CO 1220 van 20 december 1989 - Toepassing van Art. 60 van SWKL - Cumulatie met gezinsuitkeringen verleend op grond van het statuut van de ambtenaren van de EG

     

    In de omzendbrieven nr. 454 van 12 november 1987 en nr. 461 van 15 juli 1988, heeft de Minister van Sociale Zaken richtlijnen verstrekt aangaande de toepassing van het arrest van 7 mei 1987 van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen.

    Dit arrest stelt dat de Belgische gezinsuitkeringen (kinderbijslag en kraamgeld) voorrang hebben op gelijkaardige uitkeringen verleend op grond van het statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen. Het genoemde arrest beperkt evenwel het aanvullende karakter van de kinderbijslag van de Europese Gemeenschappen tot de echtgenoot van de op die uitkeringen gerechtigde en tot de ambtenaar zelf wanneer die twee betrekkingen heeft (als Europees ambtenaar en als werknemer).

    De in omzendbrief nr. 454 gegeven richtlijnen hebben met name betrekking op de vanaf november 1987 verschuldigde gezinsuitkeringen, terwijl de omzendbrief nr. 461 de werkwijze regelt voor de regularisatie van de over het tijdvak 1 augustus 1982 - 31 oktober 1987 verschuldigde gezinsuitkeringen.

    In de praktijk keert de Commissie van de Europese Gemeenschappen verder kinderbijslag uit zolang het onderzoek naar het voorrangsrecht op Belgische kinderbijslag duurt. Gelet op het tijdsverloop sedert 1 november 1987 en op de aanzienlijke bedragen die als voorschot aan de betrokkenen zijn verleend door de Commissie, vraagt die Commissie vaak rechtstreeks terugbetaling aan de Belgische kinderbijslaginstellingen. Wij wijzen u erop dat de procedure voor de regularisatie van de betalingen door tussenkomst van de Rijksdienst voor kinderbijslag voor werknemers, die in overleg met de genoemde Commissie is bepaald, enkel geldt voor het tijdvak 1 augustus 1982 - 31 oktober 1987. Zo Belgische instellingen evenwel vaststellen dat de Commissie over het tijdvak na 31 oktober 1987 uitgekeerd heeft in hun plaats (wanneer de debiteur van de Europese Commissie ook bijslagtrekkende is volgens de Belgische regeling), mogen ze eventueel de regels toepassen die tussen Belgische instellingen gelden, na afspraak met de Commissie.
    Zo niet in hun plaats is uitgekeerd, moeten ze de kinderbijslag uitkeren aan de persoon die conform artikel 69 en 70 van de gecoördineerde wetten de bijslagtrekkende is, en de Commissie daarover inlichten.

    Een Belgische kinderbijslaginstelling die over alle gegevens beschikt ter staving van het recht, moet overigens de Commissie niet verzoeken een brevet van rechthebbende in te vullen (model Y). Het bepaalde in artikel 71 § 3 G.W. - en de ministeriële besluiten van 1 augustus 1985 en 9 juni 1989 ter uitvoering ervan - zijn op de Commissie niet van toepassing. Bovendien is er geen afstand van het recht op grond van het statuut van de Europese ambtenaren en wordt geen nieuw recht verkregen bij de Belgische instelling, maar wordt enkel de orde van voorrang voor het verlenen van kinderbijslag tussen de twee regelingen gewijzigd.
    Op verzoek van de Belgische instelling moet de Commissie een attest afgeven dat exact de datum aangeeft waarop zij de uitkering van kinderbijslag aan de Europese ambtenaar heeft stopgezet, d.i. de datum vanaf wanneer zij, nadat haar is meegedeeld hoeveel in de Belgische regeling is betaald, nog enkel het eventuele verschil betaalt tussen de door zijn diensten verschuldigde gezinsuitkeringen en die van de regeling voor werknemers.

    Zoals blijkt in de eerder vermelde ministeriële omzendbrieven nr. 454 en nr. 461 tenslotte, past België het arrest van 7 mei 1987 van het Hof van Justitie zeer strikt toe.
    Daarom verkrijgt een werknemer die met een Europees ambtenaar samenleeft maar er niet mee gehuwd is, geen voorrangsrecht in de Belgische regeling. In dezelfde geest van strikte toepassing van het arrest van het Hof van Justitie moet worden aangenomen dat een wees die rechthebbende is in de regeling voor werknemers geen voorrangsrecht verkrijgt bij samenloop met een recht op gezinsuitkeringen op grond van het statuut van de Europese ambtenaren.

    Wij willen er verder nog op wijzen dat de in de ministeriële omzendbrief nr. 461 bepaalde werkwijze enkel het resultaat is van een overeenkomst met de Commissie van de Europese Gemeenschappen. Regularisatie van kinderbijslag over het tijdvak 1 augustus 1982 - 31 oktober 1987 door tussenkomst van de Rijksdienst voor Kinderbijslag voor Werknemers kan maar geschieden voor dossiers van de Europese ambtenaren en overige personeelsleden (met inbegrip van hulpkrachten) waarvoor genoemde Commissie bevoegd is.
    Dossiers van personeelsleden van andere Europese instellingen (zoals het Economisch en Sociaal Comité, het Parlement, enz.) moeten rechtstreeks door de betrokken kinderbijslaginstellingen individueel worden behandeld.

    Top