden toegepast met betrekking tot vorige schooljaren.76

De bepalingen in voorbeeld 17 van de dienstbrief 996/82 van 7 maart 2008 werden door bovenstaand standpunt herroepen.

3.6.1.7. Ongewettigde afwezigheid in het niet-hoger onderwijs

Voor de student in het niet-hoger onderwijs is er de verplichting om regelmatig de lessen te volgen.

Het bedrag van de kinderbijslag wordt voor de spijbelende jongere in het niet-hoger onderwijs proportioneel verminderd zonder toekenning van de volledige kinderbijslag voor de laatste verschuldigde maand met de dagen van de door de schooloverheid gemelde afwezigheid.77 Het bedrag van de toe te kennen gezinsbijslag wordt bepaald met toepassing van de volgende formule:

 

(aantal dagen van de kalendermaand - aantal dagen schorsing) X (maandelijks bedrag van de kinderbijslag) /

aantal dagen van de kalendermaand

De periode van ongewettigde afwezigheid wordt gekwalificeerd door de school. Wordt de ongewettigde afwezigheid door de school als periode opgegeven dan wordt het recht voor de volledige aangeduide periode geschorst. De periode van schorsing78 loopt van de dag van de eerste ongewettigde afwezigheid tot en met de dag van de laatste ongewettigde afwezigheid (eventueel de dag voorafgaand aan de periode van schoolvakantie of het weekend).

Worden er daarentegen door de school afzonderlijke dagen afwezigheid opgegeven, dan wordt de kinderbijslag met het aantal afwezige dagen verminderd.

De kinderbijslag voor de kerst- en paasvakantie79 is niet verschuldigd wanneer de jongere in de maand daaraan voorafgaand geheel of gedeeltelijk ongewettigd afwezig is geweest.

3.6.2. Andere aanpassingen van het formulier P7 (studenten)

3.6.2.1. De tewerkstelling van de (deeltijdse) student

Bij de redactie van het formulier P7a werden specifieke vragen aangepast en vervangen door de briefmodule "deeltijds werken-studeren" (Cf. bijlage dienstbrief 999/169) die op zijn beurt werd vervangen door de module “werken leren_RIP” (Cf. procedure dienstbrief 999/178 en bijlage bij het addendum van 21 november 2016 bij dienstbrief 996/117bis). Deze module is bedoeld voor bepaalde categorieën van studenten die een beroepsactiviteit uitoefenen en voor wie niet de uurnorm maar de inkomensnorm geldt (stagiairs en deeltijds studerenden80 bedoeld bij de artikelen 3, 14 en 15 van KB van 10 augustus 2005). Voor hen kan geen opvolging met DMFA gebeuren, idem voor de tewerkstelling in het buitenland (Zie ook 3.6.3. Debetpreventie). Aangezien de fiscale flux op hen niet van toepassing is, moeten verklaringen op eer verder als bewijsmiddel worden aangenomen.

3.6.2.2. De heroriëntatie in de loop van het academisch jaar en het hoger beroepsonderwijs

In 2009 werd het formulier P7 aangepast aan de innovaties in het onderwijs met betrekking tot de flux D062 en het hoger beroepsonderwijs (zie: dienstbrief 997/69ter van 24 september 2009).

Ter herinnering

Wanneer als gevolg van desintegratie van het kind uit het Kadaster (tewerkstelling, verblijf in het buitenland, ...) op later moment de gegevens van de flux D062 niet worden ontvangen, dan neemt het kinderbijslagfonds contact op met de dienst Monitoring op basis van de informatie over de studiehervatting verkregen van het gezin. (cf. Briefmodule "15 november" van de procedure beschreven in dienstbrief 999/176 van 3 juli 2015).

3.6.2.3. Aanpassing als gevolg van de hervormingen van het alternerdend onderwijs

In functie van de hervorming van het alternerend leren in het Waalse Gewest, de Franse Gemeenschap en de Franse Gemeenschapscommissie, werd het formulier P7 aangepast. Vanaf 1 september 2015 vervangt "le contrat d'alternance", dat onder de toepassing valt van Art. 3 van KB van 10 augustus 2005, zowel het leercontract van het IFAPME / de SFPME81 als de overeenkomst voor socioprofessionele inschakeling van de CEFA's82 in de betreffende deelentiteiten. In het schooljaar 2017-2018 wordt door de opleidingsoperatoren opnieuw gewerkt met het verkort formulier P7 (Cf. procedure 996/117 van 18 september 2015).

Het formulier P7 en de informatiebrief 18 + werden eveneens aangepast aan het Decreet Duaal Leren83 en het Decreet Alternerende Opleidingen84 in de Vlaamse Gemeenschap85.

Vanaf 1 september 2016 vervangt de overeenkomst alternerende opleiding, die een gemeenschappelijke overeenkomst en onder toepassing valt van Art. 3 van KB van 10 augustus 2005, zowel het leercontract van de SYNTRA als de overeenkomst voor deeltijds beroepssecundair onderwijs (DBSO) in Vlaanderen en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (Vlaamse Gemeenschapscommissie). Tevens startte vanaf het schooljaar 2016-2017 het proefproject ‘Schoolbank op de werkplek' , waarbij er duale studierichtingen worden georganiseerd in zowel het voltijds onderwijs, het deeltijds onderwijs als de leertijd. Het duaal leren valt onder toepassing van Art. 3 van KB van 10 augustus 2005. De procedure ter opvolging van de inkomstennorm voor het deeltijds/alternerend onderwijs is van toepassing (ook voor de duale opleidingen in het voltijds onderwijs). De administratieve onderrichtingen voor de gegevensverwerking m.b.t. de duale opleidingen werden gegeven met dienstbrief 996/117bis van 19 september 2016 en het addendum van 21 november 2016.

3.6.3. De debetpreventie

3.6.3.1. Verwerking RIP(PPO)- berichten ter opvolging van de inkomstennorm

Om alle jongeren die aan de inkomensnorm zijn onderworpen gelijk te behandelen op het vlak van de opvolging bij een tewerkstelling worden vanaf het schooljaar 2015-2016 conform de procedures meegedeeld in dienstbrief 999/176 van 3 juli 2015 en dienstbrief 999/178 van 5 juli 2016 en dienstbrief 999/182 van 29 juni 2017, de DIMONA/RIP(PPO)-aangiften ingeschakeld bij het onderzoek naar het recht op de kinderbijslag voor de jongeren in het deeltijds onderwijs volgen (het werkplekleren), een duale of alternerende opleiding volgen of een leerovereenkomst afgesloten hebben.

3.6.3.2. De voltijdse student met tewerkstelling: opvolging van de 240-urennorm

De procedure waarbij het recht pas definitief kan vastgesteld worden na ontvangst van het DMFA-bericht, houdt een risico van onterechte betalingen in.

Om te vermijden dat de gezinnen onvoldoende geïnformeerd zijn over de voorwaarden voor het recht op kinderbijslag als student, wordt jaarlijks aan alle Vlaamse gezinnen met studenten van 18 jaar en ouder de informatiebrief 18+ verzonden in plaats van de vroegere éénmalige informatie aan het einde van het onvoorwaardelijk recht van het kind. Voor de studenten van de Franse en Duitse Gemeenschap wordt op het infoblad van het P7-formulier bijkomend de aandacht gevestigd op de verantwoordelijkheid van het gezin aangaande het meedelen van een tewerkstelling van meer dan 240 uur per kwartaal86.

De ambtshalve beslissing – toepassing van de vijfdagenregel (= 38 uren)

Bij gebrek aan een schriftelijke verklaring omtrent het inkomen, beschikt het kinderbijslagfonds over de mogelijkheid om toepassing te maken van de vijfdagenregel. Deze modaliteit maakt een controle ter plaatse overbodig.

De toepassing van deze regel veronderstelt de omkering van de bewijslast. Er kan automatisch een onverschuldigde betaling worden opgemaakt vanaf een tewerkstelling van 5 arbeidsdagen of 38 uren of met arbeid gelijkgestelde dagen (bijv. jaarlijks verlof, wettelijke feestdagen, gewaarborgd loon bij ziekte of ongeval, …). Zijn er minder dan 5 arbeidsdagen of 38 uren, dan mag de geldigheid van de provisioneel uitgevoerde betaling worden aanvaard.

Bewijzen van de 240-uurnorm in geval van werken en studeren

De norm van de 240 uren wordt bewezen voor tewerkstellingen in België aan de hand van de DMFA-berichten87. Vanaf het school- of academiejaar 2012-2013 wordt de bewijslast omgedraaid. De student wiens tewerkstelling in één kwartaal (eerste, tweede of vierde kwartaal) de uurnorm heeft overschreden (> 240 uren) en waarvoor de kinderbijslag diende te worden gedebiteerd, zal voor de overige kwartalen van het betrokken academiejaar (inclusief de daaropvolgende vakantieperiode) geen aanspraak meer kunnen maken op provisionele betalingen. Dit betekent dat in dergelijk geval de DMFA–berichten worden afgewacht voor de betaling van de volgende kwartalen, tenzij voldoende wordt aangetoond dat de betrokken tewerkstelling in het vorige kwartaal die aanleiding gaf tot overschrijding van de norm, heeft opgehouden of dat het arbeidsvolume werd verminderd (< 240 uren). Verklaringen op eer kunnen daarvoor in aanmerking genomen worden. Hoe dan ook blijft een eindbeoordeling kwartaal per kwartaal noodzakelijk. De gebruikersgids Rip en DMFA voor de studenten zal met het oog hierop in overleg met de kinderbijslagfondsen worden aangepast.

Wanneer een rechtsgeldig studiebewijs (P7, een fluxbericht D062 of verklaring) wordt ontvangen, dan mag ook voor een student die meer dan 240-uren per kwartaal werkt (bv. militairen van de Koninklijke Militaire School, doctoraatstudenten, ... ) de integratie niet afgesloten worden in functie van het onderzoek van een mogelijk recht (kwartalen minder dan 240 uren).

Voorbeeld:

De student ingeschreven voor 30 studiepunten. Op 20 januari wordt het DMFA-bericht van het vierde kwartaal van het vorige jaar ontvangen en daaruit blijkt dat de “urennorm” is overschreden. De kinderbijslag voor het vierde kwartaal wordt teruggevorderd, maar tevens wordt de betaling van de kinderbijslag geschorst tot de ontvangst van het volgend DMFA-bericht. Op 20 mei wordt de geschorste kinderbijslag van het eerste kwartaal bijgepast naar aanleiding van de ontvangst van het DMFA-bericht van het eerste kwartaal, tenzij de student verklaarde dat voor het eerste kwartaal het tewerkstellingsvolume is verminderd beneden de urennorm.

Recht op kinderbijslag tijdens de laatste zomervakantie

Een jongere die zich na de zomervakantie inschrijft voor het volgend academiejaar, ook al is het voor minder dan 27 studiepunten, bevindt zich binnen het toepassingsgebied van Art. 11 van KB van 10 augustus 2005. Hierin wordt niet als voorwaarde gesteld dat het om een inschrijving moet gaan van minstens 27 studiepunten of 17 lestijden. Er wordt met andere woorden ook niet vereist dat de betrokkene over een inschrijving moet beschikken die recht geeft op kinderbijslag, zelfs niet in geval van een doctoraatsstudent, voor wie de studiepunten conform Art. 9 van KB van 10 augustus 2005 niet in aanmerking worden genomen.88 Binnen die contouren moet het derde kwartaal als een ‘gewone zomervakantie’ gekwalificeerd worden en mag deze student in die maanden bijgevolg onbeperkt werken zonder zijn recht op kinderbijslag te verliezen. Dit geldt zelfs wanneer de student zich in de loop van het volgende academiejaar na 30 november laat inschrijven (bijv. voor het tweede semester). De student mag onbeperkt werken tijdens de laatste zomervakantie (>240 uren) in geval van inschrijving met code 00 na de zomervakantie. Er is tevens geen toepassing van Art. 48 AKBW in geval een uitschrijving gevolgd is door inschrijving met 00 en de latere bevestiging van het aantal studiepunten.

Voor het buitengewoon onderwijs89 is de 240-urennorm van toepassing

In de flux D062 worden de gevallen van deeltijds onderwijs aangeduid met de code 312. De gevallen die meegedeeld worden met de code 321 (buitengewoon onderwijs) zijn daarentegen niet onderworpen aan de inkomensnorm, maar wel aan de urennorm (Cf. CO 1374 van 25 september 2008, pagina 5). Aan de kinderbijslagfondsen wordt gevraagd bij de codificatie van de gevallen rekening te houden met die speciale categorieën.

De student met een zelfstandige activiteit: nieuwe bijdragecodes in ARZA vanaf 1 januari 2007

Vanaf 1 januari 2017 kunnen de studenten die een zelfstandige activiteit uitoefenen en die hiervoor een aanvraag indienen, genieten van het nieuwe statuut van student-zelfstandige. Tegelijk wordt vanaf diezelfde datum de bestaande bijdrageregeling, waarbij de zelfstandige activiteit van studenten wordt gelijkgesteld met een bijberoep (waarde H in de bijdragereeks) opgeheven. Voortaan hebben deze sociaal-verzekerden een specifiek sociaal statuut.

In aansluiting op de invoering van dit nieuwe statuut van student-zelfstandige werden in de fluxen A301 en L302 (D047 en P047 in de terminologie van het Kadaster) de bijdragereeks vanaf 1 januari 2017 uitgebreid met 3 nieuwe waarden:

  • Reeks 1, indien de student-zelfstandige geen enkele sociale bijdrage is verschuldigd of indien hij tijdens de periode van begin van activiteit en voorlopige bijdrage op een forfaitair inkomen is verschuldigd
  • Reeks 2, indien de student-zelfstandige een verminderde bijdtage is verschuldigd op een inkomen vanaf de helft van het minimuminkomen voor zelfstandigen in hofdberoep
  • Reeks 3, indien de student-zelfstandige een bijdrage is verschuldigd als een zelfstandige in hoofdberoep

Wat betreft het recht op kinderbijslag geldt als student zelfstandige met nieuw statuut vanaf 1 januari 2017 (betaling 8 februari 2017):

a) Bij toepassing 240-uren-norm

  • Reeks 1: vermoeden dat de 240-uren norm niet is overschreden. De betalingen worden voortgezet
  • Reeksen 2 en 3: De betalingen worden geschorst en er wordt een verklaring op eer gevraagd over het aantal gewerkte uren per kwartaal. Ubdueb de student verklaart niet meer dan 240 uren per kwartaal te werken, blijft het recht op kinderbijslag behouden en worden de betalingen geregulariseerd. Deze verklaring dient daarna elk jaar hernieuwd te worden.

b) Bij toepassing inkomensnorm

Voor alle reeksen (1,2 en 3) wordt een verklaring op eer over het bruto-inkomen per maand gevraagd.

De beroepsinlevingsovereenkomst

Met de Programmawet van 2 augustus 2002 werd de mogelijkheid gecreëerd voor studenten om een beroepsinlevingsovereenkomst af te sluiten. Dit is een overeenkomst waarbij een persoon in het kader van zijn opleiding bepaalde kennis of vaardigheden verwerft bij een werkgever door het uitvoeren van arbeidsprestaties. De student met een beroepsinlevingsovereenkomst krijgt een leervergoeding zoals geregeld bij koninklijk besluit.

Sinds 1 juli 2015 is de beroepsinlevingsovereenkomst slechts onderworpen aan RSZ, mits voldaan is aan 6 criteria (Cf. KB van 29 juni 2014 - BS van 8 augustus 2014).

Analoog aan de behandeling van het IBO-contract geldt voor de beroepsinlevingsovereenkomst dat wanneer geen DMFA- bericht met prestatiecode 1 of 301 wordt ontvangen, deze niet meetelt voor beoordeling van de 240-uren norm voor voltijdse en thesisstudenten.

Voor de onderwijsvormen waarbij er toepassing is van de inkomstennorm moeten de inkomsten uit deze overeenkomst bijgeteld worden bij alle andere inkomsten om na te gaan of de inkomensgrens overschreden is. Het vroegere standpunt m.b.t. de inkomensnorm blijft m.a.w. behouden.

3.6.4. De afschaffing van de controle met formulieren P2 en P5 voor de gehandicapte kinderen in België

Of de kinderen met een handicap verder voldoen aan de voorwaarden om recht te hebben op de bijzondere bijslag tot 21 jaar of voor de oudere gehandicapten (+ 25 jaar), werd in het verleden opgevolgd met formulieren. Omdat de winstgevende activiteit kan worden nagegaan met de fluxen (RIP/DMFA/uitkeringsfluxen /Cimire90) via de Kruispuntbank, werd voor de kinderen met een aandoening het formulier P2 afgeschaft vanaf het jaar 2008 door de omzendbrief van FAMIFED, CO 1371 van 15 januari 2008. Voor de oudere gehandicapten werd het formulier P5 al afgeschaft vanaf het jaar 2007 (zie CO 1366 van 16 februari 2007). De afschaffing van het formulier P2 impliceert het gebruik van elektronische codes, waarover informatie werd gegeven in het kader van de actualisering van de gebruikersgids voor de DMFA (zie omzendbrief van FAMIFED, CO 1373 van 5 augustus 2008 en de dienstbrief 996/98 van 24 mei 2011).

3.6.5. De herziening van de ongeschiktheid - Nieuw feit?

Met de dienstbrief 996/92 van 6 mei 2009 werden de in de omzendbrief van FAMIFED, CO 1373 van 5 augustus 2008, meegedeelde voorwaarden voor de aanvraag van een medische herziening gewijzigd.

De inschrijving als werkzoekende en de ontvangst van een werkloosheidsuitkering worden niet meer gedefinieerd als een nieuw feit en leiden dus voortaan niet meer tot een aanvraag om herziening van de medische ongeschiktheid en evenmin tot een schorsing van de kinderbijslag (gewone en bijzondere bijslag van Art. 47 AKBW). Over de tewerkstelling moet de FOD worden geïnformeerd die beslist of een herziening noodzakelijk is. Bij meerdere tewerkstellingen wordt slechts bij de eerste activiteit een T1 bericht verstuurd.

De instapstage91 betreft geen tewerkstelling  in het reguliere arbeidscircuit waardoor deze niet moeten worden beschouwd als een “nieuw feit”  in de zin van dienstbrieven 996/92 van 6 mei 2009 en 996/98 van 24 mei 2011. Voor kind met een aandoening dat een instapstage aanvat, moet bijgevolg geen melding gebeuren aan de FOD.

De schorsing van de bijkomende bijslag is enkel noodzakelijk wanneer de tewerkstelling op zichzelf een beletsel betekent voor de toekenning van de bijkomende bijslag zoals bepaald in Art. 12 van KB van 3 mei 1991 tot uitvoering van de Art. 47, Art. 56septies en Art. 63 AKBW. De gewone kinderbijslag blijft verschuldigd Cf. dienstbrief 996/98 van 24 mei 2011.

Overigens wordt eraan herinnerd dat geen T1-bericht moet worden verstuurd bij tewerkstelling als jobstudent of inschrijving als werkzoekende van de jongere met een aandoening. De toepassing van Art. 48 AKBW werd verduidelijkt in een e-mail van 17 november 2011. Deze regeling geldt voor de 475 uren tewerkstelling als student met verminderde sociale bijdragen. Ze vormen geen beletsel voor de betalingen van de bijkomende bijslag.

3.6.6. Het gehandicapt kind wordt 21 jaar

Er wordt aan de kinderbijslagfondsen gevraagd om drie maanden voor de eenentwintigste verjaardag van het gehandicapte kind het statuut te onderzoeken door een consultatie van Trivia (student, leerovereenkomst, ondernemersopleiding, ingeschreven werkzoekende, tewerkstelling, ...).

Het formulier dat met de inlichtingenbrief wordt verstuurd, moet daaraan worden aangepast. Het is enkel nog aangewezen het formulier P7 mee te sturen, wanneer het statuut van het gehandicapt kind niet is gekend.

Gelet op MO 610 dient het formulier P2 voor de kinderen buiten België slechts verzonden te worden vanaf de zending in september van het jaar waarin het kind de leeftijd van 18 jaar bereikt en niet langer vanaf de leeftijd van 16 jaar. Ook de tabellen in bijlage dienen in die zin te worden aangepast (bijlage 1 - rubriek 2.1 en bijlage 2, blz. 26).

3.6.7. Het kind met een aandoening werkt of geniet een uitkering

De MO 610 van 23 maart 2010 wijzigt de voorwaarden waaraan de activiteiten van een jongere met een handicap of de eruit voortvloeiende sociale uitkering moeten voldoen, opdat deze jongere de bijkomende bijslag zou kunnen behouden. Vanaf 1 januari 2010 hebben de kinderen met een aandoening verder recht op de gehandicaptentoeslag, wanneer hun activiteit of sociale uitkering geen beletsel (een tweede opvangnet) vormen voor de toekenning van de kinderbijslag op basis van Art. 62 AKBW, d.w.z. geen beletsel als (thesis)student, schoolverlater, leerling verbonden met een leerverbintenis of leerovereenkomst of als (deeltijdse)student met een werkstage-overeenkomst (alternerend leren). De dienstbrief 996/98 van 24 mei 2011 heeft de procedure hieromtrent verduidelijkt.

Aangezien de premie toegekend door de werkgever in het kader van een instapstage niet onderworpen is aan sociale zekerheidsbijdragen, is de toekenning geen hinderpaal voor de bijkomende bijslag bedoeld in Art. 47 AKBW.

Het formulier P5 - kinderbijslag voor ouderen met een handicap

Ouderen met een handicap (Art. 47bis AKBW) mogen alleen tewerkgesteld worden in een beschutte werkplaats of een beperkte uitkering ontvangen (Cf. Art. 63 AKBW).

Opgelet! Het ontvangen van een overlevingspensioen is geen beletsel voor de toekenning van de kinderbijslag voor ouderen met een handicap.

Aan de kinderbijslagfondsen wordt vanaf 2007 gevraagd de formulieren P5 niet meer te gebruiken en de noodzakelijke informatie te halen uit de verwerking van de socio-professionele fluxen over de tewerkstelling, de ziekte, de werkloosheid, de beroepsziekte en het arbeidsongeval.

De gegevens over het inkomen uit een pensioen kunnen nog niet elektronisch worden meegedeeld en worden per brief opgevraagd bij de Federale Pensioendienst (FPD) of het Rijksinstituut voor de Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen (RSVZ), vanaf de leeftijd van 60 jaar, behalve wanneer zij gepensioneerd worden naar aanleiding van een tewerkstelling in een beschutte werkplaats of na ziek of werkloos te zijn geweest volgend op een periode van tewerkstelling in een beschutte werkplaats (de laatste tewerkstelling). Het pensioen mag niet hoger zijn dan het gewaarborgd inkomen voor bejaarden, behalve wanneer het voortvloeit uit een tewerkstelling voor gehandicapten in een beschutte werkplaats. Een eenmalig bewijs volstaat.

Voor de oudere gehandicapten met hun domicilie buiten België blijft de verplichting van opvolging met de formulieren P2 (na het onvoorwaardelijk recht) en P5 verder bestaan.

3.6.8. De bijzondere regeling voor vrijwilligerswerk (wet van 27 december 2005 houdende diverse bepalingen)

De formulieren vermelden een algemene formule: "Voor vrijwilligerswerk geldt een speciale regeling. Uw kinderbijslagfonds kan u daarover meer informatie geven."

De wet van 3 juli 2005 stelt het vermoeden in dat als de forfaitaire vergoedingen niet hoger zijn dan een bepaald maand- of jaarbedrag (cumulatieve voorwaarden), het om een activiteit als vrijwilliger gaat. Deze bedragen worden jaarlijks geïndexeerd92.

Er wordt aan herinnerd dat met de omzendbrief van FAMIFED, CO 1357 van 7 juni 2006 (pagina 7), de specifieke regeling voor de opvolging van het inkomen uit vrijwilligerswerk werd meegedeeld.

Actueel standpunt

De FOD Sociale Zekerheid heeft FAMIFED op volgend punt gewezen (brief van 23 april 2008). Wanneer de betrokkene verzekeringsplichtig is voor de sociale zekerheid dan toont het DMFA-bericht in principe aan of deze persoon al dan niet als vrijwilliger wordt beschouwd.

Bestaat daarover twijfel omdat de vrijwilliger verklaart dat het inkomen een terugbetaling is van de kosten, dan richt het kinderbijslagfonds zich tot de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid of tot de diensten van de Sociale Inspectie die zullen beslissen of de betrokken vrijwilliger al dan niet voldoet aan de voorwaarden.

3.6.9. Uitwerking van de ambtshalve herzieningen betreffende kinderen met een handicap (Art. 47 en Art. 63 AKBW) - Procedure voor de arbeidsrechtsmachten - Toepassing van Art. 48, 4e lid AKBW - aard van de gerechtelijke beslissing93

In geval het gezin de ambtshalve beslissing aanvecht voor de rechtbank en het vonnis/arrest bevestigt de ambtshalve beslissing, dan geldt Art. 48 niet (Cf. Art. 23 van KB van 28 maart 2003). Respecteert het vonnis of het arrest de datum van uitwerking van de ambtshalve beslissing niet, dan speelt het vertragingseffect.

Bij een herziening op aanvraag of een nieuwe aanvraag geldt Art. 48 AKBW in alle gevallen.

Wanneer het gezin de herziening van een bestaande beslissing vraagt, kan dit resulteren in de toekenning van ofwel een hoger bedrag ofwel een lager bedrag (Art. 22 van KB van 28 maart 2003 tot uitvoering van de Art. 47, Art. 56septies en Art. 63 AKBW). Wanneer de nieuwe beslissing met terugwerkende kracht de toekenning van een hoger bedrag meebrengt, dan wordt het verschil tussen de verschuldigde en de betaalde toeslag bijbetaald. Wanneer de nieuwe beslissing echter de toekenning van een lager bedrag meebrengt, is er volgens de MO 607 geen sprake van terugvordering. Alle nog uit te voeren betalingen worden volgens de nieuwe beslissing uitgevoerd zonder dat daarbij rekening wordt gehouden met Art. 48, 4e lid AKBW.

Voorbeeld

Het gezin vraagt een herziening aan. Naar aanleiding daarvan ontvangt de kinderbijslaginstelling op 9 januari een nieuwe beslissing waarbij het kind vanaf 1 juli van het jaar voordien slechts erkend wordt voor 14 punten wat de toekenning van een lager bedrag per maand meebrengt. De betaling over januari op 8 februari verloopt volgens de nieuwe schaal.

Toekenning van ambtshalve interesten als gevolg van een rechterlijke beslissing na een administratieve weigering.

Wanneer een kinderbijslagfonds wordt veroordeeld door de arbeidsrechtbank tot het betalen van achterstallige bijkomende bijslag Art. 47 AKBW dienen de intresten altijd ambtshalve te worden uitbetaald ook al spreekt de rechter zich hierover niet uit. Om de gelijke behandeling van alle gezinnen te waarborgen, wordt de kinderbijslagfondsen gevraagd dit in alle gevallen toe te passen. Op basis van Art. 20 van het Handvest van de sociaal verzekerde zijn in die situatie intresten verschuldigd vanaf de datum van opeisbaarheid (datum waarop de betaling moet gebeuren) van de uitkering die volgens de rechter verschuldigd is. CO 1349 van 9 juli 2004 geeft verdere toelichting over de berekening van de intresten.

3.6.10. Nieuwe procedure Handicare tussen FOD en de gezinnen

Vanaf 1 juli 2016 is de gegevensvergaring van de FOD bij de gezinnen aangepast. Voor de procedures van de kinderbijslagfondsen heeft dit geen gevolgen94. Naar aanleiding van een T001-bericht stelt de FOD Sociale Zekerheid een online vragenlijst ter beschikking voor het gezin, die teruggestuurd wordt via de applicatie "Myhandicap". Het gezin moet geen gedrukt formulier meer versturen.

Het kind zal worden uitgenodigd voor een medisch onderzoek en de arts zal zijn beslissing meedelen aan het gezin en aan het kinderbijslagfonds zoals vroeger. De kinderbijslagfondsen ontvangen dus nog steeds via de T002-berichten de vorderingsstaat van het dossier en de medische beslissing door de FOD.

De informatiebrief Module 20, die wordt gestuurd wanneer het kind met een handicap 20 jaar wordt en het gezin informeert over het einde van het recht op kinderbijslag op 21 jaar in de hoedanigheid van kind met een aandoening en tevens uitleg geeft over de procedure voor de aanvraag van een tegemoetkoming in de regeling voor personen met een handicap van de FOD Sociale Zekerheid, werd aangepast aan de gemoderniseerde aanvraagprocedure via de MyHandicap-applicatie.95

Topic 7 - De schoolverlater tijdens de beroepsinschakeltijd

De gegevens betreffende het inkomen van de werkzoekende schoolverlater tijdens de beroepsinschakelingstijd worden verder ingewonnen met het formulier P20. Ook voor de niet-leerplichtige jongeren met een onvoorwaardelijk recht wordt de P20 gezonden aansluitend op de ontvangst van het bericht van inschrijving als werkzoekende (D043), en niet na het einde van het onvoorwaardelijke recht. Op die manier ontvangt het gezin onmiddellijk de informatie over het recht als werkzoekende op het ogenblik dat de inschrijving actueel is.

Iedere inschrijving na rechtsgeldige studies96 geeft recht op een toekenningsperiode van 360 dagen waarbij er recht op kinderbijslag bestaat in de maanden waarbij het bruto-inkomen uit een winstgevende activiteit of het bedrag van een sociale uitkering niet hoger is dan het grensbedrag.97

Nieuwe procedure

Op 10 april 2013 heeft FAMIFED de kinderbijslaginstellingen geïnformeerd over de nieuwe procedure voor de inschrijving van jonge werkzoekenden in beroepsinschakelingstijd. Voortaan worden alle documenten aanvaard, die afgeleverd werden door een Gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling met vermelding van de inschrijving en de datum van inschrijving, om het recht als werkzoekende in de zin van Art. 62, §5 AKBW te onderzoeken. Dus ook wanneer het om een inschrijving in één van de overige categorieën gaat waarvoor geen A200-attest (D043 in terminologie van het Kadaster) wordt verzonden. Er worden immers maar A200-attesten verzonden voor de volgende 3 categorieën: de werkzoekende schoolverlater, de vrije werkzoekende, en de werkzoekende die halftijds werkt. Een kopie van het inschrijvingsdocument diende, in uitvoering van deze nieuwe procedure, naar de dienst Monitoring van FAMIFED gestuurd te worden, zodat deze dienst de werking van de flux D043 kon evalueren.

Ondertussen is uit deze evaluatie gebleken dat de flux D043 functioneert zoals voorzien, namelijk alle inschrijvingen voor de 3 vermelde categorieën werkzoekenden worden ons per elektronisch bericht overgemaakt. De kinderbijslaginstellingen moeten voortaan dan ook geen kopieën van de inschrijvingsdocumenten meer bezorgen aan de dienst Monitoring. Dit neemt niet weg dat alle documenten, die afgeleverd worden door een Gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling met vermelding van de inschrijving en de datum van inschrijving, verder moeten worden aanvaard om het recht als werkzoekende in de zin van Art. 62, §5 AKBW te onderzoeken.

Daarnaast worden de DIMONA/RIP-aangiften ingeschakeld in het onderzoek naar het recht op de kinderbijslag voor de schoolverlaters in de (verlengde) beroepsinschakelingstijd. Dit betekent dat in geval het kinderbijslagfonds RIP-gegevens ontvangt, een nieuw onderzoek naar het recht op kinderbijslag wordt uitgevoerd. Voor het bedrag van het inkomen blijft het formulier op het huidige ogenblik de enige informatiebron. Het is niet mogelijk op een systematische wijze de gegevens vermeld op het formulier P20 te valideren door een consultatie van TRIVIA.

Nieuwe voorbeelden van toepassingen werden verstrekt bij middel van de dienstbrief 996/82bis van 5 augustus 2011.

Wanneer het formulier P20 niet wordt teruggestuurd wordt de vijf-dagenregel98bij ambtshalve beslissing voor de werkzoekende schoolverlaters toegepast (Cf. Topic 9). FAMIFED heeft een dienstbrief uitgevaardigd met geactualiseerde instructies, voorbeelden en een aanpassing van het formulier P20 en de modules (dienstbrief 999/53 van 1 juli 2009).

Debetpreventie

Er wordt in het bijzonder de nadruk gelegd dat om debetten te voorkomen al de Rip-berichten in verband met een tewerkstelling zonder verwijl (binnen de 7 kalenderdagen) en bij voorrang worden verwerkt en aanleiding geven tot de in de hiervoor voornoemde dienstbrief beschreven reacties (schorsing van de betalingen, verzending van het formulier en de module 18bis), zelfs degene met vermelding STU in het derde kwartaal.

Begindatum van de toekenningsperiode
Algemene regel:

Overeenkomstig Art. 1, §2, 1° van KB van 12 augustus 1985 vangt de periode van 360 kalenderdagen (beroepsinschakelingstijd) aan op 1 augustus na het laatste school- of academiejaar (CO 1389 van 16 mei 2012).

Uitzonderingen:
 
Aanvang van de toekenningsperiode Voorrang der bewijsmiddelen - Rangorde bewijskracht99
De dag na de beëindiging van alle activiteiten opgelegd door het studieprogramma indien deze beëindiging plaats heeft na 1 augustus of de dag na de beëindiging van de leertijd100 of vorming. Authentieke bron (uitschrijvingsbericht D062); of bij gebrek daaraan de verklaring op eer op het formulier P7a (vraag 3) of P20 (vraag 2 of 3 van het formulier) of P9.
De dag na de inlevering van een eindverhandeling bij hogere studies of de dag na de onderbreking van de voorbereiding ervan. Authentieke bron (uitschrijvingsbericht D062); of bij gebrek daaraan de verklaring op eer op het formulier P7a (vraag 3), P20 (vraag 2 of 3 van het formulier) of P9.
De dag na het einde van de stageperiode, vereist om in een openbaar ambt te worden benoemd, of de dag na de onderbreking van deze stage. Authentieke bron (verklaring van de stagemeester).
De dag na de datum waarop voortijdig aan nieuwe studies, een leertijd of een vorming een einde werd gesteld, op voorwaarde dat:

a) geen termijn van meer dan vijftien maanden is verlopen tussen het einde van studies, een leertijd of een vorming en het hernemen van studies, een leertijd of een vorming

b) de nieuwe studies, leertijd of vorming minstens zes maanden hebben geduurd indien de in a) vermelde termijn overschreden is.

Authentieke bron (uitschrijvingsbericht D062); of bij gebrek daaraan de verklaring op eer op het formulier P7A (vraag 3), P20 (vraag 2 of 3 van het formulier) of P9.
Voorbeelden
  • De student schrijft zich in voor 60 studiepunten. Tot bewijs van het tegendeel doet de D062 een recht op kinderbijslag ontstaan voor het gehele academiejaar. Op 10 maart ontvangt het kinderbijslagfonds een flux D043 met begin inschrijving werkzoekende op 7 maart (vermoeden van stopzetting van de studies). Er wordt geen D062 uitschrijving ontvangen. De student verklaart op het formulier P20 de studies te hebben stopgezet op 2 maart. De toekenningsperiode vangt, gelet op de verklaring aan op 3 maart 2012, volgens bovenstaand schema als gevolg van gebrek aan gegevens uit de authentieke bron.
  • In een vergelijkbaar geval ontvangt het fonds een flux D043 en een uitschrijving D062 met als uitwerkingsdatum 20 maart. De toekenningsperiode vangt aan op 21 maart, aangezien het gegeven uit de authentieke bron D062 over de stopzetting van studies primeert.
  • In een analoog geval ontvangt het kinderbijslagfonds enkel een inschrijving als werkzoekende (flux D043), maar geen uitschrijving als student (flux D062). De meerderjarige student verklaart echter de studies te hebben voortgezet tot 30 juni op het formulier P7 van 18 september. De toekenningsperiode vangt aan op 1 augustus volgens bovenstaand schema als gevolg van gebrek aan gegevens uit de authentieke bron.
Recht tijdens de zomervakantie na de leertijd/alternerende overeenkomst

Voor contracten gesloten vóór 1 september 2016 (Vlaamse Gemeenschap) en vóór 1 september 2015 (Franse Gemeenschap) begint de toekenningsperiode te lopen de dag na het einde van het contract of de dag na de verbreking ongeacht of de voorwaarden vervuld zijn voor het voortduren vanrecht in de hoedanigheid van Art. 62, §2 AKBW gedurende 3 maanden na de verbreking. Desgevallend bestaat er de dubbele hoedanigheid van het rechtgevend kind. Voor nieuwe contracten (overeenkomst alternerende opleiding/contrat de formation en alternance) die vallen onder Art. 3 van KB van 10 augustus 2005 is de zomervakantie van toepassing zoals voorzien in dit besluit (dubbel statuut voor augustus).

Vrijstelling van inschrijving als werkzoekende

Wanneer de jongere zich niet ingeschreven heeft als werkzoekende, omdat hij beschikt over een RVA attest "Vrijstelling van inschrijving als werkzoekende op basis van Art. 38, 1e lid MB en Art. 98bis, 1e KB" mogen de dagen die meetellen als beroepsinschakelingstijd voor de RVA ook in aanmerking genomen worden voor vaststelling van het recht op kinderbijslag om de coherentie tussen de werkloosheidsregeling en de kinderbijslagwetgeving maximaal te behouden. Ondanks het ontbreken van een inschrijving als werkzoekende kan de kinderbijslag toegekend worden voor de periode vermeld op het attest voor zover alle andere toekenningsvoorwaarden vervuld zijn.

De verlenging van de beroepsinschakelingstijd

Na de toekenningsperiode van 360 kalenderdagen heeft de jongere verder recht op kinderbijslag onder gewone voorwaarden qua inkomen zolang de inspanningen om werk te vinden niet tweemaal positief zijn geëvalueerd. Ingevolge de zesde staatshervorming gebeurt sedert 1 januari 2016 de activering van de werkzoekenden door de Gewestelijke diensten voor Arbeidsbemiddeling. Enkel in het Brussels Gewest gebeurt dit voorlopig nog door RVA. Dit houdt in dat er vier verschillende procedures voor de opvolging van het zoekgedrag naar werk in voege zijn. Met CO 1410 van 10 juni 2016 werd een vernieuwde generieke procedure en de bijhorende formulieren en briefmodules ontwikkeld om ondanks de diversiteit aan opvolgsystemen door de Gewestelijke Diensten voor Arbeidsbemiddeling het recht op kinderbijslag tijdens de verlenging van de BIT volgens één algemene procedure te kunnen vaststellen. Aangezien de kinderbijslagfondsen nog geen toegang hebben tot de gekwalificeerde gegevens uit de authentieke bron (Gewestijke arbeidsbemiddelingsdiensten) en RVA over de resultaten van de evaluaties, blijft het noodzakelijk de gegevens bij het gezin op te vragen aan de hand van formulieren.

Voor de kinderen voor wie de BIT is verlengd moet op het Brevet van rechthebbende (mod. Y) worden vermeld "BIT verlengd tot XX/XX/XXX, met andere woorden de einddatum van de periode van zes maanden volgend op de negatieve beslissing waarin er provisioneel kinderbijslag kan betaald worden in afwachting van de ontvangst van het resultaat van een volgende evaluatie.

Een bijkomende aanpassing van het Nederlandstalige infoblad van het formulier P20 gebeurde n.a.v. de invoering van de overeenkomst alternerende opleiding en het duaal leren in de Vlaamse Gemeenschap en de Vlaamse Gemeenschapscommissie (Cf. dienstbrief 996/117bis van 19 september 2016).

De individuele beroepsopleiding en de instapstage

De inschakelingsuitkering, de opleidingsuitkering en de stage-uitkering dienen te worden meegeteld voor het bereiken van het grensinkomen (Cf. dienstbrief 997/28nonies). Voor de individuele beroepsopleiding (IBO) en de instapstage geldt de productiviteitspremie eveneens als inkomen. Het formulier P20 werd aangepast. (Cf. dienstbrief 999/169 van 5 juli 2013).

Nieuwe waarde TRI - Instapstage

In het kader van het Relanceplan heeft de federale regering een aantal maatregelen opgenomen die de tewerkstelling in de horecasector moeten aanmoedigen. Deze maatregelen hebben een invloed op het Dimona-bericht (D051), dat inhoudelijk werd aangepast.

Zoals vermeld in CO 1386, u overgemaakt per mail op 24 februari 2014 met het onderwerp "CO 1386 - 2014 jaarlijkse evaluatie van de behoeften aan informatie met elektronische en papieren dragers" bestaat er een nieuwe waarde TRI in de zone KindofWorker van het Dimona-bericht. Deze waarde toegevoegd worden in de berichten die worden doorgestuurd vanaf 01 april 2014. Vanaf 1 april 2014 dient deze code dus verwerkt te kunnen worden door de kinderbijslaginstellingen.

a) Algemeen

In het kader van het Relanceplan werd op 1 januari 2013 een contingent van 10.000 plaatsen voor werkplekleren gecreëerd voor laaggeschoolde schoolverlaters. Door middel van een instapstage van maximum 6 maanden kan de laaggeschoolde schoolverlater tijdens zijn beroepsinschakelingstijd (de vroegere wachttijd) kennismaken met de arbeidsmarkt. De schoolverlaters ontvangen tijdens deze instapstage een vergoeding, die wordt beschouwd als een looncomponent. De stagiairs zullen een stage-uitkering ontvangen van 26,82 euro per dag van RVA, en een maandelijkse vergoeding van maximum 200 euro van de werkgever.

De werkgevers melden de indiensttreding van deze stagiairs via Dimona-attesten (D051-attesten in de terminologie van het Kadaster). Deze stagiairs worden aangeduid met de nieuwe waarde TRI in de zone KindofWorker. Deze waarde is beschikbaar via consultatie- en distributiestroom. Vanaf 01 april 2014 zullen de mutatieberichten D051 alle instapstages vermelden en kunnen via de consultatiestroom P051 ook alle instapstages sinds 01 januari 2013 worden op gezocht. Ook wordt er voor deze stagiairs een D042-attest verstuurd naar aanleiding van de stage-uitkeringen die RVA hen uitkeert. Uit de zone NrOfControlledDays in deze attesten kan worden afgeleid hoeveel dagen deze stagiairs vergoed werden. Deze gegevens zijn tevens beschikbaar via de con sultatiestroom P042.

b) Toepassing in de praktijk

Rechtsvaststelling vanaf de datum van de ontvangst van de Dimona-berichten met vermelding TRI (1 april 2014)

Vanaf 1 april 2014 wordt bij ontvangst van het Dimona-bericht met de vermelding van de waarde TRI in de zone KindofWorker de gebruikelijke procedure beschreven in de dienstbrief 999/153 van 1 juli 2009 toegepast. De betalingen worden onmiddellijk geschorst, en er wordt een formulier P20 met de begeleidende motiveringsmodule 18bis verzonden naar de betrokken sociaal verzekerde. De schorsing van de betalingen wordt opgeheven indien de betrokken sociaal verzekerde aan de hand van attesten van de werkgever kan bewijzen dat hij het toegelaten maximumbedrag niet overschreden heeft.

De technische documentatie van de berichten D051 en P051 zal worden aangevuld met deze waarde, en zal u later worden overgemaakt.

FAMIFED verzoekt de kinderbijslaginstellingen hieromtrent het nodige te doen. Voor alle bijkomende inlichtingen of vragen omtrent deze wijziging kunt u steeds contact opnemen met de dienst Monitoring via monitoring.ctrl@famifed.be.

Vrijwillige militaire inzet

De wet van 10 januari 2010 tot instelling van de vrijwillige militaire inzet heeft Art. 62 AKBW gewijzigd. Als gevolg daarvan werd de informatie op het formulier P20 aangepast, in de zin dat de soldij als vrijwillige militair tijdens de eerste zes maanden geen beletsel vormt voor de toekenning van de kinderbijslag gedurende de beroepsinschakeltijd (zie circulaire van FAMIFED, CO 1385 van 18 november 2010).

Staken van de opvolgingsprocedure bij wachttijdoverschrijdend beletsel

Dienstbrief 999/153 van 1 juli 2009 voorziet in de mogelijkheid om na ontvangst van het formulier P20 de verdere opvolging van het recht als werkzoekende schoolverlater voortijdig te staken wanneer voldaan is aan de volgende vier voorwaarden.

  1. Er wordt op het formulier verklaard dat het beletsel wachttijdoverschrijdend zal zijn (definitief werk gevonden).
  2. Het verklaarde inkomen overschrijdt het grensbedrag voor de kinderbijslag.
  3. De reden van stopzetting van de betaling en afsluiting van het dossier wordt correct gemotiveerd.
  4. Er wordt informatie gegeven over de wijze waarop het recht opnieuw kan worden verkregen, wanneer het beletsel ophoudt te bestaan.

FAMIFED ontving klachten voor het onnodig verzenden van afsluitende formulieren P20 en herinnering aan het einde van de toekenningsperiode nadat door betrokkenen reeds een wachttijdoverschrijdend beletsel werd gesignaleerd. Om overmatig verzenden van formulieren te vermijden verdient het aanbeveling om telkens vraag 4 op het formulier P20 wordt beantwoordt met "Ja, definitief" de opvolging van de werkzoekende schoolverlater te schrappen volgens bovengenoemde procedure waarna de integratieperiode van de jongere in het Kadaster mag worden afgesloten.

Topic 8 - De geplaatste kinderen

3.8.1. De geplaatste kinderen in de Vlaamse gemeenschap

Vanaf 2014 werden de instructies gewijzigd ingevolge de decreten Integrale Jeugdhulp en Pleegzorg. De wijzingen in de procedure werden per e-mail aan alle kinderbijslaginstellingen meegedeeld voor de kinderen die in een instelling of in een pleeggezin (of beide) zijn geplaatst (cf. e-mail van 24 december 2013 aan alle kinderbijslaginstellingen). Met de emails aan de kinderbijslagfondsen van 28 februari 2014, 10 november 2015 en 24 november 2016 werden de principes opnieuw verduidelijkt en werden voor de verschillende plaatsingsvormen de aanspreekpunten meegedeeld. Met dienstbrief 999/184 van 16 juni 2017 werden bijkomende richtlijnen gegeven naar aanleiding van de ingebruikname van een nieuwe applicatie voor het versturen van plaatsingsberichten door het Agentschap Jongerenwelzijn (JWZ).

3.8.1.1. Welke instantie zendt het bericht?

A) De berichten over het begin en einde van de plaatsingen en de andere wijzigingen (berichten over het 2/3)

  • Plaatsingen die ten laste van Jongerenwelzijn zijn worden door JWZ (team kinderbijslag) aan de kinderbijslagfondsen meegedeeld met het plaatsingsbericht D227. Jongerenwelzijn verstuurt voor nieuwe dossiers het D227-formlier naar de dienst Monitoring die vervolgens het bevoegde fonds in het Kadaster opzoekt en het formulier doorstuurt. Het plaatsingsbericht D227 bevat voortaan een einddatum in de toekomst. Voor het geval dat het plaatsingsbericht geen einddatum zou bevatten wordt Art. 70 AKBW toegepast zolang er geen melding wordt gemaakt van een einddatum van plaatsing.
  • Pleegplaatsingen worden aan de kinderbijslagfondsen gemeld door de provinciale plaatsingsdiensten en niet meer door Jongerenwelzijn. Na overgangsmaatregel (cf. mail van 28 februari 2014 aan alle kinderbijslagfondsen) geldt dit voor plaatsingen vanaf 1 april 2014. De dienst voor Pleegzorg verricht altijd de melding aan het kinderbijslagfonds, zodat de 3/3e kinderbijslag aan het pleeggezin en de bijzondere bijslag (70ter AKBW) aan de laatste bijslagtrekkende vóór de plaatsing worden betaald. Een bericht D227 met de einddatum van plaatsing wordt verzonden omdat de hulpverleningsvorm veranderde, de plaatsende instantie wijzigde, de jongere definitief de instelling verliet of de plaatsingsmaatregel in het pleeggezin stopte. Een jongere die verder verblijft in dit pleeggezin is dus niet langer geplaatst maar op vrijwillige basis in dit gezin.

Wat betreft de mededelingen van verlengingen van pleegplaatsingen heeft FAMIFED om onderbrekingen in de betalingen te vermijden onderstaande regeling getroffen met Pleegzorg Vlaanderen die deze aan de pleegzorgdiensten zal communiceren:

  • vermelding van de einddatum van de plaatsing bij mededeling van het begin van de pleegplaatsing houdt de mededeling van latere verlengingen in;
  • geen vermelding van de einddatum van de plaatsing bij mededeling van het begin van de plaatsing betekent dat de betaling van de kinderbijslag wordt voortgezet tot bij de mededeling van de einddatum van de plaatsing; tussentijdse verlengingen worden niet meegedeeld.

Volgens het Decreet Pleegzorg van 29 juni 2012 kan de pleegzorgmaatregel verlengd worden tot de leeftijd van maximaal 21 jaar (vroeger was dit slechts tot 20 jaar). Als de pleegplaatsing doorloopt tot de leeftijd van 21 jaar, kan dus ook de betaling van de forfaitaire bijslag 70ter onder de gestelde voorwaarden worden voortgezet tot aan het einde van de pleegplaatsing. 

  • De plaatsingen door het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap (VAPH) of Kind & Gezin worden aan het kinderbijlsagfonds meegedeeld met een plaatsingsbericht door de instelling. Brieven of e-mails zonder vermelding van D227, waarmee kennisgeving wordt gedaan van het begin/einde plaatsing of eender welke andere wijziging worden aanvaard, omdat ze afkomstig zijn van de authentieke bron.

B) De berichten aangaande het voorbehouden gedeelte van de kinderbijslag (1/3)

Deze worden verzonden door de instantie die de jongere ten laste heeft gekregen.

Uitzondering: De plaatsende overheid neemt een beslissing die de opening van een spaarrekening van het kind vereist.  In dat geval opent Jongerenwelzijn een spaarrekening en meldt het aan het kinderbijslagfonds de bestemming van het 1/3de. In het geval er voor de geplaatste jongere in de andere sectoren (VAPH/Kind & Gezin) een spaarrekening dient geopend te worden, zal er vanuit JWZ een beslissing bestemming 1/3de worden verzonden, maar geen bericht van start of einde van de plaatsing. De instellingen waarin de kinderen met tussenkomst van het VAPH en Kind &Gezin (CKG =Centra voor Kinderzorg en gezinsondersteuning) geplaatst zijn, sturen zelf het plaatsingsbericht aan de kinderbijslagfondsen. Jongerenwelzijn meldt alleen de beslissing voor de bestemming van het 1/3e, indien beslist wordt tot storting op een spaarrekening op naam van de minderjarige (en eventueel de meerderjarige). De kinderbijslagfondsen kunnen dus niet terecht bij Jongerenwelzijn voor het plaatsingsbericht maar dienen zich hiervoor te richten tot de instellingen van het VAPH en CKG.

De beslissing over het 1/3de bij plaatsing ten laste van diensten belast met jeugdbescherming

Voor de gevallen bedoeld in Art. 70, 3e alinea AKBW (de plaatsing ten laste van diensten belast met jeugdbescherming) moet de beslissing van de jeugdrechtbank wordt afgewacht, tenzij er reeds vroeger naar aanleiding van een vorige plaatsing een beslissing werd getroffen. Jongerenwelzijn (JWZ) bevestigt aan FAMIFED dat het punt II,1.2. van de MO 509 van kracht blijft wat betekent dat als er vooraf reeds een gerechtelijke beslissing werd getroffen door de jeugdrechtbank over de aanwending van het saldo van de bijslag, de betaling aan de aangeduide bijslagtrekkende dient te worden verdergezet.

Formeel gebeurt verder een controle met het formulier P3-a om de conformiteit te onderzoeken van de rechterlijke beslissing met de vraag aan de instelling wie er zich nog verder om het kind bekommert. Indien de conformiteit niet aanwezig is, dan wordt contact opgenomen met JWZ.

Deze correctie is ook van toepassing voor de op het huidig moment eventueel geblokkeerde betalingen. FAMIFED vraagt aan de kinderbijslagfondsen de nodige rechtzettingen te doen rekening houdende met deze bijsturing.

Bij een plaatsing ten laste van een openbare overheid (VAPH/CKG) door de jeugdrechtbank mag het 1/3de doorbetaald worden aan de bijslagtrekkende van vóór de plaatsing als deze zich volgens de P3 nog verder om het kind bekommert en moet er in dat geval niet afgewacht worden of er nog een beslissing zal volgen van de jeugdrechtbank over het 1/3de. Hierover dient geen verdere navraag te worden gedaan bij de jeugdrechtbank. Als uit het formulier P3 blijkt dat de bijslagtrekkende van vóór de plaatsing zich niet meer om het kind bekommert, wordt om de bestemming van het 1/3de te kennen in eerste instantie contact opgenomen met de instelling. Wanneer dit contact vruchteloos blijkt te zijn, kan men zich als volgende mogelijkheid tot de jeugdrechtbank wenden.

C) Plaatsingsberichten bij combinatie van plaatsingen (intersectoraal)

  • Zonder pleegzorg In situaties waarbij er een combinatie is van verblijfsmodules van Jongerenwelzijn, het VAPH en/of Kind & Gezin gaat de 2/3 kinderbijslag naar de instantie waar het zwaartepunt van het verblijf ligt. Enkel indien het zwaartepunt bij Jongerenwelzijn ligt, meldt Jongerenwelzijn de plaatsing aan het kinderbijslagfonds. In de andere gevallen gebeurt de melding door de voorziening/instelling van VAPH of CKG.
  • Met pleegzorg Op basis van de algemene afwijking van Art. 51, §4 AKBW blijft het voorrangsrecht gehandhaafd in het pleeggezin in geval van dubbele plaatsing (MO 521 van 12 maart 1993). Indien er een combinatie is met pleegzorg, worden de pleegouders beschouwd als het natuurlijk gezin en gelden dezelfde regels inzake kinderbijslag als bij een gewone plaatsing. De toegangspoort of de Jeugdrechter kan beslissen dat de 1/3de naar het pleeggezin gaat. De melding over de 1/3de gebeurt door de dienst voor pleegzorg die de naam van het pleeggezin doorgeeft aan het kinderbijslagfonds. Indien de dienst voor pleegzorg dit niet meldt, betaalt het kinderbijslagfonds het 1/3e aan de bijslagtrekkende vóór de initiële plaatsing, normaliter de pleegmoeder101. Bij de melding over het 1/3de door de dienst voor pleegzorg wordt de forfaitaire kinderbijslag uitbetaald aan de bijslagtrekkende vóór de plaatsing (behoudens tegenindicaties).
3.8.1.2. Plaatsingsvormen binnen het toepassingsgebied van Art. 70 AKBW
Gesloten centrum De Grubbe in Everberg

Dit centrum dient te worden beschouwd als een instelling waarin een minderjarige residentieel kan worden geplaatst (toepassing van Art. 70 AKBW). Dit betekent dus de opsplitsing van de kinderbijslag: 2/3de aan de instelling, 1/3de zoals beslist door plaatsende instantie. Jongerenwelzijn zal ten gepaste tijde de plaatsingen die niet meer ten laste van de federale overheid zijn melden, waarbij het 2/3e van de kinderbijslag aan Jongerenwelzijn zal moeten worden betaald.

Internaten Permanente Openstelling

Jongerenwelzijn heeft laten weten dat vanaf 1 september 2016 alle internaten permanente openstelling (IPO's) behoren tot de niet-rechtstreeks toegankelijke jeugdhulp. Er werd bevestigd door Jongerenwelzijn dat de kinderbijslagfondsen de kennisgeving via D227 zullen ontvangen vanuit de centrale cel kinderbijslag bij Jongerenwelzijn102. Bijgevolg zijn de bestaande procedures van toepassing voor de verdeling van de kinderbijslag (1/3 -2/3).

FAMIFED ontving talrijke klachten over betalingen 2/3 aan de internaten met circulaire cheques. FAMIFED herinnert eraan  dat overeenkomstig Art. 70, 2e lid AKBW de kinderbijslag verschuldigd ten behoeve van een kind dat met toepassing van de reglementering betreffende de jeugdbescherming in een instelling geplaatst is ten laste van de bevoegde overheid, ten belope van twee derden wordt uitbetaald aan die overheid. Er wordt gevraagd het nodige te doen om deze betaalwijze correct uit te voeren.

3.8.1.3. Begeleidingsvormen buiten het toepassingsgebied van Art. 70 AKBW103
De preventieve sociale actie

In het kader van de vrijwillige dienstverlening voorzien de gemeenschappen in specifieke hulpmaatregelen aan het gezin om de plaatsing van een jongere te vermijden. In de plaats van de preventieve sociale actie (oude PSA) kwam de Specifieke Actie104. De Specifieke actie werd een vorm van een VIST (Versnelde IndicatieStelling) die aan de orde kan zijn in urgente situaties. Dit zijn geen reguliere plaatsingen in de zin van Art. 70 AKBW. Bijgevolg is de bijzondere verdeelsleutel (2/3 voor de instelling of overheid, 1/3 aan een natuurlijke persoon of op een spaarboekje) niet van toepassing. FAMIFED zal het formulier P3-a aanpassen (aanpassing aan de dienstbrief, 999/158 van 20 december 2010).

Centra voor Integrale Gezinszorg (CIG)

CIG's bieden hulp aan gezinnen met ernstige opvoedingsproblemen met als doel de desintegratie van de gezinnen te vermijden105. De begeleiding richt zich tot het gezin als geheel. Het is hierbij belangrijk op te merken dat een verblijf in een CIG een gezinsopname betreft en GEEN uithuisplaatsing van een minderjarige. Het gezin draagt zelf in grote mate de kosten wat rechtvaardigt dat de kinderbijslag aan de gezinnen toekomt. Bijgevolg blijft één van de ouders de kinderbijslag integraal ontvangen.

Crisisopvang

Tijdelijk verblijf van het kind in een opvanggezin heeft geen invloed op de betaling van kinderbijslag. Enkel een melding van de pleeggezinnendienst maakt dat het een pleegplaatsing betreft en de kinderbijslag verschuldigd is aan het pleeggezin.  De toepassing van 70ter moet altijd gemeld worden aan de plaatsende instantie (de intersectorale toegangspoort), niet aan Jongerenwelzijn. 

3.8.1.4. Afschaffing van de kennisgeving D228P en het formulier P3

Voor de pleegplaatsingen in de Vlaamse Gemeenschap  moet het formulier D228P (kwartaaloverzicht van de uitbetaalde bedragen) vanaf 1 januari 2014 niet meer worden gestuurd noch aan het pleeggezin, noch aan de dienst voor pleegzorg (Cf. de e-mail van 24 december 2013 aan alle kinderbijslaginstellingen). De dienstbrief 999/152 van 29 juni 2009 wordt vanaf die datum opgeheven. Het volstaat conform het Handvest van de Sociaal Verzekerde te motiveren aan het pleeggezin bij het begin, het einde van de plaatsing en bij elke administratieve beslissing die een gewijzigd bedrag tot gevolg heeft. Ingevolge het pleegzorgdecreet van 29 juni 2012 werd het formulier Mod. P3-b afgeschaft.

Volgens Agentschap Jongerenwelzijn blijkt het dat kinderbijslagfondsen nog steeds de formulieren D228P bezorgen. Op vraag van Jongerenwelzijn dringt FAMIFED er bij de kinderbijslagfondsen op aan de overzichten van de uitbetaalde bedragen niet meer te bezorgen.

3.8.1.5. Routering van de plaatsingsberichten
D227 van Jongerenwelzijn

Jongerenwelzijn stuurt de berichten D227 naar de door hen laatst gekende instelling en gaat niet verifiëren of dat nog de actueel bevoegde is, wat in voorkomend geval reeds leidde tot bewijsdiscussies en betalingen te goeder trouw. Om dit te vermijden contacteert het overnemend kinderbijslagfonds bij ontvangst van het brevet Jongerenwelzijn om de overname van de bevoegdheid te signaleren.106

Bij nieuwe plaatsingen of wanneer Jongerenwelzijn het bevoegde kinderbijslagfonds niet kent wordt het plaatsingsbericht naar dienst Monitoring van FAMIFED doorgestuurd.Vanaf dat ogenblik kan de betaling te goeder trouw niet meer worden ingeroepen aangezien JWZ de kinderbijslagsector heeft ingelicht. In dergelijke gevallen geldt de datum waarop JWZ het bericht naar FAMIFED heeft verstuurd en niet de datum waarop het kinderbijslagfonds de ontvangst van het bericht noteert. De datum op D227 vermeld kan niet worden betwist door het kinderbijslagfonds om de betaling te goeder trouw in te roepen.

D227 van provinciale pleeggezinnendienst en de kennisgevingen Art. 70ter

FAMIFED vestigt de aandacht van de kinderbijslagfondsen op het voorschrift om de betaling van de forfaitaire bijslag mee te delen aan de plaatsende instantie107 zijnde de verwijzer op het D227-bericht of de intersectorale toegangspoort (ITP) van de betrokken provincie (en niet naar Jongerenwelzijn).

Momenteel wordt ook de mogelijkheid onderzocht om de kinderbijslagfondsen ook een kennisgeving aan de plaatsende overheid te laten verzenden wanneer de forfaitaire bijslag 70ter niet kan worden toegekend, zodat het voor de plaatsende overheid (toegangspoort) duidelijk is of de forfaitaire toeslag effectief wordt betaald of niet. De briefmodule i.v.m. de al dan niet betaling van de forfaitaire bijslag 70ter zal daartoe worden aangepast.

3.8.1.6. Regularisaties met de dienst Jongerenwelzijn van de Vlaamse Gemeenschap

Aangaande onverschuldigd betaalde kinderbijslagen voor geplaatste kinderen die “voor rekening en in de plaats van” een andere kinderbijslaginstelling werden betaald, werd gesteld dat deze bij voorrang onderling worden vereffend tussen de kinderbijslaginstellingen zelf, zonder een beroep te doen op een terugstorting bij de Vlaamse Gemeenschap. Het betreft regularisaties tussen instellingen (voormalig debiteuren "C"), die thans niet meer onderling verrekend worden. Deze werkwijze kan niet uitgebreid worden naar de debiteuren "B".

Debiteuren "B" (onterechte betalingen van 2/3) worden zoals steeds aan de Vlaamse Gemeenschap teruggevraagd.

3.8.1.7. Schematisch overzicht: Plaatsingen in Vlaamse Gemeenschap
Plaatsing Artikel Betaling 1/3  Opschorten betalingen in afwachten van beslissing Jeugdrechtbank(JRB) Opschorten  betalingen in afwachting van  beslissing Intersectorale Toegangspoort (ITP)
De kinderbijslag verschuldigd ten behoeve van een kind dat door bemiddeling of ten laste van een openbare overheid geplaatst is in een instelling Art. 70, 1e al.

het saldo aan de natuurlijke persoon bedoeld bij Art. 69.  Cf. D227 (bis) /kennisgeving plaatsing/P3

Neen, betaling aan wie zich verder om het kind bekommert tot er een beslissing door de JRB genomen is en JWZ dat meedeelt. D227P en D227Pbis

Neen, D227P met vermelding “bijslagtrekkende voor plaatsing is begunstigde van het 1/3de”is voldoende voor betaling

Ja, wanneer die BT volgens P3 zich niet langer om het kind bekommert?

 -> Beslissing via JWZ vragen.

Ja, wanneer die BT volgens P3 zich niet langer om het kind bekommert?

 -> Beslissing via JWZ vragen.

Kind dat met toepassing van de reglementering betreffende de jeugdbescherming in een instelling geplaatst is ten laste van Jongerenwelzijn (JWZ)

Art. 70, 3e al.

Over de aanwending van het saldo ten behoeve van het kind wordt ambtshalve beslist, naargelang het geval:

1° door de jeugdrechtbank die de plaatsing in een instelling heeft bevolen;

2° door de overheid, aangeduid door een Gemeenschap Cf. D227 /P3

Ja, behalve wanneer er al voor de plaatsing een beslissing is genomen door de JRB Neen

Ja, wanneer die BT volgens P3 zich niet langer om het kind bekommert?

-> Beslissing via JWZ vragen.

Ja, wanneer die BT volgens P3 zich niet langer om het kind bekommert?

-> Beslissing via JWZ vragen.

Kind dat met toepassing van de reglementering betreffende de jeugdbescherming in een instelling geplaatst is ten laste van VFPH, Kind & Gezin, CKG

het saldo aan de natuurlijke persoon bedoeld bij Art. 69. Cf. D227/kennisgeving plaatsing/P3

Neen. Als er een beslissing door de JRB genomen is deelt JWZ de beslissing op spaarrekening minderjarige mee.

Neen.  Als er een beslissing  door de ITP genomen is (opening met spaar-rekening) deelt JWZ dat mede.

Ja, wanneer die BT volgens P3 zich niet langer om het kind bekommert?

-> Beslissing via instelling vragen.

Ja, wanneer die BT volgens P3 zich niet langer om het kind bekommert?

 -> Beslissing via instelling vragen.

3.8.2. De geplaatste kinderen in de Franse en Duitstalige Gemeenschap

Er wordt op gewezen dat voor de plaatsing bij een particulier en de betaling aan een particulier een attest / verklaring / beschikking van de rechter of het formulier P3 geldt als begin van bewijs en volstaat voor het aanvatten van de provisionele betaling. De ontvangst van het formulier D227 moet worden opgevolgd.

Voor wat betreft het bewijs van de betaling van de bijzondere toeslag bedoeld in Art. 70ter AKBW wordt verwezen naar de omzendbrief van FAMIFED, CO 1344 van 10 juli 2003, en de dienstbrief 996/45 van 24 december 2003 die onveranderd blijven.

Voor de kinderen geplaatst in een instelling heeft het formulier D227 als bijzondere finaliteit de kinderen te signaleren voor wie ten aanzien van de plaatsende overheid een bijzondere (collectieve) betalingsmodaliteit108 geldt. Het formulier is daarom onontbeerlijk. Deze betalingsmodaliteit werd meegedeeld met de dienstbrief 996/94 van 18 november 2011.

Het besluit van 9 december 2015 van de Regering van de Franse Gemeenschap betreffende de subsidies en tegemoetkomingen voor de individuele kosten in verband met de opvang van jongeren van 9 december 2015 heeft geen gevolgen voor de kinderbijslagfondsen. Als sommige instellingen voor gezinsopvang voor hun beheer een afrekening van de betalingen nodig hebben, omdat de bedragen berekend in proportionele verdeling vereist zijn, dan vraagt FAMIFED een kopie te bezorgen van de afrekening (D228P) die naar de Dienst Jeugdbijstand verstuurd werd (Mail van woensdag 16 maart 2016 aan de kinderbijslagfondsen).

3.8.3. Bijkomende algemene richtlijnen

Behoud van de vorige bijslagtrekkende als de plaatsing is onderbroken.

Bij een nieuwe plaatsing na onderbreking van de vorige plaatsing moet de bijslagtrekkende van het saldo opnieuw bepaald worden overeenkomstig Art. 69 AKBW

De bijslagtrekkende van vóór de onderbreking van de plaatsing kan enkel worden behouden wanneer deze op het formulier P3-b verder wordt aangeduid als de persoon die zich om het kind bekommert. Dit geldt zowel voor de aanduiding van de natuurlijke persoon overeenkomstig Art. 69 AKBW als voor de aanwijzing van de bijslagtrekkende door een gerechtelijke instantie (situaties bedoeld in de MO 509 II,1,1.1). Wordt de plaatsing met toepassing van de reglementering betreffende de jeugdbescherming ten laste van de openbare overheid onderbroken en nadien in dezelfde of een andere instelling ten laste van de openbare overheid met toepassing van de jeugdbeschermingsreglementering verdergezet, dan kan de beslissing van de jeugdrechtbank naar aanleiding van de eerste plaatsing wel worden behouden (situaties bedoeld in punt II, 1, 1.2 van de MO 509).

Kennisgeving van een betaling aan de laatste bijslagtrekkende vóór een pleegplaatsing (art. 70ter AKBW)

De meldingsprocedure wordt geregeld door CO 1344 van 10 juli 2003. Als bijlage bij de circulaire gaat het model van een brief om de Gemeenschappen bevoegd voor de pleegplaatsing in te lichten over de aanvang van de betaling van het bedrag voorzien bij Art. 70ter AKBW.

Betaling van intresten in geval van een rechterlijke toekenningsbeslissing na een administratieve weigering (advies van de juridische afdeling (II/13/60226/contr./Art.70KBW/SVB van 14 mei 2013)

Wanneer de rechter de kinderbijslag toekent op basis van Art. 70 AKBW stelt zich de vraag of intresten verschuldigd krachtens Art. 20 van het Handvest moeten betaald worden zowel aan de instelling (ontvanger 2/3) als aan de bijslagtrekkende van het 1/3. Tevens moet het bedrag bepaald worden waarop de intresten moeten worden berekend.

Aangezien het Handvest (Art. 2, 1e lid, 7°) alleen betrekking heeft op sociaal verzekerden die natuurlijke personen zijn, evenals hun wettelijke vertegenwoordigers en hun gemachtigden, zijn de kinderbijslaginstellingen geen intresten verschuldigd aan de instelling waar het kind geplaatst werd, aangezien deze ontvanger geen natuurlijke persoon betreft. Instellingen waar de kinderen geplaatst worden zijn geen begunstigden in de zin van het Handvest. Het verschuldigde bedrag aan intresten wordt berekend op het saldo uit Art. 70 AKBW (1/3) en niet op het gehele bedrag.

Toekenning van de forfaitaire kinderbijslag 70ter AKBW aan de laatste bijslagtrekkende voor de plaatsing (CO 1344)

In de nota van het Directoraat Zelfstandigen van de FOD Sociale Zekerheid van 20 juni 2005 (P.8/05/14) werd bepaald dat de forfaitaire bijslag wordt betaald aan de bijslagtrekkende die onmiddellijk voor de plaatsingsmaatregel van het kind in een onthaalgezin, de kinderbijslag ontving. Daarbij werd niet gespecifieerd dat de plaatsing in één instelling de plaatsing in het onthaalgezin kan voorafgaan. Deze interpretatie werd opgeheven door de opheffing van het Art. 33ter van KB van 8 april 1976. Overeenkomstig Art. 175/6 AKBW wordt het toepassingsgebied van de reglementaire bepalingen tot uitvoering van de Kinderbijslagwet van toepassing op de zelfstandigen. Bijgevolg kan vanaf 1 juli 2014 de forfaitaire kinderbijslag betaald worden aan de bijslagtrekkende in de zelfstandigenregeling die onmiddellijk voor de plaatsing in één instelling (die aan de plaatsing in een pleeggezin voorafging) de kinderbijslag ontving.

Onterecht betaalde kinderbijslag 2/3de door instelling doorgestort aan de ouders

Onterecht uitgekeerde bijslag wordt steeds teruggevorderd van de persoon of instelling die ten onrechte de prestaties heeft ontvangen (CO 993 van 26 februari 1975). Een eventueel akkoord of (eenzijdige) overeenkomst over het doorstorten van kinderbijslag is in beginsel niet tegenstelbaar aan de bevoegde kinderbijslaginstelling. De kinderbijslaginstelling is dus niet gebonden door het feit dat de instelling het 2/3de van de kinderbijslag aan de ouders doorstort.

Aanduiding van de bijslagtrekkende voor een geplaatste meerderjarige waarbij het spaarboekje werd opgeheven

Bij de meerderjarigheid van het geplaatst kind,wordt het spaarboekje vaak opgeheven waardoor de kinderbijslag niet langer via dit kanaal kan gestort worden. Dit betekent echter niet dat de beslissing tot uitbetaling op een spaarboekje op naam van het kind niet langer dient nageleefd te worden. Het 1/3de van de kinderbijslag dient verder aan het kind betaald te worden via de gebruikelijke kanalen (bankrekening op naam van het kind of circulaire cheque) en dit tot de plaatsing beëindigd wordt.

Wanneer niet langer betaald wordt op een spaarboekje wegens de opheffing hiervan, dient niet meer gegroepeerd te worden in het gezin van de rechthebbende volgens het principe van de evenredige verdeling (groepering rond het kind).

Dit standpunt vernietigt en vervangt vanaf nu de vroegere standpunten terzake.

Niet begeleide minderjarige (NBM) vluchteling die vanuit een pleeggezin in een instelling wordt geplaatst

Wanneer een niet-begeleide minderjarige vluchteling in een pleeggezin wordt geplaatst bestaat de mogelijkheid om het recht vast te stellen overeenkomstig het Art. 51, §3, 7° AKBW (gezinsplaatsingen door openbare instantie in een opvanggezin). De 3/3 van de kinderbijslag wordt aan de pleegouder betaald. Wanneer de NBM nadien vanuit een opvanggezin in een instelling wordt geplaatst in de zin van Art. 70 AKBW zijn er bij gebrek aan rechthebbende weinig mogelijkheden om een recht vast te stellen. Ingeval de opname in het pleeggezin plaatsvond vóór het kind de leeftijd van 12 jaar bereikt had, kan overeenkomstig MO 599 verder een recht op kinderbijslag vastgesteld worden hoofdens de pleegouder. Ingeval de NBM erkend is als een kind met aandoening kan als autonome rechthebbende conform artikel 56 septies AKBW een recht op kinderbijslag onderzocht worden door FAMIFED. In alle overige gevallen bestaat als laatste redmiddel de mogelijkheid een individuele afwijking aan te vragen bij de Minister van Sociale zaken in de zin van Art. 51, §4 AKBW. De kinderbijslagfondsen dienen automatisch bij de FOD Sociale Zekerheid dergelijke aanvraag om individuele afwijking in te leiden hoofdens de (gewezen) pleegouder, wanneer de NBM vanuit een pleeggezin in een instelling wordt geplaatst.

Topic 9 - De ontbrekende of onvolledige formulieren - De ambtshalve beslissing

3.9.1. Algemene principes

Het formulier is slechts een hulpmiddel om de onontbeerlijke gegevens in te winnen. Er wordt vooral een beroep gedaan op de sociaal verzekerde om gegevens in te winnen in verband met de inkomenssituatie.

Het Handvest van de Sociaal Verzekerde bepaalt dat wanneer de sociaal verzekerde niet antwoordt op een eerste herinnering om inlichtingen, de instelling zelf na één maand een onderzoek uitvoert en ambtshalve een beslissing neemt op basis van de gekende gegevens. De gevallen in het buitenland worden herinnerd na verloop van 45 dagen. In functie daarvan wordt maximaal gebruik gemaakt van de gegevens inzake de socio-professionele situatie en de leefsituatie waartoe de kinderbijslagsector toegang heeft.

Ondanks het gebrek aan medewerking vanuit het gezin, neemt het kinderbijslagfonds ambtshalve een beslissing op basis van voldoende indicaties:

  • via een consultatie van alle (interne) databanken of fluxen (TRIVIA) kunnen voldoende elementen worden bekomen om in individuele gevallen te beslissen;
  • als de vraag naar het gegeven als niet-relevant te beschouwen is, gelet op de socio-professionele of familiale toestand, zoals die blijkt uit de (niet) ontvangen elektronische gegevensstromen of de consultatie van de databanken.

De ambtshalve beslissing wordt aan de bijslagtrekkende gemotiveerd.

Het recht mag niet worden afgewezen, omdat het formulier niet werd ontvang en, als alle onontbeerlijke gegevens via elektronische bewijsmiddelen kunnen worden verkregen (Cf. de algemene bewijskracht van het elektronisch bewijsmiddel, punt 2.2.).

Kan het gegeven niet via een elektronisch kanaal worden verkregen, dan blijft verder een formulier noodzakelijk. Deze regel geldt vooral in situaties waarin het inkomen een rol speelt en waar de gegevensfluxen nog geen uitsluitsel bieden.

3.9.2. Verzending/opvolging van het controleformulier?

Principe: (Cf. CO 1330 van 21 mei 2001)

Het formulier wordt in alle gevallen verstuurd, opgevolgd, behandeld en verwerkt door de kinderbijslaginstelling die bevoegd is de kinderbijslag te betalen voor de maand van de verplichte verzending, ook in geval dit kinderbijslagfonds voor die maand provisioneel de kinderbijslag uitbetaalt.

Stelt deze kinderbijslaginstelling vast dat het behandelde controleformulier informatie bevat die van belang is voor het kinderbijslagfonds waaraan ze haar bevoegdheid heeft overgedragen of waarvan ze de bevoegdheid heeft overgenomen, dan contacteert ze die kinderbijslaginstelling (Cf. de voorschriften in verband met het brevet van rechthebbende).

Geeft de sociaal verzekerde geen gevolg aan een rappel, dan wordt de andere kinderbijslaginstelling daarvan verwittigd. Elke kinderbijslaginstelling neemt dan een ambtshalve beslissing (desgevallend na een controle aan huis) voor de periode waarover ze provisioneel betaald heeft.

Formulier P7

 Voorbeeld 1: KBF A betaalt tot 31 augustus en KBF B betaalt vanaf 1 september. Er is één rechtgevend kind: een student van 20 jaar. KBF B verzendt het formulier P7 in september en verstuurt zo nodig ook de herinnering in november. Komt het formulier binnen en bevat het informatie die ook van belang is voor KBF A, dan verzendt KBF B een bijkomend brevet aan KBF A. Geeft de sociaal verzekerde geen gevolg aan de rappel, dan deelt KBF B dit mee aan KBF A. KBF A neemt een (ambtshalve) beslissing over de periode tot 31 augustus en KBF B voor de periode vanaf 1 september.

Voorbeeld 2: KBF A betaalt tot 30 september en KBF B betaalt vanaf 1 oktober. Er is één rechtgevend kind: een student van 20 jaar. KBF A verzendt het formulier P7 in september, en verstuurt zo nodig ook de herinnering in november. Wordt het formulier ontvangen, dan stuurt KBF A een bijkomend brevet aan KBF B. Geeft de sociaal verzekerde geen gevolg aan de rappel, dan deelt KBF A dit mee aan KBF B. KBF A neemt een (ambtshalve) beslissing over de periode tot 30 september en KBF B voor de periode vanaf 1 oktober.

De procedure in de dienstbrief van FAMIFED 999/178 van 5 juli 2016 voorziet dat er voor dossiers met taalcode N geen formulier P7 wordt verstuurd. In de maand september wordt informatie aan de student gegeven. De fluxen worden afgewacht. Blijft de flux D062 achterwege, dan wordt op 15 november na verwerking van alle fluxen een herinnering gestuurd.

Voorbeeld 3: KBF A betaalt tot 30 oktober - en KBF B betaalt vanaf november. Er is één rechtgevend kind van 20 jaar. KBF A duidt op het brevet code N aan (“D062 procedure”109). KBF A vermeldt het aantal studiepunten: D062 OK/DO6201/D062/02110. Het KBF B wacht gebeurlijk de flux af. KBF B stuurt de herinnering (module 15 nvember) na verwerking van alle fluxen. Wordt geen flux of formulier ontvangen dan deelt KBF B het resultaat van het onderzoek mee. Op basis daarvan neemt KBF A een (ambtshalve) beslissing over de periode tot 30 oktober en KBF B voor de periode vanaf 1 november.

Opmerking: alleen relevante studiegegevens voor het lopende academiejaar worden doorgegeven via het Brevet111.

Formulier P20

Voorbeeld: KBF A betaalt tot 30 juni en KBF B vanaf 1 juli. Het rechtgevend kind is werkzoekende schoolverlater. De toekenningsperiode loopt tot eind juli (einde van de toekenningsperiode). KBF B verzendt het afsluitend formulier P20C+ BIT1 en zo nodig de herinnering. Komt het formulier binnen en bevat het ook informatie die van belang is voor KBF A, dan stuurt KBF B een bijkomend brevet aan KBF A. Geeft de sociaal verzekerde geen gevolg aan de rappel, dan deelt KBF B dit mee aan KBF A. KBF A neemt een (ambtshalve) beslissing over de periode tot 30 juni en KBF B voor de periode vanaf  juli.

3.9.3. Herinnering van niet-teruggezonden formulieren

Werkwijze voor het jaar 2018: situaties waar nog gegevens worden ingewonnen bij de sociaal verzekerde

De hiernavolgende richtlijnen gelden voor het jaar 2018.

In afwachting van een algehele gegevensinzameling met elektronische datafluxen, wordt elk ontbrekend document éénmaal na een maand herinnerd. De gevallen in het buitenland worden herinnerd na verloop van 45-60 kalenderdagen. De praktijk om in geval van niet-terugzenden, het controleformulier te herinneren en tegelijk reeds te waarschuwen voor een eventuele terugvordering moet worden voortgezet.

Een tweede en eventueel volgende herinnering moet worden voorkomen door een interactieve consultatie van TRIVIA en de exploitatie van de ontvangen RIP- en DMFA-berichten en de andere fluxen.

Indien de ontbrekende informatie ingevolge deze consultaties/integraties kan worden bekomen, moet er overeenkomstig het Handvest112 van de Sociaal Verzekerde geen verdere automatische herinnering meer worden verzonden. Deze procedure vervangt het ontbrekende formulier en valideert de betalingen over de periode die het formulier dekt (inclusief de provisionele betalingen113). Enkel wanneer onvoldoende gegevens kunnen worden bekomen, moet een controle ter plaatse worden aangevraagd. Wanneer het fonds beschikt over de noodzakelijke gegevens om het dossier administratief af te handelen of de gedane betalingen te valideren of wanneer op een andere manier de nodige informatie kan worden verkregen mag het geen controle aanvragen bij de dienst Sociaal Toezicht van FAMIFED. Niets verbiedt de kinderbijslagfondsen echter om met eigen middelen een bijstandsbezoek af te leggen (Dienstbrief 996/124 van 24 juni 2016).

3.9.4. Bijzondere toepassingsgevallen

3.9.4.1. Het formulier voor de studenten (P7a) wordt niet teruggestuurd

Aanpassingen met de dienstbrief 999/169 van 5 juli 2013 en 999/176 van 3 juli 2015, 999/178 van 5 juli 2016 eb 999/178bis van 19 oktober 2016 en 999/182 van 29 juni 2017.

Voor studenten in de Vlaamse Gemeenschap (code N) wordt geen P7-formulier gezonden, maar wordt de flux D062 afgewacht. Indien er bij ontbrekende studiegegevens geen reactie van het gezin volgt op de briefmodule 15 november, wordt op 15 december de terugvorderingsprocedure van de provisioneel betaalde kinderbijslag opgestart.

In de Franse en Duitstalige Gemeenschap waar het formulier P7 wel wordt verstuurd en herinnerd, wordt bij het uitblijven van een reactie van het gezin nog een laatste waarschuwingsbrief aan het gezin gestuurd op 15 december, waarna uiterlijk op 31 januari het debet wordt betekend.

In de omzendbrief van FAMIFED, CO 1374 van 25 september 2008, punt 5.3, werd meegedeeld wat de gevolgen zijn van het niet-terugzenden van het formulier P7-A. In de omzendbrief van FAMIFED, 999/154 van 15 juli 2009 en 999/178 van 5 juli 2016, werden deze instructies bevestigd.

Voor jongeren in het buitenland moet het formulier P7-A niet meer worden opgevolgd, zodra het E-formulier of het formulier P7-int werd ontvangen, waardoor de betalingen kunnen worden verdergezet.

3.9.4.2. Het formulier voor de ingeschreven werkzoekende (P20) wordt niet teruggestuurd

In de omzendbrief van FAMIFED, 999/153 van 1 juli 2009, werden de instructies verschaft voor het geval het formulier P20 ontbreekt. CO 1410 van 10 juni 2016 bevat de vernieuwde instructies voor de verzending en opvolging van de formulieren tijdens de verlengde beroepsinschakelingstijd.

De ambtshalve beslissing - toepassing van de vijfdagenregel (= 38 uren)

Wanneer het formulier P20 na een eerste herinnering niet wordt teruggezonden, beschikt het kinderbijslagfonds over de mogelijkheid om toepassing te maken van de vijfdagenregel. Deze modaliteit maakt een controle ter plaatse overbodig.

De toepassing van deze regel veronderstelt de omkering van de bewijslast. Er kan automatisch een onverschuldigde betaling worden opgemaakt vanaf een tewerkstelling van 5 arbeidsdagen of 38 uren of met arbeid gelijkgestelde dagen (bijv. jaarlijks verlof, wettelijke feestdagen, gewaarborgd loon bij ziekte of ongeval, ...). Zijn er minder dan 5 arbeidsdagen of 38 uren dan mag de geldigheid van de provisioneel uitgevoerde betaling worden aanvaard.

Tijdens de duur en op het einde van de toekenningsperiode (beroepsinschakelingstijd) kunnen er geen betalingen op basis van deze regel worden verricht. De voorschriften van de dienstbrief 999/153 moeten strikt worden nageleefd. Deze regel staat los van de ambtshalve toekenning van de geschorste kinderbijslag op basis van het DMFA-bericht van het derde kwartaal (hoogstens 240 uren) of de hervatting van studies na de zomervakantie (kind met dubbele hoedanigheid van student en werkzoekende tijdens de zomervakantie). Op basis van een RIP-bericht ontvangen na 15 augustus kan evenwel worden afgzien van een preventieve schorsing voor de maand augustus (zomervakantie student in het niet-hoger onderwijs) of augustus en september (zomervakantie van het kind in het hoger onderwijs).

Deze regeling wordt eveneens toegepast tijdens de verlengde beroepsinschakelingstijd (CO 1395 van 14 november 2014 en CO 1410 van 10 juni 2016).

3.9.4.3. De gegevens in verband met het co-ouderschap114 en de gelijk verdeelde huisvesting
Het bewijs van de ouderschapsregeling bij wettelijke scheiding (echtscheiding): bijgestuurde brochure

Oude procedure: Conform de MO 555 van 26 februari 1998, dient het kinderbijslagfonds naar aanleiding van een mailbox met een bericht van echtscheiding bij een gezin met minderjarige kinderen de bijslagtrekkende aan te schrijven om de ouderschapsregeling opgenomen in het echtscheidingsvonnis op te vragen. Desgevallend wordt de vraag herinnerd na één maand. Bij non-respons wordt een ambtshalve beslissing genomen op basis van de al vroeger meegedeelde gegevens inzake de ouderschapsregeling in het dossier of het veronderstelde co-ouderschap.

Gezien de administratieve last die deze bevraging naar de ouderschapschapsregeling in het echtscheidingsvonnis met zich meebrengt en tevens het feit dat in de praktijk blijkt dat hiermee slechts sporadisch nieuwe gegevens over de ouderschapsregeling worden bekomen, kan worden geconcludeerd dat de opvraging van het echscheidingsvonnis nauwelijks een meerwaarde heeft. Bovendien wordt dit niet zelden door de gezinnen als een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer ervaren. Om die reden wordt de procedure als volgt aangepast.

Nieuwe procedure: Bij de feitelijke scheiding worden de ouders geïnformeerd over het vermoeden van co-ouderschap voor de betaling van de kinderbijslag. Naast de informatie die hierbij wordt gegeven over de mogelijkheid tot betaling op een kindrekening en de mogelijkheid die de vader heeft om te vragen als bijslagtrekkende aangeduid te worden voor het kind dat bij hem gedomicilieerd is, wordt er gevraagd om in het geval van exclusief ouderlijk gezag zo snel mogelijk een kopie van de rechterlijke beslissing te bezorgen aan het kinderbijslagfonds. Het initiatief ligt bij de sociaal verzekerde om het kinderbijslagfonds in te lichten wanneer het co-ouderschap niet (meer) van toepassing is. Bij het bericht van wettelijke scheiding wordt geen nieuw onderzoek meer ingesteld.

Formulier L

Wat betreft de regeling van de gelijk verdeelde huisvesting (bilocatie) en het in dit verband ontworpen formulier L wordt verwezen naar CO 1356 van 9 juni 2006 van FAMIFED.

In de situatie waarin het kinderbijslagfonds met vertraging ten opzichte van de datum van de scheiding of de meerderjarigheid van het kind een verklaring model L ontvangt, wordt aan deze verklaring Model L terugwerkende kracht verleend binnen de grenzen van de verjaring bepaald in artikel 120 AKBW. Enerzijds wordt het principe van de betaling te goeder trouw ingeroepen vanaf de datum gebeurtenis (de scheiding of meerderjarigheid). Anderzijds worden in het belang van het gezin de betalingen herrekend in functie van het beurtouderschap en wordt het supplement betaald aan de bijslagtrekkende in co-ouderschap met terugwerking tot datum van de gebeurtenis115.

Dit standpunt geldt voor alle situaties waarin volgens de CO 1404 van 7 september 2015 na de meerjarigheid verder de juridische fictie dient te worden toegepast.

Met CO 1404 van 7 september 2015 van FAMIFED werden de te volgen instructies herzien in geval van onenigheid tussen de ouders over de gelijk verdeelde huisvesting bij meederjarigheid van het kind of wanneer van een van beide geen reactie wordt ontvangen.

3.9.4.4. Het formulier voor de sociale toeslagen (P19Fisc A en B) wordt niet teruggestuurd

Voor de gevallen waarop de fiscale flux niet van toepassing is, blijven oude procedures van CO 1386 van 2014 gelden in geval het serieel controleformulier niet wordt teruggestuurd.

  • Herinnering van het controleformulier Pfisc A voor de gezinnen in het buitenland na verloop van 45-60 kalenderdagen, voor de gezinnen in België wordt het formulier herinnerd na 30 dagen. De praktijk om in geval van niet-terugzenden, het controleformulier te herinneren en tegelijk reeds te waarschuwen voor een eventuele terugvordering moet worden voortgezet.
  • Stopzetting van de provisionele betalingen van de toeslag vanaf maart tot ontvangst controleformulier. Een maand na de herinnering: ambtshalve beslissing tot recuperatie van de betaalde toeslagen voor het voorbije jaar, (rekening houdend met de trimestrialisering op basis van november ), alsook de maanden januari en februari van het lopende jaar.

De procedure voor de afhandeling van onvolledige formulieren P19-fisc werd meegedeeld met dienstbrief 996/121 van 14 maart 2016.

Topic 10 - De procedure alvorens de terugvordering van onverschuldigd betaalde kinderbijslag in te zetten

3.10.1. Algemene principes

Met de CO 1360 werd uiteengezet in welke gevallen een schuld ontstaat door een fout van het kinderbijslagfonds (debet A) of door toedoen van de bijslagtrekkende (debet B). In het verlengde hiervan stellen de kinderbijslagfondsen onverschuldigde betalingen op ook al treft de sociaal verzekerde geen enkele schuld. Er is een constante rechtsspraak ontstaan dat deze vorderingen worden afgewezen. Het is dus voortaan overbodig nutteloze procedures op te starten bij de arbeidsrechtbank, behalve wanneer aan de sociaal verzekerde een gebrek, een fout, een tekortkoming kan worden verweten. Met de CO 1402 van 26 februari 2015 werden gedetailleerde richtlijnen gegeven over de toepassing van het begrip "goede trouw".

Debetpreventie

Om het aantal onverschuldigde betalingen te verminderen wordt op elk formulier vermeld: "elke wijziging in de gezinssituatie of in de situatie (werken, stoppen studeren, buitenland,...) van de kinderen moet u ons zo snel mogelijk melden. U kan dat doen per brief, telefoon, fax, email, ...". Voor de handtekening wordt de tekst opgenomen: "Ik heb de informatie bij dit formulier gelezen". FAMIFED past de formulieren aan en zal de gewijzigde versie aan de kinderbijslagfondsen meedelen (Cf. dienstbrief 999/168 van 2 mei 2013).

Het louter ontbreken van een formulier is nooit een voldoende rechtsgrond voor een procedure tot terugvordering van de betaalde kinderbijslag. Dergelijke vorderingen riskeren vrijwel zeker door de rechtbanken ongegrond te worden verklaard. De kinderbijslagfondsen moeten bijgevolg alle mogelijke hen ter beschikking zijnde middelen aanwenden om te voorkomen dat procedures voor terugvordering van de kinderbijslag gesteund op ontbrekende formulieren voor de arbeidsgerechten worden gebracht (door sociaal verzekerden of door de fondsen zelf).

3.10.2. Praktische richtlijnen voor het opmaken van debetten

Het is uit den boze dat een debet wordt betekend zonder een consultatie van de beschikbare databanken (TRIVIA) of zonder de ontvangen fluxberichten in het onderzoek van het onverschuldigd bedrag te betrekken. De kinderbijslagfondsen kunnen bij de evaluatie van de inkomensnorm het arbeidsvolume als voldoende indicatie of parameter in aanmerking nemen.

Aan de debiteur wordt kennis gegeven van de onverschuldigde betaling met een gewone brief of met een controle aan huis. Overeenkomstig het Handvest van de Sociaal Verzekerde wordt het debet aangetekend verzonden of herinnerd, telkens wanneer de verjaring dreigt (CO 1360 van 1 augustus 2006). Met de dienstbrief 996/83 van 19 maart 2008 werden er bijkomende instructies gegeven voor het opmaken van debetten.

Een voltijdse of voldoende tewerkstelling toont, tot bewijs van het tegendeel, aan dat de inkomensnorm is overschreden (enkel voor kinderen onderworpen aan de inkomensgrens). Voor de ingeschreven werkzoekende wordt overeenkomstig punt 3.9.3.2. toepassing gemaakt van de vijfdagenregel (=38 uren).

Voorbeeld:

Op 5 september werd de inschrijving als werkzoekende ontvangen. Het formulier P20 wordt niet teruggestuurd, ook niet na één herinnering. Uit TRIVIA blijkt dat het kind een winstgevende activiteit heeft verricht. De gegevens uit TRIVIA tonen voldoende aan dat de inkomensgrens is overschreden, bijgevolg neemt het fonds aldus een beslissing over de uitgevoerde betalingen van de kinderbijslag. Men houdt er rekening mee dat voor het derde kwartaal de DMFA moet worden verwerkt (max. 240 uren). De gegevens inzake de reactivering van de werklozen (bijv. IBO-contracten/instapstage) kunnen aangevraagd worden bij de gewestelijke diensten voor arbeidsbemiddeling.

Wanneer de gegevens die via de verschillende gegevensbanken116 ter beschikking staan, toch geen uitsluitsel bieden en er bovendien informatie ontbreekt (bijv. over het inkomen naar aanleiding van een tewerkstelling in de loop van een kalendermaand) of twijfel bestaat, wordt aan de kinderbijslagfondsen gevraagd om, als ondanks de dreiging met terugvordering het formulier niet wordt teruggezonden, de ontbrekende gegevens op te vragen via een controle met een bezoek aan huis. De geschetste werkwijze geldt vanzelfsprekend ook voor het aanvatten van een procedure tot terugvordering voor het arbeidsgerecht.

3.10.3. Schematische voorstelling van de procedure bij ontbrekende formulieren - Werkwijze alvorens een debet op te maken - Valideren / Betalen / Terugvorderen

 
Stap Actie Tijdstip/termijn Inhoud van de beslissing
1 Verzending van het formulier, P20, ... Zie tabellen in bijlage  
2 Formulier wordt niet ontvangen Herinnering na 30 dagen (buitenland117 45-60 dagen); Stopzetting van de provisionele betalingen de maand volgend op de verzending van het formulier.  
3 Zo mogelijk, de (eind)beslissing op basis van consultatie van de databanken. Voor de ingeschreven werkzoekende ambtshalve toepassing van de vijfdagenregel (= 38 uren), zonder P20 (validatie of terugvordering118). Binnen de maand na de herinnering
  • regularisatie
  • recuperatie
  • geen actie
  • andere actie
  • motivering
4 Controle ter plaatse + eindbeslissing Binnen de 4 maand
  • regularisatie
  • recuperatie
  • geen actie
  • motivering
Stuiten van de verjaring na verdwijnen van de debiteur

In CO 1363 van 09 november 2006 wordt toegelicht dat de dossiers van debiteuren  die “spoorloos verdwenen” zijn deels op dezelfde manier behandeld moeten worden als dossiers waarin debiteuren in het buitenland wonen:

  • controleren of de debiteur nog bezittingen heeft in België die in beslag genomen kunnen worden en ze in beslag nemen als dat er voldoende zijn
  • de persoon die verdwenen is in het Kadaster behouden voor een periode die even lang is als de verjaringstermijn en het debet aan het reservefonds aanrekenen wegens technisch onmogelijke terugvordering na die termijn

De acties moeten in de periode worden uitgevoerd waarin het debet niet verjaard is (in de zin van Art. 120bis AKBW). Die termijn wordt berekend vanaf de laatste ingebrekestelling van het dossier (variabel naargelang de oorzaak van het debet en dus het soort debet). Na die termijn is het debet verjaard en wordt het op het reservefonds119 aangerekend.

Topic 11 - Het Rijksregister

3.11.1. De periodieke actualisering van de identiteitsgegevens via het Rijksregister

Met het oog op een zo groot mogelijke overeenstemming van de persoonsgegevens in de database van de kinderbijslagfondsen met de identificatiegegevens in het Rijksregister, wordt aan de kinderbijslagfondsen gevraagd bij de overgang van de bevoegdheid, het Rijksregister te consulteren (+ bijhouden van een print(screen) in het elektronisch dossier of elk ander bewijs dat de raadpleging aantoont (bijv. checklist van uitgevoerde handelingen).

Aanbeveling

FAMIFED adviseert aan alle kinderbijslagfondsen om daarna elke drie jaar een actualisering "in batch" van bestanden afkomstig van het Rijksregister uit te voeren.

3.11.2. Het Rijksregister en de lokalisatie van de verschillende rechtsactoren

Het thema is het voorwerp geworden van een specifieke dienstbrief 996/109. Een addendum bij deze diensbrief werd gepubliceerd op 23 december 2015. Hierbij gelden volgende aanvullende onderrichtingen.

a. Bewijswaarde van het zittingsblad

In het addendum  van 23 december 2015 bij dienstbrief 996/109 wordt verduidelijkt dat een rechterlijke uitspraak (vonnis/arrest) een officieel document is in de zin van de AKBW, als daarin de afzonderlijke verblijfplaats wordt vastgesteld. Indien  ze wordt opgelegd in het vonnis, moet nog worden aangetoond dat de beslissing van de rechter werd uitgevoerd.

Uit het Gerechtelijk Wetboek blijkt dat het zittingsblad (proces-verbaal van de terechtzitting) een authentiek document is dat door de rechter (i.c. de familierechter) en de griffier wordt getekend en waarvan de vermeldingen ambtshalve bewijskracht bezitten tot bewijs van het tegendeel. Naar analogie met standpunt over het vonnis in de genoemde dienstbrief wordt dus ook het zittingsblad aanvaard als een officieel document in de zin van de AKBW, wanneer de afzonderlijke verblijfplaats wordt vastgesteld of wanneer blijkt dat de partijen de intentie hebben om apart te wonen (de echtgenoot gedetineerd zijnde)120. Als datum geldt de datum van het zittingsblad.

b. Attest van de gevangenisdirecteur of detentie-attest van FOD Justitie

Voor een echtpaar gedomicilieerd op hetzelfde adres waarvan één van de partners gedetineerd is, mag een attest van de gevangenisdirecteur in aanmerking genomen worden als bewijs dat  het huwelijk gevolgd is door een feitelijke scheiding, zonder dat de inschrijving in de gevangenis al geregistreerd is in het Rijksregister. Dit attest als bewijs van weerlegging van de feitelijke gezinsvorming, is geldig voor de duur van de detinering. In overeenstemming met de richtlijnen voor de opvolging van het statuut van rechthebbende als gedetineerde (Cf. bijlage 2) dient voor de weerlegging van het vermoeden van feitelijk gezin jaarlijks een attest van detinering voorgelegd te worden.

Gezien de moeilijkheden die worden ondervonden om dergelijke attesten van gevangenisdirecties te bekomen, mogen tevens attesten van detentie van de FOD Justitie als officieel bewijs van de feitelijke scheiding in aanmerking worden genomen, voor zover de gedetineerde volledig van zijn vrijheid is beroofd. Deze attesten geven een overzicht van het regime en de strafuitvoeringsmodaliteiten waaronder de gedetineerde zijn straf uitzit tot op het moment van ondertekening van het attest. Het attest zegt echter niets over de plaats waar de gedetineerde de periodes buiten de gevangenis doorbrengt. In die zin biedt het dus onvoldoende elementen om de feitelijke scheiding te bewijzen wanneer het om een andere situatie dan de volledige vrijheidsberoving gaat. Zowel bij de attesten van detentie als bij de verklaringen van de gevangenisdirectie gaat het bovendien louter om momentopnames, en wordt er niets vermeld over eventuele toekomstige wijzigingen in het regime.

Om de bovenstaande redenen wordt de kinderbijslagfondsen gevraagd om voortaan jaarlijks een attest van detentie op te vragen bij de FOD Justitie om na te gaan of er wijzigingen werden aangebracht aan het gewone regime:

  • Wanneer dit gewone regime verder wordt aangehouden dan geldt dit attest als officieel bewijs van feitelijke scheiding.

  • Wanneer het regime echter is aangepast (beperkte detentie, elektronisch toezicht, uitgaansvergunning of penitentiair verlof) is de feitelijke scheiding niet langer afdoende bewezen en dient de betrokkene bijkomende bewijsstukken af te leveren om de feitelijke scheiding met een officieel bewijs aan te tonen; bijvoorbeeld aan de hand van attesten van Justitiehuizen of gevangenisdirectie of vonnissen van de strafuitvoeringsrechtbank.

Zodra de gedetineerde in het Rijksregister op een ander adres wordt ingeschreven, primeert dit als bewijs van feitelijke scheiding en mag deze jaarlijkse opvolging worden stopgezet.

c. Opname van een asielzoeker in het gezin van een particulier

Wanneer een gezin een asielzoeker opvangt, zal door de inschrijving van de asielzoeker op het adres van het gezin een vermoeden ontstaan van feitelijke gezinsvorming. Om het vermoeden van feitelijk gezin door de inschrijving van een niet-verwant persoon in het gezin te weerleggen,  moet het gezin een document van de FOD Binnenlandse zaken voorleggen waaruit blijkt dat een asielvraag is ingediend en anderzijds moet er een attest van immatriculatie zijn. Is de asielprocedure afgelopen en is de vluchteling erkende asielzoeker, dan leidt een verdere samenwoonst tot het vermoeden van feitelijke gezinsvorming. Tijdens de beroepsprocedure is er geen sprake van feitelijke gezinsvorming. Is de termijn van immatriculatie verlopen, dan moet er een nieuw onderzoek worden gestart om het vermoeden van feitelijk gezin te weerleggen121.

d. Minderjarige moeders: het vermoeden en het bewijs van opvoeden

Bij een gedeeld domicilie van moeder en kind geldt het vermoeden dat het kind door de moeder wordt opgevoed tot bewijs van het tegendeel (Cf. dienstbrief 996/109 van 17 april 2014). Wanneer het echter gaat om een zeer jonge minderjarige moeder die met haar kind inwoont bij de grootouders van het kind, is er een gegronde reden om eraan te twijfelen dat de minderjarige moeder het kind zelf opvoedt, omdat in dit geval de opvoeders van de minderjarige moeder waarschijnlijk ook de opvoeders van haar kind zijn.

Om onenigheid aangaande de opvoedingskwestie te vermijden, wordt echter afgestapt van de procedure122 die in dergelijke gevallen voorschreef dat er systematisch gecontroleerd wordt of minderjarige moeders daadwerkelijk hun kind zelf opvoeden. Thans geldt de meer soepele richtlijn waarbij zonder tegenindicaties de kinderbijslag wordt betaald aan de minderjarige moeder. Indien hierop een reactie volgt van de grootmoeder, wordt de bijslagtrekkende bepaald op basis van een verklaring op eer ondertekend door de beide partijen. In geval van onenigheid wordt een controle aan huis ingesteld met als doel aan te sturen op een minnelijke regeling tussen de betrokken partijen.In dergelijk geval is het niet aangewezen om de betalingen aan de wettelijk bijslagtrekkende onmiddellijk te schorsen in afwachting van het resultaat van de controle ter plaatse..

Het kraamgeld voor minderjarige moeders moet aan hen betaald worden (Art 69, §1, 1ste lid en Art. 73bis AKBW). Wie het kind opvoedt speelt hierbij geen enkele rol; determinerend is hier uitsluitend wie van het kind bevallen is.

e. Begeleid Zelfstandig Wonen (BZW) - toepassing van Art 69, §2 AKBW

Art 69, §2, b) AKBW bepaalt dat de kinderbijslag aan het rechtgevend kind zelf kan betaald worden als het ontvoogd is of de leeftijd van 16 jaar bereikt heeft en niet meer samenwoont met de bijslagtrekkende conform Art. 69, §1. Dit kan enkel worden aangetoond door een afzonderlijke hoofdverblijfplaats in het Rijksregister of officiële documenten die bewijzen dat de situatie in het Rijksregister niet meer overeenstemt met de realiteit.

In het addendum bij de dienstbrief 996/109 wordt het standpunt over Begeleid Zelfstandig Wonen en de toepassing van Art 69 AKBW toegelicht: enkel aan de hand van officiële documenten (model 2, OCMW Attest) kan worden bewezen dat de jongere niet langer bij de wettelijke bijslagtrekkende is gedomicilieerd en kan de kinderbijslag aan de jongere zelf worden betaald. De beslissingen van het Comité voor Bijzondere Jeugdzorg en de documenten uitgaande van de intersectorale toegangspoort of Ondersteuningscentra Jeugdzorg (OCJ) komen niet in aanmerking als officiële documenten123. De kinderbijslagfondsen dienen bij de ontvangst van de attesten van het OCJ en de sectorale toegangspoort de jongere te informeren dat deze niet volstaan om de kinderbijslag aan henzelf uit te betalen, maar dat daarvoor een officieel document van de gemeente nodig is dat de wijziging of de aanvraag tot wijziging attesteert.

Topic 12 - De electronische gegevensuitwisseling met het buitenland

3.12.1. De gegevensuitwisseling in het kader van de Europese Verordeningen124

De elektronische gegevensuitwisseling met het buitenland

Met de dienstbrief 997/78 werd meegedeeld dat het systeem van elektronische gegevensuitwisseling tussen de Lid-staten EESSI (Electronic Exchange of Social Security Information) met SED's (structured electronic document) ter vervanging van gegevensoverdracht op papier verschoven is naar onbepaalde datum. De papieren versies van een SED-bericht kunnen evenwel worden gebruikt en hebben dezelfde bewijswaarde als een E-formulier en moeten als rechtsgeldig document worden gebruikt tussen instellingen van verschillende Lid-staten als een van de instellingen er bij een andere instelling om vraagt.

Authenticiteitsbewijs op de E-formulieren

Het komt voor dat buitenlandse gemeentebesturen E-formulieren weigeren als de identiteit en authenticiteit van de ondertekenaar niet gegarandeerd worden door een stempel. Om terugzending van de formulieren te voorkomen wordt aangeraden om alle E-formulieren te voorzien van een stempel.

Verzending van de formulieren E411 bij overname bevoegdheid

Conform bijlage 43 bij CO 949 van 3 juli 1991 dient de verschilbetaling tweemaal per jaar plaats te vinden wat impliceert dat telkens na zes maanden een formulier E411 wordt verstuurd. Bij overname van het dossier dient het nieuw bevoegde fonds het formulier E411 te versturen uiterlijk na zes maanden gerekend vanaf de overname van de betalingen.

Gegevensuitwisseling voor gezinnen in Polen

Voor de gegevensuitwisseling met Polen wordt verwezen naar de dienstbrief 996/115 van 28 oktober 2015. Bijkomende instructies aangaande de verschilbetaling werden meegedeeld met bijlage 2 van deze dienstbrief d.d. 16 september 2016. De aandacht wordt erop gevestigd dat het kinderbijslagfonds bij de verzending van het formulier reeds de nodige informatie vraagt om de bevoegde ROPS125 te kunnen achterhalen (Cf. punt 2. Uitwisseling van gegevens tussen Belgische betaalinstellingen en de ROPS).

Ook voor het E402-formulier dient het ROPS de inhoud telkens te valideren. Dit is zo omdat het ROPS hierin het overzicht wil bewaren. Daarnaast is het ook zo dat het ROPS125 instaat voor het toezicht en de controles op de scholen. Bijgevolg is een E402 enkel geldig na validatie van het bevoegde ROPS125.

Aan de kinderbijslagfondsen wordt gevraagd om de in België ontvangen aanvraag (modellen AA) over te maken aan Polen, ook als de betrokkene verklaart in Polen geen aanvraag te hebben ingediend omdat de aanvrager weet dat het inkomen te hoog is om aldaar kinderbijslag te ontvangen. Polen eist geen specifiek formulier voor de stuiting van de verjaring of voor het onderzoek van het recht. Elk document geldig voor de Belgische betalingsinstelling kan als aanvraag worden meegestuurd voor zover het de identificatiegegevens en periode vermeldt. Indien er geen dergelijk document in het dossier zit of indien er twijfel bestaat, is het plausibel om het dossier te vervolledigen met een model AA, maar dit is geenszins een verplichting voor elk dossier. Wat betreft de taal van het document worden evenmin verplichtingen opgelegd. Bij het jaarlijks formulier E411 dient de aanvraag/het model AA telkens te worden bijgevoegd met de vermelding dat dit document nog steeds geldig is Wanneer een brevet wordt afgeleverd van een gezin in Polen, dient het kinderbijslagfonds het model AA mee te sturen aan het overnemende kinderbijslagfonds.

De gegevensuitwisseling met Nederland

De praktische richtlijnen aangaande de verschilbetaling met Nederland werden meegedeeld met CO 1383 bijlagen 7/1 van 16 september 2016 en 7/2 van 28 juni 2017. Bijlage 7/3 van 29 juni 2017 schetst de criteria om de bevoegde Sociale Verzekeringsbank in Nederland te kunnen bepalen.

In Nederland zijn de Sociale Verzekeringsbanken (SVB's) de authentieke bron voor de kinderbijslagen. Het formulier E401 moet evenwel aan de betrokkene worden gezonden en niet langer aan het SVB. Bij tegenstrijdigheid met de verklaring op de P12, moet het kinderbijslagfonds de SVB hierover inlichten en vragen een gewijzigde verklaring af te leveren. Zolang de Sociale Verzekeringsbank de gezinssamenstelling bevestigt en die ook aanwendt als basis voor de Nederlandse kinderbijslag, maakt het niet uit of dit gebeurt door middel van het formulier E401 dan wel door enig ander attest. Voor het formulier E401 wordt zowel de invulling door de gemeente als door de SVB als geldig aanvaard.

Export van kraamgeld naar Nederland

CO 949 bijlage 67 punt 5 stelt dat bij cumul het Belgische kraamgeld enkel per verschil kan worden toegekend. Vooraleer kraamgeld kan worden betaald in toepassing van V492/2011 EG is het dan ook aangewezen na te gaan of het land dat bij voorrang bevoegd is tot de toekenning van de bijslagen, al dan niet een gelijkaardige uitkering kan betalen.

Er werd echter reeds eerder aangegeven dat de Nederlandse wetgeving niet voorziet in een gelijkaardige uitkering126.

Bijgevolg is het overbodig om telkens opnieuw aan de Nederlandse SVB te vragen of er al dan niet een voorrangsrecht op Nederlands kraamgeld (of gelijkaardige uitkering) kan worden vastgesteld.

De gegevensuitwisseling met Frankrijk

In het kader van een betere communicatie tussen België en Frankrijk werd een dienstovereenkomst gesloten waardoor informatie van bijslagtrekkenden van de Caisse d'allocations familiales (Caf) du Nord via de beveiligde internetdienst Cafpro kan geraadpleegd worden.

In CO 1383 bijlage 11 van 14 september 2017 werden de consulteerbare gegevens van het toegangsprofiel, de procedure voor de aanvraag van een machtiging en de gebruikersvoorwaarden toegelicht.

Aangaande de geldende richtlijnen voor de verschillende landen kan bij twijfel contact opgenomen worden met de dienst Internationale Bemiddeling van FAMIFED: Internationale.Bemiddeling@famifed.be.

3.12.2. De gegevensuitwisseling in bilaterale context

Kinderbijslag voor zelfstandigen

De volgende landen hebben een bilaterale overeenkomst gesloten met België waarbij in het toepassingsgebied de kinderbijslag voor zelfstandigen wordt voorzien:

  • Bosnië Herzegovina (in werking vanaf 1 juni 2009): het bedrag voor zowel de zelfstandigen als de werknemers betreft de basisbedragen van de AKBW, met uitsluiting van alle andere aanvullingen of verhogingen (geen geboortepremie).
  • Macedonië (in werking vanaf 1 juni 2009): het bedrag voor zowel de zelfstandigen als de werknemers betreft de basisbedragen van de AKBW, met uitsluiting van alle andere aanvullingen of verhogingen (geen geboortepremie).
  • Montenegro (in werking vanaf 1 juni 2014): het bedrag voor zowel de zelfstandigen als de werknemers betreft de basisbedragen van de AKBW, met uitsluiting van alle andere aanvullingen of verhogingen (geen geboortepremie).
  • Servië (in werking vanaf 1 september 2014): het bedrag voor zowel de zelfstandigen als de werknemers betreft de basisbedragen van de AKBW, met uitsluiting van alle andere aanvullingen of verhogingen.
  • Turkije (in werking vanaf 1 mei 1968): de verschuldigde kinderbijslag betreft sui generis bedragen, waarbij een onderscheid is tussen de kinderbijslag voor werknemers en de kinderbijslag voor zelfstandigen. De nieuwe bilaterale overeenkomst gesloten met Turkije is nog niet in werking getreden. Dit nieuwe verdrag voorziet eveneens in sui generis bedragen, maar maakt geen onderscheid tussen de werknemers en de zelfstandigen.
  • Tunisië (in werking vanaf 1 mei 2017): het nieuwe verdrag, dat thans nog niet in werking is getreden voorziet voor zowel de zelfstandigen als de werknemers sui generis bedragen. De huidige geldende bilaterale overeenkomst voorziet niet in gezinsbijslag voor zelfstandigen.
  • Israël (in werking getreden vanaf 1 mei 2017)127: het nieuwe verdrag, dat thans nog niet in werking is getreden voorziet voor zowel de zelfstandigen als de werknemers de basisbedragen van de AKBW. De huidige geldende bilaterale overeenkomst voorziet geen regeling omtrent gezinsbijslag, noch voor werknemers, noch voor zelfstandigen.
Bilaterale overeenkomst en detachering

Zolang een werknemer op basis van het akkoord tussen België en de overeenkomstsluitende Staat  onderworpen blijft aan de Belgische sociale zekerheid (wat in de praktijk blijkt uit de DMFA-gegevens van de RSZ) is de algemene afwijking op de verblijfsvoorwaarde van Art. 52 AKBW van toepassing, zodat op basis van de interne Belgische wetgeving kinderbijslag kan worden betaald voor de kinderen die gedurende de detachering van de werknemer samen met de werknemer in het buitenland wonen.

Wanneer bilaterale overeenkomsten beperkt zijn tot enkele takken van de sociale zekerheid is bij detachering toch steeds de volledige Belgische sociale zekerheid van toepassing. De MO 312 is van kracht. Het is niet nodig een individuele afwijking aan te vragen.

Bilaterale overeenkomst met Turkije - Toepassingsgebied

FOD Sociale Zekerheid bevestigt dat de situaties bedoeld in Art. 56octies AKBW ressorteren onder het toepassingsgebied van Art. 56 van de Administratieve Schikking bij de Bilaterale Overeenkomst met Turkije. Het bilateraal akkoord is met andere woorden van toepassing voor de kinderen die verblijven in Turkije als de rechthebbende als werknemer een Belgische onderbrekingsuitkering geniet in het kader van een periode van tijdskrediet/loopbaanonderbreking. Dit omdat de betrokkene nog steeds een arbeidsovereenkomst heeft, waarvan slechts de uitvoering is opgeschort.

3.12.3. Provisionele betalingen voor kinderen in het buitenland

Wat betreft de provisionele betaling geldt conform het Art. 9 van KB van 12 juni 1989128 dat de kinderbijslag moet worden  doorbetaald tot en met de maand volgend op de maand van verzending van het periodiek formulier. Volgens Art.2, §2 van het genoemde KB geldt deze provisionele betaling enkel voor in België verblijvende rechtgevende kinderen. Dit is evenwel strijdig met het  principe van de gelijke behandeling uit de Europese regelgeving: dezelfde timing en betaalkalender als voor betalingen op het Belgisch grondgebied moet worden aangehouden.

De regeling die voor deze problematiek werd uitgewerkt in dienstbrief 999/176 van 3 juli 2016 met betrekking tot de onderwijsformulieren mag ook worden toegepast op andere controleformulieren.

Algemeen geldt:

  • Formulier voor EER land: er wordt provisioneel betaald tot de maand na de verzending
  • Formulier voor niet-EER land: er wordt niet provisioneel betaald

3.12.4. Ambtshalve beslissing bij ontbrekende formulieren voor het buitenland

In het schema in punt 3.10.3 werd de procedure geschetst in geval van ontbrekende of onvolledige formulieren.

De actuele regel is dat de afsluitende formulieren worden opgevraagd binnen de 30 dagen na de ontvangst van de informatie waaruit blijkt dat het recht een einde neemt. Voor het buitenland wordt het formulier binnen de 45-60 dagen herinnerd. Ingeval van ontbreken van het (afsluitend) formulier wordt ambtshalve een eindbeslissing genomen op basis van de beschikbare gegevens. Voor het buitenland zal bij de ambtshalve beslissing vaak dienen te worden besloten tot 'geen actie' wegens het ontbreken van relevante gegevensbronnen, andere dan verklaringen op eer.

Overzicht van de ambtshalve beslissingen (na één herinnering)

Ontbrekend formulier

Verschilbetaling

Geen verschilbetaling

Formulier ontvangen /niet ontvangen na herinnering

E401

Betalingen blokkeren

+ Sturen naar KBF129 indien gekend of verbindingsorgaan als niet gekend

Betalingen blokkeren

+ Sturen naar KBF indien gekend of verbindingsorgaan / gemeente als niet gekend

  • Bijbetalen / Debiteren vanaf de maand volgend op de laatst ontvangen E401

  • Bij onmogelijkheid tot recuperatie -> CO 1409 + CO 1346

P12

Betalingen blokkeren

 

Op E411 beroepssituatie controleren (vraag 6.1.)

Betalingen blokkeren

 

E411 sturen naar KBF indien niet gekend naar verbindingsorgaan

  • Bijbetalen / Debiteren vanaf de maand volgend op de laatst ontvangen P12

  • Bij onmogelijkheid tot recuperatie -> CO 1409 + CO 1346

E401 + P12

Betalingen blokkeren

+ E401 sturen naar KBF indien gekend of verbindingsorgaan als niet gekend

-> Op E411 beroepssituatie controleren (vraag 6.1.)

Betalingen Blokkeren

+ E401 en E411 sturen naar KBF / Verbindingsorgaan / gemeente

  • Bijbetalen / Debiteren vanaf de maand volgend op de laatst ontvangen E401 +P12 (jongste datum)

  • Bij onmogelijkheid tot recuperatie -> CO 1409 + CO 1346

E402 / E403 Provisioneel betalen tot één maand na verzending formulier   Betalen / provisionele betaling terugvorderen
P7 Int + bilaterale formulieren Geen provisionele betaling  

Betalen / Geen verdere actie

P19 Fisc A (verzending 15 januari130)

Stopzetting van de provisionele betalingen van de toeslag vanaf maart tot ontvangst serieel controleformulier.

  Recuperatie van de betaalde toeslagen voor het voorbije jaar, (rekening houdend met de trimestrialisering op basis van november), alsook de maanden januari en februari van het lopende jaar.

4. Varia

4.1. Standpunt van de arbeidsrechtbanken in verband met de informatieplicht

Gelet op Art. 3 (informatieplicht) en Art. 6 (het hanteren van een begrijpelijke taal) van het Handvest van de Sociaal Verzekerde131, worden de laatste tijd meer en meer vonnissen en arresten gewezen waarin de informatie onvoldoende werd bevonden voor het behoud van de rechten. Als gevolg van deze standpunten past FAMIFED de informatie op de formulieren aan.

4.2. Verklaring voor de verzekeringsinstellingen ten behoeve van de volle wezen

De kinderbijslagfondsen worden eraan herinnerd dat de verklaring die bestemd is voor de mutualiteiten, op tijd moet worden gestuurd (zie MO 605 van 9 oktober 2008). De kinderbijslagfondsen wordt gevraagd een duplicaat van de verzending van het document in het dossier te bewaren of elektronisch op te slaan.

4.3. De termijn voor de verzending van de ontvangstmelding van het brevet (nieuwe procedure)

Na overleg met de kinderbijslagfondsen wordt de termijn voor de verzending van het bericht van ontvangst van het brevet veranderd. De mail met de ontvangstmelding van het brevet wordt verstuurd ten laatste op de twintigste dag van de maand na die waarin het oorspronklijke fonds (Fonds A) het brevet van rechthebbende (Mod.Y) heeft verzonden aan het fonds B. De termijn voor het verzenden van een herinnering door fonds A aan fonds B bij het uitblijven van het e-mailbericht wordt in dezelfde zin aangepast. De herinnering is niet meer noodzakelijk wanneer het kinderbijslagfonds A vaststelt dat het kinder bijslagfonds B de rechthebbende, de bijslagtrekkende en de rechtgevende(n) heeft geïntegreerd. Deze termijn- en procedurewijziging hoeft niet onmiddellijk een wijziging van de geïnformatiseerde programma's tot gevolg te hebben aangezien die in een vroegere, striktere termijn voorzien (20 dagen na ontvangst van het brevet).

Voorbeeld

Fonds A verstuurt het brevet van rechthebbende op 31 mei aan fonds B met bevoegdheidstransfer vanaf 1 juni. Fonds B bevestigt de ontvangst van het brevet ten laatste op dag 20 van de maand juni. Stel dat dit niet zo is en dat kinderbijslagfonds B de rechthebbende, de bijslagtrekkende, de kinderen en de betaaltermijnen in het Kadaster heeft geïntegreerd dan hoeft kinderbijslagfonds A in principe geen herinnering meer te sturen.

Het kinderbijslagfonds dat de ontvangsmelding reeds had verstuurd verbindt zich ertoe de continuïteit van de betalingen te verzekeren: Wanneer het kinderbijslagfonds pas na verzending van de ontvangstmelding vaststelt dat het niet bevoegd is, staat het in voor de eerstvolgende maand van betaling (met inbegrip van de verzending van de formulieren) en maakt het dossier over aan het bevoegde fonds. Elk risico op onderbreking in de betaling moet worden vermeden.

Overdracht van bevoegdheid met brevet van rechthebbende in het geval van een potentieel recht (nieuwe procedure)132

In het kader van een automatisch onderzoek van het recht wordt een bevoegdheidswijziging vastgesteld op een moment dat enkel een potentieel recht op kinderbijslag bestaat.

Voorbeeld

Het kind gaat bij de grootouders wonen. Dit kind is beginnen werken in de beroepsinschakelingstijd. Aangezien de kinderbijslaginstellling van de grootvader (Fonds B) voor geen enkel kind kan betalen (Kadaster consulteren) behoudt Fonds A het dossier, totdat er opnieuw een effectieve betaling is. Pas dan stuurt het fonds A het dossier met een brevet door naar de bevoegde kinderbijslaginstelling volgens de procedure van het automatisch onderzoek van het recht.

Geneutraliseerde situatie: vaststelling van de bevoegde instelling
Voorbeelden
  1. De rechthebbende is in dienst bij een werkgever aangesloten bij KBF A en wordt vervolgens werkloos. De werkgever muteert naar KBF B op 1 juli. De rechthebbende begint deeltijds te werken bij werkgever A en ontvangt een inkomensgarantie-uitkering. In de maand juni wordt het inkomensplafond overschreden en ontvangt de deeltijdse werknemer geen supplement van de werkloosheid. In de maand juli wordt opnieuw een supplement ontvangen: -> de bevoegdheid gaat niet over naar KBF B want op 1 juli bevindt de rechthebbende zich bij zijn werkgever in een geneutraliseerde situatie
  2. De rechthebbende is in dienst bij een werkgever aangesloten bij KBF A en wordt vervolgens werkloos. De werkgever muteert naar KBF B op 1 juli. De rechthebbende begint deeltijds te werken en ontvangt een inkomensgarantie-uitkering bij werkgever A. Voor de maand november wordt geen flux D042 ontvangen omdat geen supplement werkloosheid wordt ontvangen: -> de bevoegdheid gaat op 1 januari over want niet geneutraliseerde activiteit gedurende een referentiemaand
  3. De werknemer is in dienst bij een werkgever (KBF A) en wordt langdurig ziek. Het arbeidscontract blijft bestaan. De werkgever muteert op 1 juli naar een ander kinderbijslagfonds (KBF B). -> Aangezien het arbeidscontract blijft bestaan betreft muteert het dossier mee naar het nieuwe KBF B.
  4. De werknemer is in dienst bij een werkgever (KBF A) en wordt langdurig ziek. Het arbeidscontract wordt ontbonden. De werkgever muteert naar een ander kinderbijslagfonds (KBF B). De zieke werknemer hervat het werk deeltijds bij een werkgever (KBF C) met toestemming van de adviserend geneesheer van het ziekenfonds. -> Het dossier muteert niet van KBF A naar KBF C want de tewerkstelling is geneutraliseerd.

4.4. De behandelingstermijn van informatie in geval van gegevensuitwisseling met Mod. Yter

De termijn van 30 dagen voor de behandeling van de informatie in het kader van de uitwisseling met Mod. Yter heeft betrekking op het geheel van de kinderbijslagfondsen en niet op elk kinderbijslagfonds afzonderlijk dat betrokken is bij de behandeling van een gegeven. Om te vermijden dat door een aanzienlijke verlenging van de behandelingstermijn ongelijkheid ontstaat tussen de sociaal verzekerden, is het essentieel dat een identieke behandelingstermijn wordt gehanteerd voor de sociaal verzekerden ongeacht het aantal kinderbijslagfondsen dat dient tussen te komen bij de vaststelling van het recht. De kinderbijslagfondsen vormen een gemeenschap (Cf. CO 1402 van 26 februari 2015).

De kinderbijslagfondsen worden eraan herinnerd de informatie onmiddellijk over te maken.

4.5. De vermelding van de begindatum van de gelijkstelling op het brevet van rechthebbende (Mod. Y)

Bij de administratieve controle is gebleken dat de kinderbijslagfondsen de begindatum van de "assimilatie" op verschillende manieren invullen op het brevet van rechthebbende Mod. Y, wat een risico op verkeerde betalingen doet ontstaan. Daarom dient voortaan als algemene standaard de begindatum van de eerste activiteit in de ontbrekende periodes op het brevet in het vak "begin assimilatie" te worden vermeld.

Dit principe blijft onverkort van toepassing in de nieuwe procedure gekoppeld aan de fiscale flux.

Wanneer er op grond van de procedure inzake provisionele betaling van de toeslag, op datum van de werkhervatting (die de gelijkstelling meebrengt) effectief provisioneel toeslag betaald wordt, dient het brevet ingevuld te worden zoals hierboven aangegeven.

Wanneer echter bij de definitieve vaststelling van het recht op toeslag op basis van de fiscale gegevens blijkt dat de toeslag niet effectief verschuldigd is bij de werkhervatting, dan vervalt ook de gelijkstelling en dient het kinderbijslagfonds de betalingen te herzien en een verbeterd brevet aan de volgende kinderbijslaginstelling op te sturen.

4.6. Aanrekening van de betaalde gezinsbijslag aan de deelentiteiten

In de loop van 2014 hebben de kinderbijslaginstellingen van FAMIFED de nodige richtlijnen ontvangen om vanaf 1 januari 2015 aan elk rechtgevend kind een regiocode toe te kennen.

Deze regiocode133 dient vanaf 1 januari 2015 altijd op het brevet van rechthebbende vermeld te worden.

4.7. Toepassing van de niet-indexering van de gezinsbijslagen in Vlaanderen

Vanaf juni 2017 gelden er afwijkende bedragen voor de gezinsbijslag uitgekeerd ten laste van de Vlaamse Gemeenschap, aangezien de toe te kennen bedragen voor de rechtgevende kinderen met regiocode Vlaanderen niet werden geïndexeerd. Wanneer de kinderbijslagfondsen de gegevens m.b.t. de toepassing van de aanknopingsfactoren met vertraging ontvangen, dienen zij de betalingen zo nodig te regulariseren (bijpassen of terugvorderen). Alle regularisaties dienen effectief te worden uitgevoerd, ongeacht het bedrag ervan. De praktische richtlijnen i.v.m. het uitvoeren van regularisaties ten gevolg van de niet-indexering in Vlaanderen werden meegedeeld met CO 1413 van 24 juli 2017.

4.8. De opvang van kinderen uit Tsjernobyl in Belgische gezinnen

In bepaalde gevallen en voor een beperkte duur is het mogelijk om kinderbijslag toe te kennen aan gezinnen die kinderen opvangen ongeacht het kinderbijslagfonds van de werknemers- of de overheidsregeling dat voor dit gezin bevoegd is.

De betrokken vereniging "Accueil Santé asbl Enfant de Tchernobyl" en de kinderbijslaginstellingen werden van de voorwaarden en de procedure op de hoogte gebracht.

Het kind moet jonger zijn dan 12 jaar (MO 599 van 16 juli 2007):

  • Het gezin moet een aanvraag indienen bij het fonds dat al kinderbijslag betaalt als het gezin andere kinderen telt. Als dit gezin geen andere rechtgevende kinderen heeft, moet het een aanvraag indienen bij het fonds waarbij de werkgever van het oudste gezinslid is aangesloten. In beide gevallen gebeurt dit aan de hand van het formulier AA, beschikbaar op de website van het betrokken fonds.
  • Bij het aanvraagformulier moet de kopie van het "Visum kort verblijf" gevoegd worden waarop het adres van de voorlopige woonplaats van het rechtgevend kind vermeld staat, evenals de precieze verblijfsdata.
  • Om met terugwerkende kracht kinderbijslag te kunnen genieten (maximaal vijf jaar) moet men een historiek aanvragen van de "Visa kort verblijf" bij de gemeente of de Dienst Vreemdelingenzaken (World Trade Center II, Antwerpse steenweg 59B, 1000 Brussel, ter attentie van de dienst Publicité, mevrouw Deval), met vermelding van de naam en de voornaam van het rechtgevend kind.

Opgelet: Art. 48 AKBW bepaalt dat kinderbijslag maar verschuldigd is vanaf de maand na het openen van het recht. Dit betekent dat als het verblijf van het kind geen twee maanden bestrijkt, er geen recht op kinderbijslag mogelijk is.

Voorbeeld

Een kind is ingeschreven bij de Dienst Vreemdelingenzaken in het onthaalgezin op 30 juni. De kinderbijslag is verschuldigd vanaf de maand juli en betaalbaar vanaf 10 augustus. Als het kind echter aankomt op 3 juli en vóór 1 augustus weer vertrekt, is er geen recht op kinderbijslag.

4.9. Het brevet aan de gewaarborgde gezinsbijslag - Herinnering aan de regel

In functie van het automatisch onderzoek van het recht dienen de kinderbijslagfondsen ambtshalve een brevet af te leveren aan de dienst "gewaarborgde kinderbijslag" wanneer het kinderbijslagfonds geen recht meer kan vaststellen ingevolge een sanctie in de werkloosheid die een beletsel voor de kinderbijslag betekent, stopzetting van activiteit, OCMW-uitkering, ... Het gezin enkel informeren over het mogelijk recht op gewaarborgde gezinsbijslag zonder een brevet aan die dienst af te leveren, volstaat niet. De kinderbijslaginstellingen worden eraan herinnerd het dossier echter maar over te maken aan de dienst Gewaarborgde Gezinsbijslag als zij hebben onderzocht en vastgesteld dat er geen enkel ander recht op kinderbijslag in de AKBW bestaat134.

4.10. De einddatum arbeidsongeschiktheid in de flux D046 (A020)

De datum die als einddatum van arbeidsongeschiktheid bij genezing in de flux D046 (A020) wordt ingevoerd is de laatste dag van de erkenning als arbeidsongeschikte en niet de eerste dag van de genezing (de dienstbrief 997/35sexies van 6 november 2012).

4.11. Opvolging van het recht in hoofde van de niet-vergoede werkloze

Met de technische dienstbrief 997/79 quinquies van 6 juli 2017 werden bijkomende instructies gegeven voor het raadplegen van de gegevens betreffende de niet-vergoede werkloosheid met de consultatieflux L035, in het bijzonder voor de situaties waarbij een foutcode wordt ontvangen die aangeeft dat gegevens niet (meer) raadpleegbaar zijn. Ook werd de te volgen procedure toegelicht wanneer het fluxbericht een toelaatbaarheids- of vergoedbaarheidsartikel weergeeft dat niet voorkomt op lijsten die als bijlagen gaan bij de technische beschrijving van het P063-bericht (te consulteren op de website van FAMIFED).

Wat betreft het recht in hoofde van de niet-vergoede werkloze wordt tevens de aandacht gevestigd op volgende situaties135:

  • Voorrangsrecht bij scheiding van de ouders en wanneer het ouderlijk gezag gezamenlijk wordt uitgeoefend.

Ter herinnering: in bepaalde situaties verkrijgt de volledig niet-vergoede werkloze het recht op kinderbijslag op voorwaarde dat dit recht niet door een ander gezinslid kan worden verkregen. Hierbij geldt de feitelijke situatie. De vaststelling van het statuut van rechthebbende gebeurt dus op basis van de feitelijke situatie.

Als de ouders gescheiden zijn en het ouderlijk gezag gezamenlijk uitoefenen, is de juridische fictie daarentegen wel van toepassing om de voorrang van de rechten tussen de ouders te regelen.

Conclusie: als de vader rechthebbende is als niet-vergoede werkloze en de moeder opent ook een recht op kinderbijslag, is de vader de voorrangsgerechtigde rechthebbende als de ouders gezamenlijk het ouderlijk gezag over de kinderen uitoefenen.

Toepassingsvoorbeelden:

a.         De vader uitgesloten werkloze met residuair recht leeft alleen. Het rechtgevend kind woont bij de loontrekkende moeder en er is co-ouderschap -> de vader is rechthebbende

b.         De vader uitgesloten werkloze met residuair recht leeft met een partner. Het rechtgevend kind woont bij de loontrekkende moeder en er is co-ouderschap -> vader blijft rechthebbende

c.         De vader uitgesloten werkloze 'residuair' recht leeft met zijn echtgenote. Het rechtgevend kind woont bij de loontrekkende moeder en er is co-ouderschap -> de vader verliest het statuut van rechthebbende, de moeder136 wordt rechthebbende in toepassing van Art. 64 AKBW

d.         De vader uitgesloten werkloze met residuair recht leeft alleen met het rechtgevend kind. Er is co-ouderschap met de loontrekkende moeder -> de vader is rechthebbende

e.         De vader uitgesloten werkloze met residuair recht leeft met een partner en het rechtgevend kind. Er is co-ouderschap met de loontrekkende moeder -> de vader verliest het statuut van rechthebbende, de moeder wordt rechthebbende in toepassing van Art 64 AKBW

f.          De vader uitgesloten werkloze met residuair recht leeft met zijn echtgenote en het rechtgevend kind. Er is co-ouderschap met de loontrekkende moeder -> de vader verliest het statuut van rechthebbende. De moeder wordt rechthebbende in toepassing van Art 64 AKBW

  • Recht van de niet-vergoede werkloze bij afvoering van ambtswege uit het Rijksregister van de Natuurlijke Personen

De instructies voor de verwerking van de berichten P063 werden meegedeeld met dienstbrieven 997/79quater van 30 november 2015 en 997/79quinquies van 6 juli 2017. Er is gebleken dat de berichten van ambtshalve schrapping van de niet-vergoede werklozen door de RVA niet systematisch verwerkt worden, maar dat de raadplegingsflux L035 louter de laatste erkende status van de niet-vergoede werkloze vermeldt.

Bij de ambtshalve schrapping is het niet meer mogelijk te controleren of de niet-vergoede werkloze nog altijd beschikbaar is voor de arbeidsmarkt, een voorwaarde die nochtans in het koninklijk besluit van 25 februari 1994 is vastgelegd.

In die omstandigheden en met het oog op de uniforme toepassing van de dossiers van de niet-vergoede werklozen, dienen de kinderbijslagfondsen tijdens de periode van schrapping te veronderstellen dat de uitgesloten werkloze niet beschikbaar is voor de arbeidsmarkt en dat hij dus zijn hoedanigheid van rechthebbende verliest. Als de niet-vergoede werkloze rechthebbende tijdens de referentiemaand effectief geschrapt is, moet een ander mogelijk recht op kinderbijslag worden onderzocht.

Wanneer er een ander recht op kinderbijslag bestaat, wordt het dossier ingevolgde de bevriezing van de bevoegdheid vanaf 1 januari 2018 niet langer overgedragen aan het kinderbijslagfonds van de nieuwe rechthebbende, maar zet het kinderbijslagfonds de betalingen voort hoofdens de nieuwe rechthebbende. Bij ontvangst van het bericht dat de betrokkene opnieuw in het Rijksregister van de Natuurlijke Personen ingeschreven is en als de consultatieflux L035 nog altijd bestaat, moet het fonds het voorrangsrecht opnieuw onderzoeken en het dossier terug openen hoofdens de niet-vergoede werkloze.

Wanneer er geen ander recht op kinderbijslag bestaat in de AKBW , moet het dossier aan de dienst Gewaarborgde gezinsbijslag van FAMIFED worden overgedragen. Als deze dienst een bericht ontvangt dat de betrokkene opnieuw in het Rijksregister van de Natuurlijke Personen ingeschreven is en als de consultatieflux L035 nog bestaat, worden overeenkomstig de bepalingen uit CO 1415 de betalingen verdergezet door FAMIFED volgens de AKBW.

4.12. Terugbetaling van voorschotten van het OCMW

Alle sommen die het OCMW als voorschot op de kinderbijslag heeft betaald vóór de kennisgeving door het kinderbijslagfonds van de vaststelling van het recht op kinderbijslag, dienen als achterstallen beschouwd te worden die het OCMW van het kinderbijslagfonds kan terugvorderen137

4.13. De verdeling in de afdelingen van de hoven en rechtbanken

Het KB van 14 maart 2014 bepaalt de verdeling van de bevoegdheid van de hoven en rechtbanken in afdelingen. Het adres van de bevoegde arbeidsrechtbank is één van de verplichte vermeldingen in het kader van de artikelen 14 en 15 van het Handvest betreffende de motivering aan de sociaal verzekerde van de toekennings- of weigeringsbeslissingen en de beslissingen tot terugvordering van onverschuldigd betaalde bedragen. Het KB werd per email van 3 april 2014 aan de kinderbijslaginstellingen bezorgd.

De gevolgen van de oprichting van de familierechtbanken voor de kinderbijslag werden toegelicht in CO 1399 van 18 november 2014. Met de dienstbrieven 996/126 van 19 december 2016 en 996/126bis van 14 december 2017 werden hierbij verduidelijkende richtlijnen gegeven.

Aanvullende richtlijnen

Mededeling van de rechterlijke uitspraken waarin het kinderbijslagfonds partij is (eiser of verweerder)

Met de CO 1406 van 13 januari 2016 aangaande de mededeling van procedures voor het Hof van Cassatie of Arbitragehof aan FAMIFED, werden de richtlijnen vervat in de MO 561 geactualiseerd. De FOD Sociale Zekerheid heeft gevraagd - gelet op de bevoegdheidsoverdracht naar de Gemeenschappen- om in algemene zin niet meer op de hoogte teworden gesteld van de gerechtelijke uitspraken waarin het kinderbijslagfonds partij is. De onderrichting van MO 378 van 20 oktober 1980 waarin wordt gevraagd om vonnissen en arresten inzake kinderbijslag over te maken aan de dienst Kinderbijslag van de FOD wordt opgeheven.

De mededelingen worden nog enkel verstuurd aan FAMIFED volgens de procedure beschreven in de CO 1390 van 27 mei 2013.

Collectieve schuldenregeling - Betekening van de beschikking van toelaatbaarheid

De praktijk om de beschikking van toelaatbaarheid niet aan het kinderbijslagfonds mede te delen is in strijd met het Gerechtelijk Wetboek (rt. 1675/9, §1,4° GW). De artikelen van het Gerechtelijk Wetboek aangaande de kennisgeving van de beschikking van toelaatbaarheid aan het kinderbijslagfonds en de storting van de kinderbijslag op een geblokkeerde rekening blijven onverminderd van toepassing .

Art. 1675/9 GW stelt dat na de uitspraak van de beschikking van toelaatbaarheid de griffier deze ter kennis moet brengen van de betrokken schuldenaars.Volgens Art. 1675/16, §1 GW wordt de beschikking van toelaatbaarheid, bedoeld in Art. 1675/6 door de griffier bij gerechtsbrief ter kennis gebracht.138

Ook de richtlijnen die dienaangaande zijn gegeven bij dienstbrief 996/104 van 17 april 2012 blijven onverkort gelden.

Wie mag de kopie van het vonnis naar het kinderbijslagfonds sturen?

Dienstbrief 999/126 van 19 december 2016 legt vanuit het streven naar administratieve vereenvoudiging en in het belang van het kind geen formele tegenstelbaarheidsvereisten meer op voor de uitvoerbaarheid van vonnissen in de situaties waarbij het kinderbijslagfonds geen betrokken partij is in het geding: het volstaat om aan de betrokkene een kopie te vragen van het vonnis, het arrest of de gerechtelijke beslissing. De kinderbijslagfondsen stelden de vraag door wie de kopie van het vonnis aan het kinderbijslagfonds moet bezorgd worden opdat het fonds er gevolg moet aan geven.

Het fonds kan het vonnis toepassen na ontvangst vanwege de volgende personen:

  • de rechthebbende, de bijslagtrekkende, het rechtgevend kind
  • de ouders van het kind
  • de personen die ingevolge het vonnis aanspraak maken op de kinderbijslag
  • hun gemachtigden en wettelijke vertegenwoordigers (voogd, (voorlopig) bewindvoerder, gerechtelijke raadsman)
  • hun advocaten, schuldbemiddelaars
  • de personen die over een uitdrukkelijke lastgeving beschikken (lasthebbers)
  • verenigingen en instellingen van wie een impliciete lastgeving kan worden vermoed (vakbonden, ziekenfondsen, organisaties van zelfstandigen, verenigingen van personen met een handicap of gepensioneerden)
  • OCMW's: aangeduid als voogd voor minderjarige kinderen, in het kader van maatschappelijke dienstverlening, subrogatie

Het betreft hier geen exhaustieve opsomming, maar de meest voor de hand liggende toepassingsgevallen.

Tenuitvoerlegging van vonnissen uitgesproken in het buitenland

Voor rechterlijke schikkingen daterend van vóór 10 januari 2015 moet de partij die het vonnis wil laten uitvoeren de verklaring van uitvoerbaarheid bekomen van het bevoegde gerecht in een andere lidstaat om die te kunnen ten uitvoer te leggen (exequaturprocedure). Na die datum werd de procedure gewijzigd en moet de belanghebbende om een rechterlijke beslissing te laten uitvoeren een uitvoeringscertificaat vragen in het land waar het vonnis is uitgesproken. (Art. 53 van de Brussel Ibis-Verordening).

De geactualiseerde formulierentabellen

Als bijlage vinden de kinderbijslaginstellingen de tabellen met de aangepaste formulieren- en controleprocedures voor 2018.

Bijlage I : De aangepaste formulierentabel

Bijlage II : Overzicht van de onderzoeks- en formulierenprocedures

Bijlage IIIa : De student en de werkzoedende schoolverlater in de beroepsinschakelingstijd

Bijlage IIIb : Schema (ex)-STUDENT - vakantieperiode + beroepsinschakelinstijd + verlenging BIT

  • 1. Van elke consultatie wordt een print(screen) in het (elektronisch) dossier bewaard als bewijsmiddel.
  • 2. De overgangsuitkering wordt gelijkgesteld meet een overlevingspensioen voor de toepassing van Art. 56 quater AKBW cf. dienstbrief 996/122 van 7 april 2016
  • 3. Geen bewijswaarde inzake begin en einde van de plaatsing ingevolge decreet Integrale Jeugdhulp (enkel Vlaamse Gemeenschap).
  • 4. Afgeschaft ingevolge decreet Integrale Pleegzorg vanaf 1 januari 2014 (enkel Vlaamse Gemeenschap).
  • 5. Overeenkomstig Art. 42, §1, al. 2 wordt, wanneer er verschillende bijslagtrekkenden zijn, voor de rangbepaling rekening gehouden met het geheel van de rechtgevende kinderen, op voorwaarde dat de bijslagtrekkenden verklaren een feitelijk gezin te vormen. Die verklaring op het Model J geldt tot bewijs van het tegendeel. Voor de dossiers overgenomen van de sociale verzekeringsfondsen voor zelfstandigen wordt toepassing gemaakt van de continüiteitsregel. Op basis van de gegevens op het brevet worden de kinderen verder gegroepeerd zonder verklaring van feitelijk gezin totdat er een wijziging zich voordoet die een weerslag heeft op de feitelijke gezinsvorming. Alsdan moet een mod. J worden opgezonden.
  • 6. Hetzij het geregistreerd huurcontract, hetzij de arbeidsovereenkomst (een inwonend persoonslid huispersoneel).Cf. punt 3.4.1.
  • 7. Cfr de ministriële omzendbrief, MO 588 van 17 maart 2005. Het Model J (verklaring van de betrokkene) is als bewijs van de scheiding niet dienstig.
  • 8. Dienstbrief 996/109 van 17 april 2014 en addendum bij dienstbrief 996/109 van 23 december 2015. Zie ook topic 11. Het Rijksregister
  • 9. cf. CO 1404 van 7 september 2015
  • 10. Dienstbrief 996/114 van 9 april 2015
  • 11. Vanaf 1 oktober 2008.
  • 12. Dienstbrief 999/177 van 17 november 2015 en addendum van 4 mei 2016.
  • 13. Omzendbrief van FAMIFED, CO 1376 van 8 september 2008.
  • 14. Niet beschikbaar via DMFA, wel via RIP (Zie: Dienstbrief 996/64 van 7 augustus 2006).
  • 15. Gewestelijke diensten voor Arbeidsbemiddeling
  • 16. Zie dienstbrief 996/110 van 4 juni 2014.
  • 17. Verplichte omzetting van rolcode 102 naar 103 zodra de inhoudingen eindigen
  • 18. Wanneer briefwisseling gericht is aan derden wordt het Rijksregisternummer van de rechthebbende vermeld als referentie.
  • 19. Email van FAMIFED aan de kinderbijslagfondsen van 25 april 2016.
  • 20. Vijfdagenregel staat gelijk met een week van 38 uren.
  • 21. Zie: MO 393 van 9 november 1981 en addendum van 20 mei 2011.
  • 22. Het formulier P16com moet alleen worden verzonden als de overlevende ouder een feitelijk gezin vormt of hertrouwd is.
  • 23. cf. CO 1393 van 19 september 2013 en dienstbrief 996/113 van 27 februari 2015
  • 24. Enkel wanneer gegevens niet elektronisch ter beschikking zijn, mogen deze opgevraagd worden bij de sociaal verzekerde, die vervolgens het bewijs aan de hand van een papieren attest kan leveren (cf. punt 2.2.3). Papieren attesten afkomstig uit authentieke bron hebben dezelfde bewijskracht als de elektronische fluxen en zijn dus een geldig bewijs om het recht op kinderbijslag of toeslag vast te stellen. Echter het uitblijven van de ontvangst van attesten die normaal op elektronische wijze worden geleverd via de authentieke bron betreft een anomalie te signaleren aan de dienst Monitoring van FAMIFED.
  • 25. Goedgekeurd in de Ministerraad van 23 juni 2006. Dit Charter is een aanvulling op het Handvest van 4 december 1992 van de gebruiker van de openbare diensten. De bedoeling is om in dit Handvest een aantal nieuwe principes van een goede openbare dienstverlening toe te voegen.
  • 26. KB van 19 maart 2008; BS van 15 april 2008.
  • 27. Dit onderwerp was al het voorwerp van een onderrichting: Cf. punt 3, van de omzendbrief van FAMIFED, CO 1352 van 20 december 2004 - Een "goed leesbare kopie" in de plaats van een authentiek document volstaat.
  • 28. Cf. bijv. het speciaal geboorteattest: zie rubriek 3.2.2. van deze omzendbrief (na de geboorte).
  • 29. Standpunt op basis van artikel 9,§ 1 van de wet "Only Once" van 5 mei 2014
  • 30. >Omzendbrief van FAMIFED, CO 1360 van 1 augustus 2006 en de CO 1393 van 19 september 2013.
  • 31. De authenticiteit kan in geval van twijfel altijd worden geverifieerd op de website van de overheid.
  • 32. Cf. KB van 12 juni 1989 (toegelicht in CO 1216 van 26 juni 1989)
  • 33. De bankdienst kost in 2018 maximum 15,76 euro. De maximale prijs voor de basisbankdienst wordt jaarlijks aangepast rekening houdend met de evolutie van de consumptieprijzen op basis van het indexcijfer van november. De informatie over de aanpassing van het bedrag vindt u op de website van de FOD Economie, KMO, Middenstand en Energie. + adres van de website.
  • 34. Wet van 5 mei 2014 houdende de vaststelling van de afstamming van de meemoeder - CO 1403 van 27 februari 2015.
  • 35. De Dienst voor Administratieve Vereenvoudiging (DAV) bevestigde de bestaande principes en verzocht FAMIFED ze te herinneren in de inleidende teksten op de formulieren A en E (aanvragen om kraamgeld en kinderbijslag).
  • 36. Zie: dienstbrief 999/168 van 2 mei 2013.
  • 37. Cf. CO 1415 van 8 september 2017 i.v.m. de bevriezing van de bevoegdheid vanaf 1 januari 2018: zie punt 3.2.3.4.
  • 38. De kinderbijslag en het kraamgeld worden provisioneel betaald. Het ontvangen van de mailbox inzake de geboorte moet opgevolgd worden.
  • 39. In de zin van de MO 599 van 16 juli 2007.
  • 40. Met inbegrip van de regeling die geldt voor de openbare sector.
  • 41. Cf. 1415 van 8 september 2017 i.v.m. de bevriezing van de bevoegdheid vanaf 1 januari 2018: zie punt 3.2.3.4.
  • 42. Zie tabel in bijlage bij de dienstbrief 997/52bis van 13 mei 2011.
  • 43. Wet van 5 mei 2014 houdende de vaststelling van de afstamming van de meemoeder
  • 44. Op het aanslagbiljet: voor de werknemers de ' gezamenlijk belastbare beroepsinkomsten' verhoogd met de beroepskosten gedeeld door 12.Voor de zelfstandigen wordt het belastbare beroepsinkomen gebruteerd door het te vermenigvuldigen met 100 en vervolgens te delen door 80, waardoor men het belastbare jaarinkomen bekomt. Dit wordt gedeeld door 12 om het gemiddelde maandelijks belastbare beroepsinkomen te verkrijgen.
  • 45. De uitkering is belastbaar wanneer de premie als beroepskost wordt ingegeven of wanneer de uitkering een effectief inkomensverlies dekt.
  • 46. Cf. CO 1416 van 10 januari 2017:aanpassingen van de het model S en het infoblad.
  • 47. Precisering bij de procedure van dienstbrief 996/121 van 14 maart 2016.
  • 48. Cf. dienstbrief 999/186 van 19 januari 2018: voor de gezinnen met een internatoniaal ambtenaar als toeslagactor werd het formulier P19Fisc-B afgeschaft en wordt eveneens het formulier P19Fisc-A gebruikt.
  • 49. Alsook de mails aan de kinderbijslagfondsen d.d 15 september 2017, 29 september 2017, 4 oktober 2017, 12 oktober 2017, 19 oktober 2017 en 27 oktober 2017. Opgelet: enkel gevallen waarvan de berekening op basis van de gegevens op het aanslagbiljet afwijkt van het resultaat volgens het T10-bericht, mogen voorgelegd worden aan de dienst Monitoring van FAMIFED.
  • 50. Cf. dienstbrief 999/186 van 19 januari 2018: eenzelfde formulier en procedure voor gezinnen in het buitenland en gezinnen met internationaal ambtenaar als toeslagactor.
  • 51. Zie Topic 9 voor de onderrichtingen inzake afhandeling van de onvolledig ingevulde formulieren P19fisc-formulieren.
  • 52. In 2018 werd de seriële verzending verplaatst van 15 naar 31 januari 2018.
  • 53. De onderrichting uit CO 1412 om bij gemengde inkomens het concrete bedrag van het Belgische inkomen op te vragen bij de dienst Monitoring vervalt. De optelling van de inkomens wordt gemaakt op basis van de verklaring op het formulier.
  • 54. Cf. dienstbrief 996/127 van 4 mei 2017 en de beslissingsschema's van het addendum van 27 juli 2017
  • 55. Cf. dienstbrief 999/177 van 17 november 2015.
  • 56. Wie zijn huurcontract online registreert kan een ontvangstbewijs met hoofding van de FOD Financiën afprinten. Dat bewijs mag aanvaard worden.
  • 57. De loutere verklaring op eer vormt geen afdoend bewijs.
  • 58. Cf. dienstbrief 999/169 van 5 juli 2013.
  • 59. Naburige rechten zijn een aantal rechten die naast het auteursrecht staan en die een uitvoerend kunstenaar of producent het recht geven te beslissen over opname, vermenigvuldiging en uitzending van een uitvoering en daar een billijke vergoeding voor te ontvangen.
  • 60. De daartoe voorziene KB van 22 mei 2014 worden ingetrokken
  • 61. Gelijkaardige regeling is van toepassing voor de gezinstypes bedoeld in Art. 1, 3° en 4° (de rechthebbenden zijn de ex-partner gezinstype III en gezinstype IV de andere ouder buiten het gezin) van het KB van 26 oktober 2004 tot uitvoering van de Art. 42bis en Art. 56, §2, van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders. Zie ook de regeling van dienstbrief 996/119 van 29 september 2015
  • 62. Zie omzendbrief van de Minister van Sociale Zaken, MO 588 van 17 maart 2005: verklaring van een officiële instantie, bijv. van de bevolkingsdiensten.
  • 63. De vzw CIMIRe is ontbonden. Voor loopbaangegevens gelieve voortaan de dienst loopbaanbeheer van de Rijksdienst voor Pensioenen te contacteren (loopbaanbeheer@rvp.fgov.be).
  • 64. Cf. dienstbrief 999/180 van 23 januari 2017.
  • 65. Het principe wordt onmiddellijk toegepast zonder verdere explicitering in een dienstbrief af te wachten.
  • 66. zie ook punt 3.12.2.4.
  • 67. Zie tabel provisionele betaling van diensbrief 999/178 van 5 juli 2016
  • 68. Cf. dienstbrief 996/21 van 19 november 2001.
  • 69. Bij niet-hoger onderwijs (MO 599 punt 2.1 ) of een aanvullende vervolgstudie in het hoger onderwijs (MO 599 punt 2.3)
  • 70. Daarnaast bestaat er ook nog een afwijking voor het school- of academiejaar op basis van de MO 190 ingevolge het ontvangen van een binnen- of buitenlandse studiebeurs.
  • 71. Combinaties AA en BB zijn niet mogelijk.
  • 72. Het Art. 102 van "Le décret définissant le paysage de l'enseignement supérieur et l'organisation académique des études" van 7 november 2013 (B.S. 18 december 2013)
  • 73. Zie de dienstbrief 996/2 van 28 oktober 1997.
  • 74. Art. 4, §1 van het KB van 12 augustus 1985
  • 75. Hervatten van de studies binne de 5 werkdagen na de genezing of an het begin van het nieuwe schooljaar bij genezing tijdens de zomervakantie.
  • 76. Cf. dienstbrief 999/178 van 5 juli 2016
  • 77. Zie MO 593 van 3 november 2005.
  • 78. Indien de jongere de volledige maand ongewettigd afwezig is, is er geen recht onder de voorwaarde van art 1 van het KB van 10 augustus 2005. In dat geval wordt er over die maand niet betaald.
  • 79. Het weekend voorafgaand aan de hervatting van de lessen behoort niet tot de vakantieperiode.
  • 80. Bij het “werkplek-leren” volgen de studenten halftijds onderwijs en halftijds een stage. De inkomstennorm is van toepassing.
  • 81. IFAPME =  l'Institut wallon de Formation en Alternance et des indépendants et Petites et Moyennes Entreprises, SFPME = Le Service Formation PME.
  • 82. CEFA = Centre d'Education et de Formation en Alternance.
  • 83. Vlaams decreet van 10 juni 2016 tot bekrachtiging van het besluit van de Vlaamse Regering van 22 april 2016 (BS 26 juli 2016) betreffende het tijdelijke project "schoolbank op de werkplek" rond duaal leren in het secundair onderwijs
  • 84. Vlaams decreet van 10 juni 2016 (BS 17 augustus 2016) tot regeling van bepaalde aspecten van alternerende opleidingen.
  • 85. Cf. dienstbrief 999/182 van 29 juni 2017
  • 86. Procedure en formulieren van dienstbrief 999/178 van 5 juli 2016.
  • 87. De DMFA-fluxberichten werden vanaf het eerste kwartaal van 2017 aangepast aan de nieuwe wetgeving op de studentenarbeid, waarbij studenten vanaf 1 januari 2017 per jaar in totaal 475 uren studentenarbeid mogen verrichten in plaats van de vroegere 50 dagen. De vroegere omzetting van het aantal dagen naar uren volgens de tewerkstellingsbreuk 38/5 (dienstbrief 997/74 van 30 april 2009) is nog enkel van toepassing als de vroegere code StudentNbrdays toch nog wordt gebruikt in het DMFA-bericht. Cfr. aanpassing van het beslissingsschema waarvan de instructies met de mail van 20 februari 2017 aan alle kinderbijslagfondsen werden meegedeeld.
  • 88. Cf. onze mail aan alle kinderbijslagfondsen van 10 april 2013. De doctoraatsopleiding geeft evenwel recht op kinderbijslag onder de gewone voorwaarden (27 studiepunten).
  • 89. Het betreft studies bedoeld in Art. 1 van KB van 10 augustus 2005.
  • 90. Loopbaangegevens aanvragen bij RVP.
  • 91. De instapstage heeft de waarde 'TRI' in de zone kindofWorker van het Dimona-bericht Cf. Topic 7- de schoolverlater in de beroepsinschakelingstijd.
  • 92. Voor 2013 geldt een dagmaximum van 32,71 euro en een jaarmaximum van 1.308,38 euro.
  • 93. Cf. mail van het departement Controle aan alle kinderbijslagfondsen van 10 april 2013.
  • 94. E-mail van FAMIFED aan de kinderbijslagfondsen van 16 september 2016
  • 95. Cf. dienstbrief 999/146 quater van van 24 mei 2017.
  • 96. Cf. Art1, §2, 5° van KB van 12 augustus 1985: als de periode tussen het einde van de vorige opleiding en het begin van de nieuwe meer dan 15 maanden bedraagt, dan moet de nieuwe studie minstens 6 maand geduurd hebben.
  • 97. Bijgevolg zijn voor eenzelfde kind meerdere toekenningsperiodes van 360 dagen mogelijk.
  • 98. Staat gelijk met een tewerkstelling van 38 uren.
  • 99. Hoewel elk gegeven op zichzelf aanvaard wordt als bewijs, wordt indien meerdere gegevensbronnen elkaar tegenspreken deze rangorde in de bewijskracht vooropgesteld.
  • 100. Contracten gesloten vóór 1 september 2016 (Vlaamse Gemeenschap) en vóór 1 september 2015 (Franse Gemeenschap)
  • 101. Cf. MO 521 van 12 maart 1993
  • 102. .Email van FAMIFED aan de kinderbijslagfondsen van 20 oktober 2016
  • 103. Wanneer echter toch een berichtD227 wordt ontvangen, dient te worden aangenomen dat het een plaatsing betreft in toepassing van Art. 70 AKBW. Het D227 bericht moet niet in twijfel getrokken worden.
  • 104. Cf. Het artikel 28,4° van het decreet van 12 juli 2013 betreffende de integrale jeugdhulp en Art. 43, §3 Besluit van de Vlaamse Regering van 21 februari 2013 betreffende de integrale jeugdhulp
  • 105. Besluit van de Vlaamse Regering van 11 januari 2013 en 14 februari 2014
  • 106. Cf. CO 1415 van 8 september 2017: Bevriezing van de bevoegdheid vanaf 1 janauri 2018.
  • 107. Cf. procedure CO 1344 van 10 juli 2003
  • 108. Zie dienstbrief van FAMIFED 996/94 van 18 november 2009.
  • 109. Op het brevet van rechthebbende wordt gemeld “D062procedure”, wat impliceert dat de procedure van omzendbrief 999/169 is gevolgd. Ook te vermelden als KBF B een brevet aflevert aan KBF C.
  • 110. Geen vermelding betekent dat D062 nog niet werd ontvangen voor het lopende academiejaar
  • 111. Bijv. thesisstudent in rubriek “Diversen” indien relevant voor het lopende academiejaar
  • 112. Het Handvest voorziet in een termijn van 4 maanden om te beslissen.
  • 113. Het Art. 9 van KB van 12 juni 1989 tot uitvoering van Art. 71, §2 van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders bepaalt in algemene zin dat de instelling verder provisioneel de kinderbijslag uitbetaalt voor de kalendermaand na die waarin zij om periodieke formulieren heeft verzocht die de hoedanigheid van rechtgevend kind, bijslagtrekkende of rechthebbende moeten bevestigen.
  • 114. Ook voor de verlengd minderjarig verklaarde kinderen.
  • 115. CO 712 van 14 december 1963 en informatienota 1986/50
  • 116. Er wordt evenwel op gewezen dat voor bepaalde uitkeringen een voorafgaandelijke integratie in het Kadaster nodig is.
  • 117. zie ook punt 3.12.4
  • 118. Ook op basis van een gesigneerde nota aangaande een telefonisch gesprek met de betrokkene kan een terugvordering plaats vinden (999/153).
  • 119. Zie CO 1409 van 18 april 2016 m.b.t. aanrekening van debetten vastgesteld vanaf 1 januari 2015.
  • 120. Het zittingsblad waarin de feitelijke scheiding wordt bevestigd, wordt aanvaard als bewijs dat de inschrijving van de gedetineerde op het adres van het gezin niet langer gewenst is.
  • 121. Cf. dienstbrief 996/125 van 10 juni 2016 - Opvang van asielzoekers - Impact op het vermoeden dat een feitelijk gezin wordt gevormd.
  • 122. Procedure meegedeeld met CO 1386 van 19 februari 2016.
  • 123. Eerdere tegenstrijdige adviezen worden voortaan door dit standpunt vervangen.
  • 124. CO 1383 van 11 mei 2010 (nieuwe versie - mei 2014) - Verordeningen 883/2004 en 987/2009: nieuwe Europese socialezekerheidsverordening van toepassing vanaf 1 mei 2010
  • 125. Op beleidsniveau is het Ministry of Labour and Social Policy bevoegd, dit is vergelijkbaar met de FOD Sociale Zaken. De functie van de bevoegde Poolse instellingen op het vlak van de coördinatie van de gezinsbijslag, uitgevoerd door de 16 regionale bureaus voor sociaal beleid (Regional Centres for Social Policy (ROPS)), wordt vanaf 1 januari 2018 overgenomen door de Departementen voor Sociaal Beleid bij de Bureaus van de Woiwodschappen. Een dienstbrief hierover is in voorbereiding. De gemeenten in Polen staan in voor de betaling van de gezinsbijslag.
  • 126. Zie CO 1327 van 20 april 2001 p. 4 "...Bovendien kennen van de buurlanden enkel Frankrijk en Luxemburg gelijkaardige uitkeringen bij een geboorte...").
  • 127. De publicatie met de praktische richtlijnen voor de toepassing van het bilateraal akkoord met Israël is in voorbereiding.
  • 128. KB tot uitvoering van Art. 71, §2 van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders - BS 30/06/1989 - Doorbetaling wanneer periodieke formulieren ontbreken.
  • 129. Behalve Nederland: E401 te verzenden naar de bijslagtrekkende (cf. infra)
  • 130. Bij een einde recht op de toeslag of kinderbijslag in jaar X wordt het afsluitend formulier P19Fisc A verstuurd op 15 januari van jaar X+1
  • 131. De instellingen van sociale zekerheid zijn verplicht aan de sociale verzekerde die daar schriftelijk om verzoekt, alle dienstige inlichtingen betreffende zijn rechten en verplichtingen te verstrekken en uit eigen beweging de sociaal verzekerde alle bijkomende informatie te verschaffen die nodig is voor de behandeling van zijn verzoek of het behoud van zijn rechten. Conform Art. 6 moeten de instellingen van sociale zekerheid zich in hun betrekkingen met de sociale verzekerde, in welke vorm deze ook plaatsvinden, in een voor het publiek begrijpelijke taal uitdrukken.
  • 132. Cf. CO 1415 van 8 september 2017. Bevriezing van de bevoegdheid vanaf 1 januari 2018
  • 133. 1= Vlaamse Gemeenschap, 2= Brussels Hoofdstedelijk Gewest, 3= Franse Gemeenschap, 4= Duitstalige Gemeenschap
  • 134. Cf. richtlijnen van bijlage 2 bij CO 1348 van 11 februari 2004 en van dienstbrief 997/67 van 16 maart 2007.
  • 135. Zie mail van FAMIFED aan de kinderbijslagfondsen van 17 maart 2017
  • 136. Als gevolg van de bevriezing van de bevoegdheid vanaf 1 januari 2018 wordt het dossier niet overgedragen naar het kinderbijslagfonds van de moeder, maar opent het fonds dat bevoegd was hoofdens de vader het dossier hoofdens de moeder.
  • 137. Cf. Arrest van het Hof van Cassatie van 6 februari 2006 verduidelijkt in de dienstbrief 996/128 van 26 april 2017
  • 138. Cf. informatienota 1999/3 van 5 oktober 1999. Bij vonnissen tot aanstelling van voogd of voorlopig bewindvoerder volstaat de gewone bewijsvoering aan de hand van een goed leesbare kopie
Top