MO 417 van 17 juni 1983 - Toepassing van Art. 60 van de samengeordende wetten, zoals gewijzigd bij het KB nr. 54 van 15 juli 1982

    Ingevolge de bekendmaking van het koninklijk besluit nr. 54 van 15 juli 1982 tot wijziging van artikel 60 van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor werknemers, vestig ik uw aandacht op bepaalde principes betreffende de samenloop van de kinderbijslag van het stelsel van de werknemers met de kinderbijslagen, wezenbijslagen en wezenrenten en toeslagen voor wezen voorzien in Belgische wetten, decreten of reglementen.

    Drie situaties kunnen worden onderscheiden:

    - er worden uitkeringen van een andere aard toegekend dan de gezinsbijslagen verschuldigd bij toepassing van de samengeordende wetten ; samenloop is toegelaten vermits artikel 60 van de geordende wetten enkel de samenloop verbiedt met uitkeringen van dezelfde aard.

    - er worden uitkeringen van dezelfde aard toegekend die aanvullend van aard zijn ; bij toepassing van artikel 60, § 2, tweede lid, 1° van de geordende wetten geschiedt de toekenning bij voorrang in de kinderbijslagregeling voor werknemers.

    - er worden uitkeringen van dezelfde aard toegekend die niet aanvullend van aard zijn ; bij toepassing van artikel 60, § 2 van de samengeordende wetten geschiedt de vermindering in de kinderbijslagregeling voor werknemers.

    I. Uitkeringen van andere aard dan de gezinsbijslagen verschuldigd bij toepassing van de samengeordende wetten betreffende de gezinsbijslagen voor werknemers

    De wezenbijslagen opgesomd hierna, worden niet gelijkgesteld met " uitkeringen van dezelfde aard" bedoeld in artikel 60 § 2 van de samengeordende wetten.

    1. de wezentoelagen voorzien in artikel 3, eerste lid C van de wet van 16 juni 1960 die de organismen belast met het beheer van de sociale zekerheid van de werknemers van Belgisch-Kongo en Ruanda-Urundi onder de controle en de waarborg van de Belgische Staat plaatst, en die waarborg draagt door de Belgische Staat van de maatschappelijke prestaties ten gunste van deze werknemers verzekerd.

    2. de wezenuitkeringen voorzien in artikel 23 van de wet van 17 juli 1963 betreffende de overzeese sociale zekerheid.

    3. de wezenuitkeringen voorzien in het decreet van 28 juni 1957 houdende statuut van de koloniale verzekeringskas.

    4. het wezenpensioen van de pensioenregeling van de openbare sektor bedoeld in Titel I, hoofdstuk IV van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen - Aldus gewijzigd bij M.O. 441 van 3 januari 1986.

    II. Uitkeringen van dezelfde aard als de gezinsbijslagen verschuldigd bij toepassing van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders en aanvullend ten opzichte van deze

    Overeenkomstig de bepalingen van artikel 60, § 2, tweede lid, 1° van de voormelde samengeordende wetten, dient geen enkele vermindering toegepast te worden op het bedrag van de uitkeringen verschuldigd in het stelsel van de gezinsbijslag voor werknemers wat betreft de gerechtigden op uitkeringen, welke hierna vermeld worden.

    1. De kinderbijslag door artikel 6 van voormelde wet van 16 juni 1960 gewaarborgd:

    a) aan de gewezen werknemers die er, voor de diensten verricht vóór 1 juli 1960 en voor de perioden tijdens welke zij aan de verzekering ingesteld door de wet van 17 juli 1963 betreffende de overzeese sociale zekerheid hebben deelgenomen, aanspraak kunnen op maken ;

    b) aan de slachtoffers van een arbeidsongeval vóór 1 juli 1960 en aan de personen aangetast door een beroepsziekte die vóór deze datum opgehouden hebben blootgesteld te zijn aan het risico.

    Artikel 6bis van vermelde wet preciseert dat de kinderbijslag bedoeld onder a) aanvullend is.
    Artikel 21 van het koloniaal dekreet van 8 december 1954 tot herinrichting van het stelsel van de gezinstoelagen voor de niet inlandse werknemers bepaalt dat de bijslagen onder b) vermeld worden verminderd tot beloop van het bedrag der gezinsvergoedingen of -toelagen waarop de begunstigden gerechtigd zijn aanspraak te maken in uitvoering van alle andere wettelijke bepalingen of verordeningen.

    2. De kinderbijslag door artikel 7 van voormelde wet van 16 juni 1960 gewaarborgd voor de kinderen van gebrekkigen. Het aanvullend karakter van voormelde bijslagen is vermeld in artikel 6, van het koloniaal dekreet van 7 augustus 1952 tot regeling van de verzekering tegen de ziekte of invaliditeit der koloniale werknemers.

    3. De kinderbijslagen voorzien krachtens artikel 35, § 2 van de reeds vermelde we van 17 juli 1963 ten voordele van invaliden.
    Het artikel 36, § 2 van dezelfde wet voorziet in het aanvullend karakter.

    4. De uitkeringen verschuldigd krachtens artikel 11 van het koninklijk besluit van 21 mei 1964 tot coördinatie van de wetten betreffende het personeel in Afrika, voor de gerechtigden op een koloniaal pensioen ; het aanvullend karakter van vermelde prestaties is bepaald in hetzelfde artikel 11 zoals gewijzigd bij artikel 136 van de wet van 22 december 1977 betreffende de budgettaire voorstellen 1977-1978).

    5. De kinderbijslagen begrepen in de verlofuitkering verleend ter vervanging van herstelverlof en overblijvende gedeelten van herstelverlof, waarop de in artikel 25, tweede lid, § 1 van het koninklijk besluit van 21 mei 1964 tot coördinatie van de wetten betreffende het personeel in Afrika bedoelde leden van het beroepspersoneel van de kaders van Afrika krachtens hun statuut nog aanspraak kunnen maken. Overeenkomstig het vierde lid van artikel 25, is artikel 60 van de geordende wetten niet op hen van toepassing.

    6. De kinderbijslagen verschuldigd krachtens artikel 8 van het reeds vermelde koninklijk besluit van 21 mei 1964, aan de leden van het personeel die niet definitief worden aangenomen en een kapitaaluitkering ontvangen.

    7. De kinderbijslagen verschuldigd krachtens het dekreet van 8 december 1954 tot herinrichting van het stelsel van de gezinstoelagen voor de niet-inlandse werknemers, waarvan het aanvullend karakter bepaald is in artikel 21.

    8. De kinderbijslagen toegekend krachtens de samengeordende wetten op de vergoedingspensioenen (besluit van de Regent van 5 oktober 1948) voor de oorlogswezen en de kinderen van invaliden die het voordeel van het statuut der groot-verminkten en -invaliden genieten ; evenals voor de gerechtigden van de wet van 9 maart 1953 houdende sommige aanpassingen inzake militaire pensioenen en verlenging van kosteloze geneeskundige en artsenijkundige verzorging voor de militairen invaliden van vredestijd en voor de gerechtigden van de wet van 6 augustus 1962 waarbij de toepassing van de wetten op de vergoedingspensioenen wordt uitgebreid tot de gevolgen van sommige schadelijke feiten die zich hebben voorgedaan op het grondgebied van de republiek Kongo, (Leopoldstad), van Ruanda en Burundi.

    Het aanvullend karakter van de toegekende gezinsbijslagen vloeit voort uit de artikelen 15 en 27 van de samengeordende wetten op de vergoedingspensioenen.

    9. De kinderbijslagen verschuldigd krachtens de wet van 15 maart 1954 betreffende de herstelpensioenen voor de burgerlijke slachtoffers van de oorlog 1940-1945 en hun rechthebbenden en voor de personen bedoeld bij de wet van 6 juli 1964 waarbij de toepassing van de wetten betreffende de herstelpensioenen voor de burgerlijke slachtoffers van de oorlog 1940-45 en hun rechthebbenden wordt uitgebreid tot de gevolgen van sommige feiten die zich hebben voorgedaan op het grondgebied van Kongo (Leopoldstad), van Ruanda en Burundi.

    Het artikel 6 van deze wet voorziet het aanvullend karakter van deze bijslagen.

    III. Uitkeringen van dezelfde aard als de gezinsbijslagen verschuldigd bij toepassing van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor werknemers maar niet aanvullend van aard.

    Deze uitkeringen zijn bij voorrang verschuldigd in een ander stelsel en worden afgetrokken van de bijslagen verschuldigd in de kinderbijslagregeling voor werknemers overeenkomstig de bepalingen van artikel 60, § 2 van de samengeordende wetten.

    Het betreft:

    1° De gezinsvergoedingen of gezinsbijslag wegens kinderlast toegekend aan de leden van het beroepspersoneel van de kaders van Afrika, bedoeld in hoofdstuk I van het reeds vermelde koninklijk besluit van 21 mei 1964, ter aanvulling hetzij van een wedde verbonden aan het overgangsverlof, hetzij van een wachtgeld, hetzij van een pensioen (artikel 28, §1 van dit koninklijk besluit).

    2° De gezinsvergoedingen of gezinsbijslag toegekend wegens kinderlast aan de begunstigden van hoofdstuk II van het reeds vermelde koninklijk besluit van 21 mei 1964, bedoeld in artikel 51, § 1 van dit besluit ; het betreft de gezinsbijslag toegekend aan onder meer aanvullingsambtenaren en tijdelijke ambtenaren van het bestuur in Afrika welke een overgangsverlof of een verlofuitkering genieten.

    Behalve wanneer:

    - de betrokkenen een uitkering genieten gelijk aan het globale bedrag van de wedden en gezinsvergoedingen ter vervanging van het overgangsverlof (artikel 33, 3° en artikel 3, alinea 8, 9).

    - de betrokkenen een vergoeding genieten, bedoeld in artikel 34 van het koninklijk besluit van 21 mei 1964.

    - de betrokkenen ter vervanging van het overgangsverlof en eventueel van een deel ervan, de bij artikel 39, vijfde lid van het koninklijk besluit van 21 mei 1964 bepaalde gelduitkering genieten.

    - de betrokkenen de bij artikel 41, § 1 van het koninklijk besluit van 21 mei 1964 bepaalde vergoeding genieten.

    - de betrokkenen een bij artikel 45, § 1 bepaalde vergoeding genieten.

    3° De gezinsvergoedingen toegekend aan gepensioneerde kolonialen, verleend overeenkomstig het decreet van 27 april 1955 betreffende gezinstoelage verleend aan burgerlijke en koloniale gepensioneerden met uitzondering van de gepensioneerden bedoeld in artikel 28 § 4 van het koninklijk besluit van 21 mei 1964.

    4° De gezinsvergoedingen verschuldigd krachtens artikel 6 van het koninklijk besluit van 28 april 1978 houdende instelling van een stelsel van studie- en stagebeurzen in België, ten gunste van onderhorigen van ontwikkelingslanden.

    5° De gezinsbijslagen verschuldigd krachtens de artikelen 101 tot 102ter van het koninklijk besluit van 10 april 1967 houdende het statuut van het personeel van de coöperatie met de ontwikkelingslanden.

    IV. 1. De M.O. nr. 217 van 9 maart 1965 betreffende de samenloop van de gezinsbijslag van het Belgische stelsel met de wezenuitkeringen verleend door de dienst voor overzeese sociale zekerheid, wordt opgeheven.

    2. De C.O. nr. 638 van 22 januari 1962, 687 van 26 juni 1963 en 772 van 6 juli 1965 worden opgeheven.

    Top