CO 1135 van 20 september 1984 - De door de kinderbijslagfondsen te bezorgen statistische aangiften

     

    Bij onze omzendbrief 1090 van 7 mei 1981 hebben wij u kennis gegeven van de onderrichtingen die op het stuk van de statistische aangiften moeten worden in acht genomen vanaf 1981.

    De huidige omzendbrief heeft ten doel die aangiften en de statistische eenheden hoofdzakelijk als gevolg van de ontwikkeling van de wetgeving aan de nieuwe behoeften aan te passen en ook de betekenis van bepaalde actuele begrippen, die bij de jongste tellingen niet steeds werden in acht genomen, in herinnering te brengen.

    Bovendien zijn ter vereenvoudiging van de aangiften bepaalde weglatingen doorgevoerd.

    I. DE WIJZIGINGEN INZAKE DE AANGIFTEN

    * Als gevolg van de inwerkingtreding van het koninklijk besluit nr. 282 en van het ter uitvoering daarvan uitgevaardigd koninklijk besluit van 12 april 1984 moeten de rechthebbenden die gepensioneerd, invalide of sedert meer dan 6 maanden werkloos zijn afzonderlijk worden geteld naargelang zij de bedragen bepaald bij artikel 40 en 42, G.W. of de bedragen bepaald bij artikel 42bis en 50ter G.W. genieten.

    Hetzelfde geldt voor de rechtgevenden wier recht van die rechthebbenden afhangt.

    Het is dan ook van belang dat de Kinderbijslagfondsen alle maatregelen in die zin nemen bij de hierna vermelde statistische tellingen:

    (FIGUUR NIET OPGENOMEN)

    * In de statistiek I betreffende de demografische statistieken wordt voortaan geen onderscheid arbeiders-bedienden meer gemaakt.

    De Kinderbijslagfondsen worden evenwel verzocht dit onderscheid verder op te tekenen wanneer de steekkaartenstelsels - rechthebbenden en rechtgevenden - worden bijgewerkt; de bedoeling is de mogelijkheid te behouden om, zo nodig, de passende steekproeven of tellingen te verrichten.

    * De statistiek VI betreffende de minder-valide rechtgevenden, geteld volgens de groep waartoe zij behoren en volgens de rang die zij in het gezin innemen, valt weg omdat zij opgenomen is in deel VIII van statistiek I - "De demografische statistieken".

    * De statistiek VIII betreffende de werknemers van vreemde nationaliteit, die met hun gezin in België verblijven, omvat voortaan een deel waarin de leeftijd en de rang van de rechtgevenden per categorie van gezinsbijslag wordt opgegeven.

    * De statistiek IX - "De technische statistieken", voorgeschreven bij de C.O. 1090 en bezorgd in september 1981, moet in 1985 opnieuw worden opgemaakt volgens regelen die terzelfder tijd als de onderrichtingen aangekondigd bij onze omzendbrief C.O. 1130 van 22 juni 1984 zullen worden medegedeeld.

    II. DE STATISTISCHE EENHEDEN

    Nieuw begrip

    * Doordat een rechthebbende in zijn hoedanigheid van werkloze (+ dan 6 maanden), invalide of gepensioneerde voortaan gelijktijdig een recht op verhoogde bijslag (art. 42bis en 50ter) en op gewone bijslag kan doen ontstaan, moet hij worden opgegeven in elke van de twee categorieën waaronder hij ressorteert.

    Voorbeeld: de invalide rechthebbende die een recht op verhoogde bijslag doet ontstaan voor de bijslagtekkende A en een recht op gewone bijslag voor de bijslagtrekkende B.

    Daaruit volgt ook dat de samenstelling van de bestanden der rechthebbenden van elke categorie hogere cijfers oplevert dan die van het totale bestand van de werkelijke rechthebbenden.

    Dit bestand zal dus afzonderlijk worden geteld onder de rubriek "Alle categorieën" waarin elke rechthebbende slechts éénmaal wordt opgegeven, zulks rekening houdend met de gezamenlijke rechtgevenden welke van die rechthebbende afhangen en ongeacht de aard van de bijslag waarop hij aanspraak verkrijgt;

    Deze regel geldt voor de statistieken I, II,IV en VIII.

    Herinnering aan huidige begrippen

    Het is nuttig erop te wijzen dat:

    * de statistieken I, II, V, VII en IX betrekking hebben op de ingeschreven rechthebbenden en (of) rechtgevenden, dit wil zeggen diegenen wier recht gewoonlijk wordt uitgeoefend maar die om enige reden geen uitkering over de referentiemaand ontvangen.

    * de statistieken IV en VIII uitsluitend de gevallen beogen waarvoor de betaling over de referentiemaand werkelijk werd verricht.

    Wat de statistiek I betreft, moet de tariefrang naar leeftijd van de kinderen worden nagegaan volgens een gepast programma; de rang mag in geen geval overeenstemmen met de rang die naar voren treedt uit deel IV, dat betrekking heeft op het aantal rechthebbenden in verhouding tot het aantal kinderen die van hen afhangen.

    Wegens de huidige wetsbepalingen bestaat er immers geen overeenstemming meer tussen het aantal kinderen, die per tariefrang zijn gerangschikt, en het aantal kinderen per gezin.
    (Voorbeeld: verscheidene bijslagtrekkenden die afhangen van dezelfde rechthebbende en, omgekeerd, verscheidene rechthebbenden voor dezelfde bijslagtrekkende).

    Deze omzendbrief is meteen reeds van toepassing op de eerstvolgende tellingen die bij de C.O. 1090 zijn voorgeschreven, namelijk die van 31 december 1984.

    (...)

    Top