Artikel 91 uit Kinderbijslagwet werknemers

    Het K.B. nr. 290 van 30.03.1936, art. 1 (B.S. 07.04.1936 ; Err. B.S. 24.04.1936), van kracht vanaf 01.07.1936, heeft in een art. 48bis ingelast, luidend als volgt :

    "De krachtens artikel 6 vrije toegelaten kassen en de bijzondere kassen, waarvan sprake in artikel 16, mogen een reservefonds stichten.

    De statuten van de vereeniging bepalen er de bestemming van.

    Het reservefonds wordt gestijfd met :

    a) de intresten van het fonds voor gewone uitgaven en de andere fondsen in bezit van de kas ;

    b) de bijkomende bijzondere bijdragen.

    Nochtans, mogen de betrokken kassen in hun reservefonds een deel storten van de sommen welke zij gemachtigd zijn te behouden, krachtens artikel 11, alinea 9, de eindalinea van artikel 16, artikel 48sexies, alinea's 4 tot 6 en de eindalinea van artikel 50.

    Dit deel mag, in geen geval, 10 t.h. overtreffen.

    Harerzijds mag de hulpkas een reservefonds stichten, waarin zij hoogstens 20 t.h. mag storten van de sommen welke zij mag behouden, krachtens artikel 17, alinea 8, en artikel 48sexies, alinea 's 4 tot 6.

    Zoowel voor de hulpkas als voor de krachtens artikel 6 vrije toegelaten kassen en de bijzondere kassen waarvan sprake in artikel 16, mag het vermogen van het reservefonds, zonder toelating van den bevoegden Minister, het vierdubbel van het voorzorgsfonds niet overschrijden.

    Zoo dit peil, zonder toelating van den bevoegden Minister, is overschreden, wordt het overschot aan de Nationale Kas gestort."
     

    Datum van publicatie
    Datum van afkondiging
    Top