A/32 van 21 maart 2022 - Wijzigingen ingevolge het besluit van de Vlaamse Regering van 11 februari 2022 tot vaststelling van maatregelen voor gelegenheidsarbeiders voor de periode van 1 april 2020 tot en met 30 september 2021 ten gevolge van de uitbraak van het COVID-19-virus, wat betreft de toelagen in het kader van het gezinsbeleid en tot wijziging van diverse besluiten over de toelagen in het kader van het gezinsbeleid.

A/32 - mededeling van het VUTG

21 maart 2022

Betreft: Wijzigingen ingevolge het besluit van de Vlaamse Regering van 11 februari 2022 tot vaststelling van maatregelen voor gelegenheidsarbeiders voor de periode van 1 april 2020 tot en met 30 september 2021 ten gevolge van de uitbraak van het COVID-19-virus, wat betreft de toelagen in het kader van het gezinsbeleid en tot wijziging van diverse besluiten over de toelagen in het kader van het gezinsbeleid

 

1. Wetgevend kader

Het besluit van de Vlaamse Regering van 11/02/2022 tot vaststelling van maatregelen voor gelegenheidsarbeiders voor de periode van 1 april 2020 tot en met 30 september 2021 ten gevolge van de uitbraak van het COVID-19-virus, wat betreft de toelagen in het kader van het gezinsbeleid en tot wijziging van diverse besluiten over de toelagen in het kader van het gezinsbeleid, kortweg het BVR borging genoemd, voert een aantal wijzigingen door aan de bepalingen in verschillende BVR’s met de doelstelling deze af te stemmen op de reeds toegepaste praktijk en om enkele structurele problemen op te lossen.

Het besluit bevat eveneens in een coronamaatregel voor gelegenheidsarbeiders.

2. Wijzigingen aan het BVR begunstigde

Niet-geïnde circulaire cheque – controle gezinsinspecteur (artikel 7 BVR borging – artikel 14 BVR begunstigde)

In het BVR begunstigde worden de bepalingen met betrekking tot de betalingen van de toelagen door middel van een circulaire cheque gewijzigd.

Indien de betaling van de toelagen om technische of sociale redenen niet mogelijk is per overschrijving, gebeurt de betaling via circulaire cheque.

Indien deze circulaire cheque niet geïnd wordt, moet de dossierbeheerder de juistheid van de gegevens van de begunstigde controleren en wordt de circulaire cheque slechts éénmaal heruitgegeven.

De verdere betalingen van de toelagen moeten bij heruitgave van de circulaire cheque worden geschorst en dit in afwachting van een controle door een gezinsinspecteur. De begunstigden worden hiervan schriftelijk op de hoogte gesteld.

De schorsing van betaling wordt opgeheven ofwel na inning van de circulaire cheque, ofwel op eenvoudig verzoek van één van de begunstigden, Dit verzoek kan mondeling of schriftelijk, gebeuren. De betaling kan vervolgens opnieuw gebeuren via circulaire cheque. Deze circulaire cheque wordt gericht aan de begunstigden volgens hun gezamenlijke keuze, dan wel aan de jongste onder hen bij gebreke aan keuze.

Wanneer de uitbetaling gebeurt via een internationaal mandaat, wordt dezelfde procedure gevolgd.

Deze bepaling treedt in werking op 26/03/2022.

3. Wijzigingen aan het BVR rechten en plichten

3.1. De brieven aan begunstigden (art. 16 BVR borging)

In artikel 8 van het BVR rechten en plichten wordt de verplichte inhoud van de brieven bepaald.

De toelagen moeten niet langer per kind worden gespecifieerd. Deze wijziging heeft al ingang gevonden in de algemene praktijk en vergt dus geen aanpassing meer.

Gezinnen kunnen nog steeds de details over de bedragen opvragen en dit in overeenstemming met de bepalingen uit de toelichtingsnota 21 van 1 februari 2022 over  de privacy.

Deze bepaling treedt in werking op 1 januari 2019.

3.2. Meldingsplicht begunstigden (art. 18 BVR borging – art. 9/1 BVR R&P)

Het algemene rechtsbeginsel waarbij de begunstigden – als een goed huisvader -  alle wijzigingen die een impact kunnen hebben op het toekennen of het betalen van de toelagen aan de uitbetalingsactor moeten meedelen, werd in tegenstelling tot de federale kinderbijslagreglementering aanvankelijk niet uitdrukkelijk opgenomen in de Groeipakketwetgeving.

De mededelingsplicht wordt nu expliciet opgenomen in het BVR rechten en plichten zodat de toepassing van het principe duidelijk wettelijk wordt verankerd. De mededelingsplicht kadert in de terugvordering van onverschuldigde betalingen en de handhaving.

Een onverschuldigde betaling die het gevolg is van het niet-naleven van een mededelingsplicht kan niet worden gekwalificeerd als een debet A in toelichtingsnota 19, punt 3.3. Het niet voldoen aan de mededelingsplicht wordt ook beschouwd als een inbreuk op artikel 137 of 138 van het Groeipakketdecreet van 2018.

In de praktijk werd dit verdergezet bij de inwerkingtreding van het Groeipakket en is de impact hiervan dus beperkt. Deze praktijk krijgt dus nu een uitdrukkelijke wettelijke grondslag.

Deze bepaling treedt in werking op 26/03/2022.

4. Wijzigingen aan het BVR sociale toeslag

4.1. KI vreemd gebruik : beperking van het begrip (art. 22 en 45 BVR borging)

Het KI van een woning dat niet als hoofdverblijfplaats wordt gebruikt, wordt niet beschouwd als een KI vreemd gebruik indien de woning door de begunstigde(n) omwille van bouwwerkzaamheden of van de verbouwingswerkzaamheden niet kan betrokken worden.

Het moet gaan om de enige woning van de begunstigde(n) die in aanmerking komt voor een belastingvermindering volgens de voorwaarden van art. 145/38 §1 WIB.

Om in aanmerking te komen voor de belastingvermindering moet de woning op 31 december van het jaar waarin de leningsovereenkomst is afgesloten, de enige woning zijn van de belastingplichtige die hij zelf betrekt. Daarbij wordt geen rekening gehouden met andere woningen waarvan hij, ingevolge erfenis, mede-eigenaar, naakte eigenaar of vruchtgebruiker is, of een andere woning die uiterlijk op 31 december van het jaar dat volgt op het jaar waarin de leningsovereenkomst is afgesloten, verkocht is.

De begunstigden kunnen aantonen dat zij in aanmerking komen voor de belastingvermindering voor het onroerend goed door middel van hun aanslagbiljet of het fiscaal attest van de bankinstelling waarbij ze hun lening hebben afgesloten, waarbij dan wel de controle moet gedaan worden dat dit hun enige onroerend goed is.

Deze bepaling treedt in werking op 1 januari 2019.

4.2. Weerlegging feitelijk gezin – geregistreerde huurovereenkomst (art. 24 borging – art. 3 BVR sociale toeslag)

De vorming van een feitelijk gezin voor het bepalen van de inkomstenkern kan weerlegd worden door een huurovereenkomst met de persoon met wie hij samenwoont. Het moet gaan om een geregistreerde huurovereenkomst. Hiermee wordt het gebruik van ad-hoc huurovereenkomsten vermeden.

Deze bepaling treedt in werking op 26/03/2022.

5. Wijzigingen aan het BVR rechtgevend kind

5.1. Begunstigden ontvoerd kind (art. 29 en 41 BVR borging – artikel 5 BVR rechtgevend kind)

De personen die vlak voor de ontvoering van het kind de begunstigden waren blijven in principe ook na de ontvoering de begunstigden, op voorwaarde dat ze niet deelgenomen hebben aan de ontvoering.

Omdat niet in alle dossiers beide ouders al begunstigden zijn en er mogelijks ook nog een bijslagtrekkende is aangeduid, kan er bij een ontvoering in sommige gevallen geen gezinsbijslag toegekend worden aan de andere ouder.

Na de wijziging van artikel 5 en artikel 41 van het BVR rechtgevend kind kunnen tijdens de periode van ontvoering de gezinsbijslagen toegekend worden aan:

  • de personen die vlak voor de ontvoering de begunstigden waren voor het ontvoerde kind (de ouders of de opvoeders);
  • de ouder die tijdens de ontvoering begunstigde wordt voor het ontvoerde kind, onder toepassing van artikel 57 §2 GPD enerzijds de ouder met exclusief ouderlijk gezag of anderzijds één van beide ouders wanneer die door de familierechtbank in het belang van het kind als begunstigde werd aangewezen;
  • de ouder die nog geen bijslagtrekkende was voor de ontvoering, voor zover hij niet uitgesloten is om begunstigde te worden onder toepassing van artikel 57 §2 GPD.

Deze bepaling treedt in werking op 1 januari 2019.

5.2. Georganiseerd, erkend of gesubsidieerd onderwijs: verduidelijking (art. 31, 32 en 34 BVR borging – art. 16, 19 en 24 BVR rechtgevend kind)

Rechtgevende kinderen genieten tot de leeftijd van 18 jaar een onvoorwaardelijk recht op gezinsbijslagen.

Rechtgevende kinderen die de leeftijd van 18 jaar bereikt hebben, moeten lessen volgen of ingeschreven zijn in een onderwijsinstelling die wordt georganiseerd, erkend of gesubsidieerd door de Vlaamse, Franse of Duitstalige Gemeenschap. De minister kan een afwijking voorzien en bepalen welke lessen er gelijkgesteld worden met lessen in georganiseerde, erkende of gesubsidieerde onderwijsinstellingen.

Wanneer ze vanaf de leeftijd vanaf 18 jaar niet meer voldoen aan de voorwaarden van leerling of student, hebben ook deze kinderen nog gedurende 12 maanden recht op gezinsbijslagen, onder het statuut van schoolverlater.

Op dit punt werd enkel een verduidelijking van de bestaande regelgeving ingevoerd, aangezien dit in de praktijk al op deze manier werd toegepast.

Deze bepaling treedt dan ook retroactief in werking op 1 januari 2019.

5.3. schoolverlater (artikel 37 BVR borging – art. 40 BVR rechtgevend kind)

In artikel 40 BVR rechtgevend kind worden een aantal verduidelijkingen aangebracht met betrekking tot de aanvangsdatum van het recht als schoolverlater:

De termijn van twaalf maanden start op de volgende tijdstippen:

  1. de maand nadat het rechtgevende kind 18 jaar is geworden en niet aansluitend een recht op gezinsbijslagen kan openen als leerling, student of stagiair of op basis van een algemene vrijstelling;
  2. de maand nadat het rechtgevende kind met een specifieke ondersteuningsbehoefte 21 jaar is geworden, of na het einde van de erkenning, als het kind met een specifieke ondersteuningsbehoefte, tussen de leeftijd van 18 en 21 jaar niet aansluitend een recht op gezinsbijslagen kan openen als leerling, student of stagiair of op basis van een algemene vrijstelling;
  3. de maand na de datum waarop een studie, leertijd of vorming voortijdig is beëindigd;
  4. de maand waarin het rechtgevende kind niet meer voldoet aan de voorwaarden over niet-hoger onderwijs;
  5. de maand na de einddatum van de zomervakanties;
  6. de maand waarin het rechtgevende kind geen 27 studiepunten per academiejaar bereikt;
  7. de maand na het bereiken van de zes maanden afwezigheid wegens ziekte als die afwezigheid niet gewettigd wordt na onderzoek door de bevoegde dienst;
  8. de maand nadat meer dan vier maanden is verstreken tussen twee school- of academiejaren in België of een andere EER-lidstaat of Zwitserland;
  9. de maand waarin het rechtgevende kind niet meer voldoet aan de voorwaarde, vermeld in artikel 16, tweede lid, van dit besluit, als het kind is ingeschreven voor een of meer vormingen van het hoger onderwijs met in totaal minder dan 27 studiepunten en daarnaast een opleiding in het niet-hoger onderwijs volgt, op basis van artikel 32 van dit besluit;
  10. de maand waarin het rechtgevende kind niet meer uitsluitend lessen volgt in het hoger onderwijs waarvan de modaliteiten niet uitgedrukt worden in studiepunten, of de maand waarin het rechtgevende kind niet meer ingeschreven is voor een bijkomend jaar voor de geïntegreerde proef in het onderwijs voor sociale promotie;
  11. de maand na het einde van de stageperiode die vereist is om in een openbaar ambt te worden benoemd of de maand na de onderbreking van die stage;
  12. de maand waarin het rechtgevende kind niet meer voldoet aan de voorwaarden voor de algemene vrijstellingen voor kinderen buiten België.

Wanneer het rechtgevend kind een stage volgt na de zomervakantie, maar niet ingeschreven is in een onderwijsinstelling, is er geen recht op basis van het statuut als student of leerling maar begint het recht als schoolverlater te lopen vanaf het einde van de zomervakantie.

Deze bepaling treedt in werking op 1 januari 2019.

5.4. Winstgevende activiteit als monitor of als onthaalouder (art. 39 BVR borging – art. 42 BVR rechtgevend kind)

De prestaties die worden geleverd onder het monitorenstatuut worden vrijgesteld van de 80-urennorm. Voor deze prestaties zijn geen sociale zekerheidsbijdragen verschuldigd. Ook de uren gepresteerd onder het monitorenstatuut in de lokale publieke sector zijn vrijgesteld, ondanks dat er hiervoor een dimona-aangifte wordt ingediend.

Ook de prestaties geleverd als onthaalouder onder het sui generis-statuut, waarvoor een bijzonder sociale zekerheidsregeling geldt, worden niet beschouwd als winstgevende activiteit.

Deze toevoeging voorziet in de verderzetting van de praktijk zoals deze gold onder de AKBW en treedt retroactief in werking op 1 januari 2019.

5.5. Samenloop Europese Ambtenaren, personeel Eurocontrol en Europese scholen (art. 43 BVR borging – art 53/1 BVR rechten en plichten)

In het kader van de samenloop, geldt dat voor kinderen die recht hebben op uitkeringen van dezelfde aard als de gezinsbijslagen krachtens statutaire regels die van toepassing zijn op de ambtenaren en andere agenten van de Europese Unie, deze niet in mindering worden gebracht van de gezinsbijslagen.

Dit geldt eveneens voor het personeel van Eurocontrol en het onderwijzend personeel van Europese scholen.

Deze bepaling treedt in werking op 1 januari 2019. In de praktijk werd dit reeds zo toegepast.

6. BVR schooltoeslag

6.1. KI vreemd gebruik – beperking van het begrip (art. 42 BVR borging – art. 1 BVR schooltoeslag)

Het Ki van een woning dat niet als hoofdverblijfplaats wordt gebruikt, wordt niet beschouwd als een Ki vreemd gebruik indien de woning door de begunstigde(n) omwille van bouwwerkzaamheden of van de verbouwingswerkzaamheden niet kan betrokken worden.

Het moet gaan om de enige woning van de begunstigde(n) die in aanmerking komt voor een belastingvermindering volgens de voorwaarden van art. 145/38 §1 WIB.

De begunstigde kunnen aantonen of zij in aanmerking komen voor de belastingvermindering voor het onroerend goed aan de hand van hun aanslagbiljet of het fiscaal attest van de bankinstelling.

Deze bepaling treedt in werking op 1 september 2019.

6.2. Berekening aanwezigheidsdagen en problematische afwezigheden (art. 47 BVR borging – art. 2/1 BVR schooltoeslag)

Indien de school over een afwijkende uurregeling beschikt, wordt het aantal halve schooldagen dat de leerling aanwezig moet zijn of maximaal ongewettigd afwezig mag zijn, als volgt berekend:

AWD X ASDW/SDW

  • AWD = de aanwezigheidsdrempel.
    Dit is het aantal halve schooldagen dat de leerling per schooljaar aanwezig moet zijn of ongewettigd afwezig mag zijn, vermeld in artikel 27, §2, 1° tot en met 4°, artikel 30, §2, en artikel 34, §2, van het voormelde decreet; 
  • ASDW = het aantal halve schooldagen dat de onderwijsinstelling, met toepassing van artikel 8 van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 april 1991 tot organisatie van het schooljaar in het basisonderwijs en in het deeltijds onderwijs georganiseerd, erkend of gesubsidieerd door de Vlaamse Gemeenschap of met toepassing van artikel 8 van het besluit van de Vlaamse Regering van 31 augustus 2001 houdende de organisatie van het schooljaar in het secundair onderwijs, per volledige schoolweek lesactiviteiten organiseert; 
  • SDW= het aantal halve schooldagen dat een volledige schoolweek standaard telt, namelijk negen. 

 Het resultaat van de berekening wordt afgerond naar de hogere eenheid.

Bijvoorbeeld: Leerling van 5 jaar

ADW = 250 halve dagen
ASDW = schoolweek 5 halve dagen
SDW = 9 halve dagen
250 x 5/9= 139 halve dagen

Deze formule is een verderzetting van de formule die werd gehanteerd door het departement Onderwijs in het kader van de toekenning van de schooltoelage en heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2019.

6.3. Weerlegging feitelijk gezin – geregistreerde huurovereenkomst  (art. 48 borging – art. 3 BVR schooltoeslag)

De vorming van een feitelijk gezin voor het bepalen van de inkomstenkern kan weerlegd worden door een huurovereenkomst met de persoon met wie hij samenwoont. Het moet gaan om een geregistreerde huurovereenkomst. Hiermee wordt het gebruik van ad-hoc huurovereenkomsten vermeden.

Deze bepaling treedt in werking op 26/03/2022.

7. De coronamaatregel voor studenten-schoolverlaters/gelegenheidsarbeiders

Op 30 april 2020 besliste de Vlaamse Regering om een aantal maatregelen in te voeren naar aanleiding van COVID – 19, met betrekking tot het Groeipakket Deze maatregelen werden opgesomd in mededeling A/15. Aan de opgesomde coronamaatregelen wordt nog een bijkomende maatregel toegevoegd.

Leerlingen/studenten en schoolverlaters mogen een winstgevende activiteit uitoefenen zonder dat dit leidt tot een schorsing van hun recht op gezinsbijslagen.
Het gaat om een activiteit die:

  • gedurende maximaal 475 uur, waarvoor een verminderde sociale bijdrage verschuldigd is, uitgeoefend wordt in het kader van een arbeidsovereenkomst voor studenten;
  • in een maand niet meer dan tachtig uren uitgeoefend wordt in het kader van elke tewerkstelling, die geen tewerkstelling is in het kader van een arbeidsovereenkomst voor studenten;
  • uitgeoefend wordt door een kind als zelfstandige en daarbij geen bijdragen verschuldigd is als een zelfstandige in hoofdberoep.

In het kader van coronamaatregelen werden maatregelen genomen om studerende kinderen toe te staan in het kader van studentenarbeid bovenmatige prestaties te verrichten. Een dergelijk initiatief was ook nodig in het kader van seizoensarbeid.

Op basis van deze maatregel worden de uren gepresteerd als gelegenheidsarbeider, zoals bedoeld in artikel 2/1, §1, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders tijdens de periode van 1 april 2020 tot en met 30 september 2021 niet meegerekend voor de maandelijkse uurnorm van 80 uren.

Deze vrijstelling heeft uitwerking voor de gepresteerde uren van 1 april 2020 tot en met 30 september 2021.

8. Vragen

Vragen betreffende deze mededeling kunnen gericht worden aan advies@vutg.be, met vermelding van de titel van deze mededeling in het onderwerp van uw mail.

 

Datum van publicatie
Top