Vlaanderen

CO 1388 van 16 mei 2012 - Wet houdende diverse bepalingen (I) van 29 maart 2012 - Programmawet (I) van 29 maart 2012

Op 29 maart werden twee wetten afgekondigd die betrekking hebben op de kinderbijslagregeling voor werknemers:

A. WET HOUDENDE DIVERSE BEPALINGEN (I) VAN 29 MAART 2012 (B.S. 30.03.2012)

A.1 Nieuwe bepalingen

A.1.1 Vervanging van artikel 28 KBW (art. 8 van de wet)

De nieuwe bepalingen van dat artikel kunnen als volgt samengevat worden:

  1. Het Beheerscomité van de Rijksdienst kan voortaan de vrije fondsen verplichten een herstelplan op te stellen in de volgende gevallen:
    • wanneer de kwaliteitsindicator bedoeld in artikel 7, 1° van het koninklijk besluit van 9 juni 1999 lager is dan 92,5 % (eerste alarmdrempel);
    • wanneer de som van de schulden in verband met de beheersverrichtingen van het fonds 125 % bedraagt van de eigen middelen, inclusief provisies, van het fonds op het einde van het dienstjaar.

    Als er binnen de termijn geen passend plan is, mag het Beheerscomité zelf een herstelplan opleggen aan het kinderbijslagfonds. Maar het kinderbijslagfonds kan beroep aantekenen tegen het opgelegde herstelplan.

  2. Bovendien kan de Koning op voorstel van het Beheerscomité de erkenning intrekken in de volgende gevallen:
    • wanneer het criterium voor de evaluatie van het administratief beheer bedoeld in artikel 7, 1°, van het koninklijk besluit van 9 juni 1999 betre ffende de beheersrekening en de administratieve reserve van de kinderbijslagfondsen gedurende drie opeenvolgende jaren lager ligt dan 90 %;
    • als het vermogen van het reservefonds van het kinderbijslagfonds gedurende ten minste drie opeenvolgende dienstjaren niet volstaat om de onverschuldigd betaalde gezinsbijslagen bedoeld in artikel 91, §4, 2° tot 5°, en de verliezen bedoeld in artikel 91, §4, 6°, te dekken;
    • als het vermogen van de administratieve reserve van het kinderbijslagfonds gedurende ten minste drie opeenvolgende dienstjaren niet volstaat om de tekorten bedoeld in artikel 94, §7, 3°, aan te zuiveren;
    • wanneer een kinderbijslagfonds de machtigingsprocedure bedoeld in artikel 170 niet naleefde en de inbreuk op deze bepaling ernstig nadeel oplevert voor het financiële evenwicht van de kinderbijslagregeling voor werknemers;
    • wanneer de som van de schulden in verband met de beheersverrichtingen van het kinderbijslagfonds 200 % uitmaakt van de eigen middelen, inclusief provisies, van het fonds op het einde van het dienstjaar;
    • wanneer een fonds de bepalingen van artikel 170bis niet naleefde en de inbreuk op deze bepaling ernstig nadeel oplevert voor het financieel evenwicht van de kinderbijslagregeling voor werknemers.

    Indien de Koning niet beslist tot intrekking van de erkenning, kan het Beheerscomité van de Rijksdienst, met het oog op het herstel van de financiële toestand van het kinderbijslagfonds, het fonds verplichten hem binnen een door hem gestelde termijn een herstelplan voor te stellen. Als er binnen de termijn geen passend plan is, mag het Beheerscomité zelf een herstelplan opleggen aan het kinderbijslagfonds. Maar het kinderbijslagfonds kan beroep aantekenen tegen het opgelegde herstelplan.

A.1.2 Wijziging van artikel 69, §3 KBW (art. 9 van de wet)

Voortaan kunnen een voorlopige bewindvoerder en een meerderjarig kind verzet aantekenen tegen de betaling aan de gewone bijslagtrekkende bedoeld in §1 van artikel 69 KBW.

Dat verzet moet in het belang van het rechtgevende kind zijn.

A.1.3. Vervanging van artikel 70ter KBW (art. 10 van de wet)

Op grond van het nieuwe artikel 70ter is het mogelijk te betalen aan een vervangende bijslagtrekkende, namelijk de persoon die in plaats van de gewone bijslagtrekkende voor een deel het kind opvoedt, zoals bedoeld in artikel 69, door regelmatig contact te onderhouden met of belangstelling te tonen voor het kind.

Voor de inwerkingtreding van die nieuwe bepaling moet nog een koninklijk uitvoeringsbesluit aangenomen worden.

In de praktijk wordt nu al aan de fondsen gevraagd een lijst te maken van de dossiers waarvoor de plaatsende overheden hen meedelen dat er een vervangende bijslagtrekkende is. De praktische maatregelen voor de regularisatie van de dossiers zullen in afzonderlijke instructies volgen.

A.1.4. Vervanging van artikel 170 KBW (art. 11 van de wet)

In het nieuwe artikel 170 KBW worden de voorwaarden gewijzigd waaronder een vrij of bijzonder kinderbijslagfonds een lening of een financieel leasingcontract mag aangaan dat het totaal van de schulden in verband met de beheersverrichtingen boven de 100 % van de eigen fondsen, inclusief provisies brengt. Het moet daartoe vooraf door de bevoegde minister gemachtigd zijn, op advies van het Beheerscomité van de Rijksdienst.

Procedure

1. Berekenen van de schuldengraad

De kinderbijslagfondsen wordt gevraagd telkens vóór het afsluiten van een lening of financieel leasingcontract op basis van de meest recente beschikbare financiële gegevens hun schuldgraad te berekenen, volgens deze formule:

Schulden op meer dan één jaar + Schulden op ten hoogste één jaar / Eigen vermogen + Ramingen

2. Indienen van de aanvraag

Indien blijkt dat de nieuwe lening of financiële leasingovereenkomst de schuldgraad van het kinderbijslagfonds tot meer dan 100% doet oplopen dan moet het kinderbijslagfonds vooraf daarvoor door de minister worden gemachtigd.

Deze aanvraag om machtiging wordt aan de Rijksdienst gestuurd. Deze aanvraag moet minimaal de volgende elementen bevatten:

  • de berekening van de schuldgraad van het kinderbijslagfonds vóór en na het afsluiten van de lening of financiële leasingovereenkomst;
  • de aard van de geplande investeringen die met de bijkomende schuldverbintenis zullen worden gefinancierd;
  • het bedrag en de voorwaarden van de geplande schuldfinanciering;
  • het businessplan waaruit blijkt dat de aflossing van de bijkomende schulden in de toekomst is verzekerd.

Indien het aanvraagdossier onvolledig is en op vraag van de Rijksdienst moet worden aangevuld, begint de termijn van twee maanden pas te lopen op het ogenblik dat de aanvraag volledig is. Aan de hand van de voormelde elementen kan de Rijksdienst een onderzoek instellen naar het marktconforme en financieel duurzame karakter van het voorstel. Op basis van het resultaat van dit onderzoek verstrekt het Beheerscomité van de Rijksdienst een advies aan de minister, die binnen twee maanden na de (volledige) aanvraag een beslissing neemt. Als de minister binnen de gestelde termijn geen beslissing heeft genomen wordt geacht dat het kinderbijslagfonds de machtiging van de minister heeft verkregen.

A.1.5. Vervanging van artikel 170bis KBW (art. 12 van de wet)

In het nieuwe artikel 170bis KBW worden de voorwaarden vastgelegd waaronder een vrij kinderbijslagfonds of een bijzonder fonds onroerende goederen mag verwerven of er afstand van mag doen. Die verwerving is enkel mogelijk met een machtiging van de bevoegde minister, op advies van het Beheerscomité van de Rijksdienst.

Procedure

Indien een kinderbijslagfonds een onroerend goed wil verwerven of het wil van de hand doen, richt het vooraf een aanvraag om machtiging aan de Rijksdienst. Deze aanvraag moet minimaal de volgende elementen bevatten:

  • voor de aankoop van een gebouw:
    • de beschrijving (ligging, aantal m2,...) en de aankoopprijs van het onroerend goed;
    • het omstandig schattingsverslag van een onafhankelijk vastgoedexpert met een raming van de actuele marktwaarde van het gebouw en, indien het gebouw niet instapklaar is, van de vereiste bijkomende renovatiekosten. De vastgoeddeskundige wordt aangesteld in overleg met de Rijksdienst. De Rijksdienst beschikt over zeven werkdagen vanaf de datum waarop de expert de coördinaten doorgeeft om aan het fonds zijn bezwaren kenbaar te maken; het businessplan waaruit de financiële haalbaarheid (financiering en rentabiliteit) blijkt.
  • voor de verkoop van een gebouw:
    • de beschrijving (ligging, aantal m2, hypotheken,...) en de verkoopprijs van het onroerend goed in eigendom van het kinderbijslagfonds;
    • het omstandig schattingsverslag van een onafhankelijk vastgoedexpert met een raming van de actuele marktwaarde van het gebouw. De vastgoeddeskundige wordt aangesteld in overleg met de Rijksdienst. De Rijksdienst beschikt over zeven werkdagen vanaf de datum waarop de expert de coördinaten doorgeeft om aan het fonds zijn bezwaren kenbaar te maken;
    • de huidige boekwaarde van het gebouw en de openstaande schulden m.b.t. tot dit gebouw;
    • de meer- of minderwaarde die bij verkoop van het gebouw zal worden gerealiseerd en de bestemming ervan;
    • het businessplan waaruit de financiële haalbaarheid (financiering en rentabiliteit) van de herlokalisatie van de diensten van het kinderbijslagfonds blijkt.

Indien het dossier met de vraag om machtiging onvolledig is en op vraag van de Rijksdienst moet worden aangevuld, begint de termijn van twee maanden pas te lopen op het ogenblik dat de aanvraag volledig is.

Aan de hand van de voormelde elementen kan de Rijksdienst een onderzoek instellen naar het marktconforme en financieel duurzame karakter van het voorstel. Op basis van het resultaat van dit onderzoek verstrekt het Beheerscomité van de Rijksdienst een advies aan de minister, die binnen twee maanden na de aanvraag een beslissing neemt. Als de minister binnen de gestelde termijn geen beslissing heeft genomen, wordt geacht dat het kinderbijslagfonds de machtiging van de minister heeft verkregen.

A.2. Inwerkingtreding

De nieuwe bepalingen van de artikelen 28, 69, 70ter, 170 en 170bis KBW werden van kracht op 9 april 2012.

B. PROGRAMMAWET (I) VAN 29 MAART 2012 (B.S. 6.04.2012)

B.1. Nieuwe bepalingen

In artikel 57 van de programmawet wordt een nieuwe mogelijkheid vastgelegd voor de affectatie van de administratieve reserve.

Zo wordt artikel 94, §7 KBW aangevuld met een punt 6 dat voorziet in de mogelijkheid om voortaan vrijwillige maar onomkeerbare overdrachten te doen van de administratieve reserve naar het reservefonds.

Artikel 94, §9 KBW wordt op zijn beurt als volgt aangevuld: "Voor dienstjaar 2012 wordt het bedrag van de toelagen verschuldigd aan de vrije kinderbijslagfondsen bedoeld in artikel 2, eerste lid, 3°, van het koninklijk besluit van 9 juni 1999 betreffende het Fonds voor administratiekosten en de administratieve reserve van de kinderbijslagfondsen, verminderd met 2,8 miljoen euro."

B.2. Inwerkingtreding

De nieuwe bepalingen van artikel 94 KBW werden van kracht op 6 april 2012.

Top