Vlaanderen

CO 1410 van 10 juni 2016 - Verlenging beroepsinschakelingstijd - regionalisering van het activeringsbeleid inzake het zoeken naar werk

1.  Voorafgaand

Alle ingeschreven werkzoekenden voor wie de beroepsinschakelingstijd (BIT) start op of na 1 augustus 2013 dienen 2 positieve evaluaties inzake hun zoeken naar werk te verkrijgen om recht te hebben op inschakelingsuitkeringen1. Dit heeft geleid tot een overeenkomstige aanpassing van de toekenningsperiode (hierna genoemd TP) in de kinderbijslagreglementering2.

Om recht te hebben op inschakelingsuitkeringen op het einde van de reglementaire BIT van een jaar, moet de jongere gedurende die periode dus twee positieve evaluaties gekregen hebben.  Als dat niet het geval is, wordt de BIT verlengd tot de jongere twee, al dan niet opeenvolgende, positieve evaluaties van zijn zoekgedrag naar werk gekregen heeft.  Tijdens deze verlenging kon verder recht op kinderbijslag bestaan als de jongere bij de RVA vroeg om geëvalueerd te worden binnen vijftien werkdagen nadat een nieuwe evaluatie van het zoekgedrag kon worden aangevraagd, dit was ten vroegste zes maanden, berekend van datum tot datum, na elke negatieve evaluatie.

Met de CO 1395 van 14 november 2014 en de dienstbrief 999/c.173 van 12 mei 2015 werden aan de kinderbijslagfondsen richtlijnen voor de uitvoering van deze maatregel meegedeeld.

1.1. Activering van het zoekgedrag naar werk - overdracht van de bevoegdheid van RVA naar de Gewesten

Tot 31 december 2015 werden alle werkzoekende schoolverlaters, ongeacht hun woonplaats, door de RVA geëvalueerd op hun inspanningen om werk te vinden.

Als gevolg van de zesde staatshervorming gebeurt vanaf 1 januari 2016 de activering van de werkzoekenden in het Vlaams gewest, het Waals gewest en de Duitstalige gemeenschap door de Gewestelijke diensten voor Arbeidsbemiddeling (GDAB's). Vanaf die datum voert de RVA enkel nog de evaluaties uit voor de werkzoekenden die in het Brussels Hoofdstedelijk gewest gedomicilieerd zijn.

Vanaf 1 januari 2016 is artikel 36 van het KB van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering in die zin aangepast.  De ingevoerde artikelen 36/2 tot 36/11 leggen het normatief kader vast dat vanaf 1 januari 2016 van toepassing is op de controle van de actieve beschikbaarheid van de jonge werkzoekende tijdens zijn beroepsinschakelingstijd. Deze controle gebeurt door de gewestinstelling die volgens de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, bevoegd is om die controle uit te oefenen. 

De artikelen 36/2 tot 36/11 vervangen het artikel 36, § § 4 tot 8 (de vroegere bepalingen) vanaf het ogenblik waarop de bevoegde gewestinstelling operationeel de controle uitoefent van de actieve beschikbaarheid van de jonge werkzoekenden van wie de hoofdverblijfplaats tot haar ambtsgebied behoort. 

Volgens dit normatief kader dient:

  • De actieve beschikbaarheid tijdens de initiële beroepsinschakelingstijd van een jaar minstens 2 maal geëvalueerd te worden;
  • Bij een negatieve evaluatie, ten laatste zes maanden later een nieuwe evaluatie te worden uitgevoerd.

1.2. In de praktijk - Diversiteit van de opvolgingssystemen

In de praktijk is de situatie sinds 1 januari 2016 als volgt:

1.2.1.  Vlaams Gewest - VDAB

  • Tijdens de initiële BIT is er een evaluatie na 6 maanden (7de maand) en na 11 maanden (12de maand).
  • Bij een negatieve evaluatie volgt een derde evaluatie in de 15de maand en daarna om de 3 maanden totdat de jonge werkzoekende 2 positieve evaluaties verkrijgt.
  • Alle evaluaties gebeuren op initiatief van de VDAB, de jongere dient ze zelf niet aan te vragen.

1.2.2. Waals Gewest - FOREM

  • Tijdens de initiële BIT is er een evaluatie in de 5de en de 10de maand. Deze evaluaties gebeuren op initiatief van FOREM.
  • Wanneer de eerste evaluatie negatief is, kan de werkzoekende schoolverlater vanaf de 11de maand de derde evaluatie aanvragen.De derde evaluatie kan echter pas ten vroegste 1 maand na de twede evaluatie plaatsvinden.  Is de eerste evaluatie positief en de tweede negatief, dan kan de werkzoekende schoolverlater ten vroegste 3 maanden en uiterlijk 6 maanden na de tweede evaluatie een nieuwe evaluatie aanvragen.
  • Vanaf de vierde evaluatie kan de jongere telkens ten vroegste 3 maanden en uiterlijk 6 maanden na de vorige negatieve evaluatie een nieuwe evaluatie aanvragen.
  • De eerste en de tweede evaluatie gebeuren op initiatief van FOREM; vanaf de derde evaluatie dient de jongere ze zelf aan te vragen.

1.2.3.  Brussels Hoofdstedelijk Gewest - Verdere opvolging door RVA

  • Tijdens de initiële BIT is er een evaluatie in de 7de en de 11de maand.
  • Bij een negatieve evaluatie kan de jongere telkens na zes maanden (dag op dag) een nieuwe evaluatie aanvragen.
  • De evaluaties in de 7de en 11de maand van de BIT gebeuren op initiatief van RVA, de volgende evaluaties dient de jongere zelf aan te vragen.

1.2.4.  De Duitstalige Gemeenschap - ADG

  • Tijdens de initiële BIT is er een evaluatie in de 5de en de 10de maand.
  • De derde evaluatie kan in de 16de maand worden aangevraagd.
  • Vanaf de vierde evaluatie kan telkens 3 maanden na de vorige evaluatie een nieuwe evaluatie worden aangevraagd.
  • De eerste en de tweede evaluatie gebeuren op initiatief van ADG; vanaf de derde evaluatie dient de jongere ze zelf aan te vragen.

Implicaties op de kinderbijslag

Uit wat voorafgaat blijkt dus dat 4 verschillende procedures voor de opvolging van het zoekgedrag naar werk in voege zijn.  In tegenstelling tot de andere regio's is het in Vlaanderen niet nodig dat de jongere zelf een aanvraag om evaluatie indient bij VDAB.  

Om in die omstandigheden het recht op kinderbijslag tijdens de verlenging van de BIT volgens één algemene generieke procedure te kunnen toekennen, dient in het KB3 de verwijzing naar artikel 36, §8 van het werkloosheidsbesluit van 25 november 1991 geschrapt te worden.  Het KB zal dan ook in die zin worden aangepast.  Het tijdig aanvragen van een nieuw evaluatiegesprek is vanaf 1 januari 2016 niet langer een toekenningsvoorwaarde bij de vaststelling van het recht op kinderbijslag tijdens de verlenging van de BIT.

2. Aanpassing aan de huidige procedure met behoud van een uniforme regeling voor opvolging

Om de efficiëntie en de doenbaarheid van het opvolgingssysteem niet in het gedrang te brengen wordt de bestaande uniforme opvolging voor de vaststelling van het recht op kinderbijslag tijdens de verlenging van de beroepsinschakelingstijd (BIT) aangepast aan het gewijzigde normatief kader in artikel 36 van het Werkloosheidsbesluit van 25 november 1991.

2.1. Voorwaarden vanaf 1 januari 2016

Om recht te hebben op kinderbijslag als schoolverlater tijdens de verlenging van de BIT bij gebrek aan 2 positieve evaluaties dient de jongere:

  1. Te voldoen aan de andere voorwaarden van het koninklijk besluit van 12 augustus 1985 tot uitvoering van artikel 62, § 5, SWKL én ingeschreven blijven als werkzoekende;
  2. geen twee positieve evaluaties van zijn inspanningen voor het zoeken naar werk hebben bekomen van de regionale Arbeidsbemiddelingsdienst (VDAB, FOREM en ADG) of van de RVA.

De voorwaarde die gold tot 31 december 2015, nl. dat de aanvraag om een evaluatiegesprek moet worden gedaan uiterlijk de vijftiende dag na de datum waarop dit gesprek opnieuw kan worden aangevraagd, wordt niet meer nagegaan in de aangepaste procedure.  Die voorwaarde valt dus weg vanaf 1 januari 2016.

Net zoals in het verleden eindigt het recht als werkzoekende schoolverlater wanneer:

  • de jongere inschakelingsuitkeringen ontvangt;
  • de jongere de rechtgevende studies hervat;
  • de gewestelijke arbeidsbemiddelingsdienst signaleert dat de actieve beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt niet langer wordt opgevolgd, bijvoorbeeld omdat hij op basis van zijn beëindigde studies hoe dan ook geen aanspraak kan maken op inschakelingsuitkeringen4.

Tijdens de verlenging van de BIT bestaat recht op kinderbijslag tot het einde van de maand waarin het tweede positieve evaluatiegesprek plaatsvond.

3. Praktische richtlijnen

3.1.  Vaststelling recht op kinderbijslag tijdens de verlenging van de TP - Basisprincipes

Pro memorie: overzicht van de begindatum van de BIT en van de TP

Nr.

Situatie

Begindatum BIT (werkloosheids-reglementering)

Begindatum TP (kinderbijslagreglementering)

1

eerste zittijd of studies beëindigd op het einde van het schooljaar

1 augustus als het kind ingeschreven is als werkzoekende

1 augustus 

2

werk vóór 1 augustus

automatisch op de dag van werken (uitz. studentenwerk)

op 1 augustus 

4

thesisjaar

1 augustus als het kind ingeschreven is als werkzoekende

 

1 juli of de dag na indiening van de thesis 

5

leerovereenkomst

1 augustus

dag na beëindiging van de leerovereenkomst  (1 juli)

6

te late inschrijving na het einde van de studies

inschrijvingsdatum als werkzoekende

dag na beëindiging van de studies

Aan het einde van de toekenningsperiode van 360 dagen wordt samen met formulier P20c aan alle werkzoekende schoolverlaters een briefmodule BIT_1 meegestuurd.  Daarin wordt aan de werkzoekende die nog geen 2 positieve evaluaties heeft gekregen, gevraagd om een kopie van het resultaat van het meest recente evaluatiegesprek op te sturen.  Schoolverlaters die onmiddellijk 2 positieve evaluaties gekregen hebben, dienen dus enkel het formulier P20c terug te sturen.  De verlenging is op hen niet van toepassing.

Op basis van de laatste evaluatie wordt de kinderbijslag provisioneel doorbetaald tot de volgende evaluatie. Die beslissing wordt met de briefmodule BIT_2 meegedeeld.  Zowel op de module BIT_1 en BIT_2 wordt aan de jongere gevraagd zich te engageren om spontaan een kopie van elke volgende evaluatie aan zijn kinderbijslagfonds  te sturen.

Deze procedure wordt herhaald totdat de jongere 2 positieve evaluaties heeft verkregen.  Het recht op kinderbijslag eindigt op het einde van de maand waarin het tweede (positieve) evaluatiegesprek plaatsvond.  Ter afsluiting van het recht op de andere toekenningsvoorwaarden wordt dan nog een afsluitend formulier P20c voor de periode van de verlenging van de BIT verstuurd. 

Heeft het kinderbijslagfonds 6 maanden na de vorige evaluatie nog steeds geen bewijs van het resultaat van het volgende evaluatiegesprek ontvangen, dan zet het de provisionele betalingen onmiddellijk stop en vraagt het met de briefmodule BIT_3 een kopie van het resultaat van het/de evaluatiegesprek(ken) in de laatste 6 maanden op.

Slaagt het kinderbijslagfonds na een herinnering er niet in die gegevens te verkrijgen, dan aanvaardt het tot bewijs van tegendeel dat de actieve beschikbaarheid niet langer werd opgevolgd door de GDAB/RVA en vordert het de provisioneel betaalde kinderbijslag voor de laatste 6 maanden terug.  Gelet op het engagement om alle resultaten van de evaluatiegesprekken spontaan aan het kinderbijslagfonds op te sturen, ligt de bewijslast voor het tegendeel bij het gezin.

Tijdens de verlenging blijven de andere voorwaarden die tijdens de initiële TP gelden verder van toepassing.  De Dimona-berichten worden behandeld volgens de procedure beschreven in de dienstbrief 999/c.153.  

De beletselen voor de toekenning van de kinderbijslag tijdens de verlenging van de BIT worden onderzocht aan de hand van de beschikbare datafluxen i.v.m. studies, tewerkstelling, werkloosheids- of ziekte-uitkeringen,….

Volledigheidshalve wordt de overzichtstabel uit de CO 1395 van 14 november 2014 hierna hernomen.  Deze regels blijven ongewijzigd van toepassing.

Nr.

Situatie

Initiële TP

Verlenging BIT

1 Werk loopt door loopt door
2 Moederschapsrust5 loopt door loopt door
3 Studiehervatting loopt door (dubbele hoedanigheid) stopt (geen dubbele hoedanigheid)
4 Ontvangst inschakelingsuitkeringen loopt door (cumul mogelijk) stopt (geen cumul mogelijk)
5 Ziekte loopt door + verlenging mits herschrijving binnen 5 werkdagen na ziekte6 geschorst tijdens de ziekte (geen betaling kinderbijslag) na de ziekte herneemt de verlengde BIT en dus ook de verlenging van de TP.  Geen toepassing 5 dagenregel.
6 Verblijf buiten België loopt verder Opgelet! EER en art.52 AKBW geschorst tijdens verblijf in buitenland (geen betaling kinderbijslag), tenzij met toestemming RVA, herneemt bij terugkeer in België Opgelet! EER en art.52 AKBW
7 Studies voldoen niet aan artikel 36 Werkloosheidsbesluit geen voorwaarde, dus recht op kinderbijslag wel voorwaarde voor de verlenging dus geen recht op kinderbijslag

 

3.2.Gegevensinwinning

Op dit ogenblik hebben de kinderbijslagfondsen geen toegang tot de gekwalificeerde gegevens uit de authentieke bron (Gewestelijke arbeidsbemiddelingsdiensten) en RVA over de resultaten van de evaluaties.  Daarom worden de gegevens met formulieren bij het gezin opgevraagd. 

Concreet:

  • De informatie op het formulier P20 werd aangepast.
  • Het formulier P20com valt weg en wordt vervangen door de briefmodule BIT_1.
  • De inhoud briefmodules BIT_2  en BIT_3 werden aangepast.
  • Voor de terugvordering van onterecht betaalde kinderbijslag tijdens de verlenging werd een briefmodule BIT_4 uitgewerkt.

Het is uiteraard van groot belang dat alle socio-professionele gegevensstromen worden verwerkt om de beslissingen inzake het recht daarop af te stemmen.

3.3.  De aangepaste opvolgingsprocedure.

Er zijn 3 stappen in de procedure:

  • Stap 1: aan het einde van de initiële TP.
  • Stap 2: tijdens de verlenging van de BIT: twee opties Optie 2a: bij ontvangst van de formulieren P20 de BIT_1 en vervolgens aan het einde van de eerste, tweede,... en volgende provisionele betaling tijdens de verlenging, totdat de schoolverlater 2 positieve evaluaties heeft verkregen Optie 2b: als het resultaat van de volgende evaluatie niet spontaan wordt opgestuurd
  • Stap 3: aan het einde van de verlenging van de BIT

Stap 1: aan het einde van de initiële TP van 360 dagen

De reguliere BIT stopt in de regel op 31 juli 2016 en het aangepaste formulier P20 wordt verzonden rond 5 augustus 2016 (CO 1386/2014).  Het formulier wordt eenmaal herinnerd wanneer het niet wordt teruggezonden (Cfr. de ambtshalve beslissing in de CO 1386/2016).

De briefmodule BIT_1 wordt meegestuurd om het recht tijdens de verlenging van de BIT te onderzoeken.

Stap 2: tijdens de verlenging van de BIT: twee opties

  • Optie 2a: bij ontvangst van de formulieren P20 en de briefmodule BIT_1 Op basis van het resultaat van de laatste evaluatie wordt de kinderbijslag doorbetaald tot bij de ontvangst van het resultaat van de volgende evaluatie en maximum gedurende 6 maanden.

    Voorbeeld: de laatste evaluatie dateert van juni 2016. De kinderbijslag wordt provisioneel doorbetaald tot ontvangst van de volgende evaluatie en uiterlijk tot december 2016 (laatste betaling op 8 januari 2017).

    Deze stap wordt herhaald totdat de jongere 2 positieve evaluaties heeft verkregen.  

  • Optie 2b.  De ontvangst van het resultaat van de volgende evaluatie blijft uit. Heeft het kinderbijslagfonds 6 maanden na de vorige evaluatie in het kader van stap 2a nog steeds geen bewijs van het resultaat van het volgende evaluatiegesprek ontvangen, dan zet het de provisionele betalingen onmiddellijk stop en vraagt het met de briefmodule BIT_3 een kopie van het resultaat van de evaluatiegesprek(ken) in de afgelopen 6 maanden op. 

    Slaagt het kinderbijslagfonds na een herinnering er niet in om die gegevens te verkrijgen, dan aanvaardt het tot bewijs van tegendeel dat de actieve beschikbaarheid niet langer werd opgevolgd door de GDAB/RVA en vordert het de provisioneel betaalde kinderbijslag voor de laatste 6 maanden terug.  Voor deze terugvordering werd de briefmodules BIT_4 uitgewerkt.  Gelet op het engagement om alle resultaten van de evaluatiegesprekken spontaan aan het kinderbijslagfonds op te sturen, ligt de bewijslast voor het tegendeel bij het gezin.  Het is niet de bedoeling dat de kinderbijslagfondsen de gegevens rechtstreeks gaan opvragen bij de GDAB's.

Stap3: aan het einde van de verlenging van de beroepsinschakelingstijd

Wanneer het recht eindigt omdat de schoolverlater 2 positieve evaluaties heeft gekregen, wordt een formulier P20c gestuurd om na te gaan of tijdens de verlenging van de toekenningsperiode voldaan is aan de andere toekenningsvoorwaarden.

4.  Bijzondere situaties.

Het kinderbijslagfonds verneemt dat een GDAB/RVA de opvolging van het zoeken naar werk heeft stopgezet (bijvoorbeeld in het kader van stap 2b)

In dat geval eindigt het recht op kinderbijslag vanaf de datum waarop de GDAB/RVA de opvolgingsprocedure heeft stopgezet, rekening houdende met artikel 48 AKBW.  Desgevallend wordt de provisioneel betaalde kinderbijslag teruggevorderd.

De GDAB/RVA heeft het volgende evaluatiegesprek uitgesteld

In dat geval wordt de provisionele betaling van de kinderbijslag eveneens voortgezet tot de volgende evaluatie.

Opgelet! Tijdens de verlenging van de BIT kan evenwel geen kinderbijslag betaald worden in de situaties vermeld in de tabel op blz. 6 en 7.

5. De temporele uitwerking

De aangepaste procedure is op algemene wijze van toepassing voor de vaststelling van het recht op kinderbijslag vanaf 1 januari 2016.

Dossiers die overeenkomstig de vroegere regels geblokkeerd of geweigerd zijn, dienen ambtshalve te worden herzien in gevallen die de kinderbijslagfondsen kunnen terugvinden en op aanvraag in de andere gevallen.

6.  De formulieren en modules

In bijlage vindt u in de 3 landstalen:

  • 1. Koninklijk besluit van 17 juli 2013 tot uitvoering van het Werkloosheidsbesluit van 25 november 1991.
  • 2. Koninklijk besluit van 22 mei 2014 tot wijziging van het koninklijk besluit van 12 augustus 1985 tot uitvoering van artikel 62, §5 van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, BS 25/06/2014.
  • 3. KB van 12 augustus 1985 tot uitvoering van artikel 62, §5 SWKL
  • 4. Voor de min-21 jarigen evenmin op de leeftijd van 21 jaar.
  • 5.  Cfr. dienstbrief 996/51 van 4 augustus 2004.
  • 6. Cfr CO 1369 en de dienstbrieven 996/82 en 996/82bis.
Top