MO 195 van 4 juli 1963 - Werknemers van vreemde nationaliteit tewerkgesteld in de Belgische steenkoolnijverheid

    Ik heb de eer U mede te delen dat ik beslist heb de wettelijke beperking op te heffen, luidens welke het kind in België moet worden opgevoed, ten behoeve van de kinderen van de vreemde werknemers, tewerkgesteld als ondergrondse mijnwerkers in de Belgische steenkoolnijverheid, wanneer die kinderen worden opgevoed in het land waarvan de werknemer de nationaliteit heeft.

    De kinderbijslag zal worden verleend:

    1° tegen de bedragen van de gewone algemene schaal (artikel 40 (...)), met uitsluiting van elke speciale of verhoogde bijslag, welke uit de Belgische wetgeving voortvloeit;

    2° ten behoeve van de eigen kinderen van de werknemer, van de gemeenschappelijke kinderen van de werknemer en van zijn echtgenote, alsmede van de eigen kinderen van zijn echtgenote. Indien het gaat om een werknemer onderhorige van een land, waar de polygamie toegelaten is, wordt slechts rekening gehouden met de eigen kinderen van de echtgenote, voor zover hij er slechts één heeft;

    3° ten behoeve van de onder 2° bedoelde kinderen tot de leeftijd van 14 jaar;

    4° gedurende de tijdvakken van werkelijke tewerkstelling en de krachtens artikel 411 van de geordende wetten gelijkgestelde tijdvakken; in geval van arbeidsongeschiktheid wordt de bijslag beperkt tot een tijdvak van zes maand ongeschiktheid.

    De kinderbijslag wordt niet meer verleend na het overlijden van de werknemer of na zijn vertrek uit België.

    De onderhavige omzendbrief laat onverkort de voorgaande omzendbrieven met betrekking tot collectieve afwijkingen toegestaan ten behoeve van werknemers met een bepaalde vreemde nationaliteit, tewerkgesteld als ondergrondse mijnwerkers in de Belgische steenkoolnijverheid2 .

    • 1Lezen artikel 53.
    • 2Deze omzendbrief is toepasselijk binnen de perken van artikel 120 (CO 701 van 17 september 1963).
    Top