996/66 van 9 oktober 2006 - Toepassing van Art. 48 KBW vanaf 1 september 2005 - Toepassing van de 240-urenregel voor rechtgevenden-studenten vanaf 1 oktober 2005

    1. TOEPASSING ARTIKEL 48 KBW

    1.1. Context

    Vanaf 1 september 2005 is artikel 48 KBW vervangen. De nieuwe bepalingen gelden voor elke betaling van kinderbijslag voor periodes vanaf die datum. De ministeriële omzendbrief MO 593 van 3 november 2005 becommentarieert de gewijzigde wettekst. Verschillende kinderbijslagfondsen legden de Rijksdienst diverse toepassingsgevallen ter appreciatie voor.
    Op 19 december 2005 heeft de Rijksdienst de draagwijdte van de nieuwe voorschriften in een presentatie toegelicht aan de uitbetalingsinstellingen.

    Bij die gelegenheid werden de voorgelegde vragen beantwoord. De uitbetalingsinstellingen ontvingen een voorlopige versie van de vragen en antwoorden als hulpmiddel voor de dossierbeheerders. In de vergadering signaleerden de kinderbijslagfondsen nog een aantal bijkomende knelpunten, die inmiddels nader werden onderzocht.

    Op 8 mei 2006 volgde een addendum op de ministeriële omzendbrief 593. Dit addendum is een aanvulling op de bestaande instructies, in hoofdzaak met betrekking tot de ingang van de toekenning van een recht op kinderbijslag dat ontstaat in de werknemersregeling na het einde van een ander recht op kinderbijslag. Het doel van deze bijkomende richtlijnen is een onderbreking van de toekenning van de kinderbijslag te vermijden wanneer het recht in de werknemersregeling (nagenoeg) onmiddellijk na het einde van de toekenning van een ander recht op kinderbijslag ontstaat.

    Ook over de toepassing van dit addendum ontving de Rijksdienst bijkomende vragen. Deze werden aan de FOD Sociale Zekerheid voorgelegd. Op basis van de verstrekte antwoorden werd de bestaande tabel met de gesignaleerde toepassingsgevallen aangepast en aangevuld.

    Als bijlage bij deze dienstbrief gaat de definitieve versie van de tabel met de voorgelegde toepassingsgevallen. De vragen en antwoorden werden gegroepeerd rond de rubrieken van de
    MO 593 van 3 november 2005.

    1.2. Aandachtspunten

    Met betrekking tot het ontstaan van het recht na het einde van een ander recht
    (MO 593 addendum van 8 mei 2006)

    1.2.1. De richtlijnen van MO 593 addendum gelden eveneens wanneer in de maand die voorafgaat aan die waarin het recht in de werknemersregeling ontstaat gewaarborgde gezinsbijslag werd betaald. In afwijking van het algemene principe van artikel 48 KBW gaat de toekenning van de kinderbijslag in de werknemersregeling in dat geval eveneens in vanaf de eerste dag van de maand waarin het recht ontstaat (cfr. geval 21 ).

    1.2.2. Met de "toekenning van een recht op kinderbijslag" wordt bedoeld dat er effectief recht is op een betaling. Wanneer het recht geschorst is, gelden de bijkomende instructies dus niet (cfr. geval 10 - oplossing voor het oudste kind).

    1.2.3. De situatie toegelicht in geval 5 verdient bijzondere aandacht. Vanaf 1 januari 2006 opent de vader een potentieel recht in de zelfstandigenregeling. Rekening houdende met de trimestrialisering vindt de overgang naar de regeling voor zelfstandigen plaats op 1 april 2006. Aangezien het (potentieel) recht in de zelfstandigenregeling van de vader vroeger ingaat (januari 2006) dan dat van de moeder (april 2006) dient het recht voor april 2006 in de zelfstandigenregeling te worden gevestigd2 . Pas vanaf 1 mei 2006 kan er opnieuw in de werknemersregeling betaald worden op basis van de arbeidsprestaties van de moeder.

    1.2.4. Wanneer op basis van de principes van MO 593 addendum de kinderbijslag kan worden betaald voor de maand waarin het recht in de werknemersregeling ontstaat, kan dit eveneens gevolgen hebben voor de toekenning van de sociale toeslag. Wanneer de rechthebbende voor die maand voldoet aan de voorwaarden om recht te hebben op een sociale toeslag 3 , kan deze sociale toeslag eveneens worden betaald voor de maand waarin het recht in de werknemersregeling ontstaat (buiten de toepassing van artikel 64 KBW).

    1.2.5. Praktische uitvoering bij overgang van het recht in een andere Belgische, buitenlandse of internationale kinderbijslagregeling naar een recht in de Belgische werknemersregeling

    In dat geval wordt aan de vorige kinderbijslaginstelling (meestal met een brevet van rechthebbende) meegedeeld dat het recht in de werknemersregeling kan worden vastgesteld vanaf de eerste dag van de maand volgend op die waarin het recht ontstaat. Bij ontvangst van de bevestiging van de einddatum van de betalingen in de andere kinderbijslagregeling (meestal het ingevulde brevet) wordt dan in overeenstemming met de richtlijnen gegeven met het addendum bij de MO 593 nagegaan of de kinderbijslag eveneens kan worden uitbetaald voor de maand waarin het recht ontstaat.

    Met betrekking tot gebeurtenissen in hoofde van de rechtgevende kinderen
    (MO 593 van 3 november 2005)

    1.2.6. Het principe van het behoud van de betaling dat geldt wanneer het rechtgevende kind overgaat van de ene categorie naar een andere dient eveneens te worden toegepast in de volgende omstandigheden:

    • wanneer het rechtgevende kind overgaat van de hoedanigheid in de zin van artikel 63 KBW naar een hoedanigheid in de zin van artikel 62 KBW
      (bijvoorbeeld geval 40);
    • wanneer het rechtgevende kind de hoedanigheid in de zin van artikel 62 KBW in de loop van een maand verliest als gevolg van stopzetting van de studies en diezelfde hoedanigheid in de loop van de daaropvolgende maand opnieuw verkrijgt als gevolg van hervatting van de studies (bijvoorbeeld gevallen 42 en 43).

    1.2.7. Het principe betreffende de opeenvolging van tegenstrijdige gebeurtenissen geldt in alle situaties waarin het recht maand per maand wordt vastgesteld, zelfs wanneer de eerste gebeurtenis uitwerking heeft voor het verleden (bijvoorbeeld gevallen 44 tot 48).

    1.2.8. De principes betreffende het einde en het begin van het recht bij overgang van de ene categorie van rechtgevende naar een andere en die betreffende de opeenvolging van tegenstrijdige gebeurtenissen staan los van elkaar. Het is dus mogelijk dat beide principes in éénzelfde maand en voor éénzelfde kind moeten worden toegepast. In dat geval primeert uiteindelijk het principe voor de opeenvolging van tegenstrijdige gebeurtenissen
    (bijvoorbeeld geval 48).
    Opgelet! Als gevolg van dit principe worden de antwoorden die in de voorlopige versie voor de gevallen 25 en 28 onder voorbehoud werden meegedeeld, geannuleerd.

    1.2.9. De MO 593 van 3 november 2005 geeft onder rubriek 1.2.1. een overzicht van de gevallen van maandelijkse of trimestriële schorsing van de toekenning. Deze opsomming is limitatief. Het verlies van de kinderbijslag voor de kerst- paas- of zomervakantie omdat de student in de maand die de aan de maand waarin de vakantie begint, voorafgaat een niet toegelaten winstgevende activiteit uitoefent of een niet-toegelaten sociale uitkering ontvangt, komt in deze opsomming niet voor. Bijgevolg gaat het om een einde van een recht (bijvoorbeeld gevallen 38 en 49).

    2. TOEPASSING VAN DE 240-URENREGEL VOOR RECHTGEVENDEN-STUDENTEN.

    Vanaf 1 januari 2006 dienen de kinderbijslaginstellingen de DMFA-berichten voor rechtgevende kinderen-studenten (rolcode 104) systematisch te verwerken voor aangiftes m.b.t. het vierde kwartaal van 2005. De gebruikersgids werd u met de dienstbrief II/A/997/63/agy van 30 november 2005 meegedeeld.

    In de tabel in de bijlage bij deze dienstbrief vindt u aan het einde enkele vragen en antwoorden over de praktische toepassing van de 240-urenregel (gevallen 50 tot 52)

    3. INWERKINGTREDING

    Deze bijkomende richtlijnen gelden vanaf 1 september 2005. De afgehandelde dossiers dienen echter enkel en alleen op vraag te worden herzien.

    • 1De trimestrialisering van de residuaire rechten zal in een aparte dienstbrief worden toegelicht.
    • 2De FOD Sociale Zekerheid laat weten dat dit standpunt geldt onder voorbehoud van een bevestiging door de directie van de zelfstandigen.
    • 3Cfr. CO 1351 van 10 december 2004.
    Top