Vlaanderen

MO 596 van 2 oktober 2006 - Wet van 20 juli 2006 houdende diverse bepalingen (uittreksel)

De wet van 20 juli 2006 houdende diverse bepalingen is verschenen in het Belgisch Staatsblad van 28 juli 2006.

Hierna vindt u een bespreking van de verschillende wijzigingen die deze wet aanbrengt in de samengeordende wetten. Er wordt bijzondere aandacht geschonken aan de wijzigingen als gevolg van de hervorming van het adoptierecht.

I. Uitzondering op het algemene principe van artikel 48 - Wettelijke basis (artikel 48, tweede lid van de samengeordende wetten)

Het addendum van 8 mei 2006 vervolledigde de instructies van de ministeriële omzendbrief nr. 593 door de invoering van een uitzondering op het algemene principe van artikel 48 van de samengeordende wetten. Volgens dit principe wordt de kinderbijslag systematisch toegekend de maand die volgt op de maand waarin het recht op kinderbijslag ontstaat. Dit addendum voorziet, in afwijking van dit principe, dat de toekenning van de kinderbijslag onder bepaalde voorwaarden kan ingaan vanaf de eerste dag van de maand waarin het recht op kinderbijslag ontstaat. De wijziging die nu is aangebracht in artikel 48 van de samengeordende wetten beoogt een wettelijke basis te geven aan de nieuwe regel die eerder bij het addendum werd ingevoerd.

Een bespreking van deze regel en voorbeelden voor de toepassing ervan werden u meegedeeld in het voornoemde addendum.

Bovendien werd ingevolge de invoeging van een nieuw tweede lid in artikel 48 van de samengeordende wetten de nummering van de leden van deze bepaling gewijzigd. De tekst van het nieuwe vijfde lid van artikel 48 en artikel 64, §3, tweede lid, van de samengeordende wetten, die verwijzen naar artikel 48, is bijgevolg aangepast rekening houdende met deze nieuwe nummering.

Het nieuwe tweede lid van artikel 48 van de samengeordende wetten en de voormelde formele aanpassingen hebben uitwerking met ingang van 1 september 2005, de datum van inwerkingtreding van het addendum.

II. Regel betreffende de cumulatie van verschillende residuaire rechten (artikel 64, § 2bis van de samengeordende wetten)

Verschillende bepalingen in de samengeordende wetten voorzien in de toekenning van residuaire rechten op kinderbijslag voor werknemers. Ter herinnering, het gaat om de volgende artikelen: artikel 51, §3, 4° (recht van de rechthebbende ten voordele van zijn broers en zusters die deel uitmaken van hetzelfde gezin), artikel 51, § 3, 5° (recht van de rechthebbende ten voordele van zijn broers en zusters die geen deel uitmaken van hetzelfde gezin), artikel 55 (recht van de verlaten echtgenoot), artikel 56sexies (recht van het rechtgevend kind ten voordele van de eigen kinderen), artikel 56septies (recht van het kind met een handicap), artikel 56undecies (recht van de werknemer die een vervroegd pensioen geniet)1, artikel 56duodecies (recht van de persoon die een beroepsopleiding volgt in een onderneming), artikel 102 (recht van bepaalde grensarbeiders, van personen die het slachtoffer zijn van de ontvoering van een kind, van huispersoneel?) en artikel 4, § 3 van het koninklijk besluit van 25 oktober 1994 tot bepaling van de toekenningsvoorwaarden van de gezinsbijslag in hoofde van de werklozen (recht van bepaalde niet vergoede werklozen).

Tot op heden gaf geen enkele wettelijke bepaling een algemene oplossing voor de cumulatie van verschillende residuaire rechten verschuldigd ten voordele van hetzelfde kind krachtens de samengeordende wetten. Artikel 64, §2bis van de samengeordende wetten vult nu deze juridische leemte op.

1) Principe

In geval van cumulatie van residuaire rechten krachtens de samengeordende wetten, wordt het recht op kinderbijslag bij voorrang geopend in hoofde van de rechthebbende aangeduid volgens de orde bepaald in artikel 64, §2, A, 2°, a) en b), dit wil zeggen in hoofde van de vader, de moeder, de stiefvader, de stiefmoeder en bij gebrek aan deze personen in hoofde van de oudste van de andere rechthebbenden.

Voorbeeld: Een gezin is samengesteld uit de studerende vader, de moeder en een kind. Het recht werd geopend uit hoofde van de vader bij toepassing van artikel 56sexies van de samengeordende wetten. De moeder gaat opnieuw studeren. Er is een cumulatie van rechten tussen de studerende vader en de studerende moeder. Het recht blijft behouden in hoofde van de vader, rekening houdende met de orde van voorrang vastgelegd in artikel 64, §2, A, 2°, a) en b) van de samengeordende wetten. Wanneer het kind als gehandicapt wordt erkend, is er eveneens een cumulatie tussen het residuaire recht van het kind, bedoeld in artikel 56septies van de samengeordende wetten, en het recht vastgesteld op basis van artikel 56sexies van de samengeordende wetten. Het recht zal behouden blijven in hoofde van de vader, op basis van de voornoemde orde van voorrang.

2) Uitzondering

Bepaalde situaties van cumulatie van residuaire rechten waren reeds geregeld in de samengeordende wetten, nog voor de invoering van het nieuwe artikel 64, §2bis. De wens die ten grondslag lag aan de opmaak van deze nieuwe bepaling was het behoud van de reeds toepasselijke wettelijke oplossing en het voorzien van een oplossing voor de gevallen waarvoor er nog geen oplossing was. Het is dus zo dat, bij uitzondering op het voormelde principe, wanneer een wettelijke oplossing reeds toelaat om het prioritaire residuaire recht te bepalen, zonder gebruik te moeten van de nieuwe regel die verwijst naar de orde van voorrang vastgelegd in artikel 64, §2, A, 2°, a) en b), deze oplossing dient toegepast te worden.

Voorbeeld: Het kind (K1), zijn zus (K2) en hun moeder (die geen recht opent op kinderbijslag) maken deel uit van hetzelfde gezin. Een derde kind (K3), broer van K1 en K2, maakt geen deel uit van het voornoemde gezin en oefent een activiteit als loontrekkende uit; hij opent om die reden het recht op kinderbijslag voor zijn broer en zus bij toepassing van artikel 51, §3, 5° van de samengeordende wetten. Het kind K1 begint een activiteit als loontrekkende. Als gevolg daarvan is er een cumulatie tussen zijn residuair recht en dat van zijn broer K3 die geen deel uitmaakt van het gezin, ten voordele van hun zus K2. Het recht wordt geopend uit hoofde van de broer K1 die deel uitmaakt van hetzelfde gezin als dat van zijn zus, met toepassing van artikel 51, §3, 4° van de samengeordende wetten (het recht van de broer die geen deel uitmaakt van het gezin is immers residuair ten opzichte van het recht van de broer die deel uitmaakt van het gezin).

Voorbeeld: Een gezin is samengesteld uit een kind dat als gehandicapt is erkend, zijn moeder zonder statuut en zijn vader die een winstgevende activiteit uitoefent in Frankrijk. Het recht wordt bij voorrang geopend uit hoofde van het kind zelf bij toepassing van artikel 56septies van de samengeordende wetten. Een broer die geen deel uitmaakt van het gezin begint een activiteit als loontrekkende. Er is een cumulatie tussen het residuaire recht van het kind met een handicap en het residuaire recht van de broer die geen deel uitmaakt van het gezin. Aangezien het recht van deze broer die geen deel uitmaakt van het gezin niet kan bestaan wegens het mogelijke buitenlandse recht van de vader, bij toepassing van artikel 51, §3, 5° van de samengeordende wetten (residuair karakter van het recht ten opzichte van een buitenlands recht), blijft het recht geopend uit hoofde van het kind met een handicap.

Artikel 64, §2bis treedt in werking op 1 oktober 2006.

III. Hervorming van het adoptierecht

De wetten van 13 maart 20032 en 24 april 20033 hebben de wetgeving die van toepassing is op het vlak van adoptie grondig hervormd. Zo werden er belangrijke wijzigingen aangebracht aan de bepalingen inzake adoptie in het Burgerlijk Wetboek, het Gerechtelijk Wetboek, de Strafwet en de wet op de jeugdbescherming.

Sommige van deze wijzigingen hebben gevolgen voor de toekenning van de gezinsbijslag.

U vindt hierna een kort overzicht van enkele nieuwe principes van het adoptierecht en een bespreking van de wijzigingen die zijn doorgevoerd op het vlak van kinderbijslag.

A. Belangrijke principes met betrekking tot het adoptierecht

1. De adoptant

Vroeger was adoptie voorbehouden voor personen alleen en echtgenoten van verschillend geslacht.

Voortaan is adoptie mogelijk voor personen alleen, echtgenoten en samenwonenden. De vereiste dat de echtgenoten en de samenwonenden van verschillend geslacht moeten zijn is onlangs afgeschaft4, zodat adoptie nu ook open staat voor homoseksuele koppels (echtgenoten of samenwonenden).

Onder samenwonenden verstaat men zowel de personen die een verklaring van wettelijke samenwoning hebben afgelegd als de feitelijk samenwonenden. Voor deze laatste categorie dienen de personen op het ogenblik van de indiening van de adoptieaanvraag sinds minstens drie jaar ononderbroken samen te wonen en de band tussen de betrokkenen dient van affectieve aard te zijn. Bovendien mogen de wettelijk of feitelijk samenwonenden niet door een band van bloedverwantschap of aanverwantschap zijn verbonden die leidt tot een huwelijksverbod.

2. Geschiktheid om te adopteren

Voortaan moeten de personen die een kind willen adopteren erkend worden als geschikt om te adopteren. Deze vereiste wordt niet opgelegd wanneer de te adopteren persoon meerderjarig is. De geschiktheid om te adopteren wordt beoordeeld door de jeugdrechtbank, op basis van een sociaal onderzoek dat uitgevoerd wordt door de bevoegde gemeenschapsautoriteiten.

De kandidaat-adoptanten moeten vóór deze beoordeling van hun geschiktheid eerst een voorbereidingscyclus hebben gevolgd, die georganiseerd wordt door de bevoegde Gemeenschappen.

3. Procedure

De adoptieakte en de homologatieprocedure zijn afgeschaft en vervangen door één enkele gerechtelijke procedure.

Bij interne adoptie, d.w.z. dat de te adopteren persoon niet interlandelijk moet worden verplaatst, wordt de adoptieaanvraag bij verzoekschrift ingediend bij de bevoegde rechtbank: de rechtbank van eerste aanleg wanneer de te adopteren persoon meerderjarig is, de jeugdrechtbank wanneer deze persoon een kind is. In dit laatste geval onderzoekt de jeugdrechtbank tijdens dezelfde procedure de geschiktheid om te adopteren van de adoptant(en) alvorens een uitspraak te doen over de adoptie zelf.

Wanneer het gaat om de interlandelijke adoptie van een kind, waarvoor het kind interlandelijk moet worden verplaatst naar België, moeten de kandidaat-adoptanten voor de eigenlijke adoptie een vonnis verkrijgen waaruit blijkt dat zij bekwaam en geschikt zijn om een interlandelijke adoptie aan te gaan. Deze procedure tot vaststelling van de geschiktheid om te adopteren wordt bij verzoekschrift ingediend bij de jeugdrechtbank. Wanneer deze rechtbank een uitspraak doet over de geschiktheid, maakt het Openbaar Ministerie een verslag op voor de bevoegde autoriteit van de Staat van herkomst. De eigenlijke adoptie kan uitgesproken worden door de autoriteit van de Staat van herkomst (adoptieakte, vonnis). De adoptiebeslissing wordt vervolgens erkend en geregistreerd door de Belgische federale centrale autoriteit.

B. Nieuwe regels inzake gezinsbijslag

1. De bijslagtrekkende van de adoptiepremie (artikel 69, §1, vijfde lid van de samengeordende wetten)

Zoals voorheen wordt de adoptiepremie betaald aan de adoptant wanneer de adoptie gedaan wordt door een persoon alleen.

Enkel de regel betreffende de aanduiding van de bijslagtrekkende in geval het kind geadopteerd wordt door meerdere personen is gewijzigd om rekening te houden met de nieuwe adoptiemogelijkheden.

Aldus wordt, op basis van de nieuwe regel voorzien in artikel 69, §1, vijfde lid van de samengeordende wetten, wanneer de adoptie gedaan wordt door echtgenoten of samenwonenden, de bijslagtrekkende op de volgende manier bepaald:

* ofwel bepalen de echtgenoten of de samenwonenden, ongeacht hun geslacht, aan wie van hen de adoptiepremie betaald wordt. Dit principe van vrije aanwijzing is niet nieuw, maar wordt uitgebreid met de gevallen waarin de adoptie gedaan wordt door echtgenoten van hetzelfde geslacht of samenwonenden van verschillend of van gelijk geslacht;

* ofwel zijn de echtgenoten of de samenwonenden het niet eens over de aanwijzing van de persoon aan wie de adoptiepremie betaald wordt of laten ze na deze aan te duiden. In dat geval dienen de volgende situaties onderscheiden te worden: - wanneer de echtgenoten of de samenwonenden van verschillend geslacht zijn, wordt de adoptiepremie betaald aan de vrouwelijke adoptant (de echtgenote of samenwonende vrouw); - wanneer de echtgenoten of de samenwonenden van hetzelfde geslacht zijn, wordt de adoptiepremie betaald aan de oudste persoon.

2. Adoptiepremie (artikel 73quater van de samengeordende wetten)

Artikel 73quater van de samengeordende wetten bepaalt de verschillende voorwaarden voor het verkrijgen van de adoptiepremie.

Deze bepaling werd aangepast om rekening te houden met de wijzigingen die door de nieuwe adoptiewetgeving zijn aangebracht, in het bijzonder de afschaffing van de adoptieakte in het Belgische recht en de verplichting om in de meeste gevallen een verzoekschrift voor de adoptie van een persoon in te dienen.

2.1. Toekenningsvoorwaarden voor de adoptiepremie

De vier belangrijkste toekenningsvoorwaarden voor de adoptiepremie vermeld in artikel 73quater, §1, eerste lid van de samengeordende wetten blijven praktisch ongewijzigd. Enkel de eerste voorwaarde met betrekking tot de adoptieakte werd gewijzigd.

Voorheen was de ondertekening van een adoptieakte immers een voorwaarde voor het recht op de adoptiepremie.

In het nieuwe systeem wordt dit een aanvullende voorwaarde. Zo is het voortaan vereist:

* in hoofdzaak, dat er bij de bevoegde rechtbank een verzoekschrift is ingediend dat de wil van de rechthebbende of zijn echtgenoot uitdrukt om een kind te adopteren.

Volgens het type adoptie - interne of interlandelijke adoptie - kan het gaan om een verzoekschrift tot adoptie of een verzoekschrift tot vaststelling van de geschiktheid om te adopteren.

Wanneer het gaat om een interne adoptie (zie hoger), moet er een verzoekschrift tot adoptie ingediend worden bij de rechtbank van eerste aanleg wanneer het gaat om een meerderjarige of bij de jeugdrechtbank wanneer het gaat om een minderjarig kind.

Wanneer het gaat om een interlandelijke adoptie en deze een minderjarig kind betreft, moet er een verzoekschrift tot vaststelling van de geschiktheid om te adopteren ingediend worden bij de jeugdrechtbank;

* of, bij gebrek aan een dergelijk verzoekschrift, dat er een adoptieakte is ondertekend die de wil van de rechthebbende op zijn echtgenoot uitdrukt om een kind te adopteren.

Deze aanvullende voorwaarde beoogt het geval waarbij een adoptieakte ondertekend is in het buitenland.

Wanneer het gaat om de interlandelijke adoptie van een meerderjarige is het in bepaalde situaties immers niet altijd noodzakelijk dat er een procedure is ingeleid voor een Belgische rechtbank en, bijgevolg, dat er een verzoekschrift is ingediend bij deze rechtbank. In dergelijk geval kan de in het buitenland volgens de daar toepasselijke wetgeving ondertekende adoptieakte in aanmerking worden genomen, zoals voorheen, wanneer deze akte de wil van de adoptant uitdrukt om het kind te adopteren.

Zoals eerder vermeld, blijven de andere toekenningsvoorwaarden bedoeld in artikel 73quater, eerste lid van de samengeordende wetten ongewijzigd.

Ter herinnering: - de adoptant of zijn echtgenoot moet de voorwaarden vervullen om het recht te doen ontstaan op kinderbijslag, behalve die bedoeld in artikel 51, § 3; - het kind moet deel uitmaken van het gezin; - het kind voldoet aan de voorwaarden om rechtgevend kind te zijn.

2.2. Tijdstip waarop bepaalde toekenningsvoorwaarden vervuld moeten zijn

De tekst van artikel 73quater, §1, tweede en derde lid, die bepaalt op welk tijdstip bepaalde voorwaarden vervuld moeten zijn, werd gewijzigd om rekening te houden met de nieuwe vereiste om een verzoekschrift in te dienen bij de bevoegde rechtbank. Bij gebrek aan dit verzoekschrift zal, zoals in het verleden, rekening worden gehouden met de datum van de ondertekening van de adoptieakte.

Dus, wanneer het kind op de datum van de indiening van het verzoekschrift of, bij gebrek hieraan, op de datum van de ondertekening van de adoptieakte reeds deel uitmaakt van het gezin van de adoptant, moeten op deze datum de voorwaarde met betrekking tot de hoedanigheid van rechthebbende van de adoptant of zijn echtgenoot en de voorwaarde met betrekking tot de hoedanigheid van rechtgevend kind van het te adopteren kind vervuld zijn.

Wanneer het kind nog geen deel uitmaakt van het gezin van de adoptant op de datum van de indiening van het verzoekschrift of, bij gebrek hieraan, op de datum van de ondertekening van de adoptieakte, dient de voorwaarde met betrekking tot de hoedanigheid van rechthebbende van de adoptant of zijn echtgenoot vervuld te zijn op de datum van het vonnis dat voortvloeit uit het verzoekschrift of, bij gebrek hieraan, op de datum van het verlijden van de adoptieakte evenals op het tijdstip dat het kind daadwerkelijk deel uitmaakt van het gezin van de adoptant, en de voorwaarde met betrekking tot de hoedanigheid van rechtgevend kind van het te adopteren kind moet vervuld zijn op het tijdstip dat het kind werkelijk deel uitmaakt van het gezin van de adoptant.

2.3. Vaststelling van het bedrag van de adoptiepremie

De tekst van artikel 73quater, §2, tweede lid van de samengeordende wetten met betrekking tot de vaststelling van het bedrag van de adoptiepremie is eveneens aangepast.

Er wordt voortaan voorzien dat het bedrag van de adoptiepremie toegekend aan het geadopteerde kind het bedrag is dat van toepassing is op de datum van indiening van het verzoekschrift of, bij gebrek hieraan, op de datum van de ondertekening van de adoptieakte. Wanneer het kind echter nog geen deel uitmaakt van het gezin van de adoptant op deze datum, is het bedrag van de adoptiepremie datgene dat van toepassing is op de datum waarop het kind werkelijk deel uitmaakt van dit gezin.

Deze laatste maatregel werd voorzien om rekening te houden met de variabele termijn die kan verstrijken tussen het tijdstip waarop het verzoekschrift werd ingediend en het tijdstip waarop het kind werkelijk deel uitmaakt van het gezin van de adoptant; dit is in het bijzonder het geval wanneer het gaat om de interlandelijke adoptie van een kind. Om deze reden en om aan de gezinnen het gunstigste bedrag toe te kennen, is er voorzien dat het bedrag van de adoptiepremie datgene is dat van toepassing is op het ogenblik dat het kind werkelijk deel uitmaakt van het gezin van de adoptant.

3. Verjaringsregel (artikel 120 van de samengeordende wetten)

Artikel 120 van de samengeordende wetten werd gewijzigd om rekening te houden met de nieuwe adoptieprocedure.

Deze bepaling voorziet voortaan dat de verjaringstermijn ingaat op de laatste dag van het kwartaal in de loop waarvan het verzoekschrift dat de wil uitdrukt om te adopteren werd ingediend bij de bevoegde rechtbank of, bij gebrek hieraan, de laatste dag van het kwartaal in de loop waarvan de adoptieakte werd ondertekend; indien het kind op deze datum echter nog geen deel uitmaakt van het gezin van de adoptant, vangt de voormelde termijn aan op de laatste dag van het kwartaal in de loop waarvan het kind werkelijk deel uitmaakt van dit gezin.

Ook hier wordt in voorkomend geval het tijdstip waarop het kind werkelijk deel uitmaakt van het gezin van de adoptant in aanmerking genomen om rekening te houden met de variabele termijn die kan verstrijken tussen het tijdstip waarop het verzoekschrift werd ingediend en het tijdstip waarop het kind werkelijk deel uitmaakt van het gezin van de adoptant.

4. Aanpassing van de MO nr. 446 van 13 oktober 1986

De ministeriële omzendbrief nr. 446 maakt een algemene afwijking op de voorwaarde bedoeld in artikel 51, §3 van de samengeordende wetten, met betrekking tot de band die er moet bestaand tussen de rechthebbende en het rechtgevende kind. Deze afwijking laat toe om onder bepaalde voorwaarden de kinderbijslag reeds toe te kennen gedurende de tijd die de adoptieprocedure in beslag neemt.

Rekening houdende met de nieuwe procedure inzake adoptie, wordt deze omzendbrief gewijzigd als volgt:

"Ik heb de eer u ervan op de hoogte te brengen dat ik, krachtens artikel 51, §4, tweede lid van de samengeordende wetten, en op eensluidend advies van het Beheerscomité van de Rijksdienst voor kinderbijslag voor werknemers, beslist heb om de kinderbijslag bij algemene afwijking toe te kennen, uit hoofde van de rechthebbende ten voordele van kinderen die deel uitmaken van zijn gezin en waarvoor ofwel een verzoekschrift dat de wil uitdrukt om te adopteren werd ingediend bij de bevoegde rechtbank of, bij gebrek hieraan, een adoptieakte werd verleden, ofwel een overeenkomst van pleegvoogdij werd ondertekend, op initiatief van deze rechthebbende, zijn echtgenoot, ex-echtgenoot of partner.

Deze algemene afwijking wordt toegekend voor zolang de adoptieprocedure of de procedure voor pleegvoogdij duurt."

5. Aanpassing van de MO nr. 451bis van 5 augustus 1991

De ministeriële omzendbrief nr. 451bis heeft betrekking op de eventuele regularisatie van de kinderbijslag in geval van adoptie, opname onder pleegvoogdij of erkenning van een kind door een rechthebbende die voorrangsgerechtigd wordt.

Het derde en het vierde lid van deze omzendbrief worden gewijzigd als volgt:

"Er dient opgemerkt te worden dat door middel van een algemene afwijking, die het voorwerp was van mijn omzendbrief nr. 446 van 13 oktober 1986, het recht op kinderbijslag ontstaat in hoofde van de toekomstige adoptant vanaf de indiening van het verzoekschrift dat de wil uitdrukt om te adopteren of, bij gebrek hieraan, vanaf het verlijden van een adoptieakte.

Ingevolge de indiening van dit verzoekschrift of, bij gebrek hieraan, het verlijden van de voornoemde akte, wordt de toekomstige adoptant of zijn echtgenoot voorrangsgerechtigde rechthebbende vanaf de datum waarop het kind deel uitmaakt van zijn gezin. Vraag is dan of de kinderbijslag geregulariseerd moet worden die in voorkomend geval betaald is in hoofde van een andere rechthebbende voor de periode die voorafgaat aan de indiening van dit verzoekschrift of, bij gebrek hieraan, het verlijden van de akte."

6. Inwerkingtreding

De nieuwe bepalingen hebben uitwerking met ingang van 1 september 2005, de datum van inwerkingtreding van de nieuwe adoptiewetgeving.

De volgende verduidelijkingen worden gegeven met betrekking tot de inwerkingtreding van deze bepalingen.

* De wet van 18 mei 2006 tot wijziging van een aantal bepalingen van het Burgerlijk Wetboek, teneinde de adoptie door personen van hetzelfde geslacht mogelijk te maken is in werking getreden op 30 juni 2006.

Derhalve is de nieuwe regel bedoeld in artikel 69, §1, vijfde lid van de samengeordende wetten met betrekking tot de aanwijzing van de persoon aan wie de adoptiepremie betaald wordt in werkelijkheid pas vanaf 30 juni 2006 toepasselijk op homoseksuele koppels die een kind adopteren.

* De regel betreffende de verjaringstermijn van het recht op de adoptiepremie werd gewijzigd, meer specifiek met betrekking tot de bepaling van de ingang van deze termijn (zie hierboven, punt 4).

De nieuwe regel moet op de volgende manier worden toegepast:

- De aanvragen ingediend vóór 1 september 2005 vallen onder de toepassing van de oude bepalingen. Met andere woorden, enkel de adoptieakte zal in aanmerking worden genomen voor de bepaling van de ingang van de verjaringstermijn.

OPM.: de verjaringstermijnen die op basis van de oude bepalingen afgelopen zijn vóór 1 september 2005, zijn definitief bereikt, wat betekent dat de verjaarde rechten niet herzien kunnen worden.

- De aanvragen ingediend vanaf 1 september 2005 vallen onder de toepassing van de nieuwe bepalingen.

Voorbeeld: een verzoekschrift tot adoptie is ingediend in oktober 2005. Het kind maakt deel uit van het gezin van de adoptant in mei 2006. De verjaringstermijn begint te lopen op 30 juni 2006.

Voorbeeld: een adoptieakte werd ondertekend in juni 2004. Het kind maakt deel uit van het gezin van de adoptant in januari 2005. De verjaringstermijn begint op 31 maart 2005.

SAMENGEVAT : 
  • Wettelijke basis voor het addendum van 8 mei 2006 betreffende de uitzondering op het algemene principe van artikel 48 van de samengeordende wetten.
  • Cumulatie van residuaire rechten: toepassing, behoudens uitzondering, van de orde van voorrang bedoeld in artikel 64, §2, A, 2°, a) en b).
  • Hervorming van het adoptierecht: impact op het vlak van gezinsbijslag.
  • 1. Dit recht is residuair voor de werknemers die in dienst zijn getreden voor 1 januari 1999.
  • 2. Wet van 13 maart 2003 tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek wat de adoptie betreft, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad op 16 mei 2003.
  • 3. Wet van 24 april 2003 tot hervorming van de adoptie, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad op 16 mei 2003.
  • 4. Wet van 18 mei 2006 tot wijziging van een aantal bepalingen van het Burgerlijk Wetboek, teneinde de adoptie door personen van hetzelfde geslacht mogelijk te maken (Belgisch Staatsblad van 20 juni 2006).
Top