CO 1025 van 23 juni 1976 - Kinderbijslag voor geplaatste kinderen

    De wet van 5 januari 1976, art. 131 wijzigt art. 70, GW, (...).

    (...)

    I. TOEPASSINGSVOORWAARDEN VAN ARTIKEL 70, GW

    Opdat artikel 70, GW toepasselijk zou zijn, moet het kind geplaatst zijn in een instelling of bij een particulier ten laste of door bemiddeling van een openbare overheid.

    De ministeriële omzendbrief 180 van 28 december 1961 bepaalt wat moet verstaan worden door de uitdrukkingen "openbare overheid" en "door bemiddeling of ten laste van".

    (...)

    c. Betekenis van de term "instelling"

    De term "instelling" doelt op de inrichtingen waar de kinderen worden geplaatst hetzij om er te worden opgevoed hetzij om er te worden verzorgd, zoals de hospitalen, de ziekenhuizen enz.

    II. WIJZE VAN VERDELING VAN DE KINDERBIJSLAG

    a. Kinderen geplaatst door bemiddeling of ten laste van een andere openbare overheid dan het Ministerie van Justitie en kinderen geplaatst door de administratieve bemiddeling van het Ministerie van Justitie zonder te zijnen laste te zijn.

    1. Toekenning van de 2/3 van het kinderbijslagbedrag

    - De 2/3 van het bedrag, eventueel beperkt tot het bedrag vastgesteld door de Koning voor bepaalde categorieën van kinderen, wordt betaald aan de instelling (...) die het kind opneemt (art. 70, lid 1, 1°, GW).

    - (...) het Ministerie van Justitie1 en het Ministerie van Volksgezondheid2 verlenen toelagen aan:

    - inrichtingen die kinderen opnemen;
    - diensten voor plaatsing in gezinnen;
    - diensten die gezinsvervangende tehuizen organiseren;
    - private personen die kinderen opnemen.

    Alleen de instellingen, (...) die kinderen opnemen komen in aanmerking als bijslagtrekkenden voor de 2/3 van de kinderbijslag. (...)

    2. Toekenning van het 1/3 van het kinderbijslagbedrag

    Het 1/3 of het resterend saldo wordt betaald aan de natuurlijke persoon beoogd bij artikel 69, GW, wat de rechtspersonen uitsluit. (...)

    Om te bepalen aan wie het 1/3 toekomt, moet men gebruik maken van de algemene criteria die gelden bij het bepalen van de bijslagtrekkende krachtens artikel 69, GW.

    Er moet dus uitgemaakt worden of de aanvrager geregeld in betrekking staat met het geplaatst kind, hetzij door bezoeken, kleine geschenken, een tegemoetkoming in de onderhoudskosten, enz. en er belang in stelt. (Parl. Doc. Senaat, Buitengewone zitting 1961, nr. 80 blz. 101).

    Behalve indien het dossier elementen bevat die het tegendeel bewijzen, mag men aannemen dat de natuurlijke persoon die het kind grootbrengt vóór het geplaatst werd, er zich verder om bekommert. Is de hier beoogde persoon niet de moeder, dan volgt men de richtlijnen, verstrekt voor het bepalen van de bijslagtrekkende bedoeld in artikel 69, G.W. (CO 832 van 22 mei 1968, Hoofdstuk XI - A - Praktische toepassing).

    Het 1/3 zal aan de aldus aangeduide persoon betaald worden, tenzij uit de inlichtingen verstrekt op het daartoe opgestelde formulier (model 3P3) blijkt dat deze persoon zich om het geplaatste kind volstrekt niet of niet meer bekommert. In die onderstelling of indien om een of andere reden het belang van het kind hiertoe noopt, zullen de kinderbijslagfondsen het geval bekend maken aan de Jeugdrechtbank die kan beslissen over de bestemming die moet gegeven worden aan dit deel van de kinderbijslag (art. 70 GW, lid 4).

    In afwachting van die beslissing moet de betaling van het 1/3 geschorst worden.

    (...)

    b. Kinderen geplaatst ten laste van het Ministerie van Justitie

    1. Toekenning van de 2/3 van het kinderbijslagbedrag

    De 2/3, eventueel beperkt tot het bedrag vastgesteld door de Koning voor bepaalde categorieën van kinderen, worden betaald aan het Ministerie zelf voor elk kind in een instelling (...) geplaatst te zijnen laste bij toepassing van de wet van 8 april 1965, (art. 70, lid 3, GW).

    2. Toekenning van het 1/3 van het kinderbijslagbedrag

    De Jeugdrechter van de verblijfplaats van de ouders, voogden of degenen die het kind onder hun bewaring hebben, spreekt zich van ambtswege uit over het 1/3 of over het resterend saldo.

    De volgende twee onderstellingen kunnen overwogen worden:

    a. een rechterlijke beslissing werd reeds genomen (bijvoorbeeld: de storting op een spaarboekje of in handen van de moeder); in dit geval dient er verder uitbetaald te worden aan de bijslagtrekkende aangeduid door de bevoegde rechtbank;

    b. er werd nog geen rechterlijke beslissing bekend gemaakt aan het Kinderbijslagfonds; in dit geval, dient gevraagd aan de rechtbank welke aanwending zij wenst te geven aan het 1/3 of aan het resterend saldo (zie bijgevoegde typebrief).

    III. BETALING VAN DE KINDERBIJSLAG

    a. Begin en einde der betalingen.

    (...)

    Men gaat ervan uit dat het kind geplaatst is zodra de beslissing tot plaatsing uitwerking gekregen heeft en zolang zij niet werd opgeheven.

    (...)

    IV. PRAKTISCHE TOEPASSING

    a. Eerste onderzoek - Periodiek toezicht. - Kennisgeving

    (figuur niet opgenomen)

    b. Betaling (...)3

    De 2/3 die aan het Staatssecretariaat moeten betaald worden, worden overgemaakt op volgende rekeningen:

    1°) voor de Vlaamse Gemeenschap:
    091-2229301-76: DEPT. WVC/Fonds Bijzondere Jeugdbijstand,
    Markiesstraat 1, 1000 BRUSSEL

    2°) Voor de Franse Gemeenschap:
    091-2111009-27: M. Cult. et Aff. soc. OPJ, Av. Louise 149, btes 16-32, 1050 BRUXELLES

    3°) Voor de Duitstalige Gemeenschap:
    091-2400004-59: Deutschprachige Gemeinschaft, Gospert 1-5,
    4700 EUPEN

    De betalingen moeten worden gegroepeerd en eens per maand met één enkele overschrijving worden uitgevoerd op de voormelde rekeningen.

    Tegelijkertijd zal elke betrokken Gemeenschap verwittigd worden van de betaling waarbij gebruik gemaakt wordt van afzonderlijke borderellen opgesteld in tweevoud (...).

    Te zijnen behoeve kent (de Gemeenschap) aan elk rechtgevend kind een uit 8 cijfers samengesteld codenummer toe (jaar, maand, dag en volgnummer van 2 cijfers), dat de kinderbijslagfondsen steeds op de maandborderellen moeten vermelden.

    Dit nummer zal (...) met het formulier D227 worden medegedeeld op het ogenblik dat het kind geplaatst wordt.

    Het totaal bedrag dat op het borderel vermeld wordt, moet nauwkeurig overeenstemmen met het werkelijk (...) overgeschreven bedrag.

    Bij besluit van de Vlaamse Executieve werden twee diensten met afzonderlijk beheer opgericht nl. "De Kempen" en "De Zande".
    "De Zande" omvat de vroegere Gemeenschapsinstellingen voor Bijzondere Jeugdbijstand te Beernem en Ruiselede en "De Kempen" omvat de Gemeenschapsinstellingen "De Hutten" en "De Markt" te Mol.

    Voor de kinderen geplaatst in de Gemeenschapsinstellingen moeten de 2/3, eventueel beperkt tot het bedrag vastgesteld door de Koning voor bepaalde categorieën van kinderen, betaald worden op de rekening, waarvan de benaming en het nummer hierna vermeld zijn:

    - 091-2224014-27:
    Gemeenschapsinstelling
    Bijzondere Jeugdbijstand - DAB
    DE KEMPEN - 2400 MOL

    - 091-2224012-25:
    Gemeenschapsinstelling
    Bijzondere Jeugdbijstand - DAB
    DE ZANDE - 8755 RUISELEDE

    - 091-2111039-57:
    Inst. publ. prot. jeunesse
    Rue de l' Institut 85
    6040 JUMET

    - 091-2111052-70:
    MCAS Sec. gén. Inst. pub. jeun.
    Les Boignées
    1440 WAUTHIER-BRAINE

    - 091-2111051-69:
    Inst. publ. prot. jeun.
    Chemin de Bricgnot 196
    5002 SAINT-SERVAIS

    - 091-2111024-42:
    Inst. publ. prot. jeun.
    Rue R. Luyckx 4/A
    1440 BRAINE-LE-CHATEAU

    - 091-2111022-40:
    Inst. publ. prot. jeun.
    Sur-le-Bois 113
    4870 FRAIPONT.

    V. (...)

    • 1Bevoegdheid thans uitgeoefend door de Gemeenschappen.
    • 2Bevoegdheid thans uitgeoefend door de Gemeenschappen.
    • 3De tekst die volgt is een samenvoeging van CO 1025 van 23 juni 1976, CO 1099 van 22 maart 1982 en CO 1245 van 15 april 1991.
    Top