Koninklijk besluit van 25 oktober 1971 tot uitvoering van de wet van 20 juli 1971 tot instelling van gewaarborgde gezinsbijslag

Artikel 1. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder:

1° "Wet": de wet van 20 juli 1971 tot instelling van gewaarborgde gezinsbijslag;

2° "Samengeordende wetten": de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders;

3° "koninklijk besluit van 8 april 1976": het koninklijk besluit van 8 april 1976 houdende regeling van de gezinsbijslag voor zelfstandigen;

4° "Rijksdienst": de Rijksdienst voor Kinderbijslag voor Werknemers.

Art. 2. (Opgeheven)

Art. 3. Een kind kan de bij de wet bedoelde kinderbijslag of bijzondere bijslag slechts genieten, indien het gedurende een volledige kalendermaand geen recht heeft op kinderbijslag krachtens een Belgische, een buitenlandse of een internationale regeling, of indien het krachtens zulk een regeling voor een volledige kalendermaand recht geeft op kinderbijslag ten belope van een bedrag dat lager is dan datgene dat met inbegrip van de eventuele leeftijdsbijslag, over die maand kan toegekend worden overeenkomstig de wet.

Art. 4. De kinderbijslag en de bijzondere bijslag worden toegekend aan elk kind dat voldoet aan de voorwaarden bepaald bij of krachtens artikel 62 van de samengeordende wetten.

Art. 5. Kraamgeld wordt verleend voor elk kind, zelfs indien het doodgeboren is of het om een miskraam gaat na ten minste honderdtachtig dagen zwangerschap.

De geboorterang van een kind wordt bepaald overeenkomstig de bepalingen van het koninklijk besluit van 8 april 1976.

De bijslagtrekkende kan, met ingang van de zesde maand van de zwangerschap, het kraamgeld aanvragen en de uitbetaling ervan bekomen twee maand vóór de vermoedelijke geboortedatum welke vermeld staat in het bij de aanvraag te voegen geneeskundig getuigschrift.

Art. 6. De gezinsbijslag wordt toegekend op voorwaarde dat de bestaansmiddelen, bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de wet, het bedrag van 3.079,06 euro per kwartaal niet overschrijden.

De in het voorgaande lid bepaalde bestaansmiddelen worden verhoogd met 20 procent voor ieder kind vanaf het tweede dat uitsluitend of hoofdzakelijk ten laste is en dat rechtgevend is op kinderbijslag of daartoe de vereisten vervult, bepaald krachtens artikel 2, tweede lid van de wet.

Voor de toekenning van kinderbijslag, zijn de bestaansmiddelen welke in aanmerking genomen worden die waarover de persoon die het kind ten laste heeft, zijn niet feitelijk gescheiden of van tafel en bed gescheiden echtgenoot of de persoon met wie hij een huishouden vormt, beschikken gedurende het kalenderkwartaal waarin de maand valt vanaf wanneer die uitkering kan worden verleend op grond van de wet en van dit besluit.

Voor de toekenning van de bijzondere bijslag, zijn de bestaansmiddelen welke in aanmerking genomen worden die waarover de persoon die het kind ten laste had onmiddellijk voor de plaatsing, zijn niet feitelijk gescheiden of van tafel en bed gescheiden echtgenoot of de persoon met wie hij een huishouden vormt, beschikken gedurende het kalenderkwartaal waarin de maand valt vanaf wanneer die uitkering kan worden verleend op grond van de wet en van dit besluit.

Voor de toekenning van kraamgeld, zijn de bestaansmiddelen welke in aanmerking genomen worden die waarover de persoon die het kind ten laste heeft, zijn niet feitelijk gescheiden of van tafel en bed gescheiden echtgenoot of de persoon met wie hij een huishouden vormt beschikken gedurende het kalenderkwartaal waarin het kind geboren is.

Iedere wijziging van de inkomsten welke van die aard is dat zij het recht op de gezinsbijslag doet verliezen, dient door de aanvrager onmiddellijk ter kennis gebracht te worden van de Rijksdienst.

Voor de raming van de bestaansmiddelen wordt geen rekening gehouden met:

1° de gezinsbijslag waarop de aanvrager, zijn niet feitelijk gescheiden of van tafel en bed gescheiden echtgenoot of de persoon met wie hij een huishouden vormt, aanspraak kunnen maken ten voordele van de andere kinderen die zij ten laste hebben;

2° de uitkeringen die verband houden met de openbare of private bijstand;

3° de uitkeringen tot onderhoud die aan de aanvrager, aan zijn niet feitelijke gescheiden of van tafel en bed gescheiden echtgenoot of aan de persoon met wie hij een huishouden vormt, door zijn ascendenten of descendenten verschuldigd zijn;

4° de renten verkregen ingevolge stortingen als vrijwillig verzekerde verricht overeenkomstig de bij besluit van de Regent van 12 september 1946 samengeordende wetten betreffende de verzekering tegen de geldelijke gevolgen van ouderdom of vroegtijdige dood of de pensioenen verkregen overeenkomstig de wet van 12 februari 1963 betreffende de inrichting van een ouderdoms- en overlevingspensioenregeling ten behoeve van de vrijwillig verzekerden;

5° de frontstrepen- en gevangenschapsrenten alsmede de renten verbonden aan een nationale orde op grond van een oorlogsfeit;

6° de militievergoeding;

7° het kadastraal inkomen van het huis of het gedeelte van het huis dat eigendom is van de aanvrager, van zijn niet feitelijk gescheiden of van tafel en bed gescheiden echtgenoot of van de persoon met wie hij een huishouden vormt, en dat door de aanvrager wordt betrokken;

8° de onderhoudsgelden ontvangen voor ongehuwde minderjarige kinderen die ten laste zijn van de aanvrager, van diens echtgenoot waarvan hij of zij niet feitelijk of van tafel en bed gescheiden is of van de persoon met wie hij of zij samenwoont, en voorschotten op de termijnbetaling van onderhoudsgelden ontvangen voor ongehuwde minderjarige kinderen die ten laste zijn van de aanvrager, van diens echtgenoot waarvan hij of zij niet feitelijk of van tafel en bed gescheiden is of van de persoon met wie hij of zij samenwoont, op grond van artikel 68bis van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn;

9° de studietoelagen toegekend aan de aanvrager, aan diens niet feitelijk gescheiden of van tafel en bed gescheiden echtgenoot of aan de persoon met wie hij of zij een huishouden vormt, te zijnen of te haren gunste of ten gunste van de kinderen die hij of zij te zijnen of ten haren laste heeft;

10° een begeleidingsuitkering, bepaald in het koninklijk besluit van 8 december 1998 betreffende de toekenning van een begeleidingsuitkering aan jongeren die een intensieve opleiding met uitzicht op een baan volgen en in het koninklijk besluit van 6 oktober 2000 betreffende de toekenning van een begeleidingsuitkering aan jongeren die een opleiding volgen ter voorbereiding van de overeenkomst voor een startbaan.

11° vergoedingen bedoeld in de artikelen 10 en 11 van de wet van 3 juli 2005 betreffende de rechten van vrijwilligers, voorzover het vrijwilligerswerk zijn onbezoldigd karakter niet verliest overeenkomstig deze artikelen.

12° de soldij bedoeld in artikel 50, tweede lid, van de wet van 10 januari 2010 tot instelling van de vrijwillige militaire inzet en tot wijziging van verschillende wetten van toepassing op het militair personeel.

Art. 7. Het bedrag van de bestaansmiddelen bedoeld in artikel 6 verandert overeenkomstig de bepalingen van de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de openbare schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld, telkens wanneer de bedragen van de gezinsbijslag veranderen bij toepassing van de bepalingen van voormelde wet van 2 augustus 1971.
Dat bedrag wordt gekoppeld aan het spilindexcijfer 103,14 (basis 1996 = 100).

De bedragen die bij toepassing van de bepalingen van dit artikel eindigen op een gedeelte van een cent, worden tot de hogere of de lagere cent afgerond naargelang het gedeelte al dan niet 0,5 bereikt.

Art. 8. § 1.De maandelijkse bedragen van de kinderbijslag zijn de bedragen bedoeld in:

1° de artikelen 40 en 42bis van de samengeordende wetten;

2° artikel 50bis van de samengeordende wetten, voor de wees, voor zover er op het ogenblik van het overlijden van een van zijn ouders een recht op gewaarborgde gezinsbijslag geopend was voor dit kind of de voorwaarden bepaald door de wet vervuld waren.

De in het eerste lid, 2° bedoelde kinderbijslag wordt nochtans verleend tegen bij de artikelen 40 en 42bis van de samengeordende wetten bepaalde bedragen, indien de overlevende vader of moeder een huwelijk aangaat of een feitelijk gezin vormt met een persoon die geen bloed- of aanverwant is tot en met de derde graad.

Het samenwonen van de overlevende ouder met een persoon die geen bloed- of aanverwant is tot en met de derde graad doet vermoeden tot bewijs van het tegendeel dat er sprake is van een feitelijk gezin.

Het voordeel van het eerste lid, 2° mag opnieuw worden ingeroepen wanneer de overlevende ouder niet meer samenwoont met de echtgenoot waarmee een nieuw huwelijk was aangegaan of met de persoon met wie een feitelijk gezin gevormd werd. De feitelijke scheiding moet blijken uit de afzonderlijke hoofdverblijfplaats van de personen in kwestie, in de zin van artikel 3, eerste lid, 5°, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van het Rijksregister van de natuurlijke personen, met uitzondering van de gevallen waarbij uit andere daarvoor overgelegde officiële documenten blijkt dat de feitelijke scheiding effectief is, ook al stemt dit niet of niet meer overeen met de informatie verkregen bij het voormelde register.

§ 1bis. In afwijking op § 1, stemmen de maandelijkse bedragen van de kinderbijslag overeen met de bedragen bepaald bij artikel 17 van het koninklijk besluit van 8 april 1976, wanneer het kind reeds gedurende een volledige kalendermaand recht geeft op gezinsbijslag krachtens een Belgische, buitenlandse of internationale regeling.

§ 2. Het kind dat gerechtigd is op kinderbijslag bij toepassing van de wet heeft eveneens recht op leeftijdsbijslagen tegen de bedragen en volgens de regels bepaald bij de artikelen 44, § 2, en 44ter, van de samengeordende wetten.

Het kind dat gerechtigd kan zijn op kinderbijslag bij toepassing van de wet tegen het bedrag bepaald in artikel 42bis, § 2, 3°, eerste zin, van de samengeordende wetten, heeft recht, in plaats van dit bedrag, op de maandelijkse bijslag bedoeld in artikel 1 van de wet, tegen het bedrag en volgens de regels bepaald in artikel 41, enig lid, inleidende zin en eerste en tweede gedachtestreep, van de samengeordende wetten.

§ 2bis. In afwijking op § 2, stemmen de maandelijkse leeftijdsbijslagen overeen met de bedragen bepaald in artikel 21 van het koninklijk besluit van 8 april 1976, wanneer het kind reeds gedurende een volledige kalendermaand recht geeft op gezinsbijslag krachtens een Belgische, buitenlandse of internationale regeling.

§ 2ter. Het maandelijkse bedrag van de bijzondere bijslag is bepaald op 45,91 EUR. Dit bedrag is gekoppeld aan de spilindex 103,14 (basis 1996 = 100)en evolueert conform de bepalingen van artikel 76bis van de samengeordende wetten.

In afwijking van het eerste lid, stemt het maandelijkse bedrag van de bijzondere bijslag overeen met het bedrag voor het eerste kind bepaald bij artikel 17 van het koninklijk besluit van 8 april 1976, wanneer het kind reeds gedurende een volledige kalendermaand recht geeft op gezinsbijslag krachtens een Belgische, buitenlandse of internationale regeling.

§ 3. Het bedrag van het kraamgeld is gelijk aan dat van het kraamgeld dat wordt verleend krachtens artikel 73bis, § 1, zevende lid van de samengeordende wetten.

§ 3bis. Indien ingevolge de toepassing van artikel 6, 2e lid, de bedragen van de kinderbijslagen, van de leeftijdsbijslag, van de bijzondere bijslag of van het kraamgeld eindigen op een gedeelte van een cent, wordt het centgedeelte afgerond tot de hogere of lagere cent, naargelang het gedeelte al dan niet 0,5 bereikt.

§ 4. Het recht op de kinderbijslag dat ten gunste van een kind ontstaat door zijn geboorte, wordt toegekend vanaf de eerste dag van de maand die volgt op deze waarin het kind is geboren; dit is eveneens het geval wanneer het recht op kinderbijslag ontstaat ingevolge adoptie, wettiging door adoptie of opname onder pleegvoogdij.

Nochtans, wanneer, ingevolge een andere gebeurtenis in hoofde van het kind dan deze vermeld in het eerste lid, het recht op kinderbijslag ten gunste van een kind ontstaat in de loop van een maand, wordt het geacht verworven te zijn van de eerste dag van die maand.

Wanneer het in eerste en tweede lid van deze § bedoelde recht een einde neemt in de loop van een maand, wordt het geacht het verloren te zijn op het einde van die maand.

Iedere gebeurtenis die aanleiding geeft in de loop van een maand tot de toekenning van een hoger of een lager bedrag aan kinderbijslag, geeft aanleiding tot de toekenning van dit hoger of lager bedrag, de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin de gebeurtenis plaats had ; het van toepassing zijnde bedrag wordt toegekend tot het einde van de maand.

Wanneer de plaatsing van het kind in een instelling ten laste van een openbare overheid in de loop van een maand aanleiding geeft tot een recht op de bijzondere bijslag, dan wordt deze geacht verworven te zijn de eerste dag van de volgende maand.

Het verlies van het recht op de bijzondere bijslag in de loop van een maand wordt geacht zich voor te doen op het einde van die maand, behalve wanneer dit verlies uitsluitend te wijten is aan de beëindiging van de plaatsing; in dat geval wordt het verlies van het recht geacht zich voor te doen op het einde van de vorige maand.

§ 5. De Rijksdienst kent een adoptiepremie toe aan de adoptant of zijn echtgenoot, voor een kind dat deel uitmaakt van het gezin van de adoptant, als er een verzoekschrift is ingediend bij de bevoegde rechtbank of een akte ondertekend is waaruit de wil tot adoptie blijkt, onder de volgende voorwaarden.

Als het kind al deel uitmaakt van het gezin van de adoptant op de datum van de indiening van het verzoekschrift of, bij gebrek hieraan, op de datum van de ondertekening van de akte, moeten de adoptant of zijn echtgenoot en het kind op die datum voldoen aan alle toekenningsvoorwaarden voor de gewaarborde gezinsbijslag.

Als het kind nog geen deel uitmaakt van het gezin van de adoptant op de datum van de indiening van het verzoekschrift of, bij gebrek hieraan, op de datum van de ondertekening van de akte, moeten de adoptant of zijn echtgenoot en het kind voldoen aan alle toekenningsvoorwaarden voor de gewaarborgde gezinsbijslag :

a) op de datum vanaf wanneer het kind werkelijk deel uitmaakt van het gezin van de adoptant, voor zover op die datum het vonnis dat voortvloeit uit het verzoekschrift al uitgesproken is, of, bij gebrek hieraan, de akte al verleden is;

b) op de datum van het vonnis dat voortvloeit uit het verzoekschrift, of bij gebrek hieraan, de datum waarop de akte verleden is, voor zover het kind werkelijk deel uitmaakt van het gezin op die datum.

Het bedrag van de adoptiepremie is het bedrag bepaald in artikel 73quater van de samengeordende wetten. Het bedrag van de adoptiepremie toegekend voor een geadopteerd kind is datgene dat van toepassing is op de datum van de indiening van het verzoekschrift of, bij gebrek hieraan, op de datum waarop de adoptieakte ondertekend is. Indien echter het kind op deze datum nog geen deel uitmaakt van het gezin van de adoptant, is het bedrag van de adoptiepremie datgene dat van toepassing is op de datum waarop het kind werkelijk deel uitmaakt van dit gezin.

Er kan voor hetzelfde kind slechts één enkele adoptiepremie aan de adoptant of zijn echtgenoot worden toegekend

De adoptiepremie kan niet worden toegekend aan de adoptant of aan zijn echtgenoot, indien de adoptant, zijn echtgenoot of de persoon met wie hij een feitelijk gezin vormt in de zin van artikel 56bis, § 2, van de samengeordende wetten het kraamgeld heeft ontvangen voor hetzelfde kind.

Art. 9. (Opgeheven)

Art. 10. Dit besluit treedt in werking op 1 januari 1972.

Datum van afkondiging
Datum einde geldigheid
Top