Vlaanderen

CO 1165 van 16 juli 1986 - KB 410 van 18 april 1986 tot wijziging van de wet van 11 juli 1973 tot verbetering van de toestand van de bezoldigde moeder die tijdelijk ophoudt onderworpen te zijn aan de maatschappelijke zekerheid in sommige regelingen ...

 

Het koninklijk besluit nr. 410 van 18 april 1986 heeft sinds 16 mei 1986 wijzigingen aangebracht aan de wet van 11 juli 1973 tot verbetering van de toestand van de bezoldigde moeder die tijdelijk ophoudt onderworpen te zijn aan de maatschappelijke zekerheid in sommige regelingen van de maatschappelijke zekerheid.

De wijzigingen hebben als doel de gelijke behandeling van man en vrouw.

C.O. 956 van 13 februari 1974 die richtlijnen terzake bevatte en reeds werd gewijzigd door C.O. 1140 van 17 januari 1985, werd dientengevolge aangepast.

Hierna vindt u de tekst van de gewijzigde circulaire (...).

Voormelde wet van 11 juli 1973, die van kracht is sinds 3 december 1973, werd sinds 2 maart 1982 gewijzigd door het koninklijk besluit nr. 5 van 15 februari 1982 en sinds 16 mei 1986 door het koninklijk besluit nr. 140 van 18 april 1986.

De eerste wijziging had als doel niet alleen de bezoldigde moeder die haar beroepsactiviteit onderbreekt om een jong kind op te voeden maar ook de moeder die met dezelfde bedoeling haar beroepsactiviteit met tenminste de helft vermindert, bij de hervatting van haar bezoldigde beroepsactiviteit of wanneer ze opnieuw volgens haar vroegere werktijden gaat werken, het voordeel te laten behouden van bepaalde rechten waarop ze aanspraak had kunnen maken wanneer die onderbreking of vermindering zich niet had voorgedaan, met name in de kinderbijslagregeling voor werknemers.

De tweede wijziging beoogde de toekenning van dezelfde voordelen aan de bezoldigde vader en aldus de gelijkstelling van man en vrouw.

Krachtens de bepalingen van de wet van 11 juli 1973 zoals zij werd gewijzigd, worden de periodes waarover de bezoldigde ouder niet onderworpen is aan de sociale zekerheid omdat hij of zij zijn of haar jong kind opvoedt, gelijkgesteld met periodes waarin hij of zij wel onderworpen is, voor de toekenning van de verhoogde wezenbijslag (artikel 56bis, § 2, G.W.) en voor de toekenning van de verhoogde kinderbijslag (artikel 56, § 2, G.W.) voor kinderen van zieke werknemers die getroffen zijn door een arbeidsongeschiktheid van ten minste 66 % (artikel 2, lid 1 en 2). In feite moeten die periodes beschouwd worden als gelijkgestelde dagen in de zin van artikel 57bis G.W.

Voor de toepassing van de wet is het dus noodzakelijk dat de bezoldigde arbeid wordt hervat volgens de arbeidsregeling die gold vóór de opschorting of vermindering van de activiteit ; wanneer de ouder overlijdt of ziek wordt in de periode van opschorting of vermindering van de prestaties is de wet niet van toepassing.

Om het voordeel van de wet te kunnen genieten moet de bezoldigde ouder (vader of moeder) aan de volgende voorwaarden voldoen:

1. Verzekeringsplichtig geweest zijn uit hoofde van een gewoonlijke en hoofdzakelijke tewerkstelling als bepaald in de pensioenregeling voor werknemers, ten aanzien van een Belgische sociale-zekerheidsregeling voor werknemers, tijdens de 12 maanden die voorafgaan aan de geboorte van de in aanmerking genomen kinderen of aan de datum waarop hij of zij die kinderen heeft aangenomen (artikel 2, lid 1).

Om aan die voorwaarde te voldoen moet de vereiste verzekeringsplicht betrekking hebben op een tewerkstelling als werknemer die zich normaal over 185 dagen van elk ten minste 4 uren uitstrekt (artikel 29 van het koninklijk besluit van 21 december 1967 tot vaststelling van het algemeen reglement betreffende de rust- en overlevingspensioenen voor werknemers).

De periode van niet-tewerkstelling voor de opvoeding van zijn kinderen onder de bij de wet gestelde voorwaarden, wordt gelijkgesteld met een periode van verzekeringsplicht (artikel 2, lid 2).

2. Opgehouden hebben verbonden te zijn door een arbeidsovereenkomst onder het gezag van een andere persoon (bij voorbeeld als leerjongen of -meisje, stagiair, thuiswerker, als vrijwillige werknemer of tegen kost en inwoning, enz.) of zijn of haar prestaties met ten minste de helft verminderd hebben (artikel 1, lid 1).

De arbeidstijd van vóór de geboorte moet dus met ten minste de helft verminderd zijn. Die vermindering mag het gevolg zijn van een vermindering hetzij van de arbeidsdagen, hetzij van de gepresteerde uren ; de vermindering van het aantal arbeidsuren kan uiteraard ook gerealiseerd worden door een vermindering van zowel de arbeidsdagen als de arbeidsuren.

3. Zijn of haar eigen kind opvoeden tot de leeftijd van 3 jaar. (...)

Met zijn of haar eigen kinderen worden gelijkgesteld (...) kinderen van zijn of haar echtgenoot of echtgenote, en de (door hem of haar of door zijn of haar echtgenoot of echtgenote) geadopteerde kinderen. Voor de geadopteerde kinderen geldt de gelijkstelling vanaf de dag dat de bezoldigde ouder ze aanneemt met het oog op de adoptie (artikel 1, lid 2).

Het is niet noodzakelijk dat de bezoldigde ouder gehuwd is: hij of zij kan alleenstaand, uit de echt gescheiden, in rechte of feitelijk gescheiden zijn, en zelfs samenwonen. Maar in dat laatste geval komen de eventuele kinderen van de persoon met wie hij of zij samenwoont niet in aanmerking.

Wanneer het kind minder-valide is of lijdt aan een langdurige ziekte kan de periode van drie jaar verlengd worden tot het de leeftijd van zes jaar bereikt heeft (artikel 1, lid 3).

Wat moet worden verstaan onder "minder-valide kind" en "langdurige ziekte" wordt omschreven in het koninklijk besluit van 7 maart 1975 houdende uitvoering van de wet van 11 juli 1973 (B.S. 27 maart 1975) en van toepassing sinds 3 december 1973.

Top