996/61 van 29 maart 2006 - Verwerking van de RIP- en DMFA-berichten - Regularisatie met betaalde gewaarborgde gezinsbijslag - Overgangsregeling

    1. Situering

    Vanaf 1 juli 2004 verwerken de kinderbijslaginstellingen de RIP-berichten. Vanaf 1 oktober 2004 wordt het recht en de bevoegdheid vastgesteld op basis van de DMFA-berichten (vanaf het derde kwartaal 2004). Daartoe werden alle rechthebbenden en potentiële voorrangsgerechtigden in het Kadaster van de kinderbijslag geïntegreerd.

    De toegang tot deze gegevensbronnen bleef niet zonder gevolgen voor de dienst gewaarborgde gezinsbijslag van de Rijksdienst voor Kinderbijslag voor Werknemers. In heel veel gevallen zou deze dienst nu achteraf een voorrangsrecht moeten vaststellen voor een periode ver in de tijd waarvoor de Rijksdienst al gewaarborgde gezinsbijslag heeft betaald. Dit zou dan gebeuren op basis van informatie die pas beschikbaar is geworden sinds de RIP- en DMFA-berichten in productie werden gesteld. Om alle bestaande dossiers niet systematisch te moeten herzien voor het verleden, werd daarom een pragmatische overgangsregeling uitgewerkt.

    2. De overgangsregeling

    2.1 Algemene principes

    De overgangsregeling bestaat erin dat de uitgevoerde betalingen van de gewaarborgde gezinsbijslag voor de periode tot 31 juli 2004 niet worden herzien als gelijktijdig is voldaan aan de volgende voorwaarden:

    • de tewerkstelling van de potentiële voorrangsgerechtigde situeert zich volledig vóór 1 augustus 2004; valt de tewerkstelling deels voor en deels na 1 augustus 2004, dan wordt enkel de betaalde gewaarborgde gezinsbijslag voor de periode vanaf 1 augustus 2004 geregulariseerd;
    • de Rijksdienst heeft voor de periode van het getrimestrialiseerd recht in de werknemersregeling gewaarborgde gezinsbijslag betaald;
    • de tewerkstelling vestigt de bevoegdheid van een kinderbijslaginstelling die onder het financieringsregime van de "nationale verdeling" valt.

    De overgangsregeling houdt in dat voor de periode tot 31 juli 2004 geen opzoekingen dienen te gebeuren, noch in het Personeelsbestand van de RSZ(-PPO) (P051 - RIP), noch in het DMFA-bestand (P054), noch in de LATG databank. Bijgevolg geldt 1 augustus 2004 als referentiedatum voor de vaststelling van het recht en de bevoegdheid.
    Concreet betekent dit dat op de eerste tewerkstelling vanaf 1 augustus 2004 de regels van artikel 2 van het bevoegdheidsbesluit van 25 april 1997 worden toegepast. Geneutraliseerde activiteiten worden in aanmerking genomen. Na de eerste bevoegdheidsbepaling volgens deze overgangsregeling wordt terug overgeschakeld naar de reglementaire bevoegdheidsvoorschriften.

    Bevindt de rechthebbende zich vanaf 1 augustus 2004 het eerst in een toekenningssituatie buiten de perken van een arbeidsovereenkomst, dan is de Rijksdienst voor Kinderbijslag voor Werknemers, provinciaal bureau van de woonplaats van de rechthebbende bevoegd.

    2.2 Waarom 1 augustus 2004?

    Om rekening houdende met de trimestrialisering van het recht op kinderbijslag alle sociaal verzekerden op gelijke voet te behandelen, is het aangewezen de periode van niet-regularisatie af te sluiten onmiddellijk vóór het begin van een referentiemaand in het kader van de voortzetting van het recht. Augustus 2004 is de eerste referentiemaand waarvoor in de werknemersregeling de RIP- en DMFA-berichten systematisch zijn verwerkt. Bijgevolg is ervoor geopteerd om enkel de gegevens vanaf 1 augustus 2004 aan te wenden voor de regularisatie met betaalde gewaarborgde gezinsbijslag.

    2.3 Uitzonderingen

    In de volgende situaties geldt de overgangsregeling niet.

    • Wanneer de dienst gewaarborgde gezinsbijslag voor de periode van het getrimestrialiseerd recht in de werknemersregeling nog geen kinderbijslag heeft betaald. Inderdaad, wanneer de dienst gewaarborgde gezinsbijslag bij de behandeling van een nieuwe aanvraag een tewerkstelling van een potentiële voorrangsgerechtigde vaststelt, dan wordt de aanvraag afgewezen, zelfs al situeert de tewerkstelling zich vóór 1 augustus 2004. In dat verband wordt de aandacht gevestigd op artikel 7 van de wet van 20 juli 1971. Daarin wordt gesteld dat de gewaarborgde gezinsbijslag ten vroegste kan worden toegekend vanaf de maand die één jaar voorafgaat aan de datum waarop de aanvraag door de betrokkenen werd ingediend.
    • Voor de periodes waarvoor een kinderbijslaginstelling het recht heeft vastgesteld, terwijl de dienst gewaarborgde gezinsbijslag bevoegd was. In die omstandigheden zal het recht zoals in het verleden onderzocht worden door de dienst gewaarborgde gezinsbijslag binnen de perken van artikel 7 van de wet van 20 juli 1971.
    • Bij de vaststelling van de opeenvolgende bevoegdheden buiten de regeling van de gewaarborgde gezinsbijslag. De regeling gewaarborgde gezinsbijslag is hier geenszins bij betrokken. Dus is de normale bevoegdheidsregeling tussen de stelsels en de kinderbijslagfondsen van toepassing.
    • In geval bij betaling van gewaarborgde gezinsbijslag een fraude werd vastgesteld in hoofde van de rechthebbende of de bijslagtrekkende. In voorkomend geval, zal de kinderbijslaginstelling daarvan door de Rijksdienst op de hoogte worden gebracht.

    2.4 Uitvoering in de praktijk

    De hiernavolgende regels voor de vaststelling van het voorrangsrecht dienen op niveau van het rechtgevend kind te worden geëvalueerd. Een voorrangsrecht heeft immers niet steeds betrekking op alle kinderen in het dossier.

    Wanneer een kinderbijslaginstelling die van de nationale verdeling afhangt een aanvraag ontvangt, consulteert zij het Kadaster voor de kinderbijslag.
    Stelt zij daarbij vast dat voor de periode van het getrimestrialiseerd recht in de werknemersregeling gewaarborgde gezinsbijslag is betaald, dan zijn er drie mogelijkheden.

    2.4.1 De tewerkstelling waarop de aanvraag is gebaseerd, situeert zich volledig vóór 1 augustus 2004. In dat geval klasseert de kinderbijslaginstelling de aanvraag zonder verder gevolg. Ze motiveert die beslissing volgens het handvest van de sociaal verzekerde.

    Voorbeeld 1. Sinds 1 januari 2002 wordt er gewaarborgde gezinsbijslag betaald. Uit de RIP- en DMFA-gegevens blijkt echter dat de wettelijke vader buiten het gezin van 10 tot 12 januari 2003 een activiteit heeft uitgeoefend. Er bestaat een voorrangsrecht in de werknemersregeling van 1 januari 2003 tot 30 juni 2003. De tewerkstelling valt echter vóór
    1 augustus 2004 en de dienst gewaarborgde gezinsbijslag heeft voor die periode al betaald. Bijgevolg mag de aanvraag zonder gevolg geklasseerd worden.

    Voorbeeld 2. Sinds 1 januari 2002 wordt er gewaarborgde gezinsbijslag betaald. Uit de RIP- en DMFA-gegevens blijkt echter dat de broer buiten het gezin van 4 mei 2004 tot 10 mei 2004 een activiteit heeft uitgeoefend. Er bestaat een voorrangsrecht in de werknemersregeling van 1 mei 2004 tot 30 september 2004. De tewerkstelling valt echter vóór 1 augustus 2004 en de dienst gewaarborgde gezinsbijslag heeft al de kinderbijslag betaald. Bijgevolg mag de aanvraag zonder gevolg geklasseerd worden.

    2.4.2 De tewerkstelling waarop de aanvraag is gebaseerd valt deels vóór 1 augustus 2004 en deels erna. In dat geval worden enkel de betalingen voor de periode vanaf 1 augustus 2004 geregulariseerd met de dienst gewaarborgde gezinsbijslag. De activiteit (arbeidsovereenkomst) op 1 augustus 2004 is bepalend om het nieuw recht op kinderbijslag in de werknemersregeling en de bevoegdheid vast te stellen.

    Voorbeeld 1. Sinds 1 januari 2002 wordt er gewaarborgde gezinsbijslag betaald. Uit de RIP- en DMFA gegevens blijkt dat de zuster buiten het gezin van 1 juli 2004 tot 16 juli 2004 bij werkgever A heeft gewerkt en van 30 juli 2004 tot 3 augustus 2004 bij werkgever B. Kinderbijslagfonds A waarbij werkgever A is aangesloten, klasseert zijn dossier. Kinderbijslagfonds B waarbij werkgever B is aangesloten regulariseert de betalingen met de dienst gewaa rborgde gezinsbijslag van 1 augustus 2004 tot 31 december 2004. Kinderbijslagfonds B is bevoegd omdat de rechthebbende op 1 augustus 2004 in dienst is bij werkgever B, ook al gaat het om een geneutraliseerde activiteit. Op de betaalde gewaarborgde gezinsbijslag voor de periode tot 31 juli 2004 wordt niet teruggekomen.

    Voorbeeld 2. Er wordt sinds 1 januari 2002 gewaarborgde gezinsbijslag betaald. Uit de RIP- en DMFA-gegevens blijkt echter dat de zuster buiten het gezin tot 23 juli 2004 (datum uitdiensttreding) gewerkt heeft. Vanaf 26 juli 2004 is zij volledig vergoede werkloze.
    De betalingen tot 31 juli 2004 worden niet geregulariseerd. Vanaf 1 augustus 2004 wordt het recht in de werknemersregeling vastgesteld. Aangezien de zuster op 1 augustus 2004 geen activiteit (arbeidsovereenkomst) uitoefent, is de RKW, provinciaal bureau van de woonplaats van de zuster bevoegd om de kinderbijslag te betalen.

    2.4.3 De tewerkstelling waarop de aanvraag gebaseerd is, begint op 1 augustus 2004 of erna. In dat geval worden alle betalingen geregulariseerd. Ook hier is de eerste activiteit (arbeidsovereenkomst) op of na 1 augustus 2004 bepalend is om het nieuw recht op kinderbijslag in de werknemersregeling en de bevoegdheid vast te stellen.

    Voorbeeld. Er wordt sinds januari 2002 gewaarborgde gezinsbijslag betaald. Uit de RIP-en DMFA-gegevens blijkt dat de stiefmoeder buiten het gezin gewerkt heeft in mei 2004 bij werkgever A, aangesloten bij kinderbijslagfonds A en van 2 augustus 2004 tot 25 augustus 2004 bij werkgever B, aangesloten bij kinderbijslagfonds B. Kinderbijslagfonds A klasseert zijn dossier. Kinderbijslagfonds B stelt het recht vast vanaf 1 augustus 2004 en regulariseert de betalingen met de dienst gewaarborgde gezinsbijslag.
    Kinderbijslagfonds B is bevoegd. De tewerkstelling vanaf 2 augustus 2004 is immers de eerste tewerkstelling na 1 augustus 2004.

    3. Bijzondere situaties

    Blijft nog de vraag hoe een kinderbijslagfonds moet handelen, wanneer het op basis van de RIP- en de DMFA-gegevens intussen al het recht onderzoekt of heeft vastgesteld voor een periode gelegen vóór 1 augustus 2004 waarvoor op basis van de vroegere werkprocedures gewaarborgde gezinsbijslag is betaald.

    Er zijn twee mogelijkheden.

    1. Het recht is vastgesteld en de betalingen zijn aan de Rijksdienst gestort ter regularisatie van ten onrechte betaalde gewaarborgde gezinsbijslag. In dit geval moet op de uitgevoerde regularisatie niet worden teruggekomen. De inhoudingen op de (lopende) betalingen ter aanzuivering van het resterend genotificeerd debet bij de dienst gewaarborgde gezinsbijslag worden verder gezet.
    2. Het dossier is in onderzoek in het stelsel van de werknemers, of het voorrangsrecht werd reeds vastgesteld, maar er werden nog geen inhoudingen uitgevoerd. In dat geval wordt het onderzoek in het stelsel van de werknemers op basis van de "gesignaleerde" tewerkstellingsperiode afgerond en bij de vaststelling van het recht de betalingen geregulariseerd.
      Hierbij dient opgemerkt te worden dat wanneer het dossier reeds in onderzoek is bij een kinderbijslagfonds A dat bij nader onderzoek vaststelt dat kinderbijslagfonds B bevoegd is, het onderzoek wordt verder gezet en afgerond volgens de nieuwe procedure van het automatisch onderzoek van het recht, inbegrepen het gebruik van het nieuwe brevet en de ontvangstmelding ervan per e-mail.
    Top