CO 1326 van 19 januari 2001 - Voorafbetaling van het kraamgeld - Maatregelen om de tijdige voorafbetaling van het kraamgeld te vrijwaren

     

    1. Principes

    1.1. Wie vraagt de voorafbetaling van het kraamgeld aan ?

    Overeenkomstig artikel 73bis, § 2 Kinderbijslagwet kan de bijslagtrekkende (de moeder), met ingang van de zesde maand van de zwangerschap (d.w.z. reeds na vijf verlopen maanden), het kraamgeld aanvragen en de uitbetaling ervan bekomen twee maand vóór de vermoedelijke geboortedatum die vermeld staat op het bij het aanvraagformulier te voegen geneeskundig getuigschrift.

    1.2. Bij welk kinderbijslagfonds moet het formulier voor de voorafbetaling bij voorrang worden ingediend?

    Omdat het recht op kraamgeld gebonden is aan het recht op kinderbijslag, geldt gelet op het artikel 64, § 2, A, 2° Kinderbijslagwet dezelfde rangorde als voor het aanvragen van de kinderbijslag.

    Het formulier om de voorafbetaling aan te vragen dient te worden gestuurd naar het kinderbijslagfonds van:

    a) de wettelijke vader. Aangezien de persoon die met de moeder gehuwd is, vermoed wordt de wettelijke vader te zijn, dient de echtgenoot de voorafbetaling bij zijn kinderbijslagfonds aan te vragen, ook als de relatie met de moeder verbroken is (dit gelet op het vermoeden van co-ouderschap);
    b) de moeder ;
    c) d e persoon (man of vrouw) waarmee de moeder eventueel een feitelijk gezin vormt;
    d) een grootouder of een (half-) broer of (half-) zuster ;
    e)...

    2. De administratieve praktijk

    Uit de praktijk blijkt dat de aanvragers geen rekening houden met deze hiërarchie. Heel wat formulieren om voorafbetaling van het kraamgeld worden ingediend bij het kinderbijslagfonds van de moeder of van de man die een feitelijk gezin vormt met de zwangere (al dan niet gehuwde vrouw, wiens verwantschap met het ongeboren kind (nog) niet vaststaat.

    Volgende reacties van de kinderbijslagfondsen werden genoteerd:

    - Bepaalde kinderbijslagfondsen aanvaarden elke aanvraag om voorafbetaling zonder meer. Het kinderbijslagfonds controleert pas na de geboorte (controle à posteriori) of de aanvrager al de wettelijke voorwaarden heeft voldaan om de voorrangsgerechtigde te zijn.

    - Andere kinderbijslagfondsen nemen reeds een standpunt in ten aanzien van het voorrangsrecht naar aanleiding van het onderzoek van het aanvraagformulier (controle a priori). Desgevallend wordt de aanvraag om voorafbetaling geweigerd en wordt ze doorverwezen naar een ander kinderbijslagfonds of naar een sociaal verzekeringsfonds voor zelfstandigen. Afhankelijk van het tijdstip waarop bij het eerste kinderbijslagfonds de aanvraag is ingediend en de duur van zijn onderzoek, komt het voor dat het bevoegde kinderbijslagfonds - waarnaar is doorverwezen - te laat de aanvraag ontvangt om nog tijdig het kraamgeld vóór de geboorte te kunnen voorafbetalen.

    - Bepaalde instellingen vragen eventueel nog een voor de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente afgelegde verklaring dat de aanvrager het ongeboren kind erkend heeft of zal erkennen.

    - In geval de partners ongehuwd samenwonen wordt er soms gesuggereerd te wachten tot na de geboorte met het indienen van een aanvraag om kraamgeld, om te kunnen vaststellen of het kind al dan niet erkend wordt door de vader.

    Het onderzoek naar de vaderlijke afstamming blijkt bovenal vertragingen mee te brengen, waardoor de nuttige termijn om het kraamgeld vooraf te betalen verstrijkt.

    Het is bijgevolg noodzakelijk om in waarborgen te voorzien, teneinde te vermijden dat een wettelijk voordeel in het gedrang wordt gebracht door een te omslachtige procedure.

    3. De vereenvoudiging van de werkwijze

    Om de juiste prioriteitsregel te kunnen toepassen, dienen de kinderbijslaginstellingen die de aanvraag om voorafbetaling hebben ontvangen rekening te houden met volgende situaties: de samenwonenden kunnen allebei gehuwd zijn met een andere partner, waarvan zij gescheiden leven of kunnen ongehuwd zijn of één van beide kan nog door een huwelijksband met een derde zijn verbonden. De persoon die met de moeder een feitelijk gezin vormt kan het kind al dan niet erkennen. De wettelijke vader kan het kind op een later tijdstip ontkennen.

    Gelet op dergelijke diversiteit is het zeer moeilijk om de voorrangsregeling die op de afstamming en het ouderlijk gezag steunt correct toe te passen op de aanvragen om voorafbetaling van het kraamgeld en is het bijgevolg noodzakelijk een algemeen toepasselijke oplossing uit te werken die geldt ongeacht de gezinsvorm of het personeel statuut van de aanvrager.

    Omdat het niet in alle gevallen bij de ontvangst van het aanvraagformulier om voorafbetaling mogelijk is absolute juridische zekerheid te verkrijgen omtrent de vaderlijke afstamming (wie gaat het kind erkennen of ontkennen ?) huldigt de Rijksdienst de opvatting dat de voorafbetaling van het kraamgeld onvermijdelijk een provisioneel karakter heeft.

    Omwille van sociale motieven, om redenen van uniformiteit en vereenvoudiging van de administratieve procedures en gelet op de non-discriminatie van de verschillende gezinsvormen, vraagt de Rijksdienst de rechtsgeldige aanvragen om voorafbetaling van het kraamgeld onder de hierna vermelde voorwaarden zonder andere formaliteiten te aanvaarden.

    3.1. De voorwaarden voor de voorafbetaling van een kraamgeld

    3.1.1. De ontvangst van een rechtsgeldige aanvraag

    Voor zover de aanvrager beschikt over het statuut van rechthebbende (artikelen 51, 56 tot 56undecies, 57 Kinderbijslagwet en de gewaarborgde gezinsbijslag), zelfs al is deze een niet-prioritaire rechthebbende bijv. Volgens artikel 64 Kinderbijslagwet, en daarenboven door een arts is geattesteerd dat de zesde maand van de zwangerschap is ingegeaan, wordt de voor de geboorte ingediende aanvraag om voorafbetaling van het kraamgeld als een rechtsgeldige aanvraag behandeld.

    3.1.2. De naleving van preventieve maatregelen om een dubbele voorafbetaling van het kraamgeld uit te sluiten

    - Om bij de voorafbetaling van het kraamgeld zekerheid te hebben dat nog geen enkele andere aanvraag is ingediend, neemt het kinderbijslagfonds dat het aanvraagformulier heeft ontvangen contact op met het Nationaal Repertorium van kinderbijslagen (NRK), het repertorium van de aanvragen in onderzoek (RIO) en gebeurlijk met het Repertorium der zelfstandigen. Vooral het consulteren van het RIO is cruciaal om te voorkomen dat een tweede maal een voorafbetaling van het kraamgeld wordt uitgevoerd.

    - De raadpleging van de repertoria gebeurt op naam van (a) alle gezinsleden en (b) van de op de aanvraag (Mod. E) vermelde personen, maar met het accent op de naam van de bijslagtrekkende (de moeder).

    - Blijkt dat er geen enkele verwijzing bestaat, dan voert het kinderbijslagfonds dat de rechtsgeldige aanvraag heeft ontvangen, de voorafbetaling van het kraamgeld uit.

    - Wordt er wel een verwijzing in de repertoria aangetroffen, dan neemt het kinderbijslagfonds dat de rechtsgeldige aanvraag heeft ontvangen contact op met dat kinderbijslagfonds of met het sociaal verzekeringsfonds voor de zelfstandigen. Blijkt dat er geen dubbele aanvraag is ingediend, dan voert het kinderbijslagfonds dat de rechtsgeldige aanvraag heeft ontvangen, de voorafbetaling van het kraamgeld uit.

    - Vervolgens worden de gegevens van het ontvangen aanvraagformulier in het RIO ingebracht, zodanig dat ze onmiddellijk on-line kunnen worden geraadpleegd.

    - In geval van latere betwisting heeft het kinderbijslagfonds dat als eerste de gegevens aan het RIO heeft geleverd, het kraamgeld terecht betaald, ongeacht de datum van de ontvangst Van de aanvraag of de ondertekening van de aanvraag.

    3.1.3. Maatregelen om een dubbele betaling van het kraamgeld op te sporen

    Om na te gaan of het kraamgeld geen tweede maal voorafbetald werd en om haar betaling te staven, dient de instelling altijd in het bezit te zijn van het origineel "geboortebewijs om het kraamgeld te verkrijgen".
    Onverminderd de te volgen procedure bij verlies van dit attest of van een geboorte in het buitenland (toegelicht met de circulaire van de Rijksdienst CO nr. 1318 van 25 januari 1999), kan geen enkele kinderbijslaginstelling het kraamgeld na de geboortedatum nog betalen zonder in het bezit te zijn van het origineel geboortebewijs.

    3.2. Naleving van de wettelijke bepalingen

    De Rijksdienst herinnert er aan dat alle wettelijke bepalingen aangaande de voorrang en de bevoegdheid op basis van de aanvraag om kinderbijslag (formulier Mod. AA) moeten worden geverifieerd na de geboorte (1). De voorafbetaling is slechts definitief voor zover op het tijdstip van de geboorte aan al de wettelijke vereisten voor de uitkering van het kraamgeld is voldaan. Blijkt dat de persoon die het kraamgeld heeft aangevraagd de voorrangsgerechtigde is, dan gaat die instelling over tot de betaling van de kinderbijslag. In het tegenovergestelde geval vergaart ze de nodige informatie om het bevoegde kinderbijslagfonds op te sporen. Ondertussen kent ze de kinderbijslag provisioneel toe. Na afloop van het onderzoek informeert ze het bevoegde kinderbijslagfonds en vestigt ze de aandacht op de voorafbetaling van het kraamgeld via het brevet van rechthebbende (mod. Y).

    De voorafbetaalde kraamgelden die de ene instelling voor rekening van de andere heeft uitgevoerd dienen echter niet te worden geregulariseerd, wanneer het betalingen betreft ten laste van hetzelfde financieringsregime(2).

    Voorbeelden :

    1) De nog met een derde persoon gehuwde zwangere vrouw is werkneemster en vormt een feitelijk gezin met een werknemer, die ongehuwd is. De samenwoonst wordt bewezen door een uittreksel met de gezinssamenstelling uit het Rijksregister. De feitelijke partner dient een aanvraag om voorafbetaling van het kraamgeld bij het kinderbijslagfonds van zijn werkgever in. Het kinderbijslagfonds dat het formulier ontvangt, behandelt dit zoals supra beschreven en regelt de voorafbetaling van het kraamgeld. Het zorgt voor de ontvangst van "het speciaal geboorteattest om een kraamgeld te verkrijgen" en verifieert de voorrang en de bevoegdheid na de geboorte van het kind.

    2) De ouders leven gescheiden. De aanvraag om voorafbetaling van het kraamgeld wordt ingediend bij het kinderbijslagfonds van de moeder, terwijl op basis van artikel 64 Kinderbijslagwet de (wettelijke vader) de voorrangsgerechtigde is. Het kinderbijslagfonds dat de aanvraag om voorafbetaling ontvangt, behandelt deze zoals supra beschreven en regelt de voorafbetaling van het kraamgeld.
    Het zorgt voor de ontvangst van "het speciaal geboorteattest om een kraamgeld te verkrijgen", leidt een aanvraag om kinderbijslag in bij het bevoegde kinderbijslagfonds van de wettelijke vader en zorgt intussen voor de provisionele betaling.

    Aangezien er thans geen belemmeringen meer zijn om in alle gevallen het kraamgeld vooraf te betalen hoofdens een potentiële rechthebbende (een ouder of grootouder, een broer of zuster of de samenwonende partner...) wordt de circulaire van de Rijksdienst, CO 1174 van 24 maart 1987 met onderhavige omzendbrief opgeheven.

    ----------
    (1) CO van de Rijksdienst, nr. 1178 van 18.6. 1987 - Artikel 73bis van de gecoördineerde wetten - Vooruitbetaling van het kraamgeld - Bevoegdheid en definitieve aanrekening in geval een andere rechthebbende voorrangsgerechtigde wordt.
    (2) Artikel 71, § 1bis Kinderbijslagwet

    Top