996/65 van 20 juni 2006 - KB van 3 mei 2006 tot wijziging van Art. 47, §2 KBW en KB van 28 maart 2003 tot uitvoering van Art. 47, Art. 56septies en Art. 63 KBW en Art. 88 van de programmawet van 24 december 2002 - MO 594 van 26 april 2006

    De MO 594 van 26 april 2006 geeft de gewijzigde bedragen van de toeslagen bij de kinderbijslag toegekend aan kinderen getroffen door een aandoening. Het doel van deze brief is de context van deze wijziging in detail uiteen te zetten en er de praktische implicaties van te bespreken.
    Als bijlage 1 vindt u hierbij een kopie van het koninklijk besluit van 3 mei 2006.

    I. Context

    Volgens Art. 29 van KB van 28 maart 2003 betreffende de kinderbijslag voor zieke of gehandicapte kinderen moest na twee jaar een evaluatieverslag van de hervorming opgesteld worden door de Minister.

    Uit de studie die hierover werd gemaakt bleek dat de gezinnen op het einde van de periode van verworven rechten een grote kans op financieel verlies liepen, waarvan de gevolgen geleidelijk vanaf 1 mei 2006 zullen verdwijnen. Uit de vergelijking van de bedragen toegekend volgens de twee types van criteria (graad van zelfredzaamheid of medisch-sociale schaal) blijkt namelijk dat 60% van de kinderen van wie het recht wordt voortgezet in beide systemen een lager bedrag zouden genieten als de rechten verworven in het oude systeem niet zouden behouden zijn. Dit verschil is groter voor hen die 346,66 EUR per maand 1 ontvingen, aangezien ongeveer 94% van hen maar een bedrag meer ontvingen tussen 67,57 en 281,55 EUR per maand 2 , en ongeveer 70% ontvingen een bedrag gelijk aan of lager dan 168,93 EUR per maand 3 . Ook 50% van de kinderen die in het oude systeem 379,46 EUR per maand4 genoten, ontvingen minder in de nieuwe regeling. Het nadeel dat de betrokken gezinnen opliepen moest dus duidelijk voelbaar zijn van bij het verlies van de verworven rechten.

    De grootte van het verschil tussen de bedragen van de twee types van evaluatie is een bron van ongelijkheid die soms minder duidelijk is dan de eerder vermelde. Kinderen van dezelfde leeftijd met dezelfde aandoening op hetzelfde moment genieten zeer verschillende bedragen naar gelang de aanvraag werd ingediend op 30 april of op 1 mei 2003. De eersten genieten het systeem van de verworven rechten, in het tweede geval is het verschil tussen de maandbedragen toegekend tot 30 april 2003 en die toegekend daarna vaak weinig duidelijk voor de gezinnen die een bedrag ontvangen dat overeenkomt met de toeslag verschuldigd voor verschillende maanden.

    Het grote verschil tussen de bedragen toegekend volgens de ene of de andere evaluatie was niet gewild en niet voorzien. Daarom zijn wijzigingen aangebracht aan de bedragen van de lagere categorieën van de nieuwe medisch-sociale schaal die in werking moeten treden op 1 mei 2006, ter voorkoming van het aangekondigde risico van het verlies van verworven rechten.

    II. Nieuwe maatregelen

    Het enige criterium voor de toekenning van de toeslag bij de kinderbijslag voorzien door het systeem van het koninklijk besluit van 3 mei 1991 is dat het rechtgevend kind de ongeschiktheids¬drempel van 66% bereikt. Dit punt is hernomen in pijler P1 van de evaluatie volgens de medisch-sociale schaal: 4 punten in pijler P1 komen overeen met een lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid van 66%. Aangezien de doelstelling was om het verschil te beperken tussen de bedragen toegekend in de twee evaluatiesystemen, werd het volgende voorzien:

    • een baremaverhoging van de drie eerste categorieën van de medisch-sociale schaal 5 ;
    • de gelijkstelling van de begunstigden van de twee eerste categorieën6 met die van de derde7 , voor zover ze tenminste 4 punten in pijler P1 krijgen;
    • het nivelleren van de toeslag van de derde categorie met het bedrag toegekend in de lagere categorie van KB van 3 mei 1991 (zelfredzaamheid van 0 tot 3 punten).

    De kinderen die tenminste 4 punten krijgen in pijler P1 zonder 6 punten te krijgen in het totaal van de drie pijlers genieten echter niet de gelijkstelling met de derde categorie, en evenmin een baremaverhoging. In de toekomst zullen dus zeven verschillende bedragen worden toegekend in plaats van zes.

    Deze stijging van de bedragen maakt het mogelijk de uitwerking van de verworven rechten te verlengen, of tenminste de weerslag van het verlies van de verworven rechten te beperken, waarbij de kinderen die enkel volgens de medisch-sociale schaal geëvalueerd worden ook de voordeliger bedragen kunnen genieten.

    De volgende tabel geeft de evolutie van de bedragen per categorie van kind (7 bedragen voor 9 categorieën van kinderen):
    Aantal punten in pijler P1 Aantal punten in het totaal van de drie pijlers Bedrag verschuldigd tot op 30 april 2006 (in EUR) Bedrag verschuldigd vanaf 1 mei 2006 (in EUR)
    ≥ 4 < 6 67,57 67,57
    < 4 van 6 tot 8 67,57 89,99
    < 4 van 9 tot 11 168,93 210
    ≥ 4 van 6 tot 8 67,57 346,66
    ≥ 4 van 9 tot 11 168,93 346,66
    ≥ 4 of < 4 van 12 tot 14 281,55 346,66
    ≥ 4 of < 4 van 15 tot 17 394,17 394,17
    ≥ 4 of < 4 van 18 tot 20 422,33 422,33
    ≥ 4 of < 4 ≥ 21 450,48 450,48

    Alle dossiers van kinderen die op 30 april 2006 een toeslag van 67,57 EUR of van 168 EUR genieten zullen moeten herzien worden en onderscheiden naar gelang ze al dan niet 6 punten op het totaal van de drie pijlers krijgen, ofwel naargelang ze al dan niet tenminste 4 punten krijgen in pijler P1.

    III. Praktische overwegingen

    • De nieuwe bepalingen vervat in MO 594 van 26 april 2006 zijn onmiddellijk van toepassing. De nieuwe bedragen moeten betaald worden vanaf de maand mei (betaalbaar in juni) in alle betrokken dossiers, zonder de volgende herziening van ambtswege af te wachten om de betalingen te regulariseren.
    • De maatregelen beschreven in MO 594 hebben een algemene reikwijdte en hebben eveneens betrekking op kinderen die enkel geëvalueerd worden volgens de medisch-sociale schaal.
    • Toepassing van Art. 48 KBW: het vierde lid 8 voorziet dat het uitstel met een maand voor de toekenning van een nieuw bedrag aan kinderbijslag niet van toepassing is als de gebeurtenis aan de oorsprong van de verandering betrekking heeft op een indexering. In dit geval moeten de barema-aanpassingen of wijzigingen van bedragen verbonden aan de diverse categorieën worden gelijkgesteld met een indexering. De betalingen van de nieuwe bedragen moeten dan ook niet worden uitgesteld voor de lopende dossiers. Het spreekt vanzelf dat in geval van een nieuw recht op de toeslag voor kinderen getroffen door een aandoening, ongeacht of dit voortvloeit uit een nieuwe aanvraag of een aanvraag om herziening,het derde lid 9 van art. 48 KBW, van toepassing blijft.
    • Begrip "voordeliger toepassing": Art. 11 van KB van 28 maart 2003 bepaalt dat de term "voordeliger" in de context van de dubbele evaluatie, voorzien in de volgende artikelen, verwijst naar de situatie waarin de evaluatie volgens de bepalingen van KB van 3 mei 1991 de toekenning mogelijk maakt van een hoger bedrag dan dat voortvloeiend uit de toepassing van de nieuwe medisch-sociale schaal. In dit geval kan de toepassing van de oude bepalingen verlengd worden met een maximale periode van drie jaar.
      Vanaf 1 mei 2006 kan het gebeuren dat de bedragen, toe te kennen volgens de twee evaluatiesystemen, identiek zijn. In dat geval moet men er voortaan van uit gaan dat de oude evaluatie niet voordeliger is dan de medisch-sociale schaal. Bijgevolg wordt de omschakeling naar het nieuwe systeem vervroegd.
      De voorbeelden in bijlage 2 tonen aan hoe de modellen X moeten ingevuld worden en hoe de medische beslissingen volgens dit gezichtspunt moeten geïnterpreteerd worden.
    • Rekening houdend met het aanzienlijke verschil dat kan bestaan tussen de bedragen toegekend voor en na 1 mei 2006, wordt verzocht de gezinnen in te lichten van de wijzigingen van de bedragen. Als bijlage 3 vindt u eveneens een model van de hiertoe voorziene brief.

    Mijn diensten blijven tot uw beschikking voor alle bijkomende inlichtingen of eventuele opmerkingen.

    • 1Graad van zelfredzaamheid van 0 tot 3 punten.
    • 2Van 6 tot 14 punten in het totaal van de drie pijlers, of minder dan zes punten in het totaal van de drie pijlers, maar tenminste 4 punten in pijler P1.
    • 3Van 9 tot 11 punten in het totaal van de drie pijlers.
    • 4Graad van zelfredzaamheid van 4 tot 6 punten.
    • 56 tot 8 punten, 9 tot 11 punten en 12 tot 14 punten in het totaal van de drie pijlers.
    • 66 tot 8 punten en 9 tot 11 punten in het totaal van de drie pijlers.
    • 712 tot 14 punten in het totaal van de drie pijlers.
    • 8Zou het vijfde lid worden wegens de invoeging van Art. 13 van het ontwerp van programmawet.
    • 9Zou het vierde lid worden wegens de invoeging van Art. 13 van het ontwerp van programmawet
    Top