CO 1241 van 17 januari 1991 - KB van 16 november 1990 tot wijziging van KB van 12 april 1984 tot uitvoering van Art. 42bis en Art. 56, §2 SWKL (uittreksels)

     

    Het koninklijk besluit van 12 april 1984 bepaalt de voorwaarden waaronder de arbeidsongeschikte gerechtigde, bedoeld in artikel 56, § 2, G.W., de pensioengerechtigde en de uitkeringsgerechtigde volledige werkloze vanaf de zevende maand werkloosheid, recht hebben op de verhoogde kinderbijslag.

    Zo mogen de vervangingsinkomens een bepaalde grens niet overschrijden (...).

    De wijziging van artikel 3 van het koninklijk besluit van 12 augustus 1984 brengt met zich dat bij de berekening van de vervangingsinkomens geen rekening wordt gehouden met de vergoeding ter aanvulling van de werkloosheidsuitkering toegekend in het raam van artikel 9 van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 46 van 23 maart 1990, betreffende de begeleidingsmaatregelen voor ploegenarbeid met nachtprestaties alsook voor andere vormen van arbeid met nachtprestaties.

    Aldus heeft de hogervermelde vergoeding ter aanvulling van de werkloosheidsuitkering niet voor gevolg dat, wanneer de rechthebbende samenwoont met een persoon die eveneens een vervangingsinkomen geniet, de toegelaten inkomensgrens overschreden wordt en het recht op de verhoogde kinderbijslag verloren gaat.

    Deze aanvullende vergoeding is ten laste van en wordt uitbetaald door de werkgever en kan niet gecumuleerd worden met de anciënniteitstoeslag voor oudere werklozen.

    Deze nieuwe bepaling treedt in werking op 1 mei 1990.

    Top