1 september 1969 - Koninklijk besluit tot inrichting van de Rijksdienst voor sociale zekerheid van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten (BS 19.9.1969)

    Artikel 1. De Rijksdienst voor sociale zekerheid van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten, bedoeld in artikel 1 van de wet van 1 augustus 1985 houdende sociale bepalingen, heeft zijn zetel in de Brusselse agglomeratie. Hij mag, met de toelating van de Minister die de Sociale Voorzorg tot zijn bevoegdheid heeft, in andere gemeenten gewestelijke kantoren oprichten. (1)

    Art. 2. Naast de taken waarmee hij door of krachtens de wet van 1 augustus 1985 houdende sociale bepalingen is belast, heeft de Rijksdienst voor sociale zekerheid van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten tot opdracht: (2)

    1° de bij artikel 3 van dit besluit bepaalde bijdragen ten laste van zijn aangeslotenen te innen;

    2° overeenkomstig de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor werknemers de kinderbijslag, het kraamgeld alsmede de gezinsvakantiebijslag uit te keren, waarvan het bedrag en de toekenningsvoorwaarden ten minste even voordelig zijn als die van de bijslagen welke door het Rijk aan zijn personeelsleden verleend worden;

    3° alle statistieken betreffende het provincie- en het gemeentepersoneel te verzamelen.

    Art. 3. De aangesloten werkgevers storten rechtstreeks aan de Rijksdienst de verschuldigde bijdragen voor al hun personeelsleden. (3)

    Het artikel 95, van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, is van toepassing op die bijdrage. (4)

    (...) (5)

    Art. 4. De burgerlijke geldboeten waarmee inzonderheid in geval van bedrog, kunnen worden gestraft de personen aan wie uitkeringen verschuldigd zijn of moeten worden uitbetaald, worden bepaald in een bijzonder reglement aangenomen door het beheerscomité.

    Art. 5. Onverminderd het bepaalde in artikel 20 van het koninklijk besluit van 25 oktober 1985 tot uitvoering van hoofdstuk I, sectie 1, van de wet van 1 augustus 1985 houdende sociale bepalingen, worden de bestuurskosten van de Rijksdienst voor sociale zekerheid van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten voor de regeling van de kinderbijslag gedekt door middel van een heffing op de in artikel 18 van voormeld besluit bedoelde werkgeversbijdrage.

    Die heffing mag niet meer belopen dan het werkelijk bedrag van de bestuurskosten aangerekend op de begroting van de Rijksdienst. (6)

    Art. 6. Deze Rijksdienst zal een reservefonds samenstellen door middel van: (7)

    1° de eventuele overschotten van de bijdragen voor kinderbijslag en van zijn deel in de Rijkstoelage bedoeld in artikel 110 van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders;

    2° de bijdrageopslagen en de nalatigheidsintresten betreffende de bijdragen bestemd voor de regeling van de kinderbijslag; (8)

    3° de geldboeten bij artikel 4;

    4° alle andere inkomsten die hem zouden toegekend worden.

    Het reservefonds mag als voorschot gebruikt worden om op de vervaldag de uitbetaling van de familiale prestaties te verzekeren.

    De wegens verjaring niet terugvorderbare onverschuldigd betaalde uitkeringen worden aangerekend op het reservefonds.

    Het reservefonds is eveneens bestemd:

    a) tot dekking, overeenkomstig het bepaalde in artikel 119bis, tweede lid, van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, van de sommen die bij toepassing van genoemd artikel 119bis, eerste lid, niet zijn ingevorderd;

    b) tot dekking van onverschuldigd betaalde gezinsbijslag waarvan de terugvordering om sociale redenen niet aangewezen is of technisch onmogelijk is. (9)

    Het Beheerscomité van deze Rijksdienst mag met de voorafgaande toelating van Onze Minister van Sociale Voorzorg het reservefonds tot andere doeleinden aanwenden. (10)

    Art. 6bis. Het Beheerscomité mag geen leningen aangaan dan na voorafgaandelijke machtiging van de Ministers waarvan deze instelling afhankelijk is en van de Ministers van Financiën. Aan deze leningen kan de Staatswaarborg toegekend worden. (11)

    Art. 7. Het aantal leden van het beheerscomité als bedoeld in artikel 2, eerste lid, 2°, van de wet van 25 april 1963 betreffende het beheer van de instellingen van openbaar nut inzake sociale zekerheid en sociale voorzorg bedraagt in totaal veertien.

    Art. 8. Er wordt een betrekking van adjunct-leidend ambtenaar ingesteld.

    Art. 9. Het koninklijk besluit van 31 december 1951 tot oprichting en inrichting van de Bijzondere Compensatiekas voor kinderbijslag voor de gemeenten, de openbare instellingen die ervan afhangen en de verenigingen van gemeenten, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 2 februari 1954, 23 december 1957, 25 maart 1959, 30 april 1962, 3 januari 1963 en 6 februari 1968, wordt opgeheven.

    Art. 10. Artikel 126, § 1, 6° van het koninklijk besluit van 14 februari 1961 tot vaststelling van het statuut van het personeel van sommige in stellingen van openbaar nut, wordt opgeheven.

    Art. 11. Dit besluit treedt in werking op de eerste dag van de maand volgend op die gedurende welke het in het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt.

    (...)


    --------------
    (1) Aldus gewijzigd door het K.B. van 23.10.1989, art. 10, 1° (B.S. 23.11.1989), dat uitwerking had vanaf 1.10.1985.
    (2) Aldus gewijzigd door het K.B. van 14.4.1977, art. 1 (B.S. 26.5.1977), van kracht vanaf 26.5.1977 en door het K.B. van 23.10.1989, art. 10, 2° (B.S. 23.11.1989), dat uitwerking had vanaf 1.10.1985.
    (3) Aldus gewijzigd door het K.B. van 23.10.1989, art. 10, 3° (B.S. 23.11.1989), dat uitwerking had vanaf 1.10.1985.
    (4) Aldus gewijzigd door het K.B. van 23.10.1970 en 14.4.1970, het K.B. van 23.4.1979, art. 1 (B.S. 26.6.1979), dat uitwerking had vanaf 1.1.1979 en door het K.B. van 23.10.1989, art. 10, 4° (B.S. 23.11.1989), dat uitwerking had vanaf 1.1.1986.
    (5) Aldus gewijzigd door het K.B. van 23.10.1989, art. 1 (B.S. 22.11.1989), van kracht vanaf 1.1.1990.
    (6) Opgeheven door het K.B. van 22.9.1982, art. 4 (B.S. 27.10.1982), voor het eerst van kracht wat betreft de bijdragen verschuldigd voor het vierde kwartaal 1982.
    (7) Aldus gewijzigd door het K.B. van 23.10.1989, art. 10, 5° (B.S. 23.11.1989), dat uitwerking had vanaf 1.1.1986.
    (8) Aldus gewijzigd door het K.B. van 23.10.1989, art. 10, 6° (B.S. 23.11.1989), dat uitwerking had vanaf 1.10.1985.
    (9) Gewijzigd door het K.B. van 22.9.1982, art. 5 (B.S. 27.10.1982), voor het eerst van kracht wat betreft de bijdragen verschuldigd voor het vierde kwartaal 1982 en door het K.B. van 23.10.1989, art. 10, 6° (B.S. 23.11.1989), dat uitwerking had vanaf 1.10.1985.
    (10) Aldus ingevoegd door het K.B. van 27.2.1984, art. 1 (B.S. 22.3.1984), van kracht vanaf 1.4.1984.
    (11) Aldus gewijzigd door het K.B. van 23.10.1989, art. 10, 6° (B.S. 23.11.1989), dat uitwerking had vanaf 1.10.1985.
    (12) Aldus ingevoegd bij K.B. van 11.5.1987, art. 1 (B.S. 27.5.1987), van kracht vanaf 11.5.1987.

    Datum van publicatie
    Datum van afkondiging
    Top