Vlaanderen

MO 599 van 16 juli 2007 - Algemene afwijkingen in de SWKL en in de wet van 20 juli 1971

1. ALGEMENE AFWIJKINGEN : artikel 51, §4, tweede lid, van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders

Ik heb de eer u mee te delen dat ik beslist heb dat de voorwaarde inzake vereiste band van verwantschap of juridische band tussen de rechthebbende en het rechtgevend kind, bepaald in artikel 51, §3, van de samengeordende wetten, niet dient te worden vervuld in één van de volgende gevallen :

  1. Voor kinderen die jonger zijn dan 12 jaar op het moment dat ze beginnen deel uit te maken van hetzelfde gezin van de rechthebbende1.  
  2. Voor kinderen die 12 jaar zijn of ouder op het moment dat ze beginnen deel uit te maken van hetzelfde gezin van de rechthebbende, op voorwaarde dat ze bloedverwant zijn in de vierde graad van deze rechthebbende2.

    Het "deel uitmaken van hetzelfde gezin" zoals vermeld onder punt 1 en 2 vloeit voort uit de informatie bedoeld in artikel 3, eerste lid, 5°, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen, verkregen van dit Rijksregister, of uit andere officiële documenten3 die door de aanvrager worden overgelegd en waaruit het deel uitmaken van hetzelfde gezin blijkt, wanneer de hiervoor bedoelde informatie uit het Rijksregister ontbreekt of door die documenten ongeldig wordt verklaard.

Deze algemene afwijkingen zijn slechts geldig, indien er voor deze kinderen geen ander recht op gezinsbijslag bestaat krachtens de samengeordende wetten4, het koninklijk besluit van 8 april 1976 houdende regeling van de gezinsbijslag ten voordele van de zelfstandigen, het koninklijk besluit van 26 maart 1965 betreffende de kinderbijslag voor bepaalde categorieën van het door de Staat bezoldigd personeel alsmede voor de personeelsleden van het operationeel kader en van het administratief en logistiek kader van de korpsen van de lokale politie, de internationale overeenkomsten van de sociale zekerheid van kracht in België, buitenlandse wets- of reglementsbepalingen of regelen van toepassing op het personeel van een volkenrechtelijke instelling.

Deze algemene afwijkingen kunnen worden toegepast :

  • op vraag van de rechthebbende of bijslagtrekkende aangeduid via deze algemene afwijkingen;
  • telkens wanneer de kinderbijslaginstelling op een andere manier een dergelijk geval vaststelt.
IN 'T KORT : ALGEMENE AFWIJKINGEN : ARTIKEL 51, §4, TWEEDE LID, SW
  • KINDEREN JONGER DAN 12 JAAR
  • KINDEREN DIE 12 JAAR ZIJN OF OUDER

Artikel 52 uit Kinderbijslagwet werknemers

2. ALGEMENE AFWIJKINGEN : Artikel 52, derde lid, van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders

Ik heb de eer u mee te delen dat ik beslist heb dat de beperking bepaald in artikel 52, eerste lid, van de samengeordende wetten, volgens welke de kinderbijslag niet verschuldigd is voor kinderen die opgevoed worden of lessen volgen buiten het Koninkrijk, niet van toepassing is :

  1. Voor kinderen die in België reeds een einddiploma secundair onderwijs5 verworven hebben en die niet-hoger onderwijs6 volgen in een land buiten de Europese Economische Ruimte7. Deze algemene afwijking wordt beperkt tot maximum één schooljaar.
  2. Voor kinderen die noch in België noch in het buitenland reeds een einddiploma hoger onderwijs8 verworven hebben en die hoger onderwijs9 volgen in een land buiten de Europese Economische Ruimte10.
  3. Voor kinderen die in België of in het buitenland reeds een einddiploma hoger onderwijs11 verworven hebben en die hoger onderwijs12 volgen in een land buiten de Europese Economische Ruimte13. Deze algemene afwijking wordt beperkt tot maximum één schooljaar. Deze algemene afwijkingen vermeld onder de punten 1, 2 en 3 zijn slechts geldig, op voorwaarde dat tijdens deze periode elk van de volgende voorwaarden cumulatief vervuld zijn:
  • de kinderen blijven ingeschreven in de bevolkingsregisters of in de vreemdelingenregisters gehouden in de gemeenten in België en hebben er hun hoofdverblijfplaats, in de zin van artikel 3, eerste lid, 5°, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen;
  • de kinderen hebben geen ander recht op kinderbijslag krachtens de samengeordende wetten, het koninklijk besluit van 8 april 1976 houdende regeling van de gezinsbijslag ten voordele van de zelfstandigen, het koninklijk besluit van 26 maart 1965 betreffende de kinderbijslag voor bepaalde categorieën van het door de Staat bezoldigd personeel alsmede voor de personeelsleden van het operationeel kader en van het administratief en logistiek kader van de korpsen van de lokale politie, de internationale overeenkomsten van de sociale zekerheid van kracht in België, buitenlandse wets- of reglementsbepalingen of regelen van toepassing op het personeel van een volkenrechtelijke instelling;
  • noch hun vader, moeder, stiefvader, stiefmoeder of persoon waarmee hun vader of moeder een feitelijk gezin vormt in de zin van artikel 56bis, §2, van de samengeordende wetten, oefent een winstgevende activiteit uit in het raam van een arbeidsovereenkomst of van een zelfstandige activiteit of in opdracht van een openbare dienst in het land waar ze onderwijs volgen.

Deze algemene afwijkingen kunnen worden toegepast :

  • op vraag van de bijslagtrekkende of van de rechthebbende aangeduid via deze algemene afwijkingen;
  • telkens wanneer de kinderbijslaginstelling op een andere manier een dergelijk geval vaststelt.
IN 'T KORT : ALGEMENE AFWIJKINGEN : ARTIKEL 52, DERDE LID, SW
  • MAXIMUM EEN JAAR (AANVULLEND) NIET-HOGER ONDERWIJS
  • >HOGER ONDERWIJS
  • MAXIMUM EEN JAAR (AANVULLEND) HOGER ONDERWIJS

Artikel 57bis uit Kinderbijslagwet werknemers

3. ALGEMENE AFWIJKING : artikel 57bis, derde lid, van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders

Ik heb de eer u mee te delen dat ik beslist heb dat de voorwaarde van rechthebbende te zijn op ten minste zes maandelijkse forfaitaire bijslagen in de loop van een periode van twaalf maanden, bepaald in de artikelen 55, vierde lid, 56, §1, eerste lid, 3°, 56bis, §1, 56quater, eerste lid, 2°, b), 56decies, §1, 56undecies, tweede lid, of 57, tweede lid, van de samengeordende wetten niet dient te worden vervuld :

Indien de werknemer de voorwaarden heeft vervuld om aanspraak te maken op ten minste vierentwintig maandelijkse forfaitaire bijslagen krachtens deze wetten14 in de loop van de vijf jaar die de gebeurtenis bedoeld in deze artikelen onmiddellijk voorafgaan, en indien er voor de rechtgevende kinderen geen ander recht op gezinsbijslag bestaat krachtens de samengeordende wetten15, het koninklijk besluit van 8 april 1976 houdende regeling van de gezinsbijslag ten voordele van de zelfstandigen, het koninklijk besluit van 26 maart 1965 betreffende de kinderbijslag voor bepaalde categorieën van het door de Staat bezoldigd personeel alsmede voor de personeelsleden van het operationeel kader en van het administratief en logistiek kader van de korpsen van de lokale politie, de internationale overeenkomsten van de sociale zekerheid van kracht in België, buitenlandse wets- of reglementsbepalingen of regelen van toepassing op het personeel van een volkenrechtelijke instelling.

Deze algemene afwijking kan worden toegepast :

  • op vraag van de bijslagtrekkende of van de rechthebbende aangeduid via deze algemene afwijkingen;
  • telkens wanneer de kinderbijslaginstelling op een andere manier een dergelijk geval vaststelt.
IN 'T KORT : ALGEMENE AFWIJKING : ARTIKEL 57BIS, DERDE LID, SW
  • VIERENTWINTIG MAANDELIJKSE FORFAITAIRE BIJSLAGEN
  • GEEN ANDER BESTAAND RECHT OP GEZINSBIJSLAG

Artikel 66 uit Kinderbijslagwet werknemers

4. ALGEMENE AFWIJKING : artikel 66, vierde lid, van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders

Ik heb de eer u mee te delen dat ik beslist heb om de niet-voorrangsgerechtigde rechthebbende vader, moeder, stiefvader, stiefmoeder of persoon waarmee een vader of een moeder een feitelijk gezin vormt in de zin van artikel 56bis, §2, van de samengeordende wetten, aan te wijzen als voorrangsgerechtigde rechthebbende, indien er een hoger bedrag aan kinderbijslag kan toegekend worden16. Deze rechthebbende moet wel deel uitmaken van het gezin van het kind.

Deze aanwijzing van de voorrangsgerechtigde rechthebbende kan gebeuren :

  • op vraag van de bijslagtrekkende of van één van de voormelde niet-voorrangsgerechtigde rechthebbenden of
  • telkens wanneer de kinderbijslaginstelling op een andere manier een dergelijk geval vaststelt.

Het recht op een hoger bedrag aan kinderbijslag bij toepassing van deze algemene afwijking kan worden toegekend met een terugwerkende kracht van vijf jaar17, voorafgaand aan de vraag van de bijslagtrekkende of rechthebbende of aan de datum waarop de kinderbij slaginstelling een dergelijk geval vaststelt. Dit recht op een hoger bedrag kan eveneens worden toegekend tot vijf jaar voorafgaand aan de datum van inwerkingtreding van deze omzendbrief18.

IN 'T KORT : ALGEMENE AFWIJKING : ARTIKEL 66, VIERDE LID, SW

RECHT OP EEN HOGER BEDRAG AAN KINDERBIJSLAG: TERGWERKENDE KRACHT VAN VIJF JAAR

Artikel 73ter uit Kinderbijslagwet werknemers

5. ALGEMENE AFWIJKINGEN : Artikel 73ter, derde lid, en artikel 73quater, §3, tweede lid, van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders

Ik heb de eer u mee te delen dat ik beslist dat de voorwaarden betreffende het recht op kraamgeld vermeld in artikel 73bis van de samengeordende wetten en betreffende het recht op een adoptiepremie vermeld in artikel 73quater, §1, van de samengeordende wetten, niet dienen te worden vervuld :

Indien één van de ouders, de adoptant of zijn echtgeno(o)t(e) gedurende minstens 480 dagen een beroepsactiviteit19 heeft uitgeoefend met onderworpenheid aan de Belgische sociale zekerheid voor werknemers20 tijdens een periode van vijf jaar die de geboorte of de adoptie van het kind voorafgaat en indien de moeder of de adoptant op het ogenblik van de geboorte of van de adoptie van het kind ingeschreven is in de bevolkingsregisters of in de vreemdelingenregisters gehouden in de gemeenten in België en er haar/zijn hoofdverblijfplaats heeft, in de zin van artikel 3, eerste lid, 5°, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen.

Deze algemene afwijkingen zijn slechts geldig, indien er voor het kind geen ander recht op kraamgeld of op een adoptiepremie bestaat krachtens de samengeordende wetten21, het koninklijk besluit van 8 april 1976 houdende regeling van de gezinsbijslag ten voordele van de zelfstandigen, het koninklijk besluit van 26 maart 1965 betreffende de kinderbijslag voor bepaalde categorieën van het door de Staat bezoldigd personeel alsmede voor de personeelsleden van het operationeel kader en van het administratief en logistiek kader van de korpsen van de lokale politie, de internationale overeenkomsten van de sociale zekerheid van kracht in België, buitenlandse wets- of reglementsbepalingen of regelen van toepassing op het personeel van een volkenrechtelijke instelling.

Deze algemene afwijkingen kunnen worden toegepast :

  • op vraag van één van de ouders, van de adoptant of van zijn echtgeno(o)t(e);
  • telkens wanneer de kinderbijslaginstelling op een andere manier een dergelijk geval vaststelt.
IN 'T KORT : ALGEMENE AFWIJKINGEN : ARTIKEL 73TER EN ARTIKEL 73QUATER SW

480 DAGEN ACTIVITEIT MET ONDERWORPENHEID AAN DE BELGISCHE SOCIALE ZEKERHEID VOOR WERKNEMERS EN INSCHRIJVING VAN MOEDER OF ADOPTANT IN BELGIE

20 juli 1971 - Wet tot instelling van gewaarborgde gezinsbijslag (BS 07.08.1971) Artikel 2 uit Wet gewaarborgde gezinsbijslag

6. ALGEMENE AFWIJKINGEN : Artikel 2, derde lid, van de wet van 20 juli 1971 tot instelling van gewaarborgde gezinsbijslag

Op grond van artikel 2, derde lid, van de wet van 20 juli 1971 tot instelling van gewaarborgde gezinsbijslag, heb ik beslist dat :

  1. de voorwaarde in hoofde van de aanvrager22, bepaald in artikel 1, vijfde lid, van de wet van 20 juli 1971, niet dient te worden vervuld in één van de volgende gevallen : 1.1. de aanvrager is nog onderworpen aan de Belgische leerplicht. Deze algemene afwijking blijft toegekend na het einde van deze leerplicht.

    1.2. de verblijfstoestand van de aanvrager is geregulariseerd op basis van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk (machtiging tot verblijf in België voor onbeperkte duur).

    1.3. de aanvrager heeft werkelijk en ononderbroken in België verbleven gedurende minstens de laatste vier jaar23.  

  2. de voorwaarde in hoofde van het kind, vermeld in artikel 2, eerste lid, 1°, van de voormelde wet van 20 juli 197124, niet dient te worden vervuld in één van de volgende gevallen : 2.1. Voor kinderen die jonger zijn dan 12 jaar op het moment dat ze beginnen deel uit te maken van hetzelfde gezin van de aanvrager25.

    2.2. Voor kinderen die 12 jaar zijn of ouder op het moment dat ze beginnen deel uit te maken van hetzelfde gezin van de aanvrager, op voorwaarde dat ze bloedverwant zijn in de vierde graad van deze aanvrager26.

    Het "deel uitmaken van hetzelfde gezin" zoals vermeld onder de punten 2.1 en 2.2 vloeit voort uit de informatie, bedoeld in artikel 3, eerste lid, 5°, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen, verkregen van dit Rijksregister, of uit andere officiële documenten27 die door de aanvrager worden overgelegd en waaruit het deel uitmaken van hetzelfde gezin blijkt, wanneer de hiervoor bedoelde informatie uit het Rijksregister ontbreekt of door die documenten ongeldig wordt verklaard.

Ter herinnering : Overeenkomstig de bepaling van artikel 2, eerste lid, 2°, van de wet van 20 juli 1971, kunnen de aanvrager en het kind het voordeel van de algemene afwijkingen vermeld onder de punten 1 en 2 slechts genieten, indien het kind gedurende een volledige kalendermaand geen recht geeft op kraamgeld of kinderbijslag krachtens een Belgische, buitenlandse of een internationale regeling of er slechts recht op geeft voor een bedrag dat lager is dan de bedragen welke overeenkomstig deze wet van 20 juli 1971 kunnen worden toegekend.

Deze algemene afwijkingen kunnen worden toegepast :

  • op vraag van de bijslagtrekkende of van de aanvrager aangeduid via deze algemene afwijkingen ;
  • telkens wanneer de Rijksdienst voor kinderbijslag voor werknemers op een andere manier een dergelijk geval vaststelt.
IN 'T KORT : ALGEMENE AFWIJKINGEN : ARTIKEL 2, DERDE LID, VAN DE WET VAN 20 JULI 1971 1. IN HOOFDE VAN AANVRAGER
  • ONDERWORPEN AAN DE BELGISCHE LEERPLICHT
  • GEREGULARISEERDE VERBLIJFSTOESTAND
  • VIER JAAR VERBLIJF IN BELGIE

2. IN HOOFDE VAN KIND

  • KINDEREN DIE 12 JAAR ZIJN OF OUDER
  • KINDEREN JONGER DAN 12 JAAR

7. INWERKINGTREDING

Deze algemene afwijkingen (vermeld onder de punten 1 tot en met 6) treden in werking vanaf de eerste dag van de derde maand volgend op de datum van deze omzendbrief, behoudens het recht op basis van artikel 66, vierde lid, van de samengeordende wetten. Dit recht op een hoger bedrag kan eveneens worden toegekend tot vijf jaar28 voorafgaand aan de datum van inwerkingtreding van deze omzendbrief.

Indien de voorwaarden van één van deze algemene afwijkingen (vermeld onder de punten 1 tot en met 6) niet vervuld zijn, bestaat er nog steeds de juridische mogelijkheid om een aanvraag tot individuele afwijking te doen bij de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid, Directie-generaal Sociaal Beleid, Domein Regelgeving, Eurostation II, Victor Hortaplein 40, bus 20, 1060 Brussel, op basis van de artikelen 51, §4, eerste lid, 52, tweede lid, 57bis, tweede lid, 66, derde lid, 73ter, tweede lid, en 73quater, §3, eerste lid, van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders of op basis van artikel 2, tweede lid, van de wet van 20 juli 1971 tot instelling van gewaarborgde gezinsbijslag.

Artikel 51 uit Kinderbijslagwet werknemers Artikel 52 uit Kinderbijslagwet werknemers Artikel 57bis uit Kinderbijslagwet werknemers Artikel 66 uit Kinderbijslagwet werknemers Artikel 73ter uit Kinderbijslagwet werknemers Artikel 73quater uit Kinderbijslagwet werknemers 20 juli 1971 - Wet tot instelling van gewaarborgde gezinsbijslag (BS 07.08.1971)

BIJLAGE BIJ DE MINISTERIELE OMZENDBRIEF NR 599 VAN 16 JULI 2007.

OVERZICHT VAN DE REEDS BESTAANDE ALGEMENE AFWIJKINGEN OP BASIS VAN DE SAMENGEORDENDE WETTEN BETREFFENDE DE KINDERBIJSLAG VOOR LOONARBEIDERS EN OP BASIS VAN DE WET VAN 20 JULI 1971 TOT INSTELLING VAN GEWAARBORGDE GE ZINSBIJSLAG

Naast de nieuw voorgestelde algemene afwijkingen in het ontwerp van omzendbrief, bestaan er reeds een aantal (soms tijdelijk toegekende) algemene afwijkingen:

  • Artikel 51,§4, tweede lid, van de samengeordende wetten : algemene afwijkingen op de voorwaarde inzake de vereiste band van verwantschap of juridische band tussen de rechthebbende en het rechtgevend kind.  
  • Voor kinderen die erkend zijn als politiek vluchteling en die deel uitmaken van het gezin van de rechthebbende29.
  • Voor kinderen die in het gezin van de rechthebbende zijn geplaatst hetzij door bemiddeling van een erkende of betoelaagde gezinsplaatsingsdienst of door bemiddeling van een betoelaagd adoptiewerk of adoptiedienst30.
  • Voor kinderen waarvoor de werknemer, of diens echtgenoot of gewezen echtgenoot aangewezen is als provoogd, datieve voogd of testamentaire voogd31.
  • Voor kinderen die deel uitmaken van het gezin van de rechthebbende en met betrekking tot welke hetzij een adoptieakte of een akte van wettiging door adoptie, hetzij een overeenkomst tot pleegvoogdij in de zin van artikel 73bis van de samengeordende wetten, is verleden op initiatief van deze rechthebbende, zijn echtgenoot, gewezen echtgenoot of persoon van het andere geslacht waarmee hij een huishouden vormt32.
  • Voor kinderen die geplaatst zijn in een instelling overeenkomstig artikel 70 van de samengeordende wetten in hoofde van de werknemer die een huishouden vormt met de ouder of stiefouder die bijslagtrekkende is voor het derde van de kinderbijslag33.
  • Voor kinderen die onderdaan zijn van ex-Joegoslavië, die deel uitmaken van het gezin van de rechthebbende34.
  • Voor kinderen die tegelijkertijd geplaatst zijn in een onthaalgezin en in een instelling35.
  • Voor kinderen die geplaatst zijn in een gezin door bemiddeling van een erk ende of betoelaagde gezinsplaatsingsdienst voor gehandicapte kinderen36.
  • Voor Kosovaarse kinderen, die voldoen aan de voorwaarden van de bijzondere regeling van tijdelijke bescherming voor Kosovaarse vluchtelingen die deel uitmaken van het gezin van de rechthebbende (actueel zonder materieel toepassingsgebied)37.  
  • Artikel 52, derde lid, van de samengeordende wetten : algemene afwijkingen op de beperking, volgens welke de kinderbijslag niet verschuldigd is voor kinderen die opgevoed worden of lessen volgen buiten het Koninkrijk.  
    • Voor kinderen die tijdelijk in het buitenland verblijven, dan wanneer ze normaal met hun ouders in België wonen : onder tijdelijk verblijf dient te worden verstaan: een verblijf dat, in één of verscheidene keren geen twee maand in de loop van hetzelfde kalenderjaar overschrijdt. Hetzelfde geldt wanneer het verblijf in het buitenland niet langer dan zes maand duurt en het door gezondheidsredenen gemotiveerd wordt; voor kinderen die normaal met hun ouders in België wonen en die alleen tijdens de schoolvakanties een tijd in het buitenland verblijven; voor kinderen, die normaal bij hun ouders in België wonen en een over de grens gelegen school bezoeken, voorzover ze elke dag bij hun ouders of bij de personen die hen vervangen, terugkeren; voor kinderen die een studiebeurs genieten voor het volgen van lessen in het buitenland38.
    • Voor kinderen die in het buitenland geboren worden, terwijl de ouders normaal in België wonen, op voorwaarde dat het verblijf van de moeder en van het kind in het buitenland geen twee maanden te boven gaat39 : er bestaat recht op kinderbijslag en op kraamgeld.
    • Voor kinderen van werknemers die door hun werkgever naar het buitenland worden gedetacheerd40.
    • Voor ontvoerde kinderen, onder bepaalde voorwaarden41.  
  • Artikel 57bis, derde lid, van de samengeordende wetten : algemene afwijking op de loopbaanvoorwaarde in hoofde van de rechthebbende verlaten echtgeno(o)t(e)/ de rechthebbende zieke werknemer die tenminste 66 % arbeidsongeschikt is en de rechthebbende werkneemster gedurende het tijdvak van moederschapsbescherming/de rechthebbende wees/ de rechthebbende die een overlevingspensioen geniet/de rechthebbende gedetineerde en de rechthebbende gepensioneerde.

De juridische mogelijkheid voor het toekennen van een algemene ministeriële afwijking op deze voorwaarde werd gecreëerd bij de wet van 27 december 2005 houdende diverse bepalingen, met uitwerking vanaf 1 januari 2006. Er bestaan bijgevolg nog geen algemene afwijkingen op basis van deze bepaling.

  • Artikel 66, vierde lid, van de samengeordende wetten : algemene afwijking op de orde van voorrang van rechthebbenden in de samengeordende wetten.

De juridische mogelijkheid voor het toekennen van een algemene ministeriële afwijking op deze voorwaarde werd gecreëerd bij de wet van 27 december 2005 houdende diverse bepalingen, met uitwerking vanaf 1 januari 2006. Er bestaan b ijgevolg nog geen algemene afwijkingen op basis van deze bepaling.

  • Artikel 73ter, derde lid, en artikel 73quater, §2, tweede lid, van de samengeordende wetten : algemene afwijkingen op de voorwaarden betreffende het recht op kraamgeld en op een adoptiepremie.  
  • Indien er op de dag van de geboorte geen werkelijke arbeidsdag of ermee gelijkgestelde dag is, op voorwaarde dat de voor de geboorte gelegen periode zonder arbeidsdagen (of daarmee gelijkgestelde dagen) ten hoogste 30 dagen beslaat42 : er bestaat recht op kraamgeld.
  • Voor kinderen die in het buitenland geboren worden, terwijl de ouders normaal in België wonen, op voorwaarde dat het verblijf van de moeder en van het kind in het buitenland geen twee maanden te boven gaat43 : er bestaat recht op kinderbijslag en op kraamgeld.
  • Voor kinderen van werknemers die door hun werkgever naar het buitenland wor den gedetacheerd. Wanneer de gedetacheerde44 werknemer de Belgische nationaliteit bezit, bestaat er aanleiding toe, desgevallend eveneens kraamgeld toe te kennen in de gevallen waar er overeenkomstig deze omzendbrief een recht op kinderbijslag bestaat.
  • Voor het kind dat deel uitmaakt van het gezin van een werknemer op voorwaarde dat er een overeenkomst, die de pleegvoogdij tot stand brengt, verleden is binnen het jaar dat volgt op de geboorte van het betrokken kind, welke de wil van de rechthebbende of zijn echtgenoot uitdrukt om dit kind onder pleegvoogdij te nemen en op de datum van de ondertekening van deze overeenkomst, de pleegvoogd of zijn echtgenoot de voorwaarden vervult om recht te doen ontstaan op kinderbijslag, behalve deze bedoeld in artikel 51, §3, van deze samengeordende wetten45 : er bestaat recht op kraamgeld.  
  • Artikel 2, derde lid, van de wet van 20 juli 1971 : algemene afwijkingen op de voorwaarde van minstens vijf jaar werkelijk en ononderbroken verblijf in België in hoofde van de aanvrager en in hoofde van het kind.

De juridische mogelijkheid voor het toekennen van een algemene ministeriële afwijking op deze voorwaarde werd gecreëerd bij de wet van 27 december 2005 houdende diverse bepalingen, met uitwerking vanaf 1 januari 2006. Er werden wel een aantal (soms tijdelijk toegekende) beslissingen genomen betreffende bepaalde categorieën van aanvragers, genomen door de voormalige Ministers van Sociale Zaken en gericht aan het Beheerscomité van de Rijksdienst voor kinderbijslag voor werknemers :

  • Beslissing van de Minister van Sociale Zaken de dato 17 september 1986 betreffende het recht op gewaarborgde gezinsbijslag voor de aanvragers die geboren zijn in België.
  • Beslissing van de Minister van Sociale Zaken de dato 9 november 1990 betreffende het recht op gewaarborgde gezinsbijslag in hoofde van aanvragers die gewaarborgde gezinsbijslag genieten vooraleer zij tijdelijk België verlaten en die minder dan drie maanden per jaar verblijven in het buitenland.
  • Beslissingen van de Minister van Sociale Zaken de dato 28 september 1992 en 24 juli 1995 betreffende het recht op gewaarborgde gezinsbijslag voor onderdanen van ex-Joegoslavië (actueel zonder materieel toepassingsgebied).
  • Beslissing van de Minister van Sociale Zaken de dato 26 juni 1998 betreffende het recht op gewaarborgde gezinsbijslag voor Bosnische ontheemden (actueel zonder materieel toepassingsgebied).
  • Beslissingen van de Minister van Sociale Zaken de dato 18 juni 1999 en 4 november 1999 betreffende het recht op gewaarborgde gezinsbijslag voor de gezinnen bestaande uit Kosovaren (actueel zonder materieel toepassingsgebied).
  • 1. Deze algemene afwijking blijft van toepassing zolang het kind rechtgevend is op kinderbijslag en blijft deel uitmaken van het gezin van de rechthebbende of geplaatst is in een instelling overeenkomstig artikel 70 van de samengeordende wetten.
  • 2. Deze algemene afwijking blijft van toepassing zolang het kind rechtgevend is op kinderbijslag en blijft deel uitmaken van het gezin van de rechthebbende of geplaatst is in een instelling overeenkomstig artikel 70 van de samengeordende wetten.
  • 3. Officiële documenten die momenteel zijn toegelaten om, met name, over te gaan tot de groepering van kinderen die worden opgevoed door personen die een feitelijk gezin vormen, maar niet allemaal dezelfde woonplaats hebben (cfr CO 1324 van 22 september 2000 en rondschrijven van de RKW 996/15 van 19/2/2001).
  • 4. Bij samenloop van verschillende rechten op gezinsbijslag die residuair zijn, op basis van de samengeordende wetten en van een algemene afwijking van de samengeordende wetten of op basis van algemene afwijkingen van de samengeordende wetten, moet naar analogie artikel 64, §2bis, van de samengeordende wetten worden toegepast.
  • 5. Zoals bepaald bij het koninklijk besluit van 10 augustus 2005 tot vaststelling van de voorwaarden waaronder kinderbijslag wordt verleend ten behoeve van het kind dat onderwijs volgt of een vorming doorloopt.
  • 6. Zie opmerking bij voetnoot 5.
  • 7. Deze algemene afwijking geldt niet voor landen waarmee België een bilaterale overeenkomst inzake sociale zekerheid heeft afgesloten met toekenning van een lager bedrag aan kinderbijslag dan voorzien is in de samengeordende wetten, behoudens indien deze bilaterale overeenkomst niet van toepassing is; het betreft de volgende landen : Turkije, Marokko, Tunesië, Algerije, Kroatië, de Federale Republiek Joegoslavië, Macedonië of Bosnië-Herzegovina.
  • 8. Zie opmerking bij voetnoot 5.
  • 9. Zie opmerking bij voetnoot 5.
  • 10. Zie opmerking bij voetnoot 7.
  • 11. Zie opmerking bij voetnoot 5.
  • 12. Zie opmerking bij voetnoot 5.
  • 13. Zie opmerking bij voetnoot 7.
  • 14. De op het grondgebied van elke andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte vervulde tijdvakken van verzekering, van werkzaamheden anders dan in loondienst of van arbeid, worden niet in aanmerking genomen voor de berekening van deze vierentwintig maandelijkse forfaitaire bijslagen.
  • 15. Bij samenloop van verschillende rechten op gezinsbijslag die residuair zijn, op basis van de samengeordende wetten en van een algemene afwijking van de samengeordende wetten of basis van algemene afwijkingen van de samengeordende wetten, moet naar analogie artikel 64, §2bis, van de samengeordende wetten worden toegepast.
  • 16. Indien verschillende rechthebbenden overeenkomstig de samengeordende wetten tegelijkertijd rechten kunnen openen op een hoger bedrag aan kinderbijslag betreffende een zelfde periode, moet naar analogie artikel 64, §2bis, van de samengeordende wetten worden toegepast.
  • 17. Toepassing van artikel 120 van de samengeordende wetten.
  • 18. Toepassing van artikel 120 van de samengeordende wetten.
  • 19. Dit vertegenwoordigt ongeveer twee jaren van beroepsactiviteit.
  • 20. De op het grondgebied van elke andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte vervulde tijdvakken van verzekering, van werkzaamheden anders dan in loondienst of van arbeid, worden niet in aanmerking genomen voor de berekening van deze termijn van 480 dagen.
  • 21. Bij samenloop van verschillende rechten die residuair zijn, op basis van de samengeordende wetten en van een algemene afwijking van de samengeordende wetten of op basis van algemene afwijkingen van de samengeordende wetten, moet naar analogie artikel 64, §2bis, van de samengeordende wetten worden toegepast.
  • 22. Betreffende het werkelijk en ononderbroken verblijf in België gedurende tenminste de laatste vijf jaar die de indiening van de aanvraag om gewaarborgde gezinsbijslag voorafgaan.
  • 23. Deze verblijfsduur kan bewezen worden door onder andere de inschrijving van de aanvrager in de bevolkingsregisters en/of in de vreemdelingenregisters gehouden in de gemeenten in België, attesten van een OCMW dat het gezin van de aanvrager financieel of materieel heeft gesteund...
  • 24. betreffende het werkelijk en ononderbroken verblijf in België gedurende tenminste de laatste vijf jaar die de indiening van de aanvraag om gewaarborgde gezinsbijslag voorafgaan, indien het kind geen bloedverwant tot en met de derde graad is van de aanvrager, noch kind van diens echtgenoot of gewezen echtgenoot of van de persoon met wie hij een huishouden vormt.
  • 25. Deze algemene afwijking blijft van toepassing zolang het kind rechtgevend is op kinderbijslag en blijft deel uitmaken van het gezin van de aanvrager.
  • 26. Deze algemene afwijking blijft van toepassing zolang het kind rechtgevend is op kinderbijslag en blijft deel uitmaken van het gezin van de aanvrager.
  • 27. Officiële documenten die momenteel zijn toegelaten om, met name, over te gaan tot de groepering van kinderen die worden opgevoed door personen die een feitelijk gezin vormen, maar niet allemaal dezelfde woonplaats hebben (cfr CO 1324 van 22 september 2000 en rondschrijven van de RKW 996/15 van 19/2/2001).
  • 28. Toepassing van artikel 120 van de samengeordende wetten.
  • 29. Op basis van de Ministeriële omzendbrief nr. 410 van 14 maart 1983.
  • 30. Op basis van de Ministeriële omzendbrieven nr. 415 van 4 mei 1983 en nr. 527 van 7 juni 1993.
  • 31. Op basis van de Ministeriële omzendbrief nr. 422 van 27 september 1983.
  • 32. Op basis van de Ministeriële omzendbrief nr. 446 van 13 oktober 1986.
  • 33. Op basis van de Ministeriële omzendbrief nr. 462 van 7 september 1988.
  • 34. Op basis van de Ministeriële omzendbrief nr. 517 van 17 november 1992.
  • 35. Op basis van de Ministeriële omzendbrief nr. 521 van 12 maart 1993.
  • 36. Op basis van de Ministeriële omzendbrief nr. 547 van 20 februari 1997.
  • 37. Op basis van de Ministeriële omzendbrief nr. 560 van 22 april 1999.
  • 38. Op basis van de Ministeriële omzendbrief nr. 190 van 6 maart 1963.
  • 39. Op basis van de Ministeriële omzendbrief nr. 300 van 27 juni 1974.
  • 40. Op basis van de Ministeriële omzendbrief nr. 312 van 14 januari 1975.
  • 41. Op basis van de Ministeriële omzendbrief nr. 589 van 28 juni 2005.
  • 42. Op basis van de ministeriële omzendbrieven nr. 187 van 2 oktober 1962 en nr. 264 van 23 juni 1970.
  • 43. Op basis van de Ministeriële omzendbrief nr. 300 van 27 juni 1974.
  • 44. Op basis van de Ministeriële omzendbrief nr. 312 van 14 januari 1975.
  • 45. Op basis van de Ministeriële omzendbrief nr. 524 van 18 mei 1993.
Top