Vlaanderen

Informatienota 1999/4: - Activering van werkloosheidsuitkeringen. - Art. 42bis en art. 56novies G.W.

De kinderbijslaginstellingen worden vaak geconfronteerd met de situatie waarin een uitkeringsgerechtigde volledig werkloze begint te werken, of als deeltijds werknemer, of in het raam van een zogenaamd programma tot activering van de werkloosheidsuitkeringen, terwijl hij blijft vergoed worden ten laste van de sector van de werkloosheid. De vraag is of de betrokkene het statuut van werkloze behoudt, en zo ja, of de toeslag bij de kinderbijslag bedoeld in art. 42bis G.W. hem eventueel verschuldigd is.

Momenteel bestaan er drie stelsels ter activering van de werkloosheidsuitkeringen, alle drie gebaseerd op art. 7, §1, 3de lid, m) van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders (ingevoegd door het KB van 14 november 1996, B.S. van 31 december 1996): de doorstromingsprogramma's (DSP), de herinschakelingsprogramma's (HSP) en het stelsel van banenplanuitkeringen (BPU).

De gemeenschappelijke doelstelling van deze projecten is de werklozen de mogelijkheid te bieden om zich weer in te schakelen in de arbeidsmarkt. De werklozen die in een van deze stelsels tewerkgesteld zijn ontvangen van de RVA een vergoeding die de werkgever mag aftrekken van de verschuldigde netto bezoldiging.

Voor de werklozen tewerkgesteld in een DSP heet de vergoeding een integratie-uitkering, in een HSP een herinschakelingsuitkering en in een BPU geniet de betrokkene een banenplanuitkering.

Het feit dat art. 7, §1bis, 1ste lid van de eerder vermelde besluitwet de drie uitkeringen beschouwt als een bezoldiging voor de toepassing van de sociale en de fiscale wetgeving, heeft als gevolg dat de betrokkenen niet langer beschouwd worden als uitkeringsgerechtigde werklozen, zodat ze geen aanspraak meer kunnen maken op de toeslag op de kinderbijslag voorzien in art. 42bis G.W.

Aangezien hun recht op kinderbijslag enkel gebaseerd is op hun tewerkstelling wordt voor hen geen enkel gegeven doorgestuurd via de flux A011.

Volledigheidshalve dient te worden benadrukt dat de hier opgesomde activeringsstelsels ingesteld zijn door de federale minister van tewerkstelling. De diverse types van vorming en/of stages voor de tewerkstelling die worden georganiseerd door de gemeenschappen of de gewesten vallen dan ook buiten het kader van deze informatienota. De Rijksdienst zal hiervan een inventaris opmaken die u later zult ontvangen, samen met de weerslag ervan op het recht op kinderbijslag.

Wanneer een activiteit die hoort bij een van de activeringsprogramma's van de werkloosheid deeltijds wordt uitgeoefend, kan de werknemer, net zoals bij iedere andere loontrekkende activiteit, om het behoud van zijn rechten op werkloosheid vragen en, volgens het niveau waarvoor hij in aanmerking komt, een inkomensgarantie-uitkering ontvangen van de sector werkloosheid.

In de veronderstelling dat de werknemer op basis van zijn lage inkomsten een inkomensgarantie-uitkering kan genieten, behoudt hij dan ook de hoedanigheid van uitkeringsgerechtigde volledig werkloze en heeft hij eventueel recht op de toeslag op de kinderbijslag voor langdurig werklozen indien alle hiertoe vereiste wettelijke voorwaarden vervuld zijn. In dit geval verloopt het meedelen van werkloosheidsgegevens via de flux AO11 onder de code 05.

Deze oplossing is reeds voorzien voor de deeltijds tewerkgestelde werknemers in het raam van een typisch contract (MO 535 van 11 maart 1994).

Een overzichtsschema gaat als bijlage bij deze informatienota.

Tenslotte dienen de bepalingen van MO 542 van 5 december 1995 betreffende de uitkeringstoeslag toegekend aan werklozen die activiteiten verrichten in het raam van een plaatselijk werkgelegenheidsagentschap (PWA) in herinnering te worden gebracht. Deze toeslag wordt volledig geneutraliseerd: hij wordt immers noch als bezoldiging, noch als vervangingsinkomen beschouwd.

Top