Vlaanderen

Toelichting in en van het decreet van 19 juni 2020 tot invoering van een uitzonderlijke gezinsbijslag in het kader van de COVID-19-maatregelen

1. Algemene toelichting

Door de maatregelen die genomen werden voor de indamming van de verspreiding van het coronavirus, worden heel wat mensen geconfronteerd met inkomensverlies. In april zaten 30.746 werknemers in het Vlaamse Gewest minstens één dag in tijdelijke werkloosheid, wat gepaard gaat met inkomensverlies.

Mensen met een laag inkomen beschikken vaak niet over een sterke buffer om dat inkomensverlies op te vangen en kunnen daardoor in financiële problemen komen. De uitkering bij tijdelijke werkloosheid is voor de laagste lonen maar net voldoende om de noodzakelijke uitgaven te dekken, en zeker alleenstaanden en alleenstaande ouders hebben geen marge meer om andere uitgaven te kunnen doen als ze niet kunnen terugvallen op een buffer. In het bijzonder de deeltijds werkenden zijn kwetsbaar.1

Daarnaast zijn er heel wat mensen die geen beroep kunnen doen op het stelsel van de tijdelijke werkloosheid en daardoor noodgedwongen terugvallen op een leefloon of een inkomensvervangende uitkering. De Openbare Centra voor Maatschappelijk Welzijn (OCMW’s) melden een belangrijke toename van het aantal leefloonaanvragers. Bovendien is de prijs voor onder meer bepaalde consumentengoederen de voorbije weken substantieel gestegen. Ook al vertaalt zich dat op termijn in een indexaanpassing, het betekent wel dat wie moet rondkomen van een vervangingsinkomen zoals een leefloon of invaliditeitsuitkering, het nu vaak extra moeilijk heeft.

Het Corona Onderzoeksconsortium voor Inkomensverdeling en Sociale Effecten (COVIVAT) ging na welke financiële impact de coronamaatregelen hebben op verschillende huishoudens en wat de effecten van COVID-19 zijn op de dienstverlening van OCMW’s en lokale besturen. Het stelde onder andere vast dat alleenstaande ouders in de tijdelijke werkloosheid geen financiële marge hebben en in de problemen komen om essentiële uitgaven te doen, zoals voor wonen, verzorgingsproducten en voeding. Er zijn dus extra inspanningen nodig om te vermijden dat gezinnen (nog verder) in armoede terechtkomen.

De Vlaamse Regering heeft al een initiatief genomen om het inkomensverlies van mensen te temperen, meer bepaald de tegemoetkoming in de energiefactuur voor mensen in tijdelijke werkloosheid. Extra maatregelen die nu genomen worden, moeten zo gericht mogelijk worden ingezet, met bijzondere aandacht voor kinderen.

Dit voorstel van decreet omvat een tijdelijke tegemoetkoming via het groeipakket voor gezinnen met een inkomen onder de grens van 2213,30 euro per maand die ten gevolge van de coronacrisis een inkomensdaling ervaren. Met die tijdelijke extra ondersteuning worden de meest kwetsbare gezinnen beoogd. Vanuit dat oogpunt worden de administratieve lasten voor de burgers zo veel mogelijk beperkt. Ze moeten alleen hun meest recente inkomensgegevens bezorgen. Tegelijkertijd worden ook de administratieve lasten voor de uitbetalingsactoren zo veel mogelijk beperkt door de beschikbare dossiergegevens maximaal te hergebruiken. 

Tot de doelgroep van de COVID-19-toeslag behoren zowel gezinnen die ten tijde van de coronacrisis onder de vastgestelde inkomensgrens zakken, als gezinnen die al een sociale toeslag uit het groeipakket ontvangen en van wie het inkomen door de coronacrisis nog verder is gedaald.

Met dit voorstel van decreet wordt het eerste voorstel uitgevoerd dat is opgenomen in de resolutie over een gerichte versterking van kwetsbare huishoudens naar aanleiding van de COVID-19-pandemie die het Vlaams Parlement op 20 mei 2020 heeft goedgekeurd (Parl.St. Vl.Parl. 2019-20, nr. 326/2).

2. Toelichting bij de artikelen

Hoofdstuk 1. - Algemene bepalingen

Artikel 1

Dit decreet regelt een gemeenschapsaangelegenheid.

Artikel 2

Dit artikel definieert een aantal begrippen die in dit voorstel van decreet gebruikt worden.

Artikel 3

Dit artikel licht de doelstelling van dit voorstel van decreet toe. Er wordt een extra en tijdelijke gezinsbijslag ingevoerd in de zin van artikel 5, §1, IV, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 in de vorm van een COVID-19-toeslag voor de gezinnen die financieel getroffen zijn door de coronacrisis.

Hoofdstuk 2. - Rechtgevend kind

Artikel 4

Dit artikel definieert het begrip rechtgevend kind: het bepaalt welke kinderen recht geven op de COVID-19-toeslag en stelt op die manier het personele toepassingsgebied van de COVID-19-toeslag vast.

Het eerste lid, 1°, verduidelijkt dat het gaat om een kind dat recht geeft op de gezinsbijslagen, vermeld in artikel 8 of artikel 210, §1, van het decreet van 27 april 2018 tot regeling van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid.

Het eerste lid, 2°, stelt de financiële voorwaarden vast die in dit voorstel van decreet nader worden bepaald. Aan die voorwaarden moet cumulatief voldaan zijn.

Het tweede en derde lid definiëren het begrip begunstigde en verduidelijken aan wie de COVID-19-toeslag toegekend wordt als de ouders niet op hetzelfde adres wonen.

Hoofdstuk 3. - Aanvraag van de COVID-19-toeslag

Artikel 5

Dit artikel bepaalt de aanvraagperiode voor de COVID-19-toeslag.

Gelet op het tijdelijke en uitzonderlijke karakter van de COVID-19-toeslag wordt de aanvraagperiode duidelijk afgebakend. De toeslag kan aangevraagd worden vanaf 15 juni 2020 tot en met 31 oktober 2020.

Artikel 6

Het eerste lid van dit artikel bepaalt dat de aanvraag moet worden ingediend bij de bevoegde uitbetalingsactor. De bevoegde uitbetalingsactor wordt in artikel 13 van dit voorstel van decreet vastgesteld.

Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat bij de aanvraag de nodige bewijsstukken moeten worden gevoegd, die aantonen dat de financiële voorwaarden, vermeld in hoofdstuk 5, zijn vervuld. De uitbetalingsactoren beschikken in het kader van het groeipakket automatisch over de inkomensgegevens op basis van het aanslagbiljet van twee jaar geleden. Gelet op de doelstelling van de toeslag, namelijk tegemoetkomen aan een inkomensverlies ten gevolge van de coronacrisis, bevat dat aanslagbiljet onvoldoende gegevens. Dat heeft tot gevolg dat de begunstigden zelf actuele bewijsstukken zullen moeten voorleggen waarmee ze aantonen dat hun inkomen aan de financiële voorwaarden voldoet.

Om de administratieve overlast voor de uitbetalingsactoren te beperken, zullen dezelfde documenten aanvaard worden als de bewijsstukken die worden aanvaard in het kader van de manuele alarmbelprocedure van de sociale toeslag.

Hoofdstuk 4. - Bedrag van de COVID-19-toeslag

Artikel 7

Dit artikel legt het bedrag vast van de COVID-19-toeslag, namelijk 120 euro. Dat bedrag wordt toegekend boven op het basisbedrag, vermeld in artikel 13 en artikel 210, §2, van het decreet van 27 april 2018.

De toeslag wordt definitief toegekend en uitbetaald in drie schijven, meer bepaald voor de maand van de aanvraag en de twee daaropvolgende maanden.

Hoofdstuk 5. - Financiële voorwaarden

Artikel 8

Om recht te hebben op de COVID-19-toeslag moet de aanvrager een inkomensdaling van minstens 10 procent kunnen aantonen. Cijfers van de Nationale Bank op basis van de maandelijkse consumentenenquête2 laten zien dat 27 procent van de respondenten aangeeft dat ze een inkomensverlies van meer dan 10 procent lijden.

De inkomensdaling moet worden aangetoond voor een van de volgende maanden: maart 2020, april 2020, mei 2020 of juni 2020. Het gaat om een daling in vergelijking met het inkomen van de maand januari 2020 of februari 2020.

Dit artikel legt als extra voorwaarde op dat het gezinsinkomen onder de maandelijkse inkomensgrens van 2213,30 euro moet liggen.

Artikel 9

Dit artikel bepaalt met welke personen rekening wordt gehouden om de gezinsinkomsten voor de toekenning van de COVID-19-toeslag vast te stellen. Om de administratieve overlast voor de uitbetalingsactoren te beperken, is die regeling geënt op de regeling van de sociale toeslag.

Paragraaf 1 legt in een cascade de volgorde vast waarin rekening wordt gehouden met de inkomsten van beide begunstigden die op het moment van de aanvraag op hetzelfde adres wonen. Als er maar één begunstigde is of als beide begunstigden niet op hetzelfde adres wonen, worden de inkomsten van de begunstigde en de persoon met wie de begunstigde een feitelijk gezin vormt, in aanmerking genomen.

Paragraaf 2 legt in een cascade de volgorde vast tussen de verschillende personen met wie een begunstigde een feitelijk gezin vormt. Het is immers de bedoeling om alleen rekening te houden met het inkomen van de begunstigde en één extra persoon met wie die begunstigde effectief een feitelijk gezin vormt.

Als de begunstigden al recht hebben op de sociale toeslag, zal er voor de toekenning van de COVID-19-toeslag rekening worden gehouden met de inkomsten van dezelfde personen als voor de toekenning van de sociale toeslag.

In het kader van de automatische procedure van de sociale toeslag wordt ook administratief voor de begunstigden die (nog) geen recht hebben op de sociale toeslag, al een inkomstenkern vastgesteld.

Artikel 10 

In dit artikel komen de volgende bepalingen aan bod:

  • paragraaf 1 bepaalt wat onder samenwonen moet worden begrepen; 
  • paragraaf 2 bepaalt welke documenten als officiële documenten worden aanvaard;
  • paragraaf 3 bepaalt hoe het feitelijke gezin kan worden bewezen als uit het Rijksregister niet blijkt dat de betrokkenen op hetzelfde adres samenwonen;
  • paragraaf 4 bepaalt hoe de vorming van een feitelijk gezin kan worden weerlegd; 
  • paragraaf 5 bepaalt wanneer de vorming van een feitelijk gezin niet kan worden weerlegd.

Gelet op de al bestaande samenstelling van een inkomstenkern in het kader van de automatische procedure van de sociale toeslag hoeven de begunstigden in eerste instantie geen bewijzen meer aan te brengen voor de vaststelling van een feitelijk gezin, tenzij ze van oordeel zijn dat hun feitelijke situatie gewijzigd is.

Als de begunstigde samenwoont met meer dan één niet-verwante persoon, kan de begunstigde aan de hand van de opgesomde documenten ofwel de vorming van een feitelijk gezin aantonen, ofwel de vorming van een feitelijk gezin weerleggen.

Om de administratieve overlast voor de uitbetalingsactoren te beperken, is deze regeling geënt op de regeling van de sociale toeslag.

Artikel 11

Dit artikel bepaalt met welke inkomsten rekening wordt gehouden om het gezinsinkomen vast te stellen. Om de administratieve overlast voor de uitbetalingsactoren te beperken wordt daarbij afstemming gezocht met het inkomensbegrip dat toegepast wordt voor de sociale toeslag.

Zoals in artikel 6 wordt vermeld, moeten de begunstigden zelf actuele bewijsstukken aanleveren die dat inkomen aantonen.

Voor de kadastrale inkomens (ki) wordt er naar de automatische gegevens gekeken. Ook daarvoor zullen de begunstigden zelf recente wijzigingen moeten doorgeven en bewijzen op basis van stukken moeten bezorgen als met die recentere gegevens rekening moet worden gehouden.

Artikel 12

Dit artikel bepaalt de manier waarop het kadastraal inkomen wordt gewogen om te bepalen of de begunstigde recht heeft op de COVID-19-toeslag. Om de administratieve overlast voor de uitbetalingsactoren te beperken, wordt daarbij afstemming gezocht met de ki-toets die toegepast wordt voor de sociale toeslag.

Voor het bepalen van het kadastraal inkomen zal de uitbetalingsactor de beschikbare gegevens opvragen via de vastgestelde fluxen. Als de gegevens recent gewijzigd zijn en er met de nieuwe gegevens rekening moet worden gehouden, zullen de begunstigden die wijzigingen moeten aantonen aan de hand van bewijsstukken.

Hoofdstuk 6. - Uitbetaling van de COVID-19-toeslag

Artikel 13

Om de administratieve overlast voor de uitbetalingsactoren en de begunstigden te beperken, wordt de keuze van de uitbetalingsactor en de bankrekening geënt op de keuze die gemaakt wordt op basis van het decreet van 27 april 2018.

Artikel 14

Dit artikel bepaalt dat de COVID-19-toeslag uiterlijk uitbetaald wordt op de achtste van iedere maand die volgt op de maand waarop het recht op de COVID-19-toeslag betrekking heeft. Dat neemt niet weg dat erop ingezet wordt om de toeslag bij de toekenning zo snel mogelijk uit te betalen. De toeslag voor de overige twee maanden wordt telkens bij het begin van de daaropvolgende maand uitbetaald, zoals ook het geval is voor de andere gezinsbijslagen.

Hoofdstuk 7. - Rechtsbescherming en handhaving

Artikel 15

Dit artikel behoeft geen verdere toelichting.

Hoofdstuk 8. - Inwerkingtreding

Artikel 16

Dit decreet heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2020. Die datum van inwerkingtreding is gunstig voor de burger, aangezien dit decreet ervoor zorgt dat zijn rechten op de COVID-19-toeslag vanaf de maand maart 2020 maximaal worden gevrijwaard op basis van inkomensgegevens vanaf de maand januari 2020.

 

 

 

 

 

Datum van publicatie
Datum van afkondiging
Datum einde geldigheid
Top