996/59 van 24 maart 2006 - Recht op kinderbijslag van de student - Nieuwe reglementering - Concrete toepassingen van de reglementering: sociale uitkering, stage, verlengde tweede zittijd, doctoraatsverhandeling

    Naar aanleiding van de omzendbrief van de Rijksdienst 1354 van 8 juli 2005 en de omzendbrieven 997/63 (gids voor de gebruiker van de DMFA) van 30 november 2005 en 996/57 (P7) van 19 december 2005, wil deze omzendbrief enkele concrete toepassingen van de reglementering regelen.

    1. Sociale uitkering

    (art. 15 van het koninklijk besluit van 10 augustus 2005 tot vaststelling van de voorwaarden waaronder kinderbijslag wordt verleend ten behoeve van het kind dat onderwijs volgt of een vorming doorloopt)

    Voor de student van de algemene regeling (al dan niet hoger onderwijs) brengt het ontvangen van een sociale uitkering op grond van een Belgische of buitenlandse regeling voor ziekte, invaliditeit, arbeidsongevallen of beroepsziekten, geen schorsing van de toekenning van de kinderbijslag met zich als die uitkering voortvloeit uit een toegelaten winstgevende activiteit (art. 15, eerste lid).

    De definitie van de toegelaten winstgevende activiteit wordt gegeven in de artikelen 13 en 14 van het eerder vermelde koninklijk besluit: derde kwartaal of norm van 240 uur.

    De toegelaten winstgevende activiteit verricht vóór de sociale uitkering moet geëvalueerd worden, dus die verricht in het kwartaal voorafgaand aan dat waarin de uitkering valt.

    Opgelet, het ontvangen van een sociale uitkering op grond van een Belgische of buitenlandse werkloosheidsregeling (bv. wachtuitkering) of van een loopbaanonderbrekinguitkering brengt een schorsing van de toekenning van de kinderbijslag met zich (art. 15, tweede lid): het betreft hier een absoluut beletsel voor de maand in kwestie.

    Voor de student die deeltijds onderwijs volgt of een stage verricht is de norm anders: het ontvangen van een sociale uitkering (zelfs met toepassing van een werkloosheids- of loopbaanonderbrekings¬regeling) brengt geen schorsing van de toekenning van kinderbijslag met zich als het bedrag van die uitkering de 443,89 EUR bruto per maand niet overschrijdt (art. 15, derde lid). De evaluatie gebeurt op basis van het bedrag van de maand in kwestie, waarbij de ontvangen bezoldiging eventueel wordt opgeteld (art. 14, b).

    Voorbeeld 1:

    Een student van de algemene regeling verricht een winstgevende activiteit van > 240 uur in het eerste kwartaal van 2006 en van ≤ 240 uur in het tweede kwartaal van 2006. Hij wordt vergoed door de ZIV-sector voor de periode van 3 mei tot 30 juni 2006.

    • geen recht voor het eerste kwartaal 2006
    • recht voor april 2006
    • geen recht voor mei en juni 2006
    • geen recht voor de zomervakantie

    Voorbeeld 2:

    Een student die deeltijds onderwijs volgt of een stage verricht oefent een winstgevende activiteit uit met een maandelijkse bezoldiging van:

    • > 443,89 EUR voor januari 2006
    • ≤ 443,89 EUR voor februari 2006,
    • > 443,89 EUR voor maart 2006,
    • ≤ 443,89 EUR voor april 2006,
    • en 25,50 EUR voor mei 2006,

    hij is vervolgens vergoed door de ZIV-sector voor de periode van 3 mei tot 30 juni 2006, met een uitkering voor een maandelijks bedrag van:

    • ≤ 420,20 EUR voor mei 2006 en
    • > 443,89 EUR voor juni 2006.
      • geen recht voor januari 2006
      • recht voor februari 2006
      • geen recht voor maart 2006
      • recht voor april 2006
      • geen recht voor mei 2006
      • geen recht voor juni 2006
      • geen recht voor de zomervakantie

    2. Verlenging in 2005-2006 van het academisch jaar 2004-2005 met een verplichte stage (20 studiepunten)

    Het recht kan enkel worden vastgesteld op basis van de oude reglementering als het onderwijs is uitgedrukt in uren.

    In het BAMA-kader moet de norm van 27 studiepunten bereikt zijn om een recht op kinderbijslag te verkrijgen.

    • geen recht voor het academisch jaar 2005-2006 (tenzij met 7 bijkomende punten).

    3. Verlengde tweede zittijd

    De Regering van de Franse Gemeenschap biedt de studenten van het hoger onderwijs de mogelijkheid hun examens af te leggen in de loop van een " verlengde tweede zittijd" tot 31 januari van het volgende academisch jaar.

    Aan deze problematiek werd de omzendbrief 996/34 van 24 maart 2003 gewijd: men gaat ervan uit dat de student de voorwaarden van het koninklijk besluit van 30 december 1975 vervult en zo kinderbijslag kan genieten, voor zover alle andere voorwaarden eveneens vervuld zijn, zoals die betreffende het verrichten van een winstgevende activiteit of de toekenning van sociale uitkeringen.

    Met de inwerkingtreding op 1 september 2005 van het koninklijk besluit van 10 augustus 2005 moest dit standpunt echter herzien worden: momenteel zijn de nieuwe voorwaarden van toepassing:
    inschrijving voor 27 studiepunten of het volgen van al dan niet hoger onderwijs waarvan de modaliteiten niet zijn uitgedrukt in studiepunten.

    De voorbereiding van een verlengde tweede zittijd kan dus geen recht op kinderbijslag doen ontstaan.

    4. Voorbereiding van een doctoraatsverhandeling

    Ter herinnering, de voorbereiding als dusdanig (wetenschappelijk onderzoek) van een doctoraatsverhandeling vormt geen basis voor een recht, maar de doctoraatsopleiding met een minimum van 27 studiepunten wel (zie de eerder vermelde CO 1354).

    De bijzondere regels voor de verhandeling op het einde van hogere studies blijven echter van kracht (art. 62, § 4, KBW - koninklijk besluit van 16 februari 1968 tot vaststelling van de voorwaarden waaronder en van de periode gedurende welke kinderbijslag wordt verleend ten behoeve van het kind dat een verhandeling bij het einde van hogere studies voorbereidt en het koninklijk besluit van 19 augustus 1969 tot vaststelling van de voorwaarden waaronder kinderbijslag wordt verleend ten behoeve van het kind dat een stage maakt om in een ambt te kunnen worden benoemd - zie de eerder vermelde CO 1354).

    Top