Artikel 40 BVR Rechtgevend kind

De gezinsbijslagen worden toegekend aan de schoolverlater voor een periode van in totaal twaalf maanden vanaf de maand dat het kind niet meer voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 8, §2, eerste lid, en aan de algemene vrijstellingen verleend conform artikel 8, §3, tweede lid, van het Groeipakketdecreet van 2018, met uitzondering van de voorwaarden voor schoolverlaters, vermeld in artikel 8, §2, eerste lid, van het voormelde decreet.

De termijn van twaalf maanden, vermeld in het eerste lid, start op de volgende tijdstippen:

  1. de maand nadat het rechtgevende kind 18 jaar is geworden conform artikel 8, §2, eerste lid, 1°, van het voormelde decreet, als het kind niet aansluitend een recht op gezinsbijslagen kan openen op basis van artikel 8, §2, eerste lid, 3°, van het voormelde decreet of op basis van de algemene vrijstellingen verleend conform artikel 8, §3, tweede lid, van het voormelde decreet;
  2. de maand nadat het rechtgevende kind 21 jaar is geworden conform artikel 8, §2, eerste lid, 2°, van het voormelde decreet of na het einde van de erkenning, als het kind met een specifieke ondersteuningsbehoefte, tussen de leeftijd van 18 en 21 jaar conform artikel 8, §2, eerste lid, 2°, van het voormelde decreet, niet aansluitend een recht op gezinsbijslagen kan openen op basis van artikel 8, §2, eerste lid, 3°, van het voormelde decreet of op basis van de algemene vrijstellingen verleend conform artikel 8, §3, tweede lid, van het voormelde decreet;
  3. de maand na de datum waarop een studie, leertijd of vorming voortijdig is beëindigd op basis van artikel 16 en 24 van dit besluit;
  4. de maand waarin het rechtgevende kind niet meer voldoet aan de voorwaarden over niet-hoger onderwijs op basis van artikel 16 van dit besluit;
  5. de maand na de einddatum van de vakanties op basis van artikel 22 en 28 van dit besluit;
  6. de maand waarin het rechtgevende kind niet meer voldoet aan de voorwaarden voor hoger onderwijs op basis van artikel 24 van dit besluit;
  7. de maand na het bereiken van de zes maanden afwezigheid wegens ziekte als die afwezigheid niet gewettigd wordt na onderzoek door de bevoegde dienst conform artikel 20, §1, artikel 26, §1, en artikel 35, §1, van dit besluit;
  8. de maand nadat meer dan vier maanden is verstreken tussen twee school- of academiejaren in België of een andere EER-lidstaat of Zwitserland op basis van artikel 31 van dit besluit;
  9. de maand waarin het rechtgevende kind niet meer voldoet aan de voorwaarde, vermeld in artikel 16, tweede lid, van dit besluit, als het kind is ingeschreven voor een of meer vormingen van het hoger onderwijs met in totaal minder dan 27 studiepunten en daarnaast een opleiding in het niet-hoger onderwijs volgt, op basis van artikel 32 van dit besluit;
  10. de maand waarin het rechtgevende kind niet meer uitsluitend lessen volgt in het hoger onderwijs waarvan de modaliteiten niet uitgedrukt worden in studiepunten, of de maand waarin het rechtgevende kind niet meer ingeschreven is voor een bijkomend jaar voor de geïntegreerde proef in het onderwijs voor sociale promotie, op basis van artikel 33 van dit besluit;
  11. de maand na het einde van de stageperiode die vereist is om in een openbaar ambt te worden benoemd of de maand na de onderbreking van die stage, op basis van artikel 38 van dit besluit;
  12. de maand waarin het rechtgevende kind niet meer voldoet aan de voorwaarden voor de algemene vrijstellingen voor kinderen buiten België op basis van artikel 47, 48 en 49 van dit besluit.

Vanaf de maand dat het kind weer aan de voorwaarden van een kind met een specifieke ondersteuningsbehoefte, leerling, student of stagiair of van de algemene vrijstellingen voldoet, wordt het recht, vermeld in het eerste lid, geschorst en worden de gezinsbijslagen toegekend conform artikel 8, §2, van het voormelde decreet en de algemene vrijstellingen verleend conform artikel 8, §3, tweede lid, van het voormelde decreet. De periode die al krachtens dit artikel is toegekend, wordt in mindering gebracht van de termijn van twaalf maanden, vermeld in het eerste lid. De schorsing loopt zolang er een recht op gezinsbijslagen toegekend kan worden conform artikel 8, §2, van het voormelde decreet en de algemene vrijstellingen verleend conform artikel 8, §3, tweede lid, van het voormelde decreet, met uitzondering van het recht van de schoolverlater.

Besluit van de Vlaamse Regering van 11 februari 2022 tot vaststelling van maatregelen voor gelegenheidsarbeiders voor de periode van 1 april 2020 tot en met 30 september 2021 ten gevolge van de uitbraak van het COVID-19-virus, wat betreft de toelagen in het kader van het gezinsbeleid en tot wijziging van diverse besluiten over de toelagen in het kader van het gezinsbeleid - hoofdstuk 5 - artikel 37 - inwerkingtreding 25.03.2022

Artikel 40 van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt:

"Art. 40. De gezinsbijslagen worden toegekend aan de schoolverlater voor een periode van in totaal twaalf maanden vanaf de maand dat het kind niet meer voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 8, §2, eerste lid, en aan de algemene vrijstellingen verleend conform artikel 8, §3, tweede lid, van het Groeipakketdecreet van 2018, met uitzondering van de voorwaarden voor schoolverlaters, vermeld in artikel 8, §2, eerste lid, van het voormelde decreet.

De termijn van twaalf maanden, vermeld in het eerste lid, start op de volgende tijdstippen:

  1. de maand nadat het rechtgevende kind 18 jaar is geworden conform artikel 8, §2, eerste lid, 1°, van het voormelde decreet, als het kind niet aansluitend een recht op gezinsbijslagen kan openen op basis van artikel 8, §2, eerste lid, 3°, van het voormelde decreet of op basis van de algemene vrijstellingen verleend conform artikel 8, §3, tweede lid, van het voormelde decreet;
  2. de maand nadat het rechtgevende kind 21 jaar is geworden conform artikel 8, §2, eerste lid, 2°, van het voormelde decreet of na het einde van de erkenning, als het kind met een specifieke ondersteuningsbehoefte, tussen de leeftijd van 18 en 21 jaar conform artikel 8, §2, eerste lid, 2°, van het voormelde decreet, niet aansluitend een recht op gezinsbijslagen kan openen op basis van artikel 8, §2, eerste lid, 3°, van het voormelde decreet of op basis van de algemene vrijstellingen verleend conform artikel 8, §3, tweede lid, van het voormelde decreet;
  3. de maand na de datum waarop een studie, leertijd of vorming voortijdig is beëindigd op basis van artikel 16 en 24 van dit besluit;
  4. de maand waarin het rechtgevende kind niet meer voldoet aan de voorwaarden over niet-hoger onderwijs op basis van artikel 16 van dit besluit;
  5. de maand na de einddatum van de vakanties op basis van artikel 22 en 28 van dit besluit;
  6. de maand waarin het rechtgevende kind niet meer voldoet aan de voorwaarden voor hoger onderwijs op basis van artikel 24 van dit besluit;
  7. de maand na het bereiken van de zes maanden afwezigheid wegens ziekte als die afwezigheid niet gewettigd wordt na onderzoek door de bevoegde dienst conform artikel 20, §1, artikel 26, §1, en artikel 35, §1, van dit besluit;
  8. de maand nadat meer dan vier maanden is verstreken tussen twee school- of academiejaren in België of een andere EER-lidstaat of Zwitserland op basis van artikel 31 van dit besluit;
  9. de maand waarin het rechtgevende kind niet meer voldoet aan de voorwaarde, vermeld in artikel 16, tweede lid, van dit besluit, als het kind is ingeschreven voor een of meer vormingen van het hoger onderwijs met in totaal minder dan 27 studiepunten en daarnaast een opleiding in het niet-hoger onderwijs volgt, op basis van artikel 32 van dit besluit;
  10. de maand waarin het rechtgevende kind niet meer uitsluitend lessen volgt in het hoger onderwijs waarvan de modaliteiten niet uitgedrukt worden in studiepunten, of de maand waarin het rechtgevende kind niet meer ingeschreven is voor een bijkomend jaar voor de geïntegreerde proef in het onderwijs voor sociale promotie, op basis van artikel 33 van dit besluit;
  11. de maand na het einde van de stageperiode die vereist is om in een openbaar ambt te worden benoemd of de maand na de onderbreking van die stage, op basis van artikel 38 van dit besluit;
  12. de maand waarin het rechtgevende kind niet meer voldoet aan de voorwaarden voor de algemene vrijstellingen voor kinderen buiten België op basis van artikel 47, 48 en 49 van dit besluit.

Vanaf de maand dat het kind weer aan de voorwaarden van een kind met een specifieke ondersteuningsbehoefte, leerling, student of stagiair of van de algemene vrijstellingen voldoet, wordt het recht, vermeld in het eerste lid, geschorst en worden de gezinsbijslagen toegekend conform artikel 8, §2, van het voormelde decreet en de algemene vrijstellingen verleend conform artikel 8, §3, tweede lid, van het voormelde decreet. De periode die al krachtens dit artikel is toegekend, wordt in mindering gebracht van de termijn van twaalf maanden, vermeld in het eerste lid. De schorsing loopt zolang er een recht op gezinsbijslagen toegekend kan worden conform artikel 8, §2, van het voormelde decreet en de algemene vrijstellingen verleend conform artikel 8, §3, tweede lid, van het voormelde decreet, met uitzondering van het recht van de schoolverlater.".

gearchiveerde versie

Datum van publicatie
Datum van afkondiging
Top