Vlaanderen

30 november 1993 - Koninklijk besluit betreffende de terugbetaling van de uitgaven in verband met de gezinsbijslag die de Rijksdienst voor kinderbijslag voor werknemers voor rekening van bepaalde publiekrechtelijke rechtspersonen uitkeert (BS 31.12...

Artikel 1. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder:

a) "Rijksdienst": de Rijksdienst voor kinderbijslag voor werknemers;

b) "derden": de in artikel 111 van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders bedoelde publiekrechtelijke rechtspersonen, voor wier rekening de Rijksdienst gezinsbijslag uitkeert;

c) "administratiekosten" : de kosten verbonden aan het beheer van de kinderbijslagdossiers;

d) "uitkeringskosten" : de kosten verbonden aan de gebruikte betaalmiddelen;

e) "samengeordende wetten": de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders.

Art. 2. De Rijksdienst maakt een jaarlijkse begroting op van de uit te keren gezinsbijslag en de desbetreffende administratie- en uitkeringskosten. Voor de in artikel 101, derde lid, 8°, van de samengeordende wetten bedoelde categorieën, gebeurt de raming op voorstel van het betrokken comité bedoeld in artikel 7. Uiterlijk de zesde van de maand stort de derde het voor de betalingen vereiste bedrag aan de Rijksdienst. Dit bedrag is gelijk aan een twaalfde van de in het eerste lid bedoelde jaarlijkse begroting, behoudens voor de in artikel 101, derde lid, 7°, van de samengeordende wetten bedoelde categorieën van personeelsleden, waarvoor de over te maken bedragen maand per maand door de Rijksdienst worden vastgesteld.

Art. 3. Ingeval de derde verzuimt de in artikel 2 bedoelde storting op de vastgestelde datum te doen, is hij van rechtswege verwijlintresten berekend aan de wettelijke rentevoet aan de Rijksdienst verschuldigd. Deze intresten lopen vanaf de dag volgend op de bedoelde datum.

Indien de vertraging te wijten is aan een omstandigheid onafhankelijk van de derde, kan het Beheerscomité van de Rijksdienst op zijn verzoek en op grond van een gemotiveerde beslissing de derde geheel of gedeeltelijk ontslaan van de verwijlintresten.

Art. 4. Voor de categorieën van rechthebbenden bedoeld in artikel 101, derde lid, 2°, 3°, 4° en 7° en vijfde lid van de samengeordende wetten worden de administratiekosten bepaald op 2 % van de door de Rijksdienst voor rekening van de derde uitgekeerde gezinsbijslag.(1)

Art. 5. § 1. Onverminderd §§ 3, 4, 5, 6 en 7 worden de administratiekosten verbonden aan de uitkeringen voor de bij artikel 101, derde lid, 8° en vierde lid van de samengeordende wetten bedoelde categorieën van personeelsleden, bepaald op een basispercentage van 2 % van de door de Rijksdienst voor rekening van de derde uitgekeerde gezinsbijslag.(2)

§ 2. Het in § 1 bedoelde percentage is verkregen door optelling van de waarden toegekend aan de verschillende gegevens voor de vestiging en het behoud van het recht op gezinsbijslag, opgesomd in volgende tabel : 1. Gegevens in verband met de rechthebbende 0,3 2. Gegevens in verband met het rechtgevend kind 0,3 3. Gegevens in verband met de bijslagtrekkende en het rekeningnummer (wijze van betalen) 0,3 4. Gegevens in verband met de band tussen de rechthebbenden en het rechtgevend kind en vaststellen van het voorrangsrecht 0,2 5. Vaststelling van de schaal en van de rang van het kind (eventueel verdeling van fondsen) 0,3 6. Berekening van de kinderbijslag 0,3 7. Opstellen en verzending van de betalingstitels 0,1 8. Boekhoudkundige verwerking 0,025 9. Beheer van de onverschuldigde betalingen 0,15 10. Afrekening van de uitbetaalde bijslag en de administratiekosten 0,025

§ 3. Na advies van het Beheerscomité van de Rijksdienst, wordt het in § 1 bedoelde percentage door Ons verminderd, gelet op de door de derde medegedeelde gegevens voor de vestiging en het behoud van het recht op gezinsbijslag die geraamd worden uitgaande van de waarden vermeld in § 2. Voor de betaling op grond van artikel 101, derde lid, 8°, van dezelfde weten, wordt die vermindering voorgesteld door het betrokken comité bedoeld in artikel 7. (3)

§ 4. Wat de Vlaamse Gemeenschap betreft, worden de aanvangsadministratiekosten vastgesteld op 1,35 % van de gezinsbijslag die wordt uitgekeerd, gelet op de gegevens die door deze aan de Rijksdienst vanaf 1 september 1993 worden medegedeeld, en geraamd uitgaande van de waarden vermeld in § 2. Dit percentage is vanaf 1 januari 1995 vatbaar voor herziening op voorstel van het betrokken comité bedoeld in artikel 7.

§ 5.Wat de Duitstalige Gemeenschap betreft, worden de aanvangsadministratiekosten vastgesteld op 1,35 % van de gezinsbijslag die wordt uitgekeerd, gelet op de gegevens die door deze aan de Rijksdienst vanaf 1 mei 1995 werden medegedeeld, en geraamd uitgaande van de waarden vermeld in § 2. Dit percentage is vanaf 1 januari 1997 vatbaar voor herziening op voorstel van het betrokken comité bedoeld in artikel 7 (4)

§ 6. Wat de Franse Gemeenschap betreft, worden de aanvangsadministratiekosten vasstgesteld op 1,35 % van de gezinsbijslag die wordt uigekeerd, gelet op de gegevens die door deze aan de Rijksdienst vanaf 1 mei 1995 worden medegedeeld, en geraamd uitgaande van de waarden vermeld in § 2. Dit percentage is vanaf 1 januari 1997 vatbaar voor herziening op voorstel van het betrokken comité bedoeld in artikel 7.

(...) (5)

§ 7. Wat betreft de werkgevers bedoeld in artikel 3, 1° en 2°, van dezelfde wetten die gebruik gemaakt hebben van de mogelijkheid bepaald in artikel 101, vierde lid, van dezelfde wetten, worden de aanvangsadministratiekosten, evenals de modaliteiten van een eventuele herziening voor elk van hen vastgesteld in het koninklijk besluit dat de Rijksdienst machtigt om de gezinsbijslag uit te betalen aan hun personeel. (6)

Art. 6. De uitgekeerde gezinsbijslag en de administratie- en uitkeringskosten enerzijds alsmede de door de derde op grond van artikel 2 gestorte bedragen en de door bijslagtrekkenden aan de Rijksdienst terugbetaalde niet verschuldigde uitkeringen anderzijds, worden jaarlijks verrekend. Het eventueel saldo wordt uiterlijk op 30 april van het jaar van afsluiting van de rekeningen vereffend. In afwijking van het eerste lid kunnen de door bijslagtrekkenden terugbetaalde niet verschuldigde uitkeringen maandelijks door de Rijksdienst worden betaald aan de derde, die daarom verzoekt.

Art. 6bis. Ingeval de derde verzuimt het in artikel 6 bedoelde saldo op de erin vastgestelde datum te vereffenen, is hij van rechtswege verwijlintresten berekend aan de wettelijke rentevoet aan de Rijksdienst verschuldigd. Deze intresten lopen vanaf de dag volgend op de bedoelde datum.

Indien de vertraging te wijten is aan een omstandigheid onafhankelijk van de derde, kan het Beheerscomité van de Rijksdienst op zijn verzoek en op grond van een gemotiveerde beslissing de derde geheel of gedeeltelijk ontslaan van de verwijlintresten. (7)

Art. 7. Per Gemeenschap wordt een comité opgericht, dat paritair is samengesteld uit vertegenwoordigers van de Rijksdienst en de derde voor wie uitgekeerd wordt op grond van artikel 101, derde lid, 7° en 8°, van de samengeordende wetten.

Elke Gemeenschap en de Rijksdienst bepalen in gemeenschappelijk overleg de bijzondere samenstelling en de werkwijze van het betrokken comité.

De in het eerste lid bedoelde comités beleggen ten minste één gemeenschappelijke vergadering per jaar.

Art. 8. Elk comité evalueert de correcte uitvoering van de verrichte betalingen overeenkomstig artikel 101, derde lid, 7° en 8°, van de samengeordende wetten en geeft in verband hiermee de aanbevelingen die het nuttig acht.

Wat de overeenkomstig artikel 101, derde lid, 8°, van de samengeordende wetten uitgekeerde gezinsbijslag betreft, sluit elke Gemeenschap tevens een protocol af met de Rijksdienst met bepalingen over:

1° de respectievelijke taken van de Rijksdienst en de Gemeenschap, inzonderheid inzake de inhoud van de door de derde voor de vestiging en het behoud van het recht mede te delen gegevens;

2° de storting van de bedragen bedoeld in artikel 2;

3° de parameters die de berekening van de werkelijke administratiekosten mogelijk maken.

Art. 9. Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 januari 1993 met uitzondering van artikel 4 dat uitwerking heeft met ingang van 1 april 1990.

----------------- (1) Aldus gewijzigd door het K.B. van 1.10.1996, art. 1 (B.S. 28.11.1996), dat uitwerking had vanaf 30.4.1996. (2) Aldus gewijzigd door het K.B. van 1.10.1996, art. 2, 1° (B.S. 28.11.1996), dat uitwerking had vanaf 1.10.1995. (3) Aldus vervangen door het K.B. van 1.10.1996, art. 2, 2° (B.S. 28.11.1996), dat uitwerking had vanaf 1.10.1995. (4) Aldus toegevoegd door het K.B. van 23.6.1995, art. 1, 2° (B.S. 30.9.1995), dat uitwerking had vanaf 1.5.1995. (5) Aldus toegevoegd door het K.B. van 23.6.1995, art. 1, 2° (B.S. 30.9.1995), dat uitwerking had vanaf 1.5.1995; opgeheven door het K.B. van 24.2.2003, art. 1 (B.S. 17.3.2003), dat uitwerking had vanaf 1.5.2003. (6) Aldus aangevuld door het K.B. van 1.10.1996, art.2, 3° (B.S. 28.11.1996), dat uitwerking had vanaf 1.10.1995. (7) Aldus ingevoegd door het K.B. van 24.2.2003, art. 2 (B.S. 17.3.2003), dat uitwerking had vanaf 1.5.2003.

Datum van publicatie
Datum van afkondiging
Datum einde geldigheid
Top