996/121 van 14 maart 2016 - Provisionele betaling van eenoudertoeslag en sociale toeslag - Verduidelijkingen

    Wat voorafging

    Sinds 1 januari 2015 wordt voor de vaststelling van het recht op de sociale toeslagen en de eenoudertoeslag rekening gehouden met het gemiddelde van de belastbare beroepsinkomsten en/of uitkeringen.

    Met de CO 1400 van 11 december 2014 ontvingen de kinderbijslagfondsen de eerste richtlijnen voor de provisionele betaling van de sociale toeslagen en de eenoudertoeslag. 

    Op basis van een eerste evaluatie van de procedure en rekening houdende met de vragen en voorstellen van de kinderbijslagfondsen volgde een bijsturing waarvan de richtlijnen met de CO 1407 van 18 januari 2016 werden meegedeeld. 

    FAMIFED lichtte deze bijsturingen toe in de informatievergadering van 25 januari 2016.  Een aantal standpunten die in die vergadering werden ingenomen worden met deze dienstbrief bevestigd.

    1. Op basis van welke socio-professionele situaties van de bijslagtrekkende is een ambtshalve provisionele toekenning mogelijk?

    Voorwaarden voor ambtshalve provisionele betaling van de toeslag:

    • 1. De bijslagtrekkende bevindt zich in een eenoudersituatie

      én

    • 2. De bijslagtrekkende bevindt zich volgens Trivia in één of meer van de volgende socio-professionele situaties:

    • volledig vergoede werkloze: D of P042

    • volledig werkloos en deeltijds tewerkgesteld met inkomensgarantie-uitkering: D of P042 + DMFA

    • enkel of een combinatie van D of P042 (volledige werkloosheid), P063 (niet-vergoede volledige werkloze), D of P044 (volledige loopbaanonderbreking), D046 (ziekte of moederschapsrust) of D of P048 (OCMW-uitkering)

    • enkel code K (faillissementsverzekering) of U (gelijkgesteld als zieke en er worden geen bijdragen betaald) in D047 of P061

    • geen socio-professionele gegevens

    Opmerking

    De situatie waarbij de bijslagtrekkende binnen zijn/haar arbeidsovereenkomst ziek of in moederschapsrust is, verdient nadere toelichting.  Bij de ambtshalve provisionele toekenning wordt er van uit gegaan dat de bijslagtrekkende enkel een ziekte-uitkering ontvangt.  Als het dossier echter aanwijzingen bevat dat de bijslagtrekkende daarnaast een (aanvullende) vergoeding ontvangt, wordt de toeslag niet ambtshalve toegekend, maar onderzocht met een model S.  Wanneer in Trivia voor de bijslagtrekkende zowel berichten D046 als DMFA-berichten met de code 1 worden teruggevonden, is dus geen ambtshalve provisionele betaling van de toeslag mogelijk.

    2. Raming van het inkomen - projectie van de actuele inkomenssituatie.

    Bij de beslissing over de provisionele betaling van de toeslag in de loop van een jaar, dienen de kinderbijslaginstellingen de actuele inkomenssituatie vooruit te projecteren tot het einde van het betrokken kalenderjaar.  Anders gezegd, de dossierbeheerders dienen ervan uit te gaan dat de actuele inkomenssituatie ongewijzigd zal voortduren tot het einde van het jaar.  Deze projectie geldt behoudens tegenindicaties.  Wanneer de bijslagtrekkende bijvoorbeeld in moederschapsrust of in volledige loopbaanonderbreking is, geldt de projectie slechts tot het einde van die periode.  Bij de inkomensraming wordt aanvaard dat de bijslagtrekkende zich nadien terug in dezelfde socio-professionele situatie zal bevinden als die voor de moederschapsrust of loopbaanonderbreking.

    3. Bruto-inkomsten als basis voor de provisionele betalingen van de toeslag.

    Om debetten zo veel mogelijk te vermijden wordt bij de vaststelling van de provisionele betaling van de toeslag rekening gehouden met de bruto beroepsinkomsten en/of uitkeringen.  Dit geldt als algemene regel.  Wanneer de sociaal verzekerde in 2016 met een model S de provisionele betaling van de sociale toeslag voor 2015 aanvraagt, wordt dus over deze provisionele betaling beslist op basis van de bruto beroepsinkomsten en/of uitkeringen.

    4. Nieuw onderzoek in januari.

    In het belang van de gezinnen wordt aan de kinderbijslagfondsen gevraagd om de dossiers waar geen ambtshalve toekenning van de toeslag mogelijk is en evenmin toeslag op aanvraag wordt betaald, op basis van de situatie van de bijslagtrekkende eenouder in januari van het volgende jaar te onderzoeken of er vanaf februari van dat volgende jaar een ambtshalve provisionele betaling van de toeslag mogelijk is.

    Dit onderzoek gebeurt op basis van de socio-professionele gegevens voor januari waarover de kinderbijslaginstellingen normaliter op het einde van de maand februari beschikken.

    Rekening houdende met de gebruikelijke behandelingstermijn van 30 dagen dienen de kinderbijslaginstellingen deze onderzoeken in de loop van de maand maart uit te voeren.

    Uitzondering

    Gelet op de publicatiedatum van deze dienstbrief wordt in 2016 de limietdatum voor de uitvoering van deze onderzoeken op 30 juni 2016 vastgelegd.

    5. Afhandeling van onvolledig ingevulde formulieren P19fisc.

    Voor de gezinnen die buiten België wonen, gebeurt de definitieve vaststelling van het recht op eenoudertoeslag en sociale toeslag verder op basis van een verklaring op eer op het formulier P19fisc.

    In geval van ontbrekende gegevens over het inkomen van de (ex-)partner, die intussen het gezin van de bijslagtrekkende heeft verlaten, dient het maandelijks inkomen van de partner berekend te worden op basis van de meegedeelde (onvolledige) gegevens op het formulier en wordt dit gemiddelde inkomen in aanmerking genomen voor het hele kalenderjaar.

    Voorbeeld

    Situatie
    Het gezin woont in Frankrijk.  De vader krijgt een Belgisch pensioen en de moeder werkt in Frankrijk.  Er is recht op toeslag 42bis.  Bij een feitelijke scheiding op 5 juli blijft het kind bij de vader wonen en ontvangt de vader de kinderbijslag vanaf augustus.  Op het formulier P19fiscA geeft de vader zijn inkomsten voor een volledig jaar (jaarinkomen 14.400 EUR) en die van de moeder tot en met juni (6.000 EUR in totaal voor periode januari tot juni). Verdere inkomsten zijn door hem niet gekend.

    Oplossing
    Er is recht op 42bis tot en met maart 2015 op basis van de trimestrialisering van november 2014. Ervan uitgaand dat de inkomenssituatie van de partner niet wijzigt, nemen we op basis van het op het formulier verklaarde inkomen van de partner aan dat de partner gemiddeld 1.000 EUR/maand verdient (6.000 EUR/6).
    Voor het tweede kwartaal dient de optelsom van beide inkomens aan het grensbedrag getoetst te worden: 1.200 EUR + 1.000 EUR < 2.414,54 EUR.  De betaling van de toeslag is gerechtvaardigd.

    Er dient voor 2015 niets gedebiteerd te worden.

    Aandachtspunt bij het voorbeeld
    Hoewel de vader een Belgisch pensioen ontvangt, zullen de gegevens daarover niet via de fiscale flux kunnen worden verkregen, omdat hij buiten België in Frankrijk woont. De definitieve vaststelling van het recht op toeslag gebeurt op basis van de verklaringen op het formulier P19fiscA.

     

    Top