A/34 van 1 april 2022 - Begunstigden van 1/3de van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid bij plaatsing

A/34 - Mededeling van het VUTG

1 april 2022

Betreft: Begunstigden van 1/3de van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid bij plaatsing

 

1. Wetgevend kader

Artikel 68 van het Groeipakketdecreet van 2018 en artikel 8 van het besluit van de Vlaamse Regering van 29 juni 2018 houdende nadere regels betreffende de aanwijzing van de begunstigden van de gezinsbijslagen en de uitbetaling van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid voorzien dat voor kinderen die door bemiddeling of ten laste van een openbare overheid in een instelling zijn geplaatst, één derde van de gezinsbijslagen aan de begunstigden worden betaald.

De minister bepaalt de verdere regels.

Artikel 2 van het ministerieel besluit van 15 maart 2019 houdende de nadere regels voor de aanwijzing de begunstigde van de gezinsbijslagen en de uitbetaling van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid bepaalt wie het 1/3de van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid bij plaatsing ontvangt.

Deze bepaling wordt gewijzigd bij ministerieel besluit van 11 februari 2022 tot wijziging van artikel 2 van het ministerieel besluit van 15 maart 2019 houdende de nadere regels voor de aanwijzing van de begunstigden van de gezinsbijslagen en de uitbetaling van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid (publicatie B.S. 14 maart 2022): de woorden “van voor de plaatsing” worden geschrapt.

2. Uitbetaling van 1/3de van de toelagen

2.1. Algemene regel

Zie toelichtingsnota 7 (punt 5.2.1), toelichtingsnota 16 (onder meer onder punt 2.1.2 en 3.2) en mededeling A2 die in het licht van deze wijziging moeten gelezen worden.

1. De algemene regeling luidt dat de uitbetaling van 1/3de van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid gebeurt aan de begunstigden, niet langer aan de begunstigden van voor de plaatsing.

Hiermee worden de algemene regels van aanduiding van begunstigden zoals bepaald in de artikelen 57, 58 en 59 Groeipakketdecreet, gevolgd en moet niet langer de situatie van het verleden worden onderzocht.

Voorbeeld
Een rechtgevend kind verblijft bij haar grootouders, die als werkelijke opvoeder begunstigde zijn voor het Groeipakket. Het kind wordt geplaatst in een jeugdinstelling en wordt gedomicilieerd bij de moeder. De grootouders zijn niet langer de werkelijke opvoeder, de ouders worden de begunstigden aan wie het 1/3de wordt uitbetaald.

 

2. De plaatsing in de instelling is ook een wijziging in de opvoedingssituatie die de overschakeling van bijslagtrekkende naar begunstigden met zich meebrengt.

Voorbeeld
Een rechtgevend kind is gedomicilieerd bij haar moeder, die bijslagtrekkende is. Vader en moeder leven gescheiden, het kind wordt geplaatst zonder dat de D227 een specifiek persoon of spaarboekje meldt. De plaatsing brengt met zich mee dat beide ouders begunstigden worden, dus het 1/3de moet uitbetaald worden op de door beiden gekozen bankrekening, of bij gebreke daaraan, aan de jongste onder hen.

 

3. Dit betekent ook dat indien er in de periode van plaatsing, een gebeurtenis plaats vindt die een impact heeft op de aanduiding van begunstigde, deze conform artikel 61 Groeipakketdecreet ook uitwerking heeft voor de uitbetaling van het 1/3de vanaf de eerste dag van de maand na de maand waarin de wijziging plaatsvond.

Een voorbeeld van een dergelijke gebeurtenis is een vonnis waarbij het exclusief ouderlijk gezag wordt toegekend aan één van de ouders, of een wijziging van het domicilie naar het adres van de werkelijke opvoeder.

4. De algemene regel geldt wanneer het plaatsingsbericht D227 geen persoon aanduidt of vermeldt dat het 1/3de op een spaarrekening moet worden betaald en dit in tegenstelling tot TN 16 punt 3.3.2.

5. Indien er onduidelijkheid optreedt of met de toepassing van de regel “uitbetaling aan de begunstigde” mogelijks een ongewenst effect optreedt, wordt de plaatsende overheid bevraagd via plaatsingen@opgroeien.be.

Dit is onder meer het geval in volgende situaties:

  • Het rechtgevend kind heeft een domicilie in de instelling, maar het plaatsingsbericht vermeldt niet dat het 1/3de op een spaarboekje moet geplaatst worden.
  • De pleegplaatsing stopt en het rechtgevend kind wordt geplaatst in de instelling, het rechtgevend kind behoudt zijn domicilie bij de pleegouders (vermoeden van opvoeding) en het plaatsingsbericht vermeldt geen specifieke persoon of betaling van 1/3de op het spaarboekje.
  • De plaatsende overheid heeft een afwijkende beslissing genomen, maar nadien wijzigt het domicilie van het rechtgevend kind zodat het niet meer duidelijk is of de afwijkende beslissing moet worden gehandhaafd.

2.2. Een afwijkende beslissing van de plaatsende overheid

De mogelijkheid voor de plaatsende overheid om een afwijkende beslissing te nemen blijft onverminderd van toepassing. Hier blijft de toelichtingsnota 7 en de mededeling A2 onverkort van toepassing.

3. inwerkingtreding

Dit wijziging treedt in werking op de tiende dag na de publicatie in het Belgisch Staatsblad, zijnde 25/03/2022.

Huidige uitbetalingen aan de begunstigden voor plaatsing blijven onverkort gelden.

Indien er sprake is van einde plaatsing gevolgd door een nieuwe plaatsing (zie TN 16, punt 3.6) of er een nieuwe plaatsing komt die niet aansluit op de vorige plaatsing, wordt de nieuwe regel toegepast en wordt – bij afwezigheid aan afwijkende beslissing door de plaatsende overheid – het groeipakket uitbetaald aan de begunstigden.  

4. Vragen

Vragen betreffende deze mededeling kunnen gericht worden aan advies@vutg.be, met vermelding van de titel van deze mededeling in het onderwerp van uw mail.

Datum van publicatie
Datum van afkondiging
Top