CO 1233 van 3 augustus 1990 - Het academisch en wetenschappelijk personeel van de vrije universiteiten en ermee gelijkgestelde inrichtingen - KB van 10 juli 1990 tot uitvoering van Art. 4 SWKL

     

    Met deze omzendbrief worden onderrichtingen meegedeeld in verband met de toepassing van het koninklijk besluit van 10 juli 1990, tot uitvoering van artikel 4 van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders.

    1. Verruiming van de kinderbijslagwetgeving tot het academisch en wetenschappelijk personeel van de vrije universiteiten en gelijkgestelde inrichtingen

    De toepassing van de gecoördineerde wetten betreffende de kinderbijslag voor werknemers werd, in uitvoering van artikel 4 KBW verruimd tot het wetenschappelijk personeel van de vrije universiteiten en ermee gelijkgestelde inrichtingen, alsook tot het academisch personeel van deze inrichtingen onder de voorwaarden gesteld door voormeld koninklijk besluit.

    2. Bijdragen (Artikelen 77 en 78 G.W.)

    Het koninklijk besluit heeft eveneens tot doel de wijze van berekening van de hoofdelijke bijdragen vast te stellen die de vrije universiteiten en de ermede gelijkgestelde inrichtingen voor hun academisch personeel verschuldigd zijn.

    2.1. Toepassing van artikel 78 G.W.

    Rekening houdend met artikel 2 alinea 1 van het hierbovenvermeld koninklijk besluit van 10 juli 1990 zijn de maandelijkse hoofdelijke bijdragen, voorzien door artikel 78 KBW verschuldigd indien het academisch personeel uitsluitend of hoofdzakelijk in een vrije universiteit of hiermee gelijkgestelde inrichting is tewerkgesteld.

    Gelet op artikel 3 van hetzelfde koninklijk besluit moet het beroep als uitsluitend worden beschouwd indien de betrokkene geen enkele andere activiteit uitoefent en indien het jaarlijks ten minste 35 lesuren van minimum een uur omvat gespreid over minstens 4 maanden.

    Er zal dus worden nagegaan of het beroep van docent het enige beroep is waardoor er maandelijks bijdragen verschuldigd zijn conform artikel 78 G.W.

    Ook dient vermeld dat de bezigheid als onderwijskracht en dus het lesgeven niet enkel cursussen maar ook praktijk, oefeningen, begeleiding van eindverhandelingen, afnemen van examens, zetelen in examencommissies en bijwonen van deliberaties kan omvatten (nieuwe § 3 van artikel 21 van de wet van 28 april 1953 betreffende de inrichting van het hoger onderwijs in de Rijksuniversiteiten).
    Er moet dus geen onderscheid worden gemaakt naargelang de onderwijskracht al dan niet titularis is van een leerstoel, assistent is, enz.

    Rekening houdend met artikel 4 van voormeld koninklijk besluit moet het beroep als hoofdzakelijk worden beschouwd indien aan deze bezigheid het meeste tijd wordt besteed, gelet op het feit dat een lesuur wordt gelijkgesteld met een arbeidsdag en indien het jaarlijks tenminste 35 lesuren (van minimum een uur) omvat, gespreid over minstens 4 maanden.

    Om te bepalen welke bezigheid de meeste tijd in beslag neemt, zal voor elke bezigheid van de betrokkene de werktijd moeten worden berekend.
    Zo de docent in meer dan een instelling les geeft worden de uren die hij in elk daarvan presteert, samengeteld om te bepalen of het om zijn hoofdbezigheid gaat.
    Om vast te stellen hoeveel tijd de bezigheid in beslag neemt wordt een lesuur in het hoger onderwijs gelijkgesteld met 1 arbeidsdag.
    Zo aan deze bezigheid het grootste aantal uren wordt besteed, dan kan zij worden aangemerkt als hoofdberoep, zo niet geldt zij enkel als bijberoep.
    Om te weten of de andere activiteit (als zelfstandige, werknemer, ambtenaar, internationaal ambtenaar, politiek mandataris, tewerkgestelde in het buitenland, religieus, enz.) een bezigheid is in de zin van het koninklijk besluit van 10 juli 1990, moet vastgesteld worden of het gaat om een activiteit waarvan de uitoefening een tegenprestatie oplevert die in geld kan worden uitgedrukt (loon, voordelen in natura, winst, enz.).

    Voorbeeld:
    Een advocaat (of een werknemer, een politiek mandataris, enz.) is in die hoedanigheid tewerkgesteld gedurende 192 dagen per jaar. Zo hij daarnaast les geeft in het hoger onderwijs gedurende 216 uren per jaar (9 maanden), komt dit overeen met 216 dagen. Omdat 216 meer is dan 192 wordt zijn bezigheid als onderwijskracht als hoofdberoep aangemerkt. Geeft hij daarentegen maar 180 uren les per jaar, dan maakt dat 180 dagen per jaar, dus minder dan de 192 dagen tewerkstelling als advocaat. In dit geval worden de als onderwijskracht gepresteerde uren als bijberoep aangezien.

    2.2. Toepassing van artikel 77 G.W.

    Indien derhalve vastgesteld wordt dat betrokkene als bijberoep doceert, zijn de hoofdelijke bijdragen verschuldigd overeenkomstig artikel 77 G.W. (artikel 2, alinea 2 van het K.B. van 10 juli 1990).

    Alsdan zijn de hoofdelijke bijdragen verschuldigd in verhouding tot het aantal gepresteerde arbeidsdagen waarbij een lesuur wordt gelijkgesteld met een arbeidsdag.

    Ten einde het aantal dagen te bepalen waarvoor er bijdragen verschuldigd zijn moet men het aantal te presteren uren verdelen over het academiejaar. De werkwijze is uiteengezet onder letter D.

    2.3. Toepassing van artikelen 86 en 87 G.W.

    De artikelen 86 en 87 G.W. zijn onverminderd van toepassing.

    De werkgevers zijn aldus vrijgesteld van het betalen van bijdragen uit hoofde van de personen die zij gewoonlijk minder dan 18 dagen per jaar of minder dan twee uren per dag tewerkstellen (artikel 86, alinea 2 G.W.).

    Wanneer de docent zijn hoofdberoep heeft in dienst van een werkgever die onderworpen is aan een sociale zekerheidsregeling of aan het stelsel van hoofdelijke bijdragen, geeft zijn bezigheid als docent geen aanleiding tot het storten van hoofdelijke bijdragen (artikel 87 G.W.).

    In alle andere gevallen (zelfstandigen, ambtenaren, ook internationale, ministers, enz.) kan artikel 87 G.W. niet worden toegepast en dienen de hoofdelijke bijdragen te worden gestort, eventueel afgezien van de in artikel 86 bedoelde gevallen.

    Het artikel 87 G.W. kan echter wel ingeroepen worden voor het lid van het academisch personeel dat uitsluitend of hoofdzakelijk doceert, door de inrichtingen die hem bijkomstig bezigen, indien hij aan meerdere universiteiten (of gelijkgestelde inrichtingen) die onder toepassing van het bedoelde K.B. van 10 juli 1990 ressorteren, verbonden is. Derhalve indien de docent hoofdzakelijk gebezigd wordt door een Rijksuniversiteit en bijkomstig door een vrije universiteit zal deze laatste toch de bijdragen moeten storten. Er is dus steeds een inrichting die maandelijkse bijdragen betaalt.

    Daarentegen zijn door beide inrichtingen bijdragen verschuldigd conform art. 78 G.W. indien geen der beide inrichtingen het lid van het academisch personeel dat uitsluitend of hoofdzakelijk doceert, in hoofdzaak bezigt, t.t.z. indien de prestaties evenveel bedragen.

    2.4. Periode waarover bijdragen verschuldigd zijn en berekening van deze bijdragen

    2.4.1. De opdracht betreft het ganse academiejaar

    Indien betrokkene door de universiteit (of hiermee gelijkgestelde inrichting) bij het begin van het betrokken academiejaar als docent werd aangesteld zijn de bijdragen verschuldigd over het ganse academiejaar, dus met inbegrip van de maanden waarover geen cursussen worden gegeven (van 1 juli tot 30 september).

    2.4.1.1. het beroep van docent is het uitsluitend of hoofdzakelijk beroep

    De maandelijkse bijdragen conform artikel 78 KBW worden gevorderd, mits eventuele toepassing van artikel 87 G.W. voor de inrichtingen die hem bijkomstig bezigen.

    2.4.1.2. het beroep van docent is een bijberoep

    Het aantal dagen van het academisch jaar wordt bekomen als volgt: er wordt vooropgesteld dat elk uur gelijk is aan een dag en voor het bekomen van het aantal dagen per maand, wordt het jaarlijks aantal uren gedeeld door 9; het resultaat wordt over alle maanden van het jaar gespreid, dus eveneens over de vakantiemaanden

    Voorbeeld:
    Een docent wordt aangesteld voor 90 uren over het academiejaar 1990/1991. De bijdragen zijn verschuldigd voor 10 dagen per maand van 1 oktober 1990 tot 30 september 1991, dus voor 12 maanden.

    90 (uren) : 9 (maanden) = 10

    2.4.2. De opdracht betreft niet het ganse academiejaar

    Werd de docent echter in de loop van het academiejaar aangesteld, bijvoorbeeld ter vervanging, dan moeten de bijdragen gestort worden over het aantal overblijvende maanden van het academiejaar, met inbegrip van de maanden waarover geen cursussen worden gegeven (1 juli tot 30 september) doch waarvoor een loon wordt uitgekeerd.

    2.4.2.1. het beroep van docent is het uitsluitend of hoofdzakelijk beroep

    De maandelijkse bijdragen conform artikel 78 G.W., worden gevorderd, mits eventuele toepassing van artikel 87 G.W., voor de inrichtingen die hem bijkomstig bezigen.

    2.4.2.2. het beroep van docent is een bijberoep

    Onverminderd de toepassing van artikelen 86 en 87 G.W. wordt het maandelijks aantal dagen waarvoor bijdragen verschuldigd zijn, bekomen door het aantal lesuren (t.t.z. het aantal dagen) te delen door het aantal overblijvende maanden, van het academiejaar, zonder nochtans de maanden juli, augustus en september te tellen, waarover geen cursussen worden gegeven.

    De bijdragen worden echter ook gestort naar rato van hetzelfde maandelijks aantal dagen over de maanden juli en augustus en september voor zover hiervoor een loon wordt uitgekeerd.

    Voorbeeld:
    Een docent wordt aangesteld voor 60 uren vanaf 15 februari 1991 tot 30 september 1991.
    De bijdragen zijn verschuldigd voor 12 dagen per maand van 1 februari 1991 tot 30 september 1991 (dus 8 maanden)

    60 (uren) : 5 (maanden) = 12

    3. Toepassing van art. 97 G.W.

    Het koninklijk besluit van 10 juli 1990 is van toepassing vanaf 1 april 1990.

    De kinderbijslagfondsen waren materieel in de onmogelijkheid om de bijdragen op 1 juli 1990 te vorderen.

    Er bestaat derhalve geen aanleiding om in dit geval, de verhogingen en intresten bepaald in artikel 97 KBW toe te passen, voor zover de vereiste betaling uitgevoerd werd binnen de maand welke volgt op de publicering van het koninklijk besluit in het Belgisch Staatsblad.

    4. Toepassingsregels

    De m.b.t. de hierboven uiteengezette materie te volgen richtlijnen dienen aan de universiteiten te worden medegedeeld.

    De kinderbijslagfondsen dienen uit te gaan van de aangiften van de universiteiten om jaarlijks de als onderwijskracht gepresteerde werktijden vast te stellen en zich te baseren op de kwartaalaangiften voor de bijdragen en voor de kinderbijslag.

    De tijd die de andere bezigheid in beslag neemt blijkt uit de aangiften van betrokken derden ofwel uit een verklaring op erewoord van de betrokkene zelf, wanneer die bij voorbeeld laat weten dat zijn bijberoep hoofdberoep is geworden of vice versa.

    5. Kinderbijslag

    De bepalingen van de gecoördineerde wetten zijn volledig van toepassing wat betreft het recht op kinderbijslag voor het personeel (academisch of wetenschappelijk) aan de vrije universiteiten en de ermee gelijkgestelde instellingen. Zonodig, zullen de kinderbijslagfondsen de voorwaarden van artikel 59 G.W. nagaan.

    6. Inwerkingtreding

    Het koninklijk besluit van 10 juli 1990 treedt in werking op 1 april 1990.

    7. Vervallen teksten

    De CO 1182 van 31 juli 1987 alsook al de andere onderrichtingen die in strijd zouden zijn met het voorgaande zijn vanaf 1 april 1990 opgeheven.

    Top