CO 1365 van 14 mei 2007 - Programmawet (1) van 27 april 2007 - Maatregelen voor de eenoudergezinnen

    De programmawet1 van 27 april 2007 verscheen in het Belgisch Staatsblad van 8 mei 2007. De hierna besproken bepalingen van Titel III, Hoofdstuk 1, betreffende de kinderbijslag voor werknemers (kopie als bijlage1), zijn in werking getreden op 1 mei 2007.

    1. Rode draad

    • De nieuwe wet voert in de Kinderbijslagwet bepalingen in die nieuwe voordelen voorzien voor eenoudergezinnen die geen verhoogde wezenbijslag ontvangen en over beperkte inkomsten beschikken.
    • In het algemeen moet onder eenoudergezinnen verstaan worden, gezinnen waarvan de bijslagtrekkende niet samenleeft met een echtgenoot2 en geen feitelijk gezin3 vormt.
    • Het bedrag van de beroeps- en/of vervangingsinkomsten dat niet mag overschreden worden komt overeen met de grens bepaald voor het verkrijgen van de hoedanigheid van rechthebbende met personen ten laste in een eenoudergezin4 , momenteel 1740,15 EUR.

    De nieuwe maatregelen voor eenoudergezinnen verschillen, naar gelang deze gezinnen al dan niet sociale toeslagen ontvangen:

    • voor eenoudergezinnen die alleen de gewone kinderbijslag ontvangen, wordt de kinderbijslag per maand voor alle kinderenvan gelijk welke rang verhoogd met een nieuwe specifieke toeslag van 20 EUR (huidig bedrag5 );
    • voor eenoudergezinnen die een sociale toeslag ontvangen (art. 42bis of 50ter KBW) wordt, als ze drie of meer kinderen tellen, het maandelijks bedrag van die sociale toeslag vanaf het derde kind opgetrokken tot 20 EUR.
    • Voor het kind van eerste rang van een eenoudergezin waarvan de inkomsten de vermelde grens niet overschrijden, wordt de leeftijdstoeslag nooit gehalveerd.

    Deze maatregelen worden hierna in detail besproken.

    2. Eenoudergezinnen die enkel de gewone schaal ontvangen: specifieke toeslag van 20 EUR

    2.1. Juridische gronden

    • Artikel 41, KBW, is opnieuw ingevoerd (artikel 13 van de programmawet (1) van 27 april 2007). Deze bepaling regelt voortaan de toekenningsvoorwaarden van de nieuwe toeslag :
      • deze toeslag wordt bij de gewone schaal gevoegd wanneer enkel dit basisbedrag verschuldigd is6 ;
      • de bijslagtrekkende woont niet samen met een echtgenoot en vormt geen feitelijk gezin;
      • de beroepsinkomsten7 en/of vervangingsinkomsten8 van de bijslagtrekkende waarmee rekening gehouden wordt bij de bepaling van de hoedanigheid van rechthebbende met personen ten laste, mogen de grens niet overschrijden waarvan het verkrijgen van deze hoedanigheid afhangt, namelijk 1740,15 EUR.
    • De artikelen 48 en 54, KBW, (artikelen 18 en 21 van de programmawet (1) van 27 april 2007), worden aangevuld met verwijzingen naar het nieuwe artikel 41, KBW, om, net zoals voor de sociale toeslagen, te bepalen dat:
      • de nieuwe toeslag wordt toegekend, nadat een toestand van eenouderschap is ontstaan, of nadat de inkomensgrens niet meer overschreden is, een gebeurtenis die leidt tot een verandering van het verschuldigde bedrag vanaf de maand na die waarin deze gebeurtenis zich voordeed;
      • de verandering van het verschuldigde bedrag nadat een toestand van eenouderschap is ontstaan, of nadat de inkomensgrens niet meer overschreden is, leidt tot de toepassing van artikel 48, KBW : de betaling voor de maand na die waarin de gebeurtenis die dit recht deed ontstaan zich voordeed
      • het recht op de nieuwe toeslag is getrimestrialiseerd, wat betekent dat het nieuwe recht de betaling mogelijk maakt voor het lopende en het volgende kwartaal, terwijl het voortgezette recht afhangt van de situatie tijdens de referentiemaand van het vorige kwartaal;
      • het einde van de toekenning van de nieuwe toeslag is bijgevolg getrimestrialiseerd.
    • Artikel 70bis, KBW, (artikel 22 van de programmawet (1) van 27 april 2007) wordt aangevuld met de verduidelijking dat de nieuwe toeslag, wanneer sommige kinderen in een instelling geplaatst zijn en andere niet, wordt opgenomen bij de bedragen die proportioneel moeten verdeeld worden onder de verschillende bijslagtrekkenden.

    De regel van toepassing voor de sociale toeslagen wordt dus overgenomen voor de toekenning van de nieuwe toeslag.

    2.2. Opmerkingen

    2.2.1. Parallellisme tussen de oplossingen voor de toekenning van de nieuwe toeslag en van de sociale toeslagen

    • Wat betreft de gezinssituatie aan de basis van de betaling, volstaat het bestaan van een toestand van eenouderschap op om het even welk moment van een referentiemaand, ongeacht de duur ervan, om het recht op de nieuwe toeslag vast te stellen.

    De inkomensgrens mag niet overschreden worden tijdens de referentiemaand.

    Veranderingen in de socioprofessionele toestand van de bijslagtrekkende hebben geen weerslag, zolang het maximumbedrag van de inkomsten niet overschreden is.

    De referentiemaanden voor de toekenning van de basisschaal en voor de toekenning van de nieuwe toeslag mogen trouwens verschillend zijn.

    • Ten opzichte van geplaatste kinderen zijn de gebruikelijke regels van toepassing:
      • geplaatste kinderen waarvoor een derde wordt betaald aan een natuurlijke persoon worden geacht deel uit te maken van het gezin van deze bijslagtrekkende: de nieuwe toeslag is verschuldigd als deze bijslagtrekkende voldoet aan de voorwaarden (gezinssituatie en inkomsten) bepaald voor de toekenning ervan;
      • geplaatste kinderen waarvoor het derde wordt betaald op een spaarrekening, op naam van het kind, worden geacht deel uit te maken van het gezin van de rechthebbende : de nieuwe toeslag is verschuldigd wanneer deze rechthebbende voldoet aan de voorwaarden (gezinssituatie en inkomsten) bepaald voor de toekenning ervan.
    • Het kind dat zijn eigen bijslagtrekkende is (art. 69, § 2, KBW) kan de nieuwe toeslag niet ontvangen.

    Het is echter in zijn belang om een bloed- of aanverwant in de eerste graad aan te duiden als bijslagtrekkende, als die voldoet aan de voorwaarden (gezinssituatie en inkomsten) voor de toekenning van de nieuwe toeslag9 .

    • In de situatie bedoeld in artikel 1, 1° van het koninklijk besluit van 26 oktober 2004 tot uitvoering van de artikelen 42bis en 56, § 2, van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, namelijk die van de rechthebbende die alleen woont met het/de rechtgevend(e) kind(eren), is deze rechthebbende in principe de bijslagtrekkende.

    De praktijk laat echter toe dat deze rechthebbende bij zijn aanvraag een andere persoon van het gezin aanduidt (noch echtgenoot, noch een persoon die met hem een gezin vormt) als bijslagtrekkende van de verschuldigde gezinsbijslag.

    Bijvoorbeeld, in geval van scheiding van de ouders, kan de vader die in een gezin woont dat enkel bestaat uit het kind en diens grootouders10 , bij zijn aanvraag stellen dat de grootmoeder het kind opvoedt. De grootmoeder is dan de bijslagtrekkende.

    In een dergelijke gezinssituatie, waarbij de rechthebbende de referentiebijslagtrekkende is, is de nieuwe toeslag verschuldigd als zijn inkomsten de bepaalde grens niet overschrijden.

    2.2.2. Specifiek kenmerk van de nieuwe toeslag ten opzichte van het recht op de sociale toeslagen.

    • In principe is de toekenning van de nieuwe toeslag gekoppeld aan de gezins- en financiële toestand van de bijslagtrekkende van de verschuldigde bijslag.

    Bij een verandering van bijslagtrekkende (onmiddellijk gevolg als de verandering valt op de eerste dag van een maand, gevolg in de volgende maand als die verandering valt op een andere dag van de maand), hangt het eventuele behoud van de nieuwe toeslag af van de toestand van de nieuwe bijslagtrekkende.

    • In het raam van de toepassing van het koninklijk besluit van 26 oktober 2004 tot uitvoering van de artikelen 42bis en 56, § 2, KBW, moet de rechthebbende die niet met het kind samenwoont noodzakelijkerwijs, ten opzichte van de bijslagtrekkende, een echtgenoot en/of de andere ouder van het kind zijn11 .

    Voor de toekenning van de nieuwe toeslag daarentegen, kan een buiten het gezin wonende rechthebbende broer of zuster van het rechtgevend kind het recht openen, als de bijslagtrekkende, met of zonder band met de rechthebbende, voldoet aan de voorwaarden (gezinssituatie en inkomsten).

    • Te noteren valt ook dat een wees12 die niet wordt opgevoed door de overlevende ouder13 , uit wiens hoofde een recht op de gewone schaal is vastgesteld wegens het huwelijk of het feitelijk gezin gevormd door deze overlevende ouder, het recht kan openen op de nieuwe toeslag als de bijslagtrekkende voldoet aan de voorwaarden (gezinssituatie en inkomsten).

    2.2.3. Bijzondere punten

    • Artikel 47bis, KBW, (artikel 17 van de programmawet (1) van 27 april 2007) wordt aangevuld ter aanduiding dat de gehandicapte rec htgevenden die niet zijn onderworpen aan een leeftijdsgrens voor de toekenning van kinderbijslag14 recht geven op de nieuwe toeslag als ze worden opgevoed door een bijslagtrekkende die voldoet aan de voorwaarden (gezinssituiatie en inkomsten) bepaald voor de toekenning ervan.

    Deze gehandicapte rechtgevenden ontvangen namelijk enkel kinderbijslag aan de gewone schaal bedoeld in artikel 40, KBW.

    • Artikel 50septies, KBW, (artikel 20 van de programmawet (1) van 27 april 2007) wordt aangevuld zodat de nieuwe toeslag wordt opgenomen voor het bepalen van het maximumbedrag aan kinderbijslag dat voor een maand kan betaald worden.
    • Artikel 75, KBW, (artikel 23 van de programmawet (1) van 27 april 2007) wordt aangevuld om via een in de Ministerraad beraadslaagd besluit de Koning de bevoegdheid te verlenen om het bedrag van de nieuwe toeslag te verhogen.
    • Artikel 76bis, KBW, (artikel 24 van de programmawet (1) van 27 april 2007) wordt aangevuld om de indexering van het bedrag van de nieuwe toeslag mogelijk te maken.

    3. Eenoudergezinnen die een sociale toeslag ontvangen : sociale toeslag gebracht op 20 EUR vanaf het derde kind

    De artikelen 42bis en 50ter, KBW, (artikelen 14 en 19 van de programmawet (1) van 27 april 2007) worden aangevuld met bepalingen die voorzien dat voor eenoudergezinnen die deze toeslagen ontvangen, het bedrag verschuldigd voor een derde kind en volgende stijgt van 4,35 EUR naar 20 EUR (huidige bedragen).

    In de praktijk zal de opwaardering van het bedrag vers chuldigd vanaf het derde kind, van toepassing zijn telkens als een sociale toeslag wordt betaald in de volgende gezinssituaties :

    • de rechthebbende die alleen woont met het kind (artikel 1, 1°, van het koninklijk besluit van 26 oktober 2004 tot uitvoering van de artikelen 42bis en 56, § 2, van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders): de rechthebbende beschikt over beroeps- en/of vervangings inkomsten niet hoger dan 1740,15 EUR (huidig bedrag);
    • de rechthebbende en de bijslagtrekkende zijn gescheiden levende echtgenoten (artikel 1, 3°, van hetzelfde besluit): de bijslagtrekkende vormt geen feitelijk gezin en beschikt over beroeps- en/of vervangings inkomsten niet hoger dan 1740,15 EUR ;
    • de rechthebbende en de bijslagtrekkende zijn gescheiden levende ouders (artikel 1, 4°, van hetzelfde besluit): de bijslagtrekkende, die beschikt over beroeps- en/of vervangings inkomsten niet hoger dan 1740,15 EUR, leeft niet met een echtgenoot en vormt geen feitelijk gezin.

    4. Leeftijdstoeslag voor een kind van eerste rang behorend tot een eenoudergezin (artikelen 15 et 16 van de programmawet (1) van 27 april 2007).

    Voor de toekenning van de leeftijdstoeslagen worden eenoudergezinnen die geen sociale toeslag ontvangen en zich onder de inkomensgrens bevinden voor het verkrijgen van de hoedanigheid van rechthebbende met personen ten laste, behandeld als gezinnen die sociale toeslagen ontvangen: voor het kind van eerste rang wordt de leeftijdstoeslag niet gehalveerd.

    5. Datum van inwerkingtreding

    De hier besproken nieuwe bepalingen van de Kinderbijslagwet traden in werking op 1 mei 2007 (artikel 27 van de programmawet (1) van 27 april 2007).

    Omdat artikel 48, KBW werd gewijzigd om ervoor te zorgen dat, wanneer de wet een nieuw voordeel bepaalt, de inwerkingtreding van de nieuwe wetgeving geen ?gebeurtenis? vormt die een algemeen vertragingseffect van een maand wettigt bij de toekenning, zijn de nieuwe voordelen verschuldigd voor de maand mei 2007.

    De kinderbijslag voor de maand mei 2007, met inbegrip van de nieuwe toeslag voor eenoudergezinnen, moet uitbetaald worden ten laatste op 8 juni.

    6. Praktische maatregelen

    De praktische maatregelen betreffen:

    • de eerste toekenning voor mei 2007;
    • de standaardprocedure voor toekenning en opvolging van de verhoging.

    6.1. De eerste toekenning voor mei 2007

    Op 2 april 2007 ontvingen de kinderbijslagfondsen per e-mail het stappenplan voor de vaststelling van het recht op de verhoging voor de maand mei 2007.

    Deze procedure wordt hierna in het kort hernomen: de vaststelling van het recht op de verhoging vereist twee acties:

    • de identificatie van de eenoudergezinnen;
    • het onderzoek naar het gezinsinkomen.

    6.1.1. De identificatie van de eenoudergezinnen

    De notie 'eenoudergezin' is als dusdanig niet geregistreerd in de databases van de kinderbijslagfondsen. Daarom wordt eerst uit het totale bestand van de gezinnen die de gewone kinderbijslag aan de schaal 40 ontvangen een voorselectie gedaan, waarna de gegevens van de dossiers van de voorselectie worden vergeleken met die in het Rijksregister van de Natuurlijke Personen.

    Voorselectie

    • Het totale bestand van alle gezinnen die de kinderbijslag aan de schaal 40 ontvangen wordt verminderd met de volgende categorieën:
      De gezinnen van langdurige werklozen, van langdurige zieken/invaliden en gepensioneerden (het feit dat ze geen recht hebben op het bijslagsupplement dat onder dezelfde voorwaarden als de verhoging wordt toegekend, betekent dat het ofwel niet om een eenoudergezin gaat; ofwel dat het inkomen te hoog ligt).
    • Kinderen die bijslagtrekkende zijn voor zichzelf (voldoen niet aan het vooropgestelde gezinstype).
    • Weeskinderen die de gewone kinderbijslag ontvangen én in het gezin van de overlevende ouder worden opgevoed (geen éénoudergezin).
    • Dossiers waarin aan de schaal 40 betaald wordt én waarin de rechthebbende en de bijslagtrekkende op hetzelfde adres wonen én twee verschillende personen zijn. De dossiers waarin het recht wordt vastgesteld wegens een grootouder, een oom of tante of een broer of zuster in het gezin, worden echter wel in de voorselectie behouden. Aangezien de samenwoning met een bloed- of aanverwant tot de derde graad toegelaten is, bestaat immers de mogelijkheid dat de bijslagtrekkende toch een eenoudergezin vormt.

    Kinderbijslagfondsen die deze voorselectie verder kunnen verfijnen aan de hand van de codes in hun database mogen dit doen op voorwaarde dat die codes op betrouwbare wijze aantonen dat het om partnergezinnen gaat en geen éénoudergezinnen.

    Met betrekking tot de kinderen die in een instelling geplaatst zijn in de zin van artikel 70 KBW gelden dezelfde principes als degene die van toepassing zijn bij de vaststelling van de sociale supplementen 42bis en 50ter, namelijk:

    • geplaatste kinderen voor wie het eenderde aan een fysieke persoon wordt uitbetaald, worden geacht deel uit te maken van het gezin van die bijslagtrekkende: toekenning van het supplement van 20 EUR als de bijslagtrekkende voldoet aan de toekenningsvoorwaarden;
    • geplaatste kinderen voor wie het eenderde op een spaarrekening op naam van het kind wordt gestort, worden geacht deel uit te maken van het gezin van de rechthebbende: toekenning van het supplement van 20 EUR als de rechthebbende voldoet aan de toekenningsvoorwaarden.

    Consultatie van het Rijksregister van de Natuurlijke Personen

    Voor alle dossiers die tot de voorselectie behoren, dienen de kinderbijslag fondsen een gezinssamenstelling (P027) op naam van de bijslagtrekkende (of op naam van de rechthebbende voor de geplaatste kinderen met eenderde op een spaarrekening) op te vragen.

    Verwerking van de gegevens van het RNP

    Uitgaande van de gezinssamenstelling wordt onderzocht of de bijslagtrekkende (of de rechthebbende voor de geplaatste kinderen met eenderde op een spaarrekening) een éénoudergezin vormt. Concreet mogen alle gevallen waarin een echtgen(o)ot(e) of een niet-verwant persoon (geen bloed- of aanverwantschap tot de derde graad) deelt uitmaakt van het gezin van de bijslagtrekkende uit de voorselectie geëlimineerd worden. In die gevallen geldt immers het vermoeden dat de bijslagtrekkende samenwoont met een echtgen(o)ot(e)of een feitelijk gezin vormt en wordt het gezin dus niet gecontacteerd.

    De kinderbijslagfondsen ontvingen een beslissingsschema dat behulpzaam was bij de uitvoering van dat onderzoek.

    6.1.2. Onderzoek naar het gezinsinkomen

    De gezinnen die op basis van de voorgaande stappen als éénoudergezin worden geïdentificeerd, worden als dusdanig in de database gecodeerd en dienden begin mei een individuele brief met verklaring te ontvangen. In de brief wordt uitgelegd onder welke voorwaarden éénoudergezinnen een supplement van 20 EUR per kind ontvangen. Enkel de bijslagtrekkenden die vaststellen dat zij aan de voorwaarden voldoen, moeten bevestigen dat zij alleen wonen met de kinderen en dat hun bruto inkomen van de maand april 2007 maximum 1.740,15 EUR bedroeg.
    Om te vermijden dat de bijslagtrekkenden rekening zouden houden met het dubbel vakantiegeld betaald in mei (en de verklaring bijgevolg niet terugzenden), wordt specifiek de vraag naar het inkomen voor de maand april 2007 gesteld. Die verklaring geldt als basis voor het getrimestrialiseerd recht op de verhoging tot 30 september 2007.

    De kinderbijslagfondsen ontvingen deze brief met verklaring in de drie landstalen per e-mail op vrijdag 20 april 2007. Deze documenten worden volledigheidshalve als bijlage 2 bij deze omzendbrief gevoegd.

    Verwerking van de antwoorden op de verzonden brieven.

    In de loop van de maand mei 2007 dienen de antwoorden te worden behandeld. Mo cht het kinderbijslagfonds in die periode een spontane aanvraag krijgen van een éénoudergezin dat in aanmerking komt voor een sociale toeslag 42bis of 50ter, dan wordt op basis van die vraag een onderzoek naar het recht op sociale toeslag opgestart volgens de hiervoor geldende procedure (zie CO 1366 van 16 februari 2007). De verzending van een rappelbrief is niet voorzien. Het niet terugzenden van de verklaring betekent dat de bijslagtrekkende zelf heeft vastgesteld dat hij/zij geen recht heeft op de verhoging.

    Aanpassing leeftijdsbijslag

    Bij de vaststelling van het recht op de verhoging dient de leeftijdsbijslag van het eerste of enig kind eveneens te worden aangepast, als het geen recht heeft op de bijkomende bijslag voor kinderen met een aandoening. Het feit dat het eerste of enig kind recht heeft op de verhoging, brengt mee dat het vrijgesteld is van de halvering van de leeftijdsbijslag.

    6.1.3. Verhoging van de sociale toeslag 42bis en 50ter voor een kind met derde rang tot ¤ 20 per maand.

    Vanaf 1 mei 2007 (betaling op 8 juni 2007) wordt het bedrag van de sociale toeslagen 42bis en 50ter voor een kind met een derde rang of hoger voor éénoudergezinnen met een bruto-inkomen van hoogstens ¤ 1.740,15 per maand verhoogd tot ¤ 20 per maand.

    Opgelet! Voor de kinderen die in een partnergezin worden opgevoed verhogen de sociale toeslagen 42bis en 50ter voor het derde kind of hoger niet.

    De vaststelling van deze verhoging dient als volgt te gebeuren:

    Voorselectie

    Stap 1: Bepaling van alle dossiers met betaling van een toeslag 42bis of 50ter voor een of meer kinderen met rang 3 of hoger.

    Stap 2. Deze populatie wordt verminderd met de dossiers waarin de rec hthebbende en de bijslagtrekkende op hetzelfde adres wonen én twee verschillende personen zijn (behalve in de dossiers waarin de rechthebbende een grootouder, een oom of tante of een broer of zuster in het gezin is).

    Inkomensonderzoek

    Voor de dossiers van de voorselectie kan aan de hand van het formulier P19, P19bis, P19quater, P19quinquies of P19sexies in het dossier het gezinstype én het gezinsinkomen worden vastgesteld en dus ook het recht op de sociale toeslag van 20 EUR. Enkel bij twijfel of onduidelijkheid dienen de kinderbijslaginstellingen de gezinssamenstelling (P027) te raadplegen. De verzending van een nieuw formulier hoeft niet.

    Deze consultatie en verwerking dienen eveneens tijdig te zijn afgerond, opdat ook die éénoudergezinnen op 8 juni 2007 onmiddellijk het correcte bedrag zouden ontvangen.

    6.1.4. Betaling voor mei 2007.

    De kinderbijslagfondsen dienen ervoor te zorgen dat de gezinnen de kinderbijslag voor mei 2007 (met inbegrip van het supplement van 20 EUR per kind voor de eenoudergezinnen met een bruto-inkomen van hoogstens ¤ 1740,15) op 8 juni 2007 ontvangen.

    6.1.5 Motivering van de toekenning van het verhoogd bedrag

    De aanpassing van de leeftijdsbijslag voor het eerste of enig kind brengt mee dat de totale verhoging voor dat kind kan schommelen van 20 EUR (bijvoorbeeld een kind van minder dan zes jaar) tot 43,72 EUR (kind ouder dan 18 jaar). Daarom dient deze beslissing met een individuele brief aan de gezinnen gemotiveerd te worden conform het handvest van de sociaal verzekerde. Een typebrief daarvoor is in voorbereiding en zal later worden nagestuurd.

    7. Toekenning na 1 mei 2007 en opvolgingsprocedure

    Op basis van de verklaring kan de verhoging in principe doorbetaald worden tot de eerstvolgende seriële controle die is voorzien op 15 januari 2008.

    7.1. Verdere toekenning- en opvolgingsprocedure

    Om de gegevens voor de vaststelling en de opvolging van het recht op het verhoogd bedrag op te vragen, heeft de Rijksdienst een nieuw formulier opgemaakt, genoemd ?P18?. Een exemplaar ervan in het Nederlands, het Frans en het Duits gaat als bijlage 3.

    De kinderbijslagfondsen dienen uit eigen beweging een eerste onderzoek naar de verhoging in te stellen bij de vaststelling van een eerste of nieuw recht, bij wijziging in de gezinssituatie (scheiding) of bij verandering van bijslagtrekkende. Daarbij wordt telkens de gezinssamenstelling in het Rijksregister geverifieerd.

    7.1.1. Er is recht op de verhoging

    Om alle wijzigingen in de gezinssamenstelling automatische met een elektronische gegevensflux te ontvangen wordt het gezinshoofd (referentiepersoon) als vierde actor met rolcode 105 in het Kadaster van de kinderbijslag geïntegreerd, uiteraard voor zover deze persoon nog geen actor is in het dossier.

    Na de eerste vaststelling wordt de gezins- en inkomenssituatie om de zes maanden op 15 januari en 15 juli geverifieerd met een formulier P18. Deze eerste seriële controle is voorzien op 15 januari 2008 en betreft de periode van 1 augustus 2007 tot 31 december 2007. Bij deze controle wordt het inkomen van de laatste maand gevraagd. Bij deze periodieke controle gelden de algemene richtlijnen inzake de provisionele betaling.

    Een tussentijdse voorzending gebeurt naar aanleiding van een relevante wijziging in de gezinssamenstelling (samenwoning), bij verandering van bijslagtrekkende en ter afsluiting bij het einde van het recht (op de verhoging), bijvoorbeeld omdat het kind niet langer rechtgevend is op kinderbijslag. Bij samenwoonst gebeurt de verzending van het afsluitend formulier samen met een aangepast model J2. Een formulier J en J-info wordt dan eveneens meegestuurd.

    Wordt het controleformulier P18 niet teruggestuurd, dan gebeurt de validatie van de provisioneel betaalde verhoging volgens de richtlijnen gegeven met CO 1366 van 16 februari 2007: consultatie van Trivia en zo nodig een controle aan huis. Zonder de relevante actuele gegevens over het gezinsinkomen kan echter geen verdere provisionele betaling van de verhoging gebeuren. Overeenkomstig artikel 3, § 3 en §4 van het KB van 12 juni 1989 tot uitvoering van artikel
    71, § 2 KBW wordt de betaling van de verhoging in die omstandigheden bij gebrek aan medewerking van de bijslagtrekkende geschorst.

    7.1.2. Geen betaling van de verhoging

    Wanneer het formulier P18 niet wordt teruggestuurd of wanneer vastgesteld wordt dat de bijslagtrekkende niet voldoet aan de toekenningsvoorwaarden, wordt enkel de gewone kinderbijslag betaald.

    Aangezien de doelgroep voornamelijk bestaat uit werknemers, wordt geen verdere systematische pro-actieve opvolging van het mogelijk recht op de verhoging met een formulier P19ter voorzien.

    Wel dient bij de motivering van het niet (langer) toekennen van de verhoging wegens een te hoog inkomen de aandacht van de bijslagtrekkende gevestigd te worden op de mogelijkheid om een nieuwe aanvraag te doen mocht het inkomen later dalen tot onder het grensbedrag.

    7.1.3. De vaststelling van de verhoogde sociale toeslag 42bis of 50ter vanaf het derde kind

    Het onderzoek naar de verhoogde sociale toeslag 42bis of 50ter vanaf het derde kind voor eenoudergezinnen maakt deel uit van gebruikelijk onderzoek naar de bijslagsupplementen volgens de procedures meegedeeld met de omzendbrieven CO 1362 en CO 1366 van 16 februari 2007.

    8. Motivering van de beslissingen

    De kinderbijslaginstellingen dienen alle beslissingen m.b.t. de toekenning, de weigering of de stopzetting van de betaling van de verhoging te motiveren conform het handvest van de sociaal verzekerde. Om de kinderbijslagfondsen daarbij ondersteuning te bieden, heeft de Rijksdienst nieuwe briefmodules opgesteld, die als bijlage 4 bij deze omzendbrief zijn gevoegd.

    9. Boekhoudkundige verwerking

    De verhoging van de kinderbijslag voor eenoudergezinnen met een inkomen van maximum
    ¤ 1.740,15 bruto per maand wordt voorlopig niet apart opgenomen in de tri mestriële financiële aangifte. De boeking van de verhoging gebeurt tot tegenbericht op de volgende rekeningen:

    De verhoging van de gewone kinderbijslag

    Verschuldigde bijslag: 46011 Gewone bedragen - artikel 40
    Niet-verschuldigde bijslag 46311 Gewone bedragen - artikel 40

    De verhoogde sociale toeslag 42bis vanaf het derde kind

    Verschuldigde bijslag: 46021 Supplement - artikel 42 bis
    Niet-verschuldigde bijslag 46321 Supplement - artikel 42 bis

    De verhoogde sociale toeslag 50ter vanaf het derde kind

    Verschuldigde bijslag: 46022 Supplement - artikel 50 ter
    Niet-verschuldigde bijslag 46322 Supplement - artikel 50 ter

    10. Statistieken

    Als bijlage 5 gaat het model van statistiek over de toekenning van de verhoging voor eenoudergezinnen. Deze statistiek is semestrieel en dient voor de eerste keer in juni 2007 te worden opgemaakt en doorgestuurd aan de dienst Research (statistieken voor het eerste halfjaar).

    11. Vermeldingen op het brevet

    In afwachting van de actualisering van het brevet, dienen de kinderbijslagfondsen bij bevoegdheidsoverdracht de vereiste gegevens voor betaling van de verhoging in de rubriek diversen te vermelden.

    Volgende gegevens zijn onontbeerlijk

    • De vermelding "MONO"- gevolgd door het nationaal nummer van de bijslagtrekkende(n) die een eenoudergezin vorm(t)en. Voor de geplaatste kinderen met een derde op een spaarrekening wordt het nationaal nummer van de rechthebbende vermeld.
    • De aanvulling 'met/zonder recht op de verhoging'.

    12. Voorbeelden

    Als bijlage 6 bij de omzendbrief gaan enkele voorbeelden.(NIET OPGENOMEN)

    • 1
    • 2De gehuwde bijslagtrekkende is uitgesloten van de nieuwe maatregelen, tenzij het huwelijk is gevolgd door een feitelijke scheiding. Zoals algemeen bepaald door de Kinderbijslagwet, moet de feitelijke scheiding blijken uit de afzonderlijke hoofdeverblijfplaats van de betrokkenen volgens het RNP, behalve in gevallen waar uit andere officiële documenten blijkt dat de feitelijke scheiding effectief is, hoewel die niet of niet langer overeenstemt met de informatie verkregen bij het register.
    • 3Met toepassing van de bepalingen van de Kinderbijslagwer kan er geen sprake zijn van een feitelijk gezin tussen personen die bloed- of aanverwant tot en met de derde graad zijn.
    • 4Gezinssituaties bedoeld in artikel 1, 1°, 3° en 4° van het koninklijk besluit van 26 oktober 2004 tot uitvoering van de artikelen 442bis en 56, § 2 van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders (rechthebbende die alleen woont met het kind en scheiding van de rechthebbende en de bijslagtrekkende, echtgenoten of ouders).
    • 5Dit bedrag is geïndexeerd (zie punt 2.2.3.).
    • 6Het heeft geen belang of de gewone schaal verschuldigd is op basis van een effectieve tewerkstellingssituatie, een gelijkgestelde toestand of een toekenningssituatie.
    • 7Meer bepaald de inkomsten verbonden aan een beroepsactiviteit of verkregen uit een situatie die is gelijkgesteld met een dergelijke activiteit: tijdelijke werkloosheid, situaties bedoeld in artikel 53, KBW, eerste dertig dagen arbeidsongeschiktheid.
    • 8Zijn uitgesloten, de uitkering voor hulp van een derde persoon en de vergoeding van kosten uitgekeerd aan onthaalouders.
    • 9De motiveringmodules zullen aangepast worden aan deze nieuwe mogelijkheid van aanwijzing die het kind geboden is.
    • 10Die gehuwd zijn of een feitelijk gezin vormen.
    • 11Gezinssituaties bedoeld in artikel 1, 3° en 4° van het koninklijk besluit van 26 oktober 2004 tot uitvoering van de artikelen 42bis en 56, § 2 van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders.
    • 12De rechthebbende wees opent nooit een recht op een sociale toeslag.
    • 13Deze overlevende ouder is dus geen bijslagtrekkende.
    • 14Rechtgevenden afhangend van de toepassing van artikel 63, eerste lid, 2°, KBw, voor de wijziging ervan door de wet van 27 februari 1987.
    Top