Vlaanderen

Artikel 57 van de Algemene kinderbijslagwet

Onverminderd artikel 56, § 2, zijn rechthebbende op kinderbijslag tegen de bedragen, bepaald in artikel 40, eventueel verhoogd met de bijslagen, bedoeld in artikel 42bis:

1° De werknemer die, krachtens de wetten betreffende de verplichte verzekering tegen de geldelijke gevolgen van ouderdom en vroegtijdige dood, een ouderdomspensioen geniet of die, na de leeftijd van 60 jaar te hebben bereikt, een ouderdomsrente geniet krachtens een regel die toepasselijk is op alle werknemers of op zekere categorieën werknemers behorende tot éénzelfde onderneming;

2° De werknemer die een pensioen, met uitzondering van een voortijdig pensioen wegens gezondheidsredenen, geniet ten laste van de Staat, een provincie, of een gemeente.

3° de zelfstandige, die een rustpensioen of een onvoorwaardelijk rustpensioen geniet met toepassing van de wetgeving betreffende het rust- en overlevingspensioen voor zelfstandigen;

4° de zelfstandige, die geen onvoorwaardelijk rustpensioen geniet omdat hij in het raam van de wetgeving betreffende het pensioen voor zelfstandigen een onroerend goed heeft aangewend tot vestiging van zijn pensioenfonds, vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de maand in de loop waarvan hij de pensioenleeftijd bereikt.

Bovendien moet de pensioengerechtigde in de loop van de twaalf maanden die zijn pensionering onmiddellijk voorafgaan de voorwaarden vervuld hebben om aanspraak te maken op ten minste zes maandelijkse forfaitaire bijslagen krachtens deze wet.

De wet van 04.04.2014 tot wijziging van de samengeordende wetten van 19 december 1939 betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, art. 64 (B.S. 05.05.2014), van kracht vanaf 30.06.2014, heeft de volgende wijzigingen aangebracht:

1° in het eerste lid, 1°, wordt het woord "arbeider" vervangen door het woord "werknemer" en wordt het woord "arbeiders" telkens vervangen door het woord "werknemers";

2° in het eerste lid, 2°, wordt het woord "arbeider" vervangen door het woord "werknemer";

3° hetzelfde eerste lid wordt aangevuld met de bepalingen onder 3° en 4°, luidende :

"3° de zelfstandige, die een rustpensioen of een onvoorwaardelijk rustpensioen geniet met toepassing van de wetgeving betreffende het rust- en overlevingspensioen voor zelfstandigen;

4° de zelfstandige, die geen onvoorwaardelijk rustpensioen geniet omdat hij in het raam van de wetgeving betreffende het pensioen voor zelfstandigen een onroerend goed heeft aangewend tot vestiging van zijn pensioenfonds, vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de maand in de loop waarvan hij de pensioenleeftijd bereikt."

4° in het tweede lid, wordt het woord "wetten" vervangen door het woord "wet".

Datum van publicatie
Datum van afkondiging
Top